Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2495

2026-07-21 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.358.576/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-21
Publicatiedatum
2026-07-31
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.358.576/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VEAN-ERF-Updates.nl 2026-0456; ERF-Updates.nl 2026-0456

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

De vereffenaar heeft een spoedeisend belang dat door geïntimeerde het woonhuis wordt ontruimd. Geïntimeerde heeft geen huurcontract.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.956 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel


Zaaknummer hof : 200.358.576/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/702217 / KG ZA 25-646





Arrest in kort geding van 21 juli 2026




in de zaak van





[appellant] , in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [de erflater],
kantoorhoudend in [kantoorplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.C. [appellant] , kantoorhoudend in Hendrik-Ido-Ambacht,



tegen





[geïntimeerde] , in persoon en in hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van Petronella Maria [geïntimeerde],
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. L.A. Jansen, kantoorhoudend in Oud-Beijerland.



Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .





1De zaak in het kort

1.1
Dit kort geding betreft kort gezegd het volgende. [appellant] is benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van [de erflater] . Tot die nalatenschap behoren een woning en de aandelen in een vennootschap. [geïntimeerde] , de zus van de later overleden echtgenote van [de erflater] , woont in de woning en beschikt over administratie van de vennootschap. [appellant] vordert dat [geïntimeerde] de woning ontruimt en de gehele administratie afgeeft.


1.2
De voorzieningenrechter heeft de vordering tot afgifte van de administratie van de vennootschap toegewezen voor zover het gaat om de laatste vijf jaar. Voor het overige heeft de voorzieningenrechter de vorderingen afgewezen. Het hof komt tot een ander oordeel en wijst de vorderingen alsnog toe.




2Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:


de dagvaarding van 21 augustus 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 5 augustus 2025, tevens houdende memorie van grieven, met bijlagen;


de memorie van antwoord tevens incidenteel appel van [geïntimeerde] , met bijlagen;


de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellant] .




2.2
Op 25 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, gelijktijdig met de mondelinge behandeling in de rekestzaak met zaaknummer 200.355.579. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht.




3Feitelijke achtergrond

3.1
Op [overlijdensdatum] 2010 is J. [de erflater] (hierna: erflater) overleden. Ten tijde van zijn overlijden was erflater onder huwelijkse voorwaarden gehuwd met [de erflaatster] (hierna: [de erflaatster] ). Uit een eerder huwelijk had [de erflater] een vooroverleden zoon. Die zoon had ook een zoon, [de kleinzoon] (hierna: de kleinzoon).


3.2
Erflater heeft bij testament van [datum] 2008 voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt. Daarin heeft hij [de erflaatster] en zijn kleinzoon tot erfgenamen benoemd. Erflater heeft de wettelijke verdeling van toepassing verklaard en gebruik gemaakt van een zogeheten tweetrapsmaking. Daartoe is in artikel XIV sub A van het testament, voor zover van belang, bepaald:



“Hetgeen mijn echtgenote (...) van hetgeen zij uit mijn nalatenschap heeft verkregen (...) onverteerd zal hebben nagelaten, zal ten deel vallen aan mijn genoemde kleinzoon (...).”




3.3
Erflater heeft [de erflaatster] benoemd tot executeur. Die benoeming heeft zij aanvaard.


3.4
Op [datum] 2012 heeft [de erflaatster] aangifte erfbelasting gedaan. In de aangifte staat dat tot de bezittingen van erflater behoorden: 1. een woning aan de [adres] , [postcode] in [plaats] (hierna: de woning), en 2. aandelen in [de vennootschap] (hierna: de vennootschap).


3.5

[geïntimeerde] is de oudste zus van [de erflaatster] . Op enig moment is [geïntimeerde] bij [de erflaatster] in de woning gaan wonen.


3.6
In een Verklaring van inwoning gedateerd 1 juli 2016 staat vermeld dat [de erflaatster] heeft verklaard als hoofdbewoner geen bezwaar te hebben tegen inschrijving van [geïntimeerde] in de woning.


3.7
Op [datum] 2023 is [de erflaatster] overleden. [geïntimeerde] is in de woning blijven wonen.


3.8

[de erflaatster] heeft bij testament van [datum] 2010 voor het laatst over haar nalatenschap beschikt. Daarin heeft zij [geïntimeerde] (met anderen) als erfgenaam aangewezen. Ook heeft zij [geïntimeerde] benoemd tot executeur. Die benoeming heeft zij aanvaard.


