Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2532
2026-07-07
Civiel recht; Verbintenissenrecht
200.325.150/03
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
vernietigingsverzoek arbitraal vonnis: (1) partijdigheid arbiter, verzuim vermelding zakelijk contacten in disclosureverklaring, strengere toetsingsmaatstaf dan bij wraking of verschoning vlgs HR-arrest Nordström, niet achterhaald door EHRM-arrest BEG; (2) scheidsgerecht hanteert niet in petitum genoemde ingangsdatum wettelijke rente, geen andere feitelijke grondslag, datum is gunstiger dan primair gevorderde ingangsdatum, vor beide kwesties geen schending openbare orde ex art. 1065 lid 1 sub e Rv.
Citeert (10)
- ECLI:NL:HR:2023:422 Hoge Raad 17-03-2023
- ECLI:NL:HR:2021:1645 Hoge Raad 05-11-2021
- ECLI:NL:HR:2006:AZ1593 Hoge Raad 22-12-2006
- ECLI:NL:HR:2003:AE9395 Hoge Raad 17-01-2003
- ECLI:NL:HR:2009:BH3137 Hoge Raad 24-04-2009
- ECLI:NL:HR:1994:ZC1266 Hoge Raad 18-02-1994
- ECLI:CE:ECHR:2021:0520JUD000531211
- ECLI:NL:HR:2017:1012 Hoge Raad 02-06-2017
- ECLI:NL:HR:2018:2301 Hoge Raad 14-12-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1218 Gerechtshof Den Haag 23-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (42.509 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.325.150/03
Arrest van 7 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
MetaCorp International Inc.,
gevestigd in Tortola (Britse Maagdeneilanden),
eiseres,
advocaat: mr. M.J. Drop, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
,
wonend in [woonplaats] (Aruba),
gedaagde,
advocaat: mr. R. Dufour, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna MetaCorp en [gedaagde] .
1De zaak in het kort
1.1
[gedaagde] is lange tijd in dienst geweest van (de rechtsvoorgangers van) MetaCorp, laatstelijk als CEO. Op grond van een tussen hem en MetaCorp overeengekomen Share Valuation Agreement (SVA) hield [gedaagde] vanaf 2013 aandelen in MetaCorp. In het kader van de beëindiging van zijn dienstverband per 1 mei 2020 diende [gedaagde] zijn aandelen op grond van de SVA aan MetaCorp over te dragen tegen een door MetaCorp daarvoor te betalen waardevergoeding.
1.2
Tussen partijen is een geschil ontstaan over de peildatum waartegen de over te dragen aandelen moesten worden gewaardeerd. Dat geschil is op grond van de in de SVA opgenomen arbitrageclausule voorgelegd aan het daarin aangewezen NAI-scheidsgerecht in Den Haag.
1.3
In het arbitraal vonnis van 1 september 2022 (nummer NAI 4866) heeft het scheidsgerecht kort gezegd geoordeeld dat als peildatum voor de waardering 31 december 2019 moest worden aangehouden en niet, zoals MetaCorp had bepleit, 31 december 2020.
1.4
In de onderhavige procedure heeft MetaCorp primair gevorderd dat het arbitraal vonnis wordt vernietigd op de grond dat omtrent de door [gedaagde] benoemde arbiter mr. [betrokkene] gerechtvaardigde twijfel is ontstaan over diens onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Subsidiair heeft MetaCorp de gedeeltelijke vernietiging gevorderd van het arbitraal vonnis, namelijk voor zover daarin de wettelijke rente over de door MetaCorp aan [gedaagde] te betalen waardevergoeding is toegewezen vanaf de datum van indiening van het arbitrageverzoek door [gedaagde] . Die ingangsdatum vormde volgens MetaCorp geen onderdeel van hetgeen [gedaagde] in de arbitrageprocedure had gevorderd.
1.5
In dit arrest wijst het hof de vordering tot (gedeeltelijke) vernietiging af.
2Procesverloop in de vernietigingsprocedure
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 1 december 2022, waarin MetaCorp de vernietiging heeft gevorderd van het tussen partijen gewezen arbitraal vonnis van 1 september 2022 (hierna: het arbitraal vonnis);
de akte houdende overlegging producties d.d. 4 april 2023 van MetaCorp, met bijlagen;
de conclusie van antwoord van [gedaagde] , met bijlagen;
de conclusie van repliek van MetaCorp, met bijlagen;
de conclusie van dupliek van [gedaagde] , met bijlagen.
2.2
Op 21 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.
3Feitelijke achtergrond
3.1
MetaCorp is de houdstervennootschap van de MetaCorp-groep, actief in onder meer de dienstverlening ten behoeve van toerisme, horeca, distributie en transport.
3.2
[gedaagde] is sinds 1984 verbonden geweest aan (de rechtsvoorgangers van) MetaCorp, achtereenvolgens als financieel analist, financieel directeur, CFO en CEO.
3.3
MetaCorp en haar rechtsvoorgangers hebben regelingen (gehad) op grond waarvan kaderpersoneel, zoals [gedaagde] , aandelen in MetaCorp kon verkrijgen. In dat verband zijn MetaCorp en [gedaagde] op 12 maart 2013 een zogenaamde Share Valuation Agreement (hierna: SVA), met Bijlagen A en B, overeengekomen. Uit hoofde van de SVA hield [gedaagde] sindsdien een minderheidsbelang in MetaCorp.
3.4
Artikel 6 van de SVA luidt als volgt:
“This agreement will be governed by the laws of Aruba. All disputes between the parties will be brought before the Arbitration Institute of the Netherlands (N.A.I.).”
3.5
In (het coronajaar) 2020 diende [gedaagde] de door hem in MetaCorp gehouden aandelen over te dragen aan MetaCorp in verband met de beëindiging van zijn dienstverband vanwege zijn leeftijd per 1 mei van dat jaar. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de vraag of de peildatum voor de waardering van [gedaagde] aandelen op grond van de SVA en de daarvan deel uitmakende Bijlage B gelegen moet zijn aan het einde van het boekjaar onmiddellijk voorafgaande aan de uitdiensttreding (31 december 2019), zoals [gedaagde] voorstond, dan wel aan het einde van het jaar waarin zijn uitdiensttreding plaatsvindt (31 december 2020), zoals MetaCorp meende.
3.6
In verband met de in art. 6 van de SVA overeengekomen arbitrageclausule heeft [gedaagde] ter beslechting van dit geschil op 27 november 2020 een arbitrageverzoek ingediend bij het Nederlands Arbitrage Instituut (hierna: NAI) te Den Haag. In zijn verzoek heeft hij aangegeven dat van zijn kant tot arbiter is benoemd mr. [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ), advocaat te Curaçao, en van de kant van MetaCorp mr. [naam 1] , advocaat te Amsterdam. De beide arbiters hebben overeenkomstig art. 13 lid 3 van het NAI Arbitragereglement van 1 januari 2015 (hierna: NAI reglement 2015) mr. [naam 2] , advocaat te Amsterdam, benoemd als voorzitter van het scheidsgerecht.
3.7
Op 13 januari 2021 heeft [betrokkene] met betrekking tot zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid in de zaak het volgende verklaard (hierna: disclosure-verklaring):
“to have nothing to disclose: I am impartial and independent and intend to remain so. To the best of my knowledge, and having made due enquiry, there are no facts or circumstances, past or present, that I should disclose because they might be of such a nature as to call into question my independence in the eyes of any of the parties and no circumstances that could give rise to justifiable doubts as to my impartiality.”
3.8
Bij Procedural Order No.1 van 6 april 2021 heeft het scheidsgerecht op de voet van art. 21 lid 7 van het NAI reglement 2015 bepaald dat de arbitrage en de hoorzitting zullen plaatsvinden in Den Haag.
3.9
In het arbitraal vonnis heeft het scheidsgerecht overeenkomstig het NAI reglement 2015 en aan de hand van het bepaalde in art. 6 van de SVA allereerst vastgesteld bevoegd te zijn om over de zaak te oordelen en bepaald te zullen beslissen overeenkomstig het recht van Aruba. Vervolgens is MetaCorp in het arbitraal vonnis veroordeeld tot medewerking aan de overdracht aan haar door [gedaagde] van de 87.200 door [gedaagde] gehouden aandelen in MetaCorp tegen betaling aan [gedaagde] van USD 31.448.218,13 binnen tien dagen na de datum van het arbitraal vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 november 2020 en de buitengerechtelijke kosten van USD 3.413,48. MetaCorp is tevens veroordeeld in de kosten van de arbitrage. Met betrekking tot de peildatum voor de waardering van [gedaagde] aandelen heeft het scheidsgerecht overwogen:
“On the basis of the foregoing, the Arbitral Tribunal holds that the Measurement Date is 31 December of the year prior to the final employment date, and accordingly in this case 31 December 2019.”
4Vordering
4.1
MetaCorp vordert primair (1) dat het arbitraal vonnis wordt vernietigd en (2) [gedaagde] wordt veroordeeld tot terugbetaling aan haar van USD 34.114.758,65, althans subsidiair (1) dat het arbitraal vonnis gedeeltelijk wordt vernietigd, namelijk voor zover daarin onder (A) van het dictum is toegewezen de wettelijke rente op grond van artt. 6:119 en 6:120 Burgerlijk Wetboek van Aruba (BWA) vanaf 27 november 2020 en (2) [gedaagde] wordt veroordeeld tot terugbetaling aan MetaCorp van USD 1.698.204,06, in alle gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artt. 6:119 en 6:120 BWA vanaf 22 september 2022, althans de datum van de dagvaarding, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het arrest en met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4.2
Aan haar primaire vordering heeft MetaCorp ten grondslag gelegd dat het arbitraal vonnis, of de wijze waarop dit tot stand is gekomen, in strijd is met de openbare orde (art.1065 lid 1, aanhef en onder e Rv), althans dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden (art. 1065 lid 1, aanhef en onder c Rv), omdat de door [gedaagde] benoemde arbiter [betrokkene] het beginsel van onpartijdigheid en onafhankelijkheid heeft geschonden door in zijn disclosure-verklaring geen melding te maken van de (zakelijke) banden die hij heeft (gehad) met [gedaagde] . De strekking van het aan haar subsidiaire vordering ten grondslag gelegde betoog van MetaCorp is dat het scheidsgerecht het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden en een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven (art. 1065 lid 1, aanhef en onder e Rv), althans zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden (art. 1065 lid 1, aanhef en onder c Rv), althans zijn oordeel niet met redenen heeft omkleed (art. 1065 lid 1, aanhef en onder d Rv), door de wettelijke rente over het door MetaCorp te betalen bedrag te laten ingaan op 27 november 2020, terwijl geen van partijen deze datum als mogelijke verzuimdatum heeft genoemd en het scheidsgerecht daarbij bovendien niet heeft gerespondeerd op het verweer van MetaCorp dat sprake was van schuldeisersverzuim. Om voornoemde redenen meent MetaCorp dat zij USD 34.114.758,65, althans USD 1.698.204,06 onverschuldigd aan [gedaagde] heeft betaald en daarom recht heeft op restitutie daarvan.
