Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2507
2026-07-08
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.362.016/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHDHA:2026:2507 → ECLI:NL:RBDHA:2024:16523
- hogerBeroep ECLI:NL:GHDHA:2026:2507 → ECLI:NL:RBDHA:2024:20932
- hogerBeroep ECLI:NL:GHDHA:2026:2507 → ECLI:NL:RBDHA:2025:16096 meerdere afhandelingswijzen
Inhoudsindicatie
Verdeling huwelijksgemeenschap naar Frans recht. De man heeft aangetoond de woning volledig te hebben gefinancierd en heeft daarom recht op de opbrengst van de woning. Ten aanzien van de VOF, heeft de vrouw onvoldoende gesteld dat zij niet heeft meegedeeld in de verkoopopbrengst van de VOF. De vrouw moet aan de man een bedrag betalen dat wordt toegerekend aan haar aandeel in de verkoop van de VOF.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.501 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.362.016/01
rekestnummers rechtbank : FA RK 23-6747 (echtscheiding) / FA RK 24-3880 (verdeling)
zaaknummers rechtbank : C/09/653849 (echtscheiding) / C/09/667217 (verdeling)
beschikking van de meervoudige kamer van 8 juli 2026
inzake
[de vrouw] ,
wonende op een bij het hof onbekend adres te Frankrijk,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. F.G.T. Meershoek te Den Haag,
tegen
[de man] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. I.W. van Osch te Schiedam.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de tussenbeschikkingen van de rechtbank Den Haag van 10 oktober 2024 en 12 december 2024 en de eindbeschikking van de rechtbank Den Haag van 29 augustus 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. De laatstgenoemde beschikking wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.
2Het geding in hoger beroep
2.1
De vrouw is op 27 november 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De man heeft op 13 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 8 december 2025 met bijlage, ingekomen op 10 december 2025.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 21 mei 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en [tolk 1] , tolk in de Franse taal;
de man, bijgestaan door zijn advocaat en [tolk 2] , tolk in de Franse taal.
De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd en voorgedragen..
3De feiten
3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2015 te [plaats] , Frankrijk, gehuwd. Het huwelijk tussen partijen is geëindigd op [datum] 2024 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 10 oktober 2024 in de registers van de burgerlijke stand.
3.3
Partijen hebben beiden de Franse nationaliteit.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep nog van belang:
ten aanzien van de auto:
- bepaald dat de Citroën wordt toegedeeld aan de vrouw, onder vergoeding aan de man van een bedrag van € 1.815,-;
ten aanzien van de woning te [plaats] :
- bepaald dat deze wordt toegedeeld aan de man, zonder nadere verrekening, waarbij de met de toedeling gepaard gaande kosten voor rekening van de man komen;
ten aanzien van het aandeel in [VOF] :
- bepaald dat de vrouw aan de man dient te betalen een bedrag van € 22.500,-.
Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.
4.2
De vrouw is het niet eens met die beslissing. Zij verzoekt het hof om, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de beslissingen ziende op de verdeling van de woning in [plaats] , de Citroën en het aandeel in [VOF] (het hof begrijpt: VOF), en opnieuw beschikkende:
te bepalen dat de woning te [plaats] wordt toebedeeld aan de man, met de verplichting om 13,5% van de taxatiewaarde te voldoen aan de vrouw;
te bepalen dat de Citroën privévermogen is van de vrouw en derhalve niet verdeeld kan worden, dan wel dat deze zonder nadere verrekening aan de vrouw wordt toebedeeld;
te bepalen dat de vrouw uit hoofde van haar aandeel in [VOF] niets meer aan de man verschuldigd is,
dan wel andere beslissingen te nemen die het hof in goede justitie juist acht, kosten rechtens.
4.3
De man voert verweer. Hij verzoekt het hof, bij beschikking, de vrouw in hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans het beroep van de vrouw in hoger beroep af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure in hoger beroep en in eerste aanleg.
5De motivering van de beslissing
Verdeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat, nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, hij tevens rechtsmacht heeft ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelsels).
5.2
De rechtbank heeft met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen Frans recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof Frans recht toepast.
