Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2493
2026-06-24
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.361.630/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHDHA:2026:2493 → ECLI:NL:RBDHA:2025:15177 meerdere afhandelingswijzen
Inhoudsindicatie
Zorgregeling. Ouder met ALS, één volwassene aanwezig tijdens zorgregeling. Verdeling vakanties en feestdagen. Verzoek verbod besturen van een voertuig. Verzoek uitsluitend gebruik vakantiewoning.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (38.621 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.361.630/01
rekestnummers rechtbank : FA RK 24-1958, FA RK 24-1961 en FA RK 24-4464
zaaknummers rechtbank : C/09/663209, C/09/663213 en C/09/668335
beschikking van de meervoudige kamer van 24 juni 2026
inzake
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. V.L.T. van Roy te Leiden,
tegen
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. H. Devkinandan te Zoetermeer.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de bijzondere curator] , in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen minderjarige,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de raad.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
1.1
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de deelbeschikking van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 23 juni 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
2.1
De vader is op 22 september 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Bij arrest van 4 november 2025 heeft het hof bevolen dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. Daarnaast heeft het hof de vader bevolen om uiterlijk op 18 november 2025 de dagvaarding te verbeteren en aan te vullen zodat deze voldoet aan de eisen voor een beroepschrift en deze in te dienen ter griffie van het hof. De vader heeft op 18 november 2025 een verbeterd beroepschrift ingediend.
2.2
De moeder heeft op 13 maart 2026 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vader heeft op 26 maart 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
De raad heeft het hof bij brief van 24 februari 2026, ingekomen op 2 maart 2026, medegedeeld niet op de mondelinge behandeling te zullen verschijnen.
2.5
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een brief van 9 januari 2026 van de zijde van de vader, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vader, met bijlagen, ingekomen op 27 januari 2026;
- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 18 maart 2026, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
2.6
Voorts is op 10 maart 2026 van de zijde van de bijzondere curator het door haar opgemaakte eindverslag van diezelfde datum ingekomen.
2.7
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de minderjarige, in het bijzijn van de bijzondere curator, gehoord.
2.8
De mondelinge behandeling heeft op 27 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de bijzondere curator.
De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd en deze voorgedragen.
3De feiten
3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2017 te [huwelijksplaats] .
3.3
Uit dit huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] geboren: [minderjarige] , hierna te noemen: de minderjarige.
3.4
De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige.
3.5
De moeder heeft de Spaanse nationaliteit en de vader heeft de Canadese en de Italiaanse nationaliteit.
3.6
De rechtbank Den Haag heeft op 15 februari 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover in hoger beroep van belang, inhoudende:
- toevertrouwing van de minderjarige aan de moeder;
- vaststelling van een voorlopige zorgregeling, waarbij de minderjarige contact heeft met de vader:
- iedere dinsdag uit school tot 19.30 uur, waarbij de minderjarige eet bij de vader;
- iedere donderdag uit school tot 18.00 uur, waarbij de minderjarige eet bij de moeder;
- iedere zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de minderjarige eet bij de moeder,
waarbij er een door de vader te kiezen volwassene (in de nabijheid en) beschikbaar is waar de minderjarige naartoe kan lopen indien zij hulp nodig heeft voor de vader (op de wijze zoals beschreven in het lichaam van deze beschikking).
3.7
Bij beschikking van de rechtbank van 19 december 2024 is:
- aan de moeder vervangende toestemming verleend om met de minderjarige naar Portugal te reizen van 29 december 2024 tot 5 januari 2025;
- bepaald dat de minderjarige van dinsdag 24 december 2024 13.00 uur tot woensdag 25 december 2024 13.00 uur en van donderdag 26 december 2024 17.00 uur tot zaterdag 28 december 2024 13.00 uur bij de vader verblijft, waarbij heeft te gelden dat de overnachting alleen plaatsvindt wanneer één van de volwassen zonen of één van de zussen van de vader bij de vader overnacht wanneer de minderjarige daar de nacht doorbrengt.
3.8
Bij beschikking van de rechtbank van 16 januari 2025 is:
- een vakantieregeling vastgesteld voor de voorjaarsvakantie, meivakantie en zomervakantie 2025, waarbij - voor zover van belang – de minderjarige in de zomervakantie drie weken met de moeder naar het buitenland mag reizen, waarbij minimaal twee maanden van tevoren aan de vader wordt doorgegeven of dit de eerste of laatste drie weken van de zomervakantie betreffen. De vader is gerechtigd om een week met de minderjarige thuis of op een vakantiebestemming door te brengen, mits één van de volwassen zonen of één van de zussen van de vader de gehele vakantie en tijdens de reis permanent aanwezig is, en waarbij de vader minimaal zes weken van tevoren bij de moeder aangeeft of en wanneer hij op vakantie zal gaan met de minderjarige;
- bepaald dat de vader tijdens de contactmomenten met de minderjarige – zowel binnenshuis als buitenshuis - een volwassene moet regelen die in de directe nabijheid aanwezig is;
- [de bijzondere curator] benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang:
- bepaald dat de minderjarige haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij moeder;
- bepaald dat de minderjarige bij de vader zal zijn:
- elke dinsdag na schooltijd tot 19.30 uur, met avondeten bij de vader. De vader haalt de minderjarige uit school, de moeder haalt de minderjarige weer op bij de vader;
- elke donderdag na schooltijd tot 18.00 uur, zonder avondeten. De vader haalt de minderjarige uit school, de moeder haalt de minderjarige weer op bij de vader;
- drie zaterdagen per maand van 10.00 uur tot 19.30 uur, met avondeten bij de vader;
- een verdeling van de vakanties bepaald, waarbij de minderjarige:
- in de herfstvakantie bij de moeder verblijft;
- in de kerstvakantie van 24 december 13.00 uur tot 25 december 13.00 uur en van 26 december 17.00 uur tot 28 december 13.00 uur bij de vader verblijft, waarbij heeft te gelden dat de overnachting alleen plaatsvindt wanneer één van de volwassen zonen of één van de zussen van de vader bij de vader overnacht wanneer de minderjarige daar de nacht doorbrengt;
- in de voorjaarsvakantie bij de vader verblijft van donderdag 13.00 uur tot zaterdag 13.00 uur, mits één van de volwassen zonen of één van de zussen van de vader bij de vader overnacht wanneer de minderjarige daar de nacht doorbrengt;
- in de meivakantie een hele week bij de moeder verblijft, waarbij zij eventueel met de minderjarige naar het buitenland kan reizen, waarbij ze minimaal zes weken van tevoren bij de vader aangeeft in welke week dit zal zijn. In de andere week van de meivakantie verblijft de minderjarige van donderdag 13.00 uur tot zaterdag 13.00 uur bij de vader, onder dezelfde voorwaarden als benoemd onder de voorjaarsvakantie;
- in de zomervakantie drie weken met de moeder in het buitenland verblijft, waarbij de moeder minimaal twee maanden van tevoren aangeeft of dit de eerste of laatste drie weken van de zomervakantie zullen zijn. De vader is gerechtigd om één week met de minderjarige thuis of op een vakantiebestemming naar keuze door te brengen, mits één van de volwassen zonen of één van de zussen van de vader de gehele vakantie en tijdens de reis permanent in de directe omgeving aanwezig is. De vader zal minimaal zes weken van tevoren aangeven of en wanneer hij op vakantie zal gaan met de minderjarige.