4.3
[gedaagde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, althans tot schorsing van de procedure en terugverwijzing naar het scheidsgerecht op de voet van art. 1065a Rv indien het hof voornemens zou zijn om de vordering van MetaCorp tot partiële vernietiging toe te wijzen. Indien het hof de primaire terugbetalingsvordering van MetaCorp zou toewijzen, concludeert hij tevens dat MetaCorp moet worden veroordeeld tot teruglevering van de 87.200 aandelen, in alle gevallen met de veroordeling van MetaCorp in de proceskosten, met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het arrest en met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
5Beoordeling
Bevoegdheid hof / tijdigheid vernietigingsvordering
5.1
De plaats van arbitrage (Den Haag) is gelegen binnen het ressort van het gerechtshof Den Haag, zodat dit hof bevoegd is van de vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis kennis te nemen (art. 1064a lid 1 Rv).
5.2
De vordering van MetaCorp is tijdig ingesteld, binnen de in art. 1064a lid 2 Rv genoemde (verval)termijn van drie maanden.
Toetsingskader
5.3
Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad geldt als algemeen uitgangspunt dat de burgerlijke rechter terughoudendheid moet betrachten bij de beoordeling van een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis. Het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging brengt mee dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen. Een vernietigingsprocedure mag dus niet worden gebruikt als een verkapt hoger beroep.
5.4
Vernietiging van een arbitraal vonnis kan slechts plaatsvinden op de in art. 1065 lid 1 Rv vermelde gronden. Een van die gronden is de situatie waarin het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden (c-grond). Bij de beoordeling van de vraag of het scheidsgerecht de grenzen van zijn opdracht heeft overschreden, moet mede de vraag worden betrokken of het geschil is beslecht in overeenstemming met de procedureregels die in het gegeven geval van toepassing zijn. De rechter moet echter ook bij zijn onderzoek of het scheidsgerecht de procedureregels heeft nageleefd, terughoudendheid betrachten. Verder geldt dat een schending van de opdracht alleen tot vernietiging van een arbitraal vonnis kan leiden als die schending van ernstige aard is (art. 1065 lid 4 Rv).
5.5
Daarnaast kan vernietiging op de voet van art. 1065 lid 1 Rv plaatsvinden als het arbitraal vonnis (onder meer) niet met redenen is omkleed (d-grond). Vernietiging van een arbitraal vonnis op deze grond vindt slechts plaats wanneer een motivering ontbreekt, en dus niet in gevallen van ondeugdelijke motivering. Met een ontbrekende motivering moet op één lijn worden gesteld het geval waarin weliswaar een motivering is gegeven, maar daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet valt te onderkennen.
5.6
Vernietiging van een arbitraal vonnis kan verder plaatsvinden wanneer dit vonnis, of de wijze waarop het tot stand is gekomen, in strijd is met de openbare orde (e-grond). Die bepaling moet naar haar aard eveneens met terughoudendheid worden toegepast. Voor een terughoudende toetsing is echter geen plaats als moet worden geoordeeld dat bij de totstandkoming van het arbitraal vonnis is gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van procesrecht, zoals het recht op hoor en wederhoor.
I. Arbiter [betrokkene] niet onafhankelijk en onpartijdig?
5.7
MetaCorp heeft aangevoerd dat [gedaagde] [betrokkene] in het verleden met regelmaat heeft ingeschakeld voor advisering en dat hij dat deed zowel namens aan MetaCorp gelieerde vennootschappen als in kwesties die niet aan MetaCorp waren gerelateerd. Wat betreft het recente verleden (binnen een periode van drie jaar voorafgaand aan de benoeming van [betrokkene] tot arbiter) heeft MetaCorp daarbij gewezen op de advisering door [betrokkene] tussen 31 augustus en 30 november 2018 op verzoek van [gedaagde] over Arubaanse financiële toezichtwetgeving en op de advisering door [betrokkene] in december 2019 over terugbetalingsverplichtingen van de Aruba Scholarship Foundation (ASF), een stichting waarvan [gedaagde] bestuurslid is. Arbiter [betrokkene] heeft hiervan geen melding gemaakt in zijn disclosure-verklaring aan het NAI van 13 januari 2021, terwijl hij dat op grond van (de toelichting op) het NAI reglement 2015 c.q. op grond van de zogenoemde ‘Orange List’ in de IBA Guidelines on Conflicts of Interest in International Arbitration (hierna: IBA Guidelines) wel had moeten doen. Dat geldt volgens MetaCorp temeer nu tussen [gedaagde] en [betrokkene] eerder ook al (zakelijke) banden blijken te hebben bestaan. Zo was [betrokkene] al in 2001 als advocaat van NIB (een bank) betrokken bij een kredietovereenkomst tussen NIB en MetaCorp en was hij in 2006 als advocaat betrokken bij de herfinanciering van de MetaCorp-groep, toen [gedaagde] van MetaCorp de CFO was. Het was [gedaagde] die [betrokkene] toen aan Crédit Suisse, de belangrijkste daarbij betrokken financier, heeft aangeraden, aldus MetaCorp. [gedaagde] en [betrokkene] hadden in dit verband gedurende bijna het gehele jaar 2006 contact met elkaar. Dat blijkt volgens MetaCorp uit de (zeer) vele e-mails die in dat jaar tussen [gedaagde] en [betrokkene] gewisseld zijn. In december 2006 hebben [gedaagde] en [betrokkene] zelfs samen een aandeelhoudersvergadering van MetaCorp N.V. gehouden, waarbij [gedaagde] MetaCorp vertegenwoordigde en [betrokkene] als (door [gedaagde] aangewezen) secretaris optrad. Daarna zijn er volgens MetaCorp meerdere contactmomenten geweest tussen beiden: (1) in 2010 hadden [gedaagde] en [betrokkene] contact met elkaar in verband met enkele oudere hypothecaire inschrijvingen die ongedaan moesten worden gemaakt, (2) in 2011 bestond tussen beiden contact toen [betrokkene] voor NIB werkte aan de financiering van WEB, het Arubaanse energie- en waterbedrijf waarvan [gedaagde] commissaris was, (3) in 2013 is [betrokkene] op verzoek van [gedaagde] in een arbitrage opgetreden als advocaat voor een deelneming van de MetaCorp-groep, waarvan [gedaagde] de bestuurder was, (4) in april 2014 was er contact tussen beiden in verband met de afwikkeling van de herfinanciering van MetaCorp in 2006 en in mei 2017 is daarover opnieuw contact geweest tussen MetaCorp en [betrokkene] . [betrokkene] kan met het oog op al deze contacten niet worden geacht te voldoen aan het beginsel van onpartijdigheid en onafhankelijkheid, aldus MetaCorp, die daaraan de conclusie verbindt dat (de wijze van totstandkoming van) het arbitraal vonnis in strijd is met de openbare orde als bedoeld in de e-grond, althans dat op dat punt sprake is van schending van de opdracht aan het scheidsgerecht (c-grond).
5.8
Het hof is met MetaCorp van oordeel dat met de genoemde voorbeelden – in onderling verband en samenhang bezien – sprake is van een zodanige mate en duur van zakelijk verkeer tussen [gedaagde] en [betrokkene] dat het [betrokkene] niet vrijstond om daarvan in het geheel geen melding te maken in zijn disclosure-verklaring. Mogelijk ging het niet om intensieve contacten en was [betrokkene] bij enkele transacties, gelet op het soms geringe aantal gedeclareerde uren, slechts zijdelings betrokken, maar dat kan niet wegnemen dat [betrokkene] klaarblijkelijk in zodanige mate een zakelijke bekende was (geworden) van [gedaagde] dat hij daarvan melding had moeten maken, ook al ging hij er kennelijk zelf van uit dat dat zijn onpartijdigheid niet in de weg stond. In de disclosure-verklaring staat immers uitdrukkelijk opgenomen dat geen feiten of omstandigheden mogen bestaan “to call into question my independence in the eyes of any of the parties” (onderstreping hof). [betrokkene] had gelet op zijn (al langer bestaande) contacten met [gedaagde] moeten beseffen dat in ieder geval bij MetaCorp vragen zouden kunnen bestaan over de intensiteit daarvan, zodat bij MetaCorp ook gerechtvaardigde twijfels konden bestaan over zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Door deze contacten in het geheel niet te noemen heeft [betrokkene] MetaCorp de mogelijkheid ontnomen om daarin zelf een afweging te maken, al dan niet na het door [betrokkene] verstrekken van nadere informatie over die contacten op detailniveau. Het doel van een disclosure is immers om partijen te informeren over feiten en omstandigheden die zij mogelijk verder willen onderzoeken om te bepalen of er objectief gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de arbiter. Het verwijt van MetaCorp is in zoverre dus terecht.