Juridisch kader
5.3
Tussen partijen geldt het wettelijke regime van de communauté réduite aux acquêts, zijnde een gemeenschap van aanwinsten onder bezwarende titel. Kenmerkend voor dit regime is (in grote lijnen) het volgende. Goederen die partijen bij het huwelijk aanbrengen of tijdens het huwelijk krijgen krachtens erfrecht of schenking, tenzij anders bedongen (artikel 1405 Code Civil), blijven privé, net als goederen die van nature privé zijn (artikel 1404 Code Civil). Gemeenschappelijk zijn goederen die tijdens het huwelijk worden verkregen - gezamenlijk of afzonderlijk - met inkomen uit arbeid of met gelden gespaard uit de opbrengsten uit privégoederen, of die zelf zijn gemaakt of tot stand gebracht (artikel 1401 Code Civil). Uitgangspunt daarbij is de aanzuigende werking van de gemeenschap; een roerend of onroerend goed dat tijdens het huwelijk wordt verkregen, wordt vermoed gemeenschappelijk te zijn (artikel 1402 Code Civil), zodat de echtgenoot die zich beroept op het tegendeel hiervoor de bewijslast draagt. Een goed, dat is verkregen tijdens het huwelijk doch voor meer dan de helft is gefinancierd met privévermogen van een echtgenoot, kan toebehoren aan het privévermogen van die echtgenoot en dus buiten de communauté vallen. Daarvoor is noodzakelijk dat een dubbele verklaring wordt afgegeven: een verklaring waaruit volgt dat het middel voor verkrijging afkomstig is uit eigen vermogen of uit de verkoopopbrengst van het eigen vermogen en een verklaring aan anderen dat het om een investering of herinvestering gaat (artikel 1434 en 1436 Code Civil). Als privévermogen is gebruikt voor de verwerving van een gemeenschapsgoed, ontstaat er een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap (artikel 1433 Code Civil).
Woning in [plaats] , Frankrijk
5.4
In de eerste grief betoogt de vrouw, kort samengevat, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de woning te [plaats] (hierna ook: de woning) wordt toegedeeld aan de man, zonder nadere verrekening, waarbij de met de toedeling gepaard gaande kosten voor rekening van de man komen. De vrouw stelt dat de man de woning kon financieren doordat de vrouw lange tijd de kosten van de huishouding heeft voldaan voorafgaand aan het huwelijk. Partijen hebben namelijk gedurende een lange tijd bij de ouders van de vrouw ingewoond, waardoor de man kon sparen. Het geld dat de man heeft geïnvesteerd in de woning dient daarom, in ieder geval voor minimaal 25%, te worden gekwalificeerd als gemeenschapsvermogen. Dit geldt tevens voor een deel van de afbetaling van de lening van de broer en vader van de man. De vrouw meent dat daarom 27% van de waarde van de woning aan de gemeenschap toekomt, waardoor de vrouw recht heeft op 13,5%.
5.5
De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij kan zich vinden in de uitspraak van de rechtbank omtrent de toedeling van de woning in [plaats] . Hij heeft namelijk de woning volledig uit eigen middelen gefinancierd, voornamelijk met een ontslagvergoeding die hij heeft gekregen in 2011. Daarnaast heeft hij geld geleend en deze lening vervolgens uit privévermogen afgelost. Ook heeft hij zijn privéauto verkocht en de opbrengst aangewend voor de aflossing van de lening. Met dit vermogen was hij in staat om de woning in [plaats] te financieren. De vrouw heeft nimmer financieel bijgedragen in de kosten van de huishouding.
5.6
Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de woning in [plaats] partijen in mede-eigendom toebehoort. Dit brengt mee dat in beginsel beide partijen gelijk gerechtigd zijn tot de opbrengst van de woning. Echter, in onderhavige situatie heeft de man genoegzaam aangetoond dat hij de woning volledig heeft gefinancierd met privévermogen. De betalingen zijn allemaal gedaan vanaf zijn privérekening en uit niets blijkt dat de vrouw heeft meegefinancierd. De enkele stelling van de vrouw dat de man heeft kunnen sparen omdat zij de kosten van de huishouding heeft voldaan, is onvoldoende om te komen tot een ander oordeel. De rechtbank heeft op juiste gronden geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze – na eigen afweging – tot de zijne. De grief van de vrouw ter zake de woning in [plaats] treft geen doel. Het hof zal het verzoek van de vrouw afwijzen.