3.9
Op 18 november 2024 heeft de kleinzoon de nalatenschap van erflater onder voorrecht van een boedelbeschrijving (beneficiair) aanvaard.


3.10
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 16 januari 2025 heeft de rechtbank Rotterdam [appellant] op verzoek van de kleinzoon benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van erflater. [geïntimeerde] heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld, dat bij dit hof aanhangig is onder zaaknummer 200.355.579.


3.11
Op 21 maart 2025 heeft ten kantore van [appellant] een bespreking plaatsgevonden tussen [appellant] en [geïntimeerde] . Tijdens die bespreking en in een e-mail van dezelfde datum heeft [appellant] aan [geïntimeerde] laten weten dat de woning tot de nalatenschap van [de erflater] behoort, dat hij als vereffenaar als enige zeggenschap over de woning heeft en dat [geïntimeerde] daar zonder recht of titel in verblijft. Daarbij heeft hij [geïntimeerde] verzocht stukken te verstrekken ter onderbouwing van haar stelling dat de woning niet tot het tweetrapsvermogen behoort, maar eigendom is van de erfgenamen van [de erflaatster] . Ook heeft hij verzocht om een akte waaruit blijkt dat [de erflaatster] de aandelen in de vennootschap zou hebben gekocht uit het tweetrapsvermogen. Daarbij heeft hij opgemerkt dat als er geen aandelenoverdracht heeft plaatsgevonden, de inschrijving in het handelsregister op [datum] 2024 van [geïntimeerde] als bestuurder van de vennootschap ongeldig is en [geïntimeerde] onbevoegd is om als bestuurder te handelen.


3.12
Bij brief van 29 mei 2025 heeft [appellant] [geïntimeerde] verzocht te bevestigen dat zij de woning uiterlijk op 1 juli 2025 zal verlaten en ontruimen en de gehele administratie van de vennootschap aan hem zal verstrekken. [geïntimeerde] heeft hieraan geen gevolg gegeven.


3.13
Op 10 juni 2025 heeft [geïntimeerde] hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 16 januari 2025 (zie rechtsoverweging 3.10).




4Procedure bij de rechtbank

4.1

[appellant] heeft [geïntimeerde] in kort geding gedagvaard en gevorderd dat [geïntimeerde] (in persoon en in haar hoedanigheid van executeur) wordt veroordeeld (i) binnen vier weken na betekening van het vonnis de woning te ontruimen, en (ii) de gehele administratie van de vennootschap aan [appellant] af te geven, beide op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat [geïntimeerde] dit nalaat, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.


4.2

[geïntimeerde] heeft in persoon verweer gevoerd.


4.3
De rechtbank heeft de vorderingen bij vonnis in kort geding van 5 augustus 2025 deels toegewezen en [geïntimeerde] veroordeeld om binnen vier weken na het vonnis de administratie van [de vennootschap] van de laatste vijf jaar aan [appellant] af te geven, en de vorderingen voor het overige afgewezen, met compensatie van de proceskosten.




5Vorderingen in principaal en incidenteel hoger beroep

5.1

[appellant] vordert in principaal hoger beroep de vernietiging van het vonnis voor zover zijn vorderingen zijn afgewezen en vordert dat het hof deze vorderingen alsnog geheel toewijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.


5.2

[geïntimeerde] heeft in principaal hoger beroep verweer gevoerd. [geïntimeerde] heeft tevens incidenteel hoger beroep ingesteld en gevorderd dat het hof het deel van het vonnis waarvan incidenteel hoger beroep zal vernietigen. De grieven van [geïntimeerde] zien op het oordeel dat sprake is van spoedeisend belang en dat de woning niet door eigendomsoverdracht of vererving door [geïntimeerde] is verkregen.


5.3

[appellant] heeft het incidenteel hoger beroep gemotiveerd bestreden.




6Beoordeling in hoger beroep
In principaal en incidenteel hoger beroep

6.1
Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of een in kort geding gevorderde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij – in dit geval [appellant] – ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van het hof.