1) geen vernietiging op de e-grond
5.9
De gemankeerde disclosure-verklaring van [betrokkene] kan naar het oordeel van het hof echter niet leiden tot vernietiging van het arbitraal vonnis. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beantwoording van de vraag of een arbitraal vonnis vernietigbaar is wegens strijd met de openbare orde op de grond dat het scheidsgerecht of (een van) de arbiters niet onafhankelijk en onpartijdig was of waren, immers een strengere maatstaf te worden aangelegd dan wanneer het gaat om wraking van of verschoning door hen. Waar voorafgaand aan of tijdens een arbitrale procedure ingevolge art. 19 van het NAI reglement 2015 voor een wrakings- of verschoningsverzoek voldoende is dat gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van een arbiter, is voor vernietiging van een (al gewezen) arbitraal vonnis wegens strijd met de openbare orde in verband met een beroep op het niet onpartijdig of onafhankelijk zijn van een arbiter alleen dan plaats wanneer feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen op grond waarvan moet worden aangenomen dat een arbiter bij het geven van de arbitrale beslissing in feite niet onpartijdig en onafhankelijk was, of dat omtrent diens toenmalige onpartijdigheid of onafhankelijkheid in zo ernstige mate twijfel mogelijk is dat het, de overige omstandigheden mede in aanmerking genomen, onaanvaardbaar zou zijn om van de partij die in de arbitrage in het ongelijk is gesteld te vergen dat zij zich bij de uitspraak neerlegt. Een partij kan in een zodanige vernietigingsvordering slechts slagen als de door haar aan haar vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden haar gedurende de arbitrale procedure niet bekend zijn geweest en het haar niet valt toe te rekenen dat zij daarmee in dat stadium niet bekend was. Valt dit haar wel toe te rekenen of was zij daarmee reeds vóór het arbitraal vonnis bekend, dan heeft voor die partij de weg van wraking van de desbetreffende arbiter opengestaan, hetgeen een vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis op grond van deze feiten en omstandigheden uitsluit.
5.10
Het hof is het met [gedaagde] eens dat uit de door MetaCorp genoemde contacten tussen [gedaagde] en [betrokkene] niet kan blijken dat over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van [betrokkene] ten tijde van het arbitraal vonnis in zo ernstige mate twijfel mogelijk is dat het onaanvaardbaar zou zijn om van MetaCorp te vergen dat zij zich bij de uitspraak neerlegt. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat het arbitraal vonnis door de drie arbiters in unanimiteit is gewezen. Geen van de arbiters heeft hetzij om inhoudelijke redenen, hetzij om procedurele redenen aanleiding gezien voor het afgeven van een dissenting opinion, zodat ervan mag worden uitgegaan dat de collegiale beraadslaging en oordeelsvorming volgens de regelen der kunst zijn verlopen. Daarbij komt dat [gedaagde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij en [betrokkene] weliswaar op meerdere momenten zakelijk contact met elkaar hebben gehad, maar dat tussen hen nimmer een zodanig nauwe en intensieve samenwerking heeft bestaan dat hij reeds om die reden eraan had moeten twijfelen of [betrokkene] wel als onafhankelijk arbiter kon optreden. Bij de advisering over de Arubaanse toezichtwetgeving in 2018 waren vele andere (grote) zakelijke partijen betrokken en kwam [betrokkene] pas in beeld nadat een van die partijen (Morgan Stanley) daarom had verzocht. [betrokkene] heeft aan zijn werkzaamheden in totaal toen slechts 15,7 uren besteed, welke uren niet bij MetaCorp of [gedaagde] , maar bij Morgan Stanley in rekening zijn gebracht. Aan het advieswerk voor ASF in 2019 heeft [betrokkene] slechts 1,1 uur besteed. De overige contacten dateren van vele jaren terug en de door MetaCorp opgesomde omstandigheden geven er geen blijk van dat het toen ging om een intensieve samenwerking tussen beiden. Verder kan er ook niet aan worden voorbijgegaan dat board-leden van grote Arubaanse bedrijven en op de Caraïbische eilanden van het Koninkrijk gevestigde advocaten elkaar wel vaker zullen tegenkomen in het zakelijk verkeer op of met Aruba.
5.11
Daarnaast heeft te gelden dat de door MetaCorp beschreven contacten tussen [betrokkene] en [gedaagde] grotendeels plaatsvonden met [gedaagde] in diens hoedanigheid van CFO of CEO van MetaCorp. Ten tijde van de advisering in 2018 was, zoals MetaCorp zelf ook aangeeft, [gedaagde] weliswaar de contactpersoon, maar MetaCorp de cliënte van [betrokkene] . MetaCorp moet dus al veel eerder van de contacten van [gedaagde] met [betrokkene] op de hoogte zijn geweest, die immers plaatsvonden in haar naam en, naar mag worden aangenomen, in haar belang. Het door MetaCorp genoemde e-mailverkeer tussen [betrokkene] en [gedaagde] vond ook alleen plaats via het zakelijke e-mailadres van [gedaagde] bij MetaCorp, zelfs toen [gedaagde] [betrokkene] in 2019 niet namens MetaCorp, maar als bestuurder van ASF om advies vroeg. Dat [gedaagde] als CEO van MetaCorp volgens MetaCorp autonoom te werk ging en (andere personen binnen het concern van) MetaCorp niet steeds nauwgezet informeerde kan niet meebrengen dat het MetaCorp niet is toe te rekenen dat zij deze contacten pas na het arbitraal vonnis zou hebben ontdekt. [gedaagde] is 36 jaar aan MetaCorp verbonden geweest en is aldaar geëindigd als CEO. MetaCorp kan dus worden geacht geheel van de handel en wandel van [gedaagde] binnen het concern op de hoogte te zijn geweest. De meerderheidsaandeelhouder tevens voormalig CEO van MetaCorp en voorzitter van MetaCorps raad van commissarissen, E. de Veer, was blijkens de notulen van 5 juni 2015, 2 december 2016, 21 en 22 november 2019 in elk geval op die data aanwezig bij bestuursvergaderingen met [gedaagde] . Blijkens de door hem (mede)ondertekende aandeelhoudersbesluiten en transactiedocumentatie moet hij ook van vele van de door MetaCorp genoemde transacties op de hoogte zijn geweest en van de rol van [betrokkene] daarbij. De notulen van de commissarisvergaderingen van 28 november 2018 en 13 februari 2020 wijzen eveneens in die richting. Een en ander maakt dat, zo MetaCorp al onwetend was van de eerdere contacten tussen [gedaagde] en [betrokkene] , het in elk geval aan MetaCorp kan worden toegerekend dat zij daarmee niet voorafgaand aan of tijdens de arbitrale procedure bekend was.
5.12
Anders dan MetaCorp heeft aangevoerd is naar het oordeel van het hof de strenge toetsingsmaatstaf voor vernietiging van een arbitraal vonnis op deze grond uit het hiervoor aangehaalde arrest Nordström/Van Nievelt niet achterhaald door de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak BEG S.P.A. v. Italië (hierna: de BEG-zaak). In de BEG-zaak was (nog) geen sprake van een door de drie arbiters ondertekende arbitrale uitspraak toen BEG de arbitragekamer van de Kamer van Koophandel in Rome (hierna: de arbitragekamer) verzocht om de terugtrekking van de door haar wederpartij EnelPower aangewezen arbiter op de grond dat haar was gebleken dat deze arbiter enkele jaren vóór de arbitrage lid was geweest van de raad van bestuur van de moedermaatschappij van EnelPower en bovendien nog steeds bleek op te treden als advocaat voor die moedermaatschappij. Deze arbiter had daarvan ten tijde van de aanvaarding van zijn opdracht geen melding gemaakt. Daags nadat de door BEG aangewezen arbiter vanwege de oncollegiale gang van zaken aan het eind van de arbitrageprocedure een dissenting opinion had ingediend, wees de arbitragekamer het terugtrekkingsverzoek van BEG af omdat, niettegenstaande de nog ontbrekende handtekening van de door BEG aangewezen arbiter onder de uitspraak en zijn toen nog ontbrekende dissenting opinion, in raadkamer al een bindende beslissing zou zijn genomen. Die gang van zaken achtte het EHRM in strijd met art. 6 EVRM.
5.13
In de BEG-zaak ging het dus om een situatie van wraking of verschoning, omdat de gronden daarvoor zich voordeden vóórdat sprake was van een schriftelijke, door de drie arbiters ondertekende arbitrale uitspraak. In de onderhavige zaak was op het moment dat MetaCorp zich beklaagde over de mogelijke vooringenomenheid van [betrokkene] , daarentegen al sprake van een schriftelijke en door de drie arbiters ondertekende arbitrale uitspraak, die, anders dan in de BEG-zaak, bovendien in unanimiteit was gewezen. In het arrest Nordström/Van Nievelt heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk overwogen dat wraking of verschoning niet meer mogelijk is nadat, zoals hier, het arbitraal vonnis al is gewezen. Wanneer partijen de arbitrale procedure ten einde toe hebben gevoerd en arbiters hun opdracht hebben voltooid moet, mede gelet op het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging, bij de beantwoording van de vraag of een arbitraal vonnis vernietigbaar is wegens strijd met de openbare orde een strengere maatstaf worden aangelegd dan wanneer het gaat om wraking of verschoning, aldus de Hoge Raad in dit arrest.
5.14
Daar komt nog bij dat het MetaCorp, zoals in rov. 5.11 overwogen, valt toe te rekenen dat zij niet reeds gedurende de arbitrale procedure, of in elk geval vóór het arbitraal vonnis, bekend is geraakt met de aan haar vernietigingsvordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. Voor MetaCorp heeft gedurende de arbitrageprocedure dus de weg van wraking van [betrokkene] opengestaan, hetgeen een vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis op grond van deze feiten en omstandigheden uitsluit.
2) geen vernietiging op de c-grond
5.15
Om dezelfde reden strandt het vernietigingsberoep van MetaCorp op de c-grond. Volgens MetaCorp vormde de onafhankelijkheid van [betrokkene] op grond van art. 11 van het NAI reglement 2015 onderdeel van diens opdracht. In genoemd artikel wordt gewaarborgd dat een arbiter zijn opdracht onafhankelijk en onpartijdig zal uitvoeren (lid 2), dat als hij het vermoeden heeft dat gerechtvaardigde twijfel zou kunnen bestaan over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid hij daarvan mededeling doet aan degene die hem heeft aangezocht (lid 3), en dat als hij hangende het arbitraal geding dat vermoeden krijgt, hij daarvan mededeling doet aan de administrateur, de partijen en de medearbiters (lid 5). Dat artikel ziet dus op de procedure rond het instrument van wraking of verschoning (zie daarover ook art. 10 van de Toelichting op het NAI reglement 2015). Zoals uit het arrest Nordström/Van Nievelt blijkt, kan daarop geen beroep meer worden gedaan als het arbitraal vonnis al is gewezen en het de klager, zoals hier, kan worden toegerekend een dergelijk beroep niet reeds vóór het arbitraal vonnis te hebben gedaan.