Citroën
5.7
In de tweede grief van de vrouw betoogt zij, kort samengevat, dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de Citroën wordt toegedeeld aan de vrouw, onder vergoeding aan de man van een bedrag van € 1.815,-. Zij stelt dat de Citroën voor aanvang van het huwelijk reeds van haar was, de tenaamstelling dateert namelijk al uit 2008. De Citroën is daarom te kwalificeren als privévermogen waardoor er geen vergoedingsrecht voor de man ontstaat bij toedeling van de Citroën aan de vrouw.
5.8
De man stelt dat hij in 2008 de Citroën voor minimaal de helft heeft meegefinancierd. De man verkeert echter in een lastige bewijspositie omdat hij dit na dit tijdsverloop niet meer kan aantonen. Het zou niet redelijk zijn om dit bewijsprobleem voor rekening van de man te laten komen. De man kan zich vinden in de uitspraak van de rechtbank.
5.9
Het hof overweegt dat onweersproken is gesteld dat de vrouw de Citroën reeds in haar bezit had voor aanvang van het huwelijk. De Citroën is door de vrouw bij het huwelijk aangebracht, waardoor de Citroën naar Frans recht in eerste instantie privé blijft (artikel 1405 Code Civil). Aangezien deze zaak door de Nederlandse rechter wordt beslecht, is het Nederlands procesrecht van toepassing. Op grond van het civiele bewijsrecht is het uitgangspunt dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de hem gestelde feiten of rechten, de bewijslast daarvan draagt. Slechts in uitzonderingsgevallen kan hiervan worden afgeweken bijvoorbeeld op grond van een bijzondere rechtsregel of als de eisen van redelijkheid en billijkheid dit met zich meebrengen. Nu de man hieromtrent niets heeft gesteld, is het hof van oordeel dat op de man de bewijslast rust van zijn stelling dat hij minimaal de helft van de Citroën heeft meegefinancierd. Nu de man zijn stelling dat de Citroën mede door hem is gefinancierd, niet nader heeft onderbouwd en ook heeft aangegeven dat hij niet over nadere gegevens ter onderbouwing van zijn stelling beschikt, treft de grief van de vrouw doel. De rechtbank heeft de Citroën dan ook ten onrechte in de verdeling betrokken. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt vernietigen, en bepalen dat de Citroën in het privévermogen van de vrouw valt.
Aandeel van de vrouw in [VOF]
5.10
In de derde grief van de vrouw betoogt zij, kort samengevat, dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de vrouw aan de man een bedrag van € 22.500,- dient te vergoeden ten aanzien van het aandeel in [VOF] (hierna: VOF). Zij erkent dat haar aandeel in de VOF tot de gemeenschap van partijen behoort, maar zij voert aan dat zij niet meer over haar aandeel in de VOF beschikt omdat zij haar aandeel heeft verkocht aan haar zakenpartner. Toen zij in oktober 2024 uit de VOF is getreden, heeft zij geen vergoeding bedongen. Toen de VOF eenmaal werd verkocht heeft haar zakenpartner een bedrag ontvangen. Zij was toen niet meer gerechtigd tot een aandeel in de VOF en heeft niet meegedeeld in de opbrengst. Er is dus in de visie van de vrouw niets te verdelen.
5.11
De man voert verweer en stelt dat de vrouw € 10.000,- uit het privévermogen van de man heeft ingebracht in de VOF. Hij heeft daardoor naar Frans recht, recht op een vergoeding van de waarde van het aandeel. Het is niet aannemelijk dat de vrouw geen bedrag heeft ontvangen uit de verkoop van de VOF. De vrouw heeft zich eerder in de procedure ook steeds op het standpunt gesteld dat haar de helft van de waarde van de verkoopopbrengst toekomt. De vrouw heeft niet aangetoond dat zij niets heeft ontvangen van het verkoopbedrag. Het enkele feit dat de vrouw de koopovereenkomst niet mede heeft ondertekend, doet aan al het voorgaande niet af.