6.2

[appellant] heeft onder meer gesteld dat het ter voorkoming van oplopende hypotheekschuld en executiemaatregelen door de hypotheekverstrekker van belang is zo spoedig mogelijk tot verkoop van de woning en aflossing van de hypotheekschuld over te gaan en dat hij niet beschikt over liquide middelen in de nalatenschapsboedel zodat hij niet kan voldoen aan de fiscale verplichtingen (erfbelasting). De enkele stelling van [geïntimeerde] dat zij hierover afspraken zou hebben gemaakt met de bank doet hier, wat daar ook van zij, onvoldoende aan af. Voorts is voldoende aannemelijk dat [appellant] dient te beschikken over de gehele administratie van de vennootschap teneinde de nalatenschap verder te kunnen afwikkelen. Naar het oordeel van het hof is aldus sprake van voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming van de woning en afgifte van de gehele administratie van de vennootschap. Grief 1 in het incidenteel hoger beroep faalt derhalve.


6.3
Met grief 1 in het principaal hoger beroep klaagt [appellant] dat de voorzieningenrechter ten onrechte de vordering tot ontruiming heeft afgewezen. De toelichting op de grief betoogt onder meer dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat tussen [geïntimeerde] en [de erflaatster] een huurovereenkomst tot stand is gekomen. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] voorts op geen enkele wijze aangetoond dat zij daadwerkelijk de verschuldigde huur heeft voldaan en dient ook vanwege de huurachterstand de vordering tot ontruiming te worden toegewezen.


6.4
Het meest verstrekkende verweer van [geïntimeerde] is dat het bezwaarde vermogen, waaronder de woning, niet is overgegaan op de kleinzoon als verwachter, omdat het saldo van de activa en passiva van de nalatenschap van erflater kleiner of gelijk is aan nihil (op grond van de zogenaamde saldo-theorie). Gelet hierop bestaat de nalatenschap van erflater niet meer en zijn de erfgenamen van [de erflaatster] , waaronder [geïntimeerde] , gerechtigd tot het bezwaarde vermogen. Hierop ziet ook grief 2 in het incidenteel hoger beroep.


6.5
Dit betoog faalt. De tweetrapsmaking is neergelegd in artikel XIV van het testament van erflater (zie rechtsoverweging 3.2). Hetgeen de bezwaarde van hetgeen zij uit de nalatenschap van erflater heeft verkregen onverteerd zal hebben nagelaten (het voorwaardelijk vermogen), zal ten deel vallen aan de kleinzoon. Hierbij is [de erflaatster] als bezwaarde rechthebbende onder ontbindende voorwaarde en de kleinzoon als verwachter rechthebbende onder opschortende voorwaarde. De woning aan de [adres] in [plaats] behoort naar voorlopig oordeel van het hof tot het voorwaardelijk vermogen. Dit strookt met de door [de erflaatster] ondertekende aangifte erfbelasting uit 2010 en de in het Kadaster met betrekking tot de woning vermelde aantekening van de tweetrapsmaking. Volgens artikel XIV sub B onder 1 van het testament is de bezwaarde verplicht binnen één jaar na het overlijden van erflater een notariële boedelbeschrijving te maken van het voorwaardelijke vermogen. Voorts is de bezwaarde blijkens artikel XIV sub B onder 3 verplicht het voorwaardelijke vermogen afzonderlijk te administreren. Vast staat dat dit in het onderhavige geval niet is geschied, hetgeen reden vormt aansluiting te zoeken bij de aangifte erfbelasting uit 2010. Het saldo van de activa en passiva van de nalatenschap van erflater is als zodanig niet van belang voor het antwoord op de vraag of het voorwaardelijk vermogen goederenrechtelijk overgaat op de verwachter. Ingevolge artikel 4:138 lid 1 BW wordt de bezwaarde tot vervulling van de voorwaarde als uitsluitend rechthebbende aangemerkt. Bij vervulling van de voorwaarde valt het onverteerde voorwaardelijke vermogen terug in de nalatenschap van de erflater en gaat het overeenkomstig het testament van erflater over op de verwachter. Artikel XIV sub A van het testament bepaalt ook dat hetgeen de bezwaarde van de nalatenschap van de erflater onverteerd heeft gelaten ten deel zal vallen aan de verwachter. Het recht van de bezwaarde eindigt volgens artikel XIV sub B onder 10 (onder meer) bij het overlijden van bezwaarde. Na het eindigen van het recht van de bezwaarde op deze grond rust op haar rechtverkrijgenden de verplichting de zaken ter beschikking te stellen van de verwachter. De verwachter kan bij het einde van het recht van de bezwaarde afgifte vorderen van de goederen. Dit brengt met zich dat [appellant] als vereffenaar in de nalatenschap van erflater bevoegd is te vorderen dat [geïntimeerde] de woning zal ontruimen (zie artikel 4:203 lid 2 en artikel 4:211 lid 2 BW). Voor zover [geïntimeerde] aanvoert dat [de erflaatster] een vordering had op erflater, hetgeen [appellant] betwist, dient zij deze ter verificatie in te dienen bij de vereffenaar (artikel 4:214 BW).