II. Ingangsdatum wettelijke rente
5.16
MetaCorp heeft zich erover beklaagd dat de door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente (over het door MetaCorp te betalen bedrag voor de aandelen) in het arbitraal vonnis is toegewezen met ingang van 27 november 2020, terwijl die ingangsdatum in de vordering van [gedaagde] niet is genoemd. MetaCorp meent daarom dat het scheidsgerecht een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven, die niet gebaseerd is op enige stelling van partijen. Volgens MetaCorp is daarmee het beginsel van hoor en wederhoor geschonden en moet het arbitraal vonnis, nu MetaCorp op dit oordeel niet heeft kunnen reageren, partieel worden vernietigd op de grond dat dit (of de wijze van totstandkoming ervan) in zoverre strijdt met de openbare orde (e-grond). Subsidiair heeft MetaCorp aangevoerd dat het scheidsgerecht, door aldus feiten of rechten te gebruiken die niet aan de vordering ten grondslag waren gelegd, buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en zich dus niet aan zijn opdracht heeft gehouden (c-grond). Meer subsidiair meent MetaCorp dat het oordeel van het scheidsgerecht met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente niet (voldoende) met redenen is omkleed, zodat het arbitraal vonnis partieel dient te worden vernietigd op de d-grond.
5.17
Blijkens het overgelegde arbitragedossier heeft [gedaagde] de wettelijke rente primair gevorderd met ingang van 1 maart 2020, als de datum waarop de fatale termijn verstreek waarbinnen MetaCorp 80% van de aandelenwaarde moest betalen en per 1 juni 2020 als de datum waarop de fatale betalingstermijn verstreek voor de overige 20%. Subsidiair vorderde [gedaagde] de wettelijke rente met ingang van 28 augustus 2020, als de datum waarop MetaCorp [gedaagde] schriftelijk te kennen had gegeven de aandelen niet te zullen terugkopen als zou worden uitgegaan van de in de SVA bedoelde peildatum 31 december 2019. MetaCorp heeft daartegen ingebracht (1) dat van verzuim geen sprake was omdat 31 december 2019 niet had te gelden als de overeengekomen peildatum, (2) dat 1 maart en 1 juni 2020 niet waren te beschouwen als fatale termijnen, (3) dat zij nimmer een ingebrekestelling had ontvangen, en (4) dat zij niet in verzuim kón zijn omdat [gedaagde] had geweigerd in te stemmen met de door MetaCorp voorgestelde betaling in februari 2021 en MetaCorp [gedaagde] vervolgens op 26 februari 2021 heeft laten weten haar betalingsverplichtingen te zullen opschorten.
5.18
Het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat aan de zijde van MetaCorp sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de SVA, omdat niet 31 december 2020, maar 31 december 2019 de peildatum is. Het oordeelde echter dat MetaCorp niet in verzuim was wat betreft haar betalingsverplichtingen, omdat 1 maart en 1 juni 2020 niet konden gelden als fatale termijnen en de brief van 28 augustus 2020 niet kon worden beschouwd als een mededeling waaruit blijkt dat MetaCorp weigerde de SVA na te komen. Het scheidsgerecht vervolgde op dat punt en over de vervolgens wél aangenomen ingangsdatum voor de wettelijke rente:
“This does not qualify as a notification from MetaCorp that it will not perform its obligations in line with the SVA within the meaning of Article 83(c) ACC. Instead, the Arbitral Tribunal considers that MetaCorp is in default (in verzuim) as of the date of the request for arbitration, i.e. 27 November 2020.”
1) geen vernietiging op de e-grond
5.19
Uit het voorgaande volgt dat partijen in de arbitrale procedure over en weer hun eigen visie hebben gegeven op de verschuldigdheid en ingangsdatum van de wettelijke rente en die visie ook hebben gemotiveerd en toegelicht. De vraag naar de ingangsdatum van de wettelijke rente en de daaraan door partijen ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zijn dus uitdrukkelijk onderdeel van het processuele debat geweest. Daaruit volgt reeds dat van een verrassingsbeslissing in zoverre geen sprake kan zijn geweest en het beginsel van hoor en wederhoor niet in het gedrang is geweest. Gelet op de over en weer ingenomen standpunten over het verzuim, dat volgens [gedaagde] ingevolge art. 6:83 BWA zonder ingebrekestelling was ingetreden hetzij vanwege een overeengekomen fatale termijn (sub a), hetzij vanwege een mededeling door MetaCorp waaruit [gedaagde] moest afleiden dat MetaCorp niet zou nakomen (sub c), kan voorts niet worden gezegd dat partijen er geen rekening mee behoefden te houden dat de arbiters als ingangsdatum voor de wettelijke rente een andere op artt. 6:82 en 6:83 BWA gebaseerde datum zouden hanteren die zonder aparte ingebrekestelling kon gelden als datum waarop het verzuim was ingetreden. Anders dan MetaCorp betoogt, is het scheidsgerecht daarmee niet uitgegaan van een andere feitelijke grondslag, maar is het in lijn met art. 25 BWA nagegaan of en zo ja op welke juridische grondslag de tussen partijen vaststaande feiten de vordering van [gedaagde] tot betaling van wettelijke rente met ingang van een bepaalde datum wél konden dragen.
5.20
Overeenkomstig de gangbare jurisprudentie op dat punt in dagvaardingszaken, heeft het scheidsgerecht voor de ingangsdatum van de door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente de (tussen partijen vaststaande) dag van de arbitrageaanvrage genomen. Uit de proceshouding van MetaCorp, die had geweigerd aan de SVA uitvoering te geven zolang niet van de volgens haar geldende peildatum 31 december 2020 zou worden uitgegaan, heeft het scheidsgerecht kennelijk afgeleid dat MetaCorp bestreed voor de terugkoop van de aandelen het bedrag te moeten betalen dat was gebaseerd op de volgens het scheidsgerecht geldende peildatum 31 december 2019 en dat aanmaning daartoe door [gedaagde] dus nutteloos zou zijn. Het scheidsgerecht heeft dat blijkens het voorgaande kunnen doen zonder daarmee de openbare orde te schenden, temeer nu deze datum was gelegen nà de door [gedaagde] primair en subsidiair gevorderde ingangsdatum en deze datum in zoverre voor MetaCorp dus gunstiger was dan wat [gedaagde] had gevorderd. Dit alles maakt dat het arbitraal vonnis, mede gelet op de door het hof in dat kader te betrachten terughoudendheid, niet in aanmerking komt voor (partiële) vernietiging op de e-grond.
2) geen vernietiging op de c-grond
5.21
Aangezien het scheidsgerecht minder heeft toegewezen dan [gedaagde] (primair en subsidiair) had gevorderd kan ook niet worden gezegd dat het scheidsgerecht buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, dan wel zich anderszins niet aan zijn opdracht heeft gehouden, laat staan in de mate die ingevolge art. 1065 lid 4 Rv voor een gegrond beroep op deze vernietigingsgrond nodig is. De door het scheidsgerecht gekozen (voor MetaCorp gunstiger) ingangsdatum lag logischerwijs in het gevorderde besloten en daartegen heeft zij zich ook in de arbitrageprocedure kunnen verweren. Daarbij komt dat [gedaagde] in zijn vordering aan het scheidsgerecht ruimte had geboden om een (andere) passende veroordeling uit te spreken: “providing any (other) relief that the Arbitral Tribunal deems necessary or appropriate”. Partiële vernietiging van het arbitraal vonnis op de c-grond is daarom evenmin aan de orde.
3) geen vernietiging op de d-grond
5.22
In de toewijzing van de wettelijke rente vanaf de datum waarop het arbitrageverzoek werd ingediend ligt besloten dat het scheidsgerecht het beroep van MetaCorp op het hierboven in rov. 5.17 onder (4) omschreven ‘schuldeisersverzuim’ heeft verworpen. Het arbitrage-verzoek is ingediend op 27 november 2020 en op dat moment was van het gestelde verzuim aan de zijde van [gedaagde] nog geen sprake. De weigering van [gedaagde] om in te stemmen met de door MetaCorp voorgestelde betaling en de mededeling dat MetaCorp betaling daarom zou opschorten vonden immers eerst plaats in februari 2021. De redenen voor de verwerping van het beroep op ‘schuldeisersverzuim’ zijn daarmee voldoende kenbaar af te leiden uit de toewijzing van de wettelijke rente per 27 november 2020 en het (impliciete) oordeel van het scheidsgerecht dat op die datum nog geen sprake kón zijn van schuldeisersverzuim op de door MetaCorp daaraan ten grondslag gelegde feiten. Ook de vernietigingsgrond van art. 1065 lid 1, aanhef en onder d Rv doet zich dus niet voor.
Conclusie en proceskosten
5.23
Het voorgaande brengt mee dat het hof niet toekomt aan een beoordeling van de nevenvorderingen van MetaCorp tot terugbetaling en de voorwaardelijke tegenvorderingen van [gedaagde] tot terugverwijzing naar het scheidsgerecht en teruglevering van de aandelen.
5.24
De conclusie is dat de vordering van MetaCorp tot (gedeeltelijke) vernietiging van het arbitraal vonnis van 1 september 2022 niet toewijsbaar is en dat dat vonnis dus in stand blijft. Het hof zal MetaCorp als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van de onderhavige procedure.
5.25
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] op:
griffierecht € 343,-
salaris advocaat € 26.436,- (4 punten × tarief VIII)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 26.968,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
6Beslissing
Het hof:
wijst de vordering van MetaCorp tot (gedeeltelijke) vernietiging van het tussen partijen op 1 september 2022 in Den Haag onder nummer NAI 4866 gewezen arbitraal vonnis af;
veroordeelt MetaCorp in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 26.968,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als MetaCorp deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
bepaalt dat als MetaCorp niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, MetaCorp de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als MetaCorp deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het anders of meer gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.A.M. van Waesberghe, H.J. van Kooten en
A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Arbitraal vonnis, onder 3 Arbitration Agreement and Applicable Law, rov. 12-15.
Arbitraal vonnis, onder 8 Analysis and Decision, paragraaf 8.1.1. Is the Measurement Date
31 December 2019 or 31 December 2020 ?, rov. 87.
Hoge Raad 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:422, rov. 3.3.
Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645, rov. 5.5.4.
Hoge Raad 22 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1593, rov. 3.3.
Hoge Raad 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9395, rov. 3.3.
Hoge Raad 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3137, rov. 4.3.1.