5.12
Het hof overweegt als volgt. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting komt het hof tot het oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan ten aanzien van het aandeel van de vrouw in de VOF. Het hof neemt de gronden over en maakt deze, na eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel moeten leiden. Het hof heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de zakenpartner van de vrouw een [VOF] is gestart, die hij vervolgens heeft ingebracht in een vennootschap onder firma (VOF). Toen de vrouw zich aansloot bij deze VOF, heeft zij een bedrag van € 10.000,- ingebracht en gestort op de rekening van de VOF. Tussen partijen is niet in geschil dat de inbreng van de vrouw uit het privévermogen van de man afkomstig was. Naar de opvatting van de vrouw waren haar inbreng en die van haar zakenpartner ongeveer gelijk. De vrouw stelt dat zij, ondanks haar inbreng geen recht had op een vergoeding toen zij uit de VOF trad. Reden hiervoor was dat de VOF aanzienlijke schulden had. Echter, tijdens een eerdere mondelinge behandeling bij de rechtbank in eerste aanleg heeft zij verklaard dat zij na verkoop van de VOF een bedrag van circa € 37.000,- verwachtte te ontvangen. Gelet op deze mededeling en op de inbreng van de vrouw acht het hof het niet geloofwaardig dat zij uiteindelijk niet zou hebben meegedeeld in de verkoopopbrengst van de VOF. Het had op haar weg gelegen om aan te tonen dat aan haar, ondanks haar inbreng en de andersluidende mededeling op zitting, geen vergoeding toekwam. Dit had zij kunnen doen door overlegging van financiële stukken, zoals de openingsbalans, stakingsbalans en jaarrekeningen van de VOF. Dit heeft zij niet gedaan. Ook heeft zij geen nadere informatie overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat er feitelijk alleen schulden in de VOF zaten waardoor er geen vergoeding aan haar toekwam bij de verkoop. Gezien het vorenstaande, treft de grief van de vrouw geen doel en zal het hof de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.
Proceskosten
5.13
Het hof zal, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.14
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van de woning te [plaats] , Frankrijk en het aandeel in [VOF] ;
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de Citroën, en, opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de Citroën eigendom is van de vrouw en de vrouw ter zake deze auto niets aan de man verschuldigd is;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A.E. Sutorius-van Hees en P.C. van Es, bijgestaan door mr. M.J. Warning als griffier, en is op 8 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Team Familie
zaaknummer : 200.362.016/01
rekestnummers rechtbank : FA RK 23-6747 (echtscheiding) / FA RK 24-3880 (verdeling)
zaaknummers rechtbank : C/09/653849 (echtscheiding) / C/09/667217 (verdeling)
beschikking van de meervoudige kamer van 8 juli 2026
inzake
[de vrouw] ,
wonende op een bij het hof onbekend adres te Frankrijk,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. F.G.T. Meershoek te Den Haag,
tegen
[de man] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. I.W. van Osch te Schiedam.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de tussenbeschikkingen van de rechtbank Den Haag van 10 oktober 2024 en 12 december 2024 en de eindbeschikking van de rechtbank Den Haag van 29 augustus 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. De laatstgenoemde beschikking wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.
2Het geding in hoger beroep
2.1
De vrouw is op 27 november 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De man heeft op 13 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 8 december 2025 met bijlage, ingekomen op 10 december 2025.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 21 mei 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en [tolk 1] , tolk in de Franse taal;
de man, bijgestaan door zijn advocaat en [tolk 2] , tolk in de Franse taal.
De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd en voorgedragen..
3De feiten
3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2015 te [plaats] , Frankrijk, gehuwd. Het huwelijk tussen partijen is geëindigd op [datum] 2024 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 10 oktober 2024 in de registers van de burgerlijke stand.