6.6
Voor zover voorlopig zou moeten worden geoordeeld dat sprake is van een huurovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [de erflaatster] , geldt, wat daar ook van zij, dat [geïntimeerde] de gemotiveerde stelling van [appellant] dat zij nimmer de verschuldigde huur heeft voldaan onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Bij e-mail van 13 augustus 2025 heeft [appellant] [geïntimeerde] onder meer verzocht om bewijs waaruit blijkt dat zij de verschuldigde ‘huur’ ten bedrage van € 300,- per maand heeft voldaan, te rekenen vanaf 1 juli 2016 tot en met 1 augustus 2025, hetgeen neerkomt op een bedrag van in totaal € 32.400,-. [appellant] heeft onweersproken gesteld dat [geïntimeerde] hierop niet heeft gereageerd. [geïntimeerde] heeft ook in hoger beroep geen bankafschriften of andere bescheiden overgelegd waaruit betaling van de huur volgt. De enkele stelling dat [geïntimeerde] als executeur van de nalatenschap van [de erflaatster] verklaart dat de huur is voldaan is hiertoe onvoldoende. Dat zij door [de erflaatster] nooit zou zijn aangesproken op betaling van de huur maakt dat niet anders. De door [geïntimeerde] overgelegde, deels niet op naam van [de erflaatster] gestelde en niet van betalingsbewijzen voorziene, facturen ter zake van onderhoud en werkzaamheden maken evenmin dat [geïntimeerde] de verschuldigde tegenprestatie heeft voldaan. Hetzelfde geldt voor de overgelegde bankafschriften met de vermelding “retourbetaling” en “hypotheek”. Niet blijkt dat de desbetreffende bedragen zijn voldaan ten titel van huur of dat sprake is van verrekening met de verschuldigde huur.


6.7
Hiervan uitgaande is [geïntimeerde] naar voorlopig oordeel van het hof tekortgeschoten in haar verplichting uit hoofde van artikel 5 van de overgelegde huurovereenkomst en artikel 7:201 BW tot betaling van de huur. Deze tekortkoming rechtvaardigt in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.


6.8

[geïntimeerde] heeft, mede gelet op de grote omvang van de huurachterstand, niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard, geringe betekenis of de overige omstandigheden van het geval, deze ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt als bedoeld in artikel 6:265 lid 1 BW. Hiertoe is onvoldoende dat [geïntimeerde] , naar zij bij memorie van antwoord en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft aangevoerd, wat daar ook van zij, [de erflaatster] heeft verzorgd en heeft meebetaald aan de kosten van onderhoud van de woning.


6.9
In het licht van het voorgaande dient naar voorlopig oordeel van het hof het belang van [appellant] bij ontruiming van de woning te prevaleren boven het belang van [geïntimeerde] bij het behoud van haar woonruimte. [geïntimeerde] heeft niet aangevoerd, laat staan aannemelijk gemaakt dat de ontruiming van het gehuurde in de gegeven omstandigheden disproportioneel is in de zin van artikel 8 EVRM. [geïntimeerde] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling voorts verklaard dat zij sinds het overlijden van haar zus in 2023 alleen woonachtig is in de woning, zodat er bij de beoordeling geen belangen van minderjarige kinderen in aanmerking behoeven te worden genomen zoals vereist op grond van artikel 3 IVRK.


6.10
Gegeven het voorgaande acht het hof in voldoende mate aannemelijk dat de bodemrechter in voorkomend geval tot het oordeel zal komen dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning toewijsbaar is. De vordering tot ontruiming komt derhalve in kort geding voor toewijzing in aanmerking. De grief slaagt.