Vgl. IBA Guidelines (versie 2014), pag. 18 onder 4.
Hoge Raad 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1266, NJ 1994/765 (Nordström/Van Nievelt),
rov. 3.8.
Ibidem, rov. 3.8 (slot).
EHRM 20 mei 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0520JUD000531211.
Hoge Raad in Nordström/Van Nievelt, rov. 3.8 (slot).
Arbitraal vonnis onder 8 Analysis and Decision, paragraaf 8.2 Claim for damages pursuant to
Article 6:74 ACC, rov. 105 (slot).
Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1012, rov. 3.5.3 - 3.5.4. en Hoge Raad 14 december
2018, ECLI:NL:HR:2018:2301, rov. 3.3.2.
Vgl. Hof Den Haag 23 juli 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1218, rov. 4.31.
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.325.150/03
Arrest van 7 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
MetaCorp International Inc.,
gevestigd in Tortola (Britse Maagdeneilanden),
eiseres,
advocaat: mr. M.J. Drop, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
,
wonend in [woonplaats] (Aruba),
gedaagde,
advocaat: mr. R. Dufour, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna MetaCorp en [gedaagde] .
1De zaak in het kort
1.1
[gedaagde] is lange tijd in dienst geweest van (de rechtsvoorgangers van) MetaCorp, laatstelijk als CEO. Op grond van een tussen hem en MetaCorp overeengekomen Share Valuation Agreement (SVA) hield [gedaagde] vanaf 2013 aandelen in MetaCorp. In het kader van de beëindiging van zijn dienstverband per 1 mei 2020 diende [gedaagde] zijn aandelen op grond van de SVA aan MetaCorp over te dragen tegen een door MetaCorp daarvoor te betalen waardevergoeding.
1.2
Tussen partijen is een geschil ontstaan over de peildatum waartegen de over te dragen aandelen moesten worden gewaardeerd. Dat geschil is op grond van de in de SVA opgenomen arbitrageclausule voorgelegd aan het daarin aangewezen NAI-scheidsgerecht in Den Haag.
1.3
In het arbitraal vonnis van 1 september 2022 (nummer NAI 4866) heeft het scheidsgerecht kort gezegd geoordeeld dat als peildatum voor de waardering 31 december 2019 moest worden aangehouden en niet, zoals MetaCorp had bepleit, 31 december 2020.
1.4
In de onderhavige procedure heeft MetaCorp primair gevorderd dat het arbitraal vonnis wordt vernietigd op de grond dat omtrent de door [gedaagde] benoemde arbiter mr. [betrokkene] gerechtvaardigde twijfel is ontstaan over diens onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Subsidiair heeft MetaCorp de gedeeltelijke vernietiging gevorderd van het arbitraal vonnis, namelijk voor zover daarin de wettelijke rente over de door MetaCorp aan [gedaagde] te betalen waardevergoeding is toegewezen vanaf de datum van indiening van het arbitrageverzoek door [gedaagde] . Die ingangsdatum vormde volgens MetaCorp geen onderdeel van hetgeen [gedaagde] in de arbitrageprocedure had gevorderd.
1.5
In dit arrest wijst het hof de vordering tot (gedeeltelijke) vernietiging af.
2Procesverloop in de vernietigingsprocedure
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 1 december 2022, waarin MetaCorp de vernietiging heeft gevorderd van het tussen partijen gewezen arbitraal vonnis van 1 september 2022 (hierna: het arbitraal vonnis);
de akte houdende overlegging producties d.d. 4 april 2023 van MetaCorp, met bijlagen;
de conclusie van antwoord van [gedaagde] , met bijlagen;
de conclusie van repliek van MetaCorp, met bijlagen;
de conclusie van dupliek van [gedaagde] , met bijlagen.
2.2
Op 21 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.
3Feitelijke achtergrond
3.1
MetaCorp is de houdstervennootschap van de MetaCorp-groep, actief in onder meer de dienstverlening ten behoeve van toerisme, horeca, distributie en transport.
3.2
[gedaagde] is sinds 1984 verbonden geweest aan (de rechtsvoorgangers van) MetaCorp, achtereenvolgens als financieel analist, financieel directeur, CFO en CEO.
3.3
MetaCorp en haar rechtsvoorgangers hebben regelingen (gehad) op grond waarvan kaderpersoneel, zoals [gedaagde] , aandelen in MetaCorp kon verkrijgen. In dat verband zijn MetaCorp en [gedaagde] op 12 maart 2013 een zogenaamde Share Valuation Agreement (hierna: SVA), met Bijlagen A en B, overeengekomen. Uit hoofde van de SVA hield [gedaagde] sindsdien een minderheidsbelang in MetaCorp.
3.4
Artikel 6 van de SVA luidt als volgt:
“This agreement will be governed by the laws of Aruba. All disputes between the parties will be brought before the Arbitration Institute of the Netherlands (N.A.I.).”
3.5
In (het coronajaar) 2020 diende [gedaagde] de door hem in MetaCorp gehouden aandelen over te dragen aan MetaCorp in verband met de beëindiging van zijn dienstverband vanwege zijn leeftijd per 1 mei van dat jaar. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de vraag of de peildatum voor de waardering van [gedaagde] aandelen op grond van de SVA en de daarvan deel uitmakende Bijlage B gelegen moet zijn aan het einde van het boekjaar onmiddellijk voorafgaande aan de uitdiensttreding (31 december 2019), zoals [gedaagde] voorstond, dan wel aan het einde van het jaar waarin zijn uitdiensttreding plaatsvindt (31 december 2020), zoals MetaCorp meende.
3.6
In verband met de in art. 6 van de SVA overeengekomen arbitrageclausule heeft [gedaagde] ter beslechting van dit geschil op 27 november 2020 een arbitrageverzoek ingediend bij het Nederlands Arbitrage Instituut (hierna: NAI) te Den Haag. In zijn verzoek heeft hij aangegeven dat van zijn kant tot arbiter is benoemd mr. [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ), advocaat te Curaçao, en van de kant van MetaCorp mr. [naam 1] , advocaat te Amsterdam. De beide arbiters hebben overeenkomstig art. 13 lid 3 van het NAI Arbitragereglement van 1 januari 2015 (hierna: NAI reglement 2015) mr. [naam 2] , advocaat te Amsterdam, benoemd als voorzitter van het scheidsgerecht.
3.7
Op 13 januari 2021 heeft [betrokkene] met betrekking tot zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid in de zaak het volgende verklaard (hierna: disclosure-verklaring):
“to have nothing to disclose: I am impartial and independent and intend to remain so. To the best of my knowledge, and having made due enquiry, there are no facts or circumstances, past or present, that I should disclose because they might be of such a nature as to call into question my independence in the eyes of any of the parties and no circumstances that could give rise to justifiable doubts as to my impartiality.”
3.8
Bij Procedural Order No.1 van 6 april 2021 heeft het scheidsgerecht op de voet van art. 21 lid 7 van het NAI reglement 2015 bepaald dat de arbitrage en de hoorzitting zullen plaatsvinden in Den Haag.
3.9
In het arbitraal vonnis heeft het scheidsgerecht overeenkomstig het NAI reglement 2015 en aan de hand van het bepaalde in art. 6 van de SVA allereerst vastgesteld bevoegd te zijn om over de zaak te oordelen en bepaald te zullen beslissen overeenkomstig het recht van Aruba. Vervolgens is MetaCorp in het arbitraal vonnis veroordeeld tot medewerking aan de overdracht aan haar door [gedaagde] van de 87.200 door [gedaagde] gehouden aandelen in MetaCorp tegen betaling aan [gedaagde] van USD 31.448.218,13 binnen tien dagen na de datum van het arbitraal vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 november 2020 en de buitengerechtelijke kosten van USD 3.413,48. MetaCorp is tevens veroordeeld in de kosten van de arbitrage. Met betrekking tot de peildatum voor de waardering van [gedaagde] aandelen heeft het scheidsgerecht overwogen:
“On the basis of the foregoing, the Arbitral Tribunal holds that the Measurement Date is 31 December of the year prior to the final employment date, and accordingly in this case 31 December 2019.”
4Vordering
4.1
MetaCorp vordert primair (1) dat het arbitraal vonnis wordt vernietigd en (2) [gedaagde] wordt veroordeeld tot terugbetaling aan haar van USD 34.114.758,65, althans subsidiair (1) dat het arbitraal vonnis gedeeltelijk wordt vernietigd, namelijk voor zover daarin onder (A) van het dictum is toegewezen de wettelijke rente op grond van artt. 6:119 en 6:120 Burgerlijk Wetboek van Aruba (BWA) vanaf 27 november 2020 en (2) [gedaagde] wordt veroordeeld tot terugbetaling aan MetaCorp van USD 1.698.204,06, in alle gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artt. 6:119 en 6:120 BWA vanaf 22 september 2022, althans de datum van de dagvaarding, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het arrest en met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4.2
Aan haar primaire vordering heeft MetaCorp ten grondslag gelegd dat het arbitraal vonnis, of de wijze waarop dit tot stand is gekomen, in strijd is met de openbare orde (art.1065 lid 1, aanhef en onder e Rv), althans dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden (art. 1065 lid 1, aanhef en onder c Rv), omdat de door [gedaagde] benoemde arbiter [betrokkene] het beginsel van onpartijdigheid en onafhankelijkheid heeft geschonden door in zijn disclosure-verklaring geen melding te maken van de (zakelijke) banden die hij heeft (gehad) met [gedaagde] . De strekking van het aan haar subsidiaire vordering ten grondslag gelegde betoog van MetaCorp is dat het scheidsgerecht het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden en een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven (art. 1065 lid 1, aanhef en onder e Rv), althans zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden (art. 1065 lid 1, aanhef en onder c Rv), althans zijn oordeel niet met redenen heeft omkleed (art. 1065 lid 1, aanhef en onder d Rv), door de wettelijke rente over het door MetaCorp te betalen bedrag te laten ingaan op 27 november 2020, terwijl geen van partijen deze datum als mogelijke verzuimdatum heeft genoemd en het scheidsgerecht daarbij bovendien niet heeft gerespondeerd op het verweer van MetaCorp dat sprake was van schuldeisersverzuim. Om voornoemde redenen meent MetaCorp dat zij USD 34.114.758,65, althans USD 1.698.204,06 onverschuldigd aan [gedaagde] heeft betaald en daarom recht heeft op restitutie daarvan.