3.3
Partijen hebben beiden de Franse nationaliteit.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep nog van belang:
ten aanzien van de auto:
- bepaald dat de Citroën wordt toegedeeld aan de vrouw, onder vergoeding aan de man van een bedrag van € 1.815,-;
ten aanzien van de woning te [plaats] :
- bepaald dat deze wordt toegedeeld aan de man, zonder nadere verrekening, waarbij de met de toedeling gepaard gaande kosten voor rekening van de man komen;
ten aanzien van het aandeel in [VOF] :
- bepaald dat de vrouw aan de man dient te betalen een bedrag van € 22.500,-.
Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.
4.2
De vrouw is het niet eens met die beslissing. Zij verzoekt het hof om, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de beslissingen ziende op de verdeling van de woning in [plaats] , de Citroën en het aandeel in [VOF] (het hof begrijpt: VOF), en opnieuw beschikkende:
te bepalen dat de woning te [plaats] wordt toebedeeld aan de man, met de verplichting om 13,5% van de taxatiewaarde te voldoen aan de vrouw;
te bepalen dat de Citroën privévermogen is van de vrouw en derhalve niet verdeeld kan worden, dan wel dat deze zonder nadere verrekening aan de vrouw wordt toebedeeld;
te bepalen dat de vrouw uit hoofde van haar aandeel in [VOF] niets meer aan de man verschuldigd is,
dan wel andere beslissingen te nemen die het hof in goede justitie juist acht, kosten rechtens.
4.3
De man voert verweer. Hij verzoekt het hof, bij beschikking, de vrouw in hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans het beroep van de vrouw in hoger beroep af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure in hoger beroep en in eerste aanleg.
5De motivering van de beslissing
Verdeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat, nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, hij tevens rechtsmacht heeft ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelsels).
5.2
De rechtbank heeft met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen Frans recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof Frans recht toepast.
Juridisch kader
5.3
Tussen partijen geldt het wettelijke regime van de communauté réduite aux acquêts, zijnde een gemeenschap van aanwinsten onder bezwarende titel. Kenmerkend voor dit regime is (in grote lijnen) het volgende. Goederen die partijen bij het huwelijk aanbrengen of tijdens het huwelijk krijgen krachtens erfrecht of schenking, tenzij anders bedongen (artikel 1405 Code Civil), blijven privé, net als goederen die van nature privé zijn (artikel 1404 Code Civil). Gemeenschappelijk zijn goederen die tijdens het huwelijk worden verkregen - gezamenlijk of afzonderlijk - met inkomen uit arbeid of met gelden gespaard uit de opbrengsten uit privégoederen, of die zelf zijn gemaakt of tot stand gebracht (artikel 1401 Code Civil). Uitgangspunt daarbij is de aanzuigende werking van de gemeenschap; een roerend of onroerend goed dat tijdens het huwelijk wordt verkregen, wordt vermoed gemeenschappelijk te zijn (artikel 1402 Code Civil), zodat de echtgenoot die zich beroept op het tegendeel hiervoor de bewijslast draagt. Een goed, dat is verkregen tijdens het huwelijk doch voor meer dan de helft is gefinancierd met privévermogen van een echtgenoot, kan toebehoren aan het privévermogen van die echtgenoot en dus buiten de communauté vallen. Daarvoor is noodzakelijk dat een dubbele verklaring wordt afgegeven: een verklaring waaruit volgt dat het middel voor verkrijging afkomstig is uit eigen vermogen of uit de verkoopopbrengst van het eigen vermogen en een verklaring aan anderen dat het om een investering of herinvestering gaat (artikel 1434 en 1436 Code Civil). Als privévermogen is gebruikt voor de verwerving van een gemeenschapsgoed, ontstaat er een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap (artikel 1433 Code Civil).
Woning in [plaats] , Frankrijk
5.4
In de eerste grief betoogt de vrouw, kort samengevat, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de woning te [plaats] (hierna ook: de woning) wordt toegedeeld aan de man, zonder nadere verrekening, waarbij de met de toedeling gepaard gaande kosten voor rekening van de man komen. De vrouw stelt dat de man de woning kon financieren doordat de vrouw lange tijd de kosten van de huishouding heeft voldaan voorafgaand aan het huwelijk. Partijen hebben namelijk gedurende een lange tijd bij de ouders van de vrouw ingewoond, waardoor de man kon sparen. Het geld dat de man heeft geïnvesteerd in de woning dient daarom, in ieder geval voor minimaal 25%, te worden gekwalificeerd als gemeenschapsvermogen. Dit geldt tevens voor een deel van de afbetaling van de lening van de broer en vader van de man. De vrouw meent dat daarom 27% van de waarde van de woning aan de gemeenschap toekomt, waardoor de vrouw recht heeft op 13,5%.