6.11
Grief 2 klaagt dat de voorzieningenrechter ten onrechte de vordering tot afgifte van de administratie van de vennootschap slechts beperkt heeft toegewezen en ten onrechte geen dwangsom aan de veroordeling heeft verbonden.


6.12
Ook deze grief slaagt. De administratie van [de vennootschap] komt toe aan de vennootschap. De aandelen van de vennootschap behoren naar voorlopig oordeel van het hof tot het voorwaardelijk vermogen van erflater. Dat blijkt ook uit de aangifte erfbelasting 2010. [geïntimeerde] heeft dat als zodanig ook erkend. Met het overlijden van [de erflaatster] komen de aandelen van de vennootschap derhalve toe aan de kleinzoon. Voor zover [geïntimeerde] ook in dit verband betoogt dat kort gezegd de aandelen in de vennootschap niet zijn overgegaan op de kleinzoon omdat het saldo van de activa en passiva van de nalatenschap van erflater kleiner of gelijk is aan nihil, verwijst het hof naar het oordeel in rechtsoverweging 6.5. Dat [de erflaatster] de aandelen in de vennootschap uit het voorwaardelijk vermogen heeft gekocht, heeft [geïntimeerde] onvoldoende aannemelijk gemaakt. [appellant] is als vereffenaar in de nalatenschap van erflater dan ook bevoegd afgifte te vorderen van de gehele administratie van de vennootschap voor zover die zich onder [geïntimeerde] bevindt. Aangezien vaststaat dat [de erflaatster] het tweetrapsvermogen niet afzonderlijk heeft geadministreerd en [appellant] onweersproken heeft gesteld dat er (onduidelijke) verwevenheid was tussen het privévermogen en het vennootschapsvermogen, heeft de vereffenaar voldoende belang bij het verkrijgen van de gehele administratie en behoeft hij geen genoegen te nemen met de gepubliceerde jaarstukken over de afgelopen vijf jaar.


6.13
Het hof ziet in het voorgaande aanleiding de gevorderde dwangsom toe te wijzen zoals hierna te melden.


6.14

Gezien de aard van het kort geding is in deze procedure in beginsel geen plaats voor het bewijslevering. Het hof ziet in dit geval geen aanleiding van dat uitgangspunt af te wijken. Het hof gaat daarom voorbij aan het (ongespecificeerde) bewijsaanbod van [geïntimeerde] .

Conclusie en proceskosten




6.15
De conclusie is dat het principaal hoger beroep slaagt en het incidenteel hoger beroep faalt. Daarom zal het hof het vonnis vernietigen en de vorderingen alsnog toewijzen zoals hierna te melden. Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in principaal hoger beroep aan de zijde van [appellant] . Waar sprake is van een onnodig incidenteel hoger beroep zal het hof daarin geen kostenveroordeling uitspreken.


6.16

Het hof begroot de proceskosten in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] op:
dagvaarding € 144,47
griffierecht € 331,-
salaris advocaat € 1.228,- (2 punten × tarief II)

nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 1.892,47.



6.17

Het hof begroot de proceskosten in principaal hoger beroep aan de zijde van [appellant] op:
dagvaarding € 144,47
griffierecht € 362,-
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)

nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 3.275,47.





7Beslissing
Het hof:



In principaal en incidenteel hoger beroep





vernietigt het vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 5 augustus 2025, en opnieuw rechtdoende:


veroordeelt [geïntimeerde] , in persoon en in hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [de erflaatster] , de woning aan de [adres] , [postcode] in [plaats] binnen twee maanden na heden met alle daarin aanwezige personen en goederen te ontruimen, met afgifte van de sleutels aan [appellant] op zijn kantoor aan de [adres] te [plaats] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat [geïntimeerde] dat nalaat, met een maximum van € 25.000,-;


veroordeelt [geïntimeerde] , in persoon en in hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [de erflaatster] , om de gehele administratie van [de vennootschap] (KvK-nummer: [KvK-nummer] ), voor zover die zich onder haar bevindt, af te geven aan [appellant] op zijn kantoor aan de [adres] te [plaats] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat [geïntimeerde] dat nalaat, met een maximum van € 25.000,-;


veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.892,47;


veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op € 3.275,47;


bepaalt dat als [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;


verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;


wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.




Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.E. Sutorius-Van Hees en D. Stoutjesdijk en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.