4.3
[gedaagde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, althans tot schorsing van de procedure en terugverwijzing naar het scheidsgerecht op de voet van art. 1065a Rv indien het hof voornemens zou zijn om de vordering van MetaCorp tot partiële vernietiging toe te wijzen. Indien het hof de primaire terugbetalingsvordering van MetaCorp zou toewijzen, concludeert hij tevens dat MetaCorp moet worden veroordeeld tot teruglevering van de 87.200 aandelen, in alle gevallen met de veroordeling van MetaCorp in de proceskosten, met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het arrest en met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
5Beoordeling
Bevoegdheid hof / tijdigheid vernietigingsvordering
5.1
De plaats van arbitrage (Den Haag) is gelegen binnen het ressort van het gerechtshof Den Haag, zodat dit hof bevoegd is van de vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis kennis te nemen (art. 1064a lid 1 Rv).
5.2
De vordering van MetaCorp is tijdig ingesteld, binnen de in art. 1064a lid 2 Rv genoemde (verval)termijn van drie maanden.
Toetsingskader
5.3
Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad geldt als algemeen uitgangspunt dat de burgerlijke rechter terughoudendheid moet betrachten bij de beoordeling van een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis. Het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging brengt mee dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen. Een vernietigingsprocedure mag dus niet worden gebruikt als een verkapt hoger beroep.
5.4
Vernietiging van een arbitraal vonnis kan slechts plaatsvinden op de in art. 1065 lid 1 Rv vermelde gronden. Een van die gronden is de situatie waarin het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden (c-grond). Bij de beoordeling van de vraag of het scheidsgerecht de grenzen van zijn opdracht heeft overschreden, moet mede de vraag worden betrokken of het geschil is beslecht in overeenstemming met de procedureregels die in het gegeven geval van toepassing zijn. De rechter moet echter ook bij zijn onderzoek of het scheidsgerecht de procedureregels heeft nageleefd, terughoudendheid betrachten. Verder geldt dat een schending van de opdracht alleen tot vernietiging van een arbitraal vonnis kan leiden als die schending van ernstige aard is (art. 1065 lid 4 Rv).
5.5
Daarnaast kan vernietiging op de voet van art. 1065 lid 1 Rv plaatsvinden als het arbitraal vonnis (onder meer) niet met redenen is omkleed (d-grond). Vernietiging van een arbitraal vonnis op deze grond vindt slechts plaats wanneer een motivering ontbreekt, en dus niet in gevallen van ondeugdelijke motivering. Met een ontbrekende motivering moet op één lijn worden gesteld het geval waarin weliswaar een motivering is gegeven, maar daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet valt te onderkennen.
5.6
Vernietiging van een arbitraal vonnis kan verder plaatsvinden wanneer dit vonnis, of de wijze waarop het tot stand is gekomen, in strijd is met de openbare orde (e-grond). Die bepaling moet naar haar aard eveneens met terughoudendheid worden toegepast. Voor een terughoudende toetsing is echter geen plaats als moet worden geoordeeld dat bij de totstandkoming van het arbitraal vonnis is gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van procesrecht, zoals het recht op hoor en wederhoor.
I. Arbiter [betrokkene] niet onafhankelijk en onpartijdig?
5.7
MetaCorp heeft aangevoerd dat [gedaagde] [betrokkene] in het verleden met regelmaat heeft ingeschakeld voor advisering en dat hij dat deed zowel namens aan MetaCorp gelieerde vennootschappen als in kwesties die niet aan MetaCorp waren gerelateerd. Wat betreft het recente verleden (binnen een periode van drie jaar voorafgaand aan de benoeming van [betrokkene] tot arbiter) heeft MetaCorp daarbij gewezen op de advisering door [betrokkene] tussen 31 augustus en 30 november 2018 op verzoek van [gedaagde] over Arubaanse financiële toezichtwetgeving en op de advisering door [betrokkene] in december 2019 over terugbetalingsverplichtingen van de Aruba Scholarship Foundation (ASF), een stichting waarvan [gedaagde] bestuurslid is. Arbiter [betrokkene] heeft hiervan geen melding gemaakt in zijn disclosure-verklaring aan het NAI van 13 januari 2021, terwijl hij dat op grond van (de toelichting op) het NAI reglement 2015 c.q. op grond van de zogenoemde ‘Orange List’ in de IBA Guidelines on Conflicts of Interest in International Arbitration (hierna: IBA Guidelines) wel had moeten doen. Dat geldt volgens MetaCorp temeer nu tussen [gedaagde] en [betrokkene] eerder ook al (zakelijke) banden blijken te hebben bestaan. Zo was [betrokkene] al in 2001 als advocaat van NIB (een bank) betrokken bij een kredietovereenkomst tussen NIB en MetaCorp en was hij in 2006 als advocaat betrokken bij de herfinanciering van de MetaCorp-groep, toen [gedaagde] van MetaCorp de CFO was. Het was [gedaagde] die [betrokkene] toen aan Crédit Suisse, de belangrijkste daarbij betrokken financier, heeft aangeraden, aldus MetaCorp. [gedaagde] en [betrokkene] hadden in dit verband gedurende bijna het gehele jaar 2006 contact met elkaar. Dat blijkt volgens MetaCorp uit de (zeer) vele e-mails die in dat jaar tussen [gedaagde] en [betrokkene] gewisseld zijn. In december 2006 hebben [gedaagde] en [betrokkene] zelfs samen een aandeelhoudersvergadering van MetaCorp N.V. gehouden, waarbij [gedaagde] MetaCorp vertegenwoordigde en [betrokkene] als (door [gedaagde] aangewezen) secretaris optrad. Daarna zijn er volgens MetaCorp meerdere contactmomenten geweest tussen beiden: (1) in 2010 hadden [gedaagde] en [betrokkene] contact met elkaar in verband met enkele oudere hypothecaire inschrijvingen die ongedaan moesten worden gemaakt, (2) in 2011 bestond tussen beiden contact toen [betrokkene] voor NIB werkte aan de financiering van WEB, het Arubaanse energie- en waterbedrijf waarvan [gedaagde] commissaris was, (3) in 2013 is [betrokkene] op verzoek van [gedaagde] in een arbitrage opgetreden als advocaat voor een deelneming van de MetaCorp-groep, waarvan [gedaagde] de bestuurder was, (4) in april 2014 was er contact tussen beiden in verband met de afwikkeling van de herfinanciering van MetaCorp in 2006 en in mei 2017 is daarover opnieuw contact geweest tussen MetaCorp en [betrokkene] . [betrokkene] kan met het oog op al deze contacten niet worden geacht te voldoen aan het beginsel van onpartijdigheid en onafhankelijkheid, aldus MetaCorp, die daaraan de conclusie verbindt dat (de wijze van totstandkoming van) het arbitraal vonnis in strijd is met de openbare orde als bedoeld in de e-grond, althans dat op dat punt sprake is van schending van de opdracht aan het scheidsgerecht (c-grond).
5.8
Het hof is met MetaCorp van oordeel dat met de genoemde voorbeelden – in onderling verband en samenhang bezien – sprake is van een zodanige mate en duur van zakelijk verkeer tussen [gedaagde] en [betrokkene] dat het [betrokkene] niet vrijstond om daarvan in het geheel geen melding te maken in zijn disclosure-verklaring. Mogelijk ging het niet om intensieve contacten en was [betrokkene] bij enkele transacties, gelet op het soms geringe aantal gedeclareerde uren, slechts zijdelings betrokken, maar dat kan niet wegnemen dat [betrokkene] klaarblijkelijk in zodanige mate een zakelijke bekende was (geworden) van [gedaagde] dat hij daarvan melding had moeten maken, ook al ging hij er kennelijk zelf van uit dat dat zijn onpartijdigheid niet in de weg stond. In de disclosure-verklaring staat immers uitdrukkelijk opgenomen dat geen feiten of omstandigheden mogen bestaan “to call into question my independence in the eyes of any of the parties” (onderstreping hof). [betrokkene] had gelet op zijn (al langer bestaande) contacten met [gedaagde] moeten beseffen dat in ieder geval bij MetaCorp vragen zouden kunnen bestaan over de intensiteit daarvan, zodat bij MetaCorp ook gerechtvaardigde twijfels konden bestaan over zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Door deze contacten in het geheel niet te noemen heeft [betrokkene] MetaCorp de mogelijkheid ontnomen om daarin zelf een afweging te maken, al dan niet na het door [betrokkene] verstrekken van nadere informatie over die contacten op detailniveau. Het doel van een disclosure is immers om partijen te informeren over feiten en omstandigheden die zij mogelijk verder willen onderzoeken om te bepalen of er objectief gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de arbiter. Het verwijt van MetaCorp is in zoverre dus terecht.
1) geen vernietiging op de e-grond
5.9
De gemankeerde disclosure-verklaring van [betrokkene] kan naar het oordeel van het hof echter niet leiden tot vernietiging van het arbitraal vonnis. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beantwoording van de vraag of een arbitraal vonnis vernietigbaar is wegens strijd met de openbare orde op de grond dat het scheidsgerecht of (een van) de arbiters niet onafhankelijk en onpartijdig was of waren, immers een strengere maatstaf te worden aangelegd dan wanneer het gaat om wraking van of verschoning door hen. Waar voorafgaand aan of tijdens een arbitrale procedure ingevolge art. 19 van het NAI reglement 2015 voor een wrakings- of verschoningsverzoek voldoende is dat gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van een arbiter, is voor vernietiging van een (al gewezen) arbitraal vonnis wegens strijd met de openbare orde in verband met een beroep op het niet onpartijdig of onafhankelijk zijn van een arbiter alleen dan plaats wanneer feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen op grond waarvan moet worden aangenomen dat een arbiter bij het geven van de arbitrale beslissing in feite niet onpartijdig en onafhankelijk was, of dat omtrent diens toenmalige onpartijdigheid of onafhankelijkheid in zo ernstige mate twijfel mogelijk is dat het, de overige omstandigheden mede in aanmerking genomen, onaanvaardbaar zou zijn om van de partij die in de arbitrage in het ongelijk is gesteld te vergen dat zij zich bij de uitspraak neerlegt. Een partij kan in een zodanige vernietigingsvordering slechts slagen als de door haar aan haar vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden haar gedurende de arbitrale procedure niet bekend zijn geweest en het haar niet valt toe te rekenen dat zij daarmee in dat stadium niet bekend was. Valt dit haar wel toe te rekenen of was zij daarmee reeds vóór het arbitraal vonnis bekend, dan heeft voor die partij de weg van wraking van de desbetreffende arbiter opengestaan, hetgeen een vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis op grond van deze feiten en omstandigheden uitsluit.