5.5
De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij kan zich vinden in de uitspraak van de rechtbank omtrent de toedeling van de woning in [plaats] . Hij heeft namelijk de woning volledig uit eigen middelen gefinancierd, voornamelijk met een ontslagvergoeding die hij heeft gekregen in 2011. Daarnaast heeft hij geld geleend en deze lening vervolgens uit privévermogen afgelost. Ook heeft hij zijn privéauto verkocht en de opbrengst aangewend voor de aflossing van de lening. Met dit vermogen was hij in staat om de woning in [plaats] te financieren. De vrouw heeft nimmer financieel bijgedragen in de kosten van de huishouding.
5.6
Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de woning in [plaats] partijen in mede-eigendom toebehoort. Dit brengt mee dat in beginsel beide partijen gelijk gerechtigd zijn tot de opbrengst van de woning. Echter, in onderhavige situatie heeft de man genoegzaam aangetoond dat hij de woning volledig heeft gefinancierd met privévermogen. De betalingen zijn allemaal gedaan vanaf zijn privérekening en uit niets blijkt dat de vrouw heeft meegefinancierd. De enkele stelling van de vrouw dat de man heeft kunnen sparen omdat zij de kosten van de huishouding heeft voldaan, is onvoldoende om te komen tot een ander oordeel. De rechtbank heeft op juiste gronden geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze – na eigen afweging – tot de zijne. De grief van de vrouw ter zake de woning in [plaats] treft geen doel. Het hof zal het verzoek van de vrouw afwijzen.
Citroën
5.7
In de tweede grief van de vrouw betoogt zij, kort samengevat, dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de Citroën wordt toegedeeld aan de vrouw, onder vergoeding aan de man van een bedrag van € 1.815,-. Zij stelt dat de Citroën voor aanvang van het huwelijk reeds van haar was, de tenaamstelling dateert namelijk al uit 2008. De Citroën is daarom te kwalificeren als privévermogen waardoor er geen vergoedingsrecht voor de man ontstaat bij toedeling van de Citroën aan de vrouw.
5.8
De man stelt dat hij in 2008 de Citroën voor minimaal de helft heeft meegefinancierd. De man verkeert echter in een lastige bewijspositie omdat hij dit na dit tijdsverloop niet meer kan aantonen. Het zou niet redelijk zijn om dit bewijsprobleem voor rekening van de man te laten komen. De man kan zich vinden in de uitspraak van de rechtbank.
5.9
Het hof overweegt dat onweersproken is gesteld dat de vrouw de Citroën reeds in haar bezit had voor aanvang van het huwelijk. De Citroën is door de vrouw bij het huwelijk aangebracht, waardoor de Citroën naar Frans recht in eerste instantie privé blijft (artikel 1405 Code Civil). Aangezien deze zaak door de Nederlandse rechter wordt beslecht, is het Nederlands procesrecht van toepassing. Op grond van het civiele bewijsrecht is het uitgangspunt dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de hem gestelde feiten of rechten, de bewijslast daarvan draagt. Slechts in uitzonderingsgevallen kan hiervan worden afgeweken bijvoorbeeld op grond van een bijzondere rechtsregel of als de eisen van redelijkheid en billijkheid dit met zich meebrengen. Nu de man hieromtrent niets heeft gesteld, is het hof van oordeel dat op de man de bewijslast rust van zijn stelling dat hij minimaal de helft van de Citroën heeft meegefinancierd. Nu de man zijn stelling dat de Citroën mede door hem is gefinancierd, niet nader heeft onderbouwd en ook heeft aangegeven dat hij niet over nadere gegevens ter onderbouwing van zijn stelling beschikt, treft de grief van de vrouw doel. De rechtbank heeft de Citroën dan ook ten onrechte in de verdeling betrokken. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt vernietigen, en bepalen dat de Citroën in het privévermogen van de vrouw valt.