5.10
Het hof is het met [gedaagde] eens dat uit de door MetaCorp genoemde contacten tussen [gedaagde] en [betrokkene] niet kan blijken dat over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van [betrokkene] ten tijde van het arbitraal vonnis in zo ernstige mate twijfel mogelijk is dat het onaanvaardbaar zou zijn om van MetaCorp te vergen dat zij zich bij de uitspraak neerlegt. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat het arbitraal vonnis door de drie arbiters in unanimiteit is gewezen. Geen van de arbiters heeft hetzij om inhoudelijke redenen, hetzij om procedurele redenen aanleiding gezien voor het afgeven van een dissenting opinion, zodat ervan mag worden uitgegaan dat de collegiale beraadslaging en oordeelsvorming volgens de regelen der kunst zijn verlopen. Daarbij komt dat [gedaagde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij en [betrokkene] weliswaar op meerdere momenten zakelijk contact met elkaar hebben gehad, maar dat tussen hen nimmer een zodanig nauwe en intensieve samenwerking heeft bestaan dat hij reeds om die reden eraan had moeten twijfelen of [betrokkene] wel als onafhankelijk arbiter kon optreden. Bij de advisering over de Arubaanse toezichtwetgeving in 2018 waren vele andere (grote) zakelijke partijen betrokken en kwam [betrokkene] pas in beeld nadat een van die partijen (Morgan Stanley) daarom had verzocht. [betrokkene] heeft aan zijn werkzaamheden in totaal toen slechts 15,7 uren besteed, welke uren niet bij MetaCorp of [gedaagde] , maar bij Morgan Stanley in rekening zijn gebracht. Aan het advieswerk voor ASF in 2019 heeft [betrokkene] slechts 1,1 uur besteed. De overige contacten dateren van vele jaren terug en de door MetaCorp opgesomde omstandigheden geven er geen blijk van dat het toen ging om een intensieve samenwerking tussen beiden. Verder kan er ook niet aan worden voorbijgegaan dat board-leden van grote Arubaanse bedrijven en op de Caraïbische eilanden van het Koninkrijk gevestigde advocaten elkaar wel vaker zullen tegenkomen in het zakelijk verkeer op of met Aruba.
5.11
Daarnaast heeft te gelden dat de door MetaCorp beschreven contacten tussen [betrokkene] en [gedaagde] grotendeels plaatsvonden met [gedaagde] in diens hoedanigheid van CFO of CEO van MetaCorp. Ten tijde van de advisering in 2018 was, zoals MetaCorp zelf ook aangeeft, [gedaagde] weliswaar de contactpersoon, maar MetaCorp de cliënte van [betrokkene] . MetaCorp moet dus al veel eerder van de contacten van [gedaagde] met [betrokkene] op de hoogte zijn geweest, die immers plaatsvonden in haar naam en, naar mag worden aangenomen, in haar belang. Het door MetaCorp genoemde e-mailverkeer tussen [betrokkene] en [gedaagde] vond ook alleen plaats via het zakelijke e-mailadres van [gedaagde] bij MetaCorp, zelfs toen [gedaagde] [betrokkene] in 2019 niet namens MetaCorp, maar als bestuurder van ASF om advies vroeg. Dat [gedaagde] als CEO van MetaCorp volgens MetaCorp autonoom te werk ging en (andere personen binnen het concern van) MetaCorp niet steeds nauwgezet informeerde kan niet meebrengen dat het MetaCorp niet is toe te rekenen dat zij deze contacten pas na het arbitraal vonnis zou hebben ontdekt. [gedaagde] is 36 jaar aan MetaCorp verbonden geweest en is aldaar geëindigd als CEO. MetaCorp kan dus worden geacht geheel van de handel en wandel van [gedaagde] binnen het concern op de hoogte te zijn geweest. De meerderheidsaandeelhouder tevens voormalig CEO van MetaCorp en voorzitter van MetaCorps raad van commissarissen, E. de Veer, was blijkens de notulen van 5 juni 2015, 2 december 2016, 21 en 22 november 2019 in elk geval op die data aanwezig bij bestuursvergaderingen met [gedaagde] . Blijkens de door hem (mede)ondertekende aandeelhoudersbesluiten en transactiedocumentatie moet hij ook van vele van de door MetaCorp genoemde transacties op de hoogte zijn geweest en van de rol van [betrokkene] daarbij. De notulen van de commissarisvergaderingen van 28 november 2018 en 13 februari 2020 wijzen eveneens in die richting. Een en ander maakt dat, zo MetaCorp al onwetend was van de eerdere contacten tussen [gedaagde] en [betrokkene] , het in elk geval aan MetaCorp kan worden toegerekend dat zij daarmee niet voorafgaand aan of tijdens de arbitrale procedure bekend was.
5.12
Anders dan MetaCorp heeft aangevoerd is naar het oordeel van het hof de strenge toetsingsmaatstaf voor vernietiging van een arbitraal vonnis op deze grond uit het hiervoor aangehaalde arrest Nordström/Van Nievelt niet achterhaald door de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak BEG S.P.A. v. Italië (hierna: de BEG-zaak). In de BEG-zaak was (nog) geen sprake van een door de drie arbiters ondertekende arbitrale uitspraak toen BEG de arbitragekamer van de Kamer van Koophandel in Rome (hierna: de arbitragekamer) verzocht om de terugtrekking van de door haar wederpartij EnelPower aangewezen arbiter op de grond dat haar was gebleken dat deze arbiter enkele jaren vóór de arbitrage lid was geweest van de raad van bestuur van de moedermaatschappij van EnelPower en bovendien nog steeds bleek op te treden als advocaat voor die moedermaatschappij. Deze arbiter had daarvan ten tijde van de aanvaarding van zijn opdracht geen melding gemaakt. Daags nadat de door BEG aangewezen arbiter vanwege de oncollegiale gang van zaken aan het eind van de arbitrageprocedure een dissenting opinion had ingediend, wees de arbitragekamer het terugtrekkingsverzoek van BEG af omdat, niettegenstaande de nog ontbrekende handtekening van de door BEG aangewezen arbiter onder de uitspraak en zijn toen nog ontbrekende dissenting opinion, in raadkamer al een bindende beslissing zou zijn genomen. Die gang van zaken achtte het EHRM in strijd met art. 6 EVRM.
5.13
In de BEG-zaak ging het dus om een situatie van wraking of verschoning, omdat de gronden daarvoor zich voordeden vóórdat sprake was van een schriftelijke, door de drie arbiters ondertekende arbitrale uitspraak. In de onderhavige zaak was op het moment dat MetaCorp zich beklaagde over de mogelijke vooringenomenheid van [betrokkene] , daarentegen al sprake van een schriftelijke en door de drie arbiters ondertekende arbitrale uitspraak, die, anders dan in de BEG-zaak, bovendien in unanimiteit was gewezen. In het arrest Nordström/Van Nievelt heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk overwogen dat wraking of verschoning niet meer mogelijk is nadat, zoals hier, het arbitraal vonnis al is gewezen. Wanneer partijen de arbitrale procedure ten einde toe hebben gevoerd en arbiters hun opdracht hebben voltooid moet, mede gelet op het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging, bij de beantwoording van de vraag of een arbitraal vonnis vernietigbaar is wegens strijd met de openbare orde een strengere maatstaf worden aangelegd dan wanneer het gaat om wraking of verschoning, aldus de Hoge Raad in dit arrest.
5.14
Daar komt nog bij dat het MetaCorp, zoals in rov. 5.11 overwogen, valt toe te rekenen dat zij niet reeds gedurende de arbitrale procedure, of in elk geval vóór het arbitraal vonnis, bekend is geraakt met de aan haar vernietigingsvordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. Voor MetaCorp heeft gedurende de arbitrageprocedure dus de weg van wraking van [betrokkene] opengestaan, hetgeen een vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis op grond van deze feiten en omstandigheden uitsluit.
2) geen vernietiging op de c-grond
5.15
Om dezelfde reden strandt het vernietigingsberoep van MetaCorp op de c-grond. Volgens MetaCorp vormde de onafhankelijkheid van [betrokkene] op grond van art. 11 van het NAI reglement 2015 onderdeel van diens opdracht. In genoemd artikel wordt gewaarborgd dat een arbiter zijn opdracht onafhankelijk en onpartijdig zal uitvoeren (lid 2), dat als hij het vermoeden heeft dat gerechtvaardigde twijfel zou kunnen bestaan over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid hij daarvan mededeling doet aan degene die hem heeft aangezocht (lid 3), en dat als hij hangende het arbitraal geding dat vermoeden krijgt, hij daarvan mededeling doet aan de administrateur, de partijen en de medearbiters (lid 5). Dat artikel ziet dus op de procedure rond het instrument van wraking of verschoning (zie daarover ook art. 10 van de Toelichting op het NAI reglement 2015). Zoals uit het arrest Nordström/Van Nievelt blijkt, kan daarop geen beroep meer worden gedaan als het arbitraal vonnis al is gewezen en het de klager, zoals hier, kan worden toegerekend een dergelijk beroep niet reeds vóór het arbitraal vonnis te hebben gedaan.
II. Ingangsdatum wettelijke rente
5.16
MetaCorp heeft zich erover beklaagd dat de door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente (over het door MetaCorp te betalen bedrag voor de aandelen) in het arbitraal vonnis is toegewezen met ingang van 27 november 2020, terwijl die ingangsdatum in de vordering van [gedaagde] niet is genoemd. MetaCorp meent daarom dat het scheidsgerecht een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven, die niet gebaseerd is op enige stelling van partijen. Volgens MetaCorp is daarmee het beginsel van hoor en wederhoor geschonden en moet het arbitraal vonnis, nu MetaCorp op dit oordeel niet heeft kunnen reageren, partieel worden vernietigd op de grond dat dit (of de wijze van totstandkoming ervan) in zoverre strijdt met de openbare orde (e-grond). Subsidiair heeft MetaCorp aangevoerd dat het scheidsgerecht, door aldus feiten of rechten te gebruiken die niet aan de vordering ten grondslag waren gelegd, buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en zich dus niet aan zijn opdracht heeft gehouden (c-grond). Meer subsidiair meent MetaCorp dat het oordeel van het scheidsgerecht met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente niet (voldoende) met redenen is omkleed, zodat het arbitraal vonnis partieel dient te worden vernietigd op de d-grond.
5.17
Blijkens het overgelegde arbitragedossier heeft [gedaagde] de wettelijke rente primair gevorderd met ingang van 1 maart 2020, als de datum waarop de fatale termijn verstreek waarbinnen MetaCorp 80% van de aandelenwaarde moest betalen en per 1 juni 2020 als de datum waarop de fatale betalingstermijn verstreek voor de overige 20%. Subsidiair vorderde [gedaagde] de wettelijke rente met ingang van 28 augustus 2020, als de datum waarop MetaCorp [gedaagde] schriftelijk te kennen had gegeven de aandelen niet te zullen terugkopen als zou worden uitgegaan van de in de SVA bedoelde peildatum 31 december 2019. MetaCorp heeft daartegen ingebracht (1) dat van verzuim geen sprake was omdat 31 december 2019 niet had te gelden als de overeengekomen peildatum, (2) dat 1 maart en 1 juni 2020 niet waren te beschouwen als fatale termijnen, (3) dat zij nimmer een ingebrekestelling had ontvangen, en (4) dat zij niet in verzuim kón zijn omdat [gedaagde] had geweigerd in te stemmen met de door MetaCorp voorgestelde betaling in februari 2021 en MetaCorp [gedaagde] vervolgens op 26 februari 2021 heeft laten weten haar betalingsverplichtingen te zullen opschorten.
5.18
Het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat aan de zijde van MetaCorp sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de SVA, omdat niet 31 december 2020, maar 31 december 2019 de peildatum is. Het oordeelde echter dat MetaCorp niet in verzuim was wat betreft haar betalingsverplichtingen, omdat 1 maart en 1 juni 2020 niet konden gelden als fatale termijnen en de brief van 28 augustus 2020 niet kon worden beschouwd als een mededeling waaruit blijkt dat MetaCorp weigerde de SVA na te komen. Het scheidsgerecht vervolgde op dat punt en over de vervolgens wél aangenomen ingangsdatum voor de wettelijke rente:
“This does not qualify as a notification from MetaCorp that it will not perform its obligations in line with the SVA within the meaning of Article 83(c) ACC. Instead, the Arbitral Tribunal considers that MetaCorp is in default (in verzuim) as of the date of the request for arbitration, i.e. 27 November 2020.”
1) geen vernietiging op de e-grond
5.19
Uit het voorgaande volgt dat partijen in de arbitrale procedure over en weer hun eigen visie hebben gegeven op de verschuldigdheid en ingangsdatum van de wettelijke rente en die visie ook hebben gemotiveerd en toegelicht. De vraag naar de ingangsdatum van de wettelijke rente en de daaraan door partijen ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zijn dus uitdrukkelijk onderdeel van het processuele debat geweest. Daaruit volgt reeds dat van een verrassingsbeslissing in zoverre geen sprake kan zijn geweest en het beginsel van hoor en wederhoor niet in het gedrang is geweest. Gelet op de over en weer ingenomen standpunten over het verzuim, dat volgens [gedaagde] ingevolge art. 6:83 BWA zonder ingebrekestelling was ingetreden hetzij vanwege een overeengekomen fatale termijn (sub a), hetzij vanwege een mededeling door MetaCorp waaruit [gedaagde] moest afleiden dat MetaCorp niet zou nakomen (sub c), kan voorts niet worden gezegd dat partijen er geen rekening mee behoefden te houden dat de arbiters als ingangsdatum voor de wettelijke rente een andere op artt. 6:82 en 6:83 BWA gebaseerde datum zouden hanteren die zonder aparte ingebrekestelling kon gelden als datum waarop het verzuim was ingetreden. Anders dan MetaCorp betoogt, is het scheidsgerecht daarmee niet uitgegaan van een andere feitelijke grondslag, maar is het in lijn met art. 25 BWA nagegaan of en zo ja op welke juridische grondslag de tussen partijen vaststaande feiten de vordering van [gedaagde] tot betaling van wettelijke rente met ingang van een bepaalde datum wél konden dragen.
5.20
Overeenkomstig de gangbare jurisprudentie op dat punt in dagvaardingszaken, heeft het scheidsgerecht voor de ingangsdatum van de door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente de (tussen partijen vaststaande) dag van de arbitrageaanvrage genomen. Uit de proceshouding van MetaCorp, die had geweigerd aan de SVA uitvoering te geven zolang niet van de volgens haar geldende peildatum 31 december 2020 zou worden uitgegaan, heeft het scheidsgerecht kennelijk afgeleid dat MetaCorp bestreed voor de terugkoop van de aandelen het bedrag te moeten betalen dat was gebaseerd op de volgens het scheidsgerecht geldende peildatum 31 december 2019 en dat aanmaning daartoe door [gedaagde] dus nutteloos zou zijn. Het scheidsgerecht heeft dat blijkens het voorgaande kunnen doen zonder daarmee de openbare orde te schenden, temeer nu deze datum was gelegen nà de door [gedaagde] primair en subsidiair gevorderde ingangsdatum en deze datum in zoverre voor MetaCorp dus gunstiger was dan wat [gedaagde] had gevorderd. Dit alles maakt dat het arbitraal vonnis, mede gelet op de door het hof in dat kader te betrachten terughoudendheid, niet in aanmerking komt voor (partiële) vernietiging op de e-grond.
2) geen vernietiging op de c-grond
5.21
Aangezien het scheidsgerecht minder heeft toegewezen dan [gedaagde] (primair en subsidiair) had gevorderd kan ook niet worden gezegd dat het scheidsgerecht buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, dan wel zich anderszins niet aan zijn opdracht heeft gehouden, laat staan in de mate die ingevolge art. 1065 lid 4 Rv voor een gegrond beroep op deze vernietigingsgrond nodig is. De door het scheidsgerecht gekozen (voor MetaCorp gunstiger) ingangsdatum lag logischerwijs in het gevorderde besloten en daartegen heeft zij zich ook in de arbitrageprocedure kunnen verweren. Daarbij komt dat [gedaagde] in zijn vordering aan het scheidsgerecht ruimte had geboden om een (andere) passende veroordeling uit te spreken: “providing any (other) relief that the Arbitral Tribunal deems necessary or appropriate”. Partiële vernietiging van het arbitraal vonnis op de c-grond is daarom evenmin aan de orde.
3) geen vernietiging op de d-grond
5.22
In de toewijzing van de wettelijke rente vanaf de datum waarop het arbitrageverzoek werd ingediend ligt besloten dat het scheidsgerecht het beroep van MetaCorp op het hierboven in rov. 5.17 onder (4) omschreven ‘schuldeisersverzuim’ heeft verworpen. Het arbitrage-verzoek is ingediend op 27 november 2020 en op dat moment was van het gestelde verzuim aan de zijde van [gedaagde] nog geen sprake. De weigering van [gedaagde] om in te stemmen met de door MetaCorp voorgestelde betaling en de mededeling dat MetaCorp betaling daarom zou opschorten vonden immers eerst plaats in februari 2021. De redenen voor de verwerping van het beroep op ‘schuldeisersverzuim’ zijn daarmee voldoende kenbaar af te leiden uit de toewijzing van de wettelijke rente per 27 november 2020 en het (impliciete) oordeel van het scheidsgerecht dat op die datum nog geen sprake kón zijn van schuldeisersverzuim op de door MetaCorp daaraan ten grondslag gelegde feiten. Ook de vernietigingsgrond van art. 1065 lid 1, aanhef en onder d Rv doet zich dus niet voor.
Conclusie en proceskosten
5.23
Het voorgaande brengt mee dat het hof niet toekomt aan een beoordeling van de nevenvorderingen van MetaCorp tot terugbetaling en de voorwaardelijke tegenvorderingen van [gedaagde] tot terugverwijzing naar het scheidsgerecht en teruglevering van de aandelen.
5.24
De conclusie is dat de vordering van MetaCorp tot (gedeeltelijke) vernietiging van het arbitraal vonnis van 1 september 2022 niet toewijsbaar is en dat dat vonnis dus in stand blijft. Het hof zal MetaCorp als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van de onderhavige procedure.
5.25
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] op:
griffierecht € 343,-
salaris advocaat € 26.436,- (4 punten × tarief VIII)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 26.968,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
6Beslissing
Het hof:
wijst de vordering van MetaCorp tot (gedeeltelijke) vernietiging van het tussen partijen op 1 september 2022 in Den Haag onder nummer NAI 4866 gewezen arbitraal vonnis af;
veroordeelt MetaCorp in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 26.968,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als MetaCorp deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
bepaalt dat als MetaCorp niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, MetaCorp de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als MetaCorp deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het anders of meer gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.A.M. van Waesberghe, H.J. van Kooten en
A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Arbitraal vonnis, onder 3 Arbitration Agreement and Applicable Law, rov. 12-15.
Arbitraal vonnis, onder 8 Analysis and Decision, paragraaf 8.1.1. Is the Measurement Date
31 December 2019 or 31 December 2020 ?, rov. 87.
Hoge Raad 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:422, rov. 3.3.
Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645, rov. 5.5.4.
Hoge Raad 22 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1593, rov. 3.3.
Hoge Raad 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9395, rov. 3.3.
Hoge Raad 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3137, rov. 4.3.1.
Vgl. IBA Guidelines (versie 2014), pag. 18 onder 4.
Hoge Raad 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1266, NJ 1994/765 (Nordström/Van Nievelt),
rov. 3.8.
Ibidem, rov. 3.8 (slot).
EHRM 20 mei 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0520JUD000531211.
Hoge Raad in Nordström/Van Nievelt, rov. 3.8 (slot).
Arbitraal vonnis onder 8 Analysis and Decision, paragraaf 8.2 Claim for damages pursuant to
Article 6:74 ACC, rov. 105 (slot).
Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1012, rov. 3.5.3 - 3.5.4. en Hoge Raad 14 december
2018, ECLI:NL:HR:2018:2301, rov. 3.3.2.
Vgl. Hof Den Haag 23 juli 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1218, rov. 4.31.