Aandeel van de vrouw in [VOF]
5.10
In de derde grief van de vrouw betoogt zij, kort samengevat, dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de vrouw aan de man een bedrag van € 22.500,- dient te vergoeden ten aanzien van het aandeel in [VOF] (hierna: VOF). Zij erkent dat haar aandeel in de VOF tot de gemeenschap van partijen behoort, maar zij voert aan dat zij niet meer over haar aandeel in de VOF beschikt omdat zij haar aandeel heeft verkocht aan haar zakenpartner. Toen zij in oktober 2024 uit de VOF is getreden, heeft zij geen vergoeding bedongen. Toen de VOF eenmaal werd verkocht heeft haar zakenpartner een bedrag ontvangen. Zij was toen niet meer gerechtigd tot een aandeel in de VOF en heeft niet meegedeeld in de opbrengst. Er is dus in de visie van de vrouw niets te verdelen.
5.11
De man voert verweer en stelt dat de vrouw € 10.000,- uit het privévermogen van de man heeft ingebracht in de VOF. Hij heeft daardoor naar Frans recht, recht op een vergoeding van de waarde van het aandeel. Het is niet aannemelijk dat de vrouw geen bedrag heeft ontvangen uit de verkoop van de VOF. De vrouw heeft zich eerder in de procedure ook steeds op het standpunt gesteld dat haar de helft van de waarde van de verkoopopbrengst toekomt. De vrouw heeft niet aangetoond dat zij niets heeft ontvangen van het verkoopbedrag. Het enkele feit dat de vrouw de koopovereenkomst niet mede heeft ondertekend, doet aan al het voorgaande niet af.
5.12
Het hof overweegt als volgt. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting komt het hof tot het oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan ten aanzien van het aandeel van de vrouw in de VOF. Het hof neemt de gronden over en maakt deze, na eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel moeten leiden. Het hof heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de zakenpartner van de vrouw een [VOF] is gestart, die hij vervolgens heeft ingebracht in een vennootschap onder firma (VOF). Toen de vrouw zich aansloot bij deze VOF, heeft zij een bedrag van € 10.000,- ingebracht en gestort op de rekening van de VOF. Tussen partijen is niet in geschil dat de inbreng van de vrouw uit het privévermogen van de man afkomstig was. Naar de opvatting van de vrouw waren haar inbreng en die van haar zakenpartner ongeveer gelijk. De vrouw stelt dat zij, ondanks haar inbreng geen recht had op een vergoeding toen zij uit de VOF trad. Reden hiervoor was dat de VOF aanzienlijke schulden had. Echter, tijdens een eerdere mondelinge behandeling bij de rechtbank in eerste aanleg heeft zij verklaard dat zij na verkoop van de VOF een bedrag van circa € 37.000,- verwachtte te ontvangen. Gelet op deze mededeling en op de inbreng van de vrouw acht het hof het niet geloofwaardig dat zij uiteindelijk niet zou hebben meegedeeld in de verkoopopbrengst van de VOF. Het had op haar weg gelegen om aan te tonen dat aan haar, ondanks haar inbreng en de andersluidende mededeling op zitting, geen vergoeding toekwam. Dit had zij kunnen doen door overlegging van financiële stukken, zoals de openingsbalans, stakingsbalans en jaarrekeningen van de VOF. Dit heeft zij niet gedaan. Ook heeft zij geen nadere informatie overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat er feitelijk alleen schulden in de VOF zaten waardoor er geen vergoeding aan haar toekwam bij de verkoop. Gezien het vorenstaande, treft de grief van de vrouw geen doel en zal het hof de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.
Proceskosten
5.13
Het hof zal, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.14
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van de woning te [plaats] , Frankrijk en het aandeel in [VOF] ;
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de Citroën, en, opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de Citroën eigendom is van de vrouw en de vrouw ter zake deze auto niets aan de man verschuldigd is;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A.E. Sutorius-van Hees en P.C. van Es, bijgestaan door mr. M.J. Warning als griffier, en is op 8 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.