4.2
De vader verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende:
een reguliere zorgregeling vast te stellen, waarbij de minderjarige bij de vader verblijft:
- elke dinsdag na schooltijd tot 19.30 uur, met avondeten bij de vader;
- elke donderdag na schooltijd tot 19.30 uur, met avondeten bij de vader;
- twee zaterdagen per maand van 10.00 uur tot 19.30 uur, met avondeten bij de vader;
- één weekend per maand, van zaterdag 10.00 uur tot zondag na het avondeten, steeds in aanwezigheid van één van haar broers of één van haar tantes of een derde volwassene, en;
een regeling ten aanzien van de verdeling van de vakanties vast te stellen, waarbij de minderjarige gedurende de:
- zomervakantie drie weken bij de vader verblijft, waarbij de vader gerechtigd is om met de minderjarige in het buitenland te verblijven, mits één van zijn volwassen zonen of één van zijn zussen de gehele vakantie en tijdens de reis in de directe omgeving (dus in hetzelfde huis of voertuig) aanwezig is;
- herfstvakantie: de helft van de vakantie bij de vader verblijft;
- kerstvakantie: één week bij de vader verblijft, waarbij de vader gerechtigd is om met de minderjarige in het buitenland te verblijven, mits één van zijn volwassen zonen of één van zijn zussen de gehele vakantie en tijdens de reis in de directe omgeving (dus in hetzelfde huis of voertuig) aanwezig is;
- voorjaarsvakantie: de helft van de vakantie bij de vader verblijft, waarbij de vader gerechtigd is om met de minderjarige in het buitenland te verblijven, mits één van zijn volwassen zonen of één van zijn zussen de gehele vakantie en tijdens de reis in de directe omgeving (dus in hetzelfde huis of voertuig) aanwezig is;
- meivakantie: de helft van de vakantie bij de vader verblijft, waarbij de vader gerechtigd is om met de minderjarige in het buitenland te verblijven, mits één van zijn volwassen zonen of één van zijn zussen de gehele vakantie en tijdens de reis in de directe omgeving (dus in hetzelfde huis of voertuig) aanwezig is.
4.3
De moeder verzoekt het hof bij beschikking, de bestreden beschikking te vernietigen c.q. te wijzigen, met inachtname van het volgende:
a. a) de verzoeken van de vader in beide instanties geheel af te wijzen;
b) te bepalen dat de minderjarige bij de vader zal zijn:
- elke dinsdag na schooltijd tot 19:30 uur, met avondeten bij de vader, waarbij de vader de minderjarige haalt uit school en de moeder de minderjarige weer ophaalt bij de vader;
- elke donderdag na schooltijd tot 18:00 uur, zonder avondeten, waarbij de vader de minderjarige haalt uit school en de moeder de minderjarige weer ophaalt hij de vader;
- een zaterdag per maand vanaf 12:30 uur tot 17:00 uur;
- een zaterdag per maand vanaf 12:30 uur tot 19:30 uur mits een van de broers of tantes aanwezig is;
c) te bepalen dat (1) er tijdens de zorgregeling altijd twee volwassenen aanwezig zijn (één die voor de vader kan zorgen in geval van een ongeluk, en één die voor de minderjarige kan zorgen) en (2) dat de volwassene die voor de minderjarige zorgt een professioneel gekwalificeerd persoon is, die deskundig is en te allen tijde de veiligheid en het welzijn van de minderjarige voorop kan stellen, wiens woonsituatie niet afhankelijk is van de vader;
d) te bepalen dat de vader geen voertuig zal besturen tijdens de zorgregeling met de minderjarige en te bepalen dat de vader zijn medewerking dient te verlenen hieraan zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere keer nadat de vader in gebreke blijft om aan [de] in dezen te wijzen beschikking te voldoen, een en ander zonder maximum vast te stellen, uitvoerbaar bij voorraad;
e) te bepalen dat de volgende vakantieverdeling wordt vastgesteld (waarbij de minderjarige bij de vader zal zijn), in het bijzijn van de broers van de minderjarige of de zussen van de vader als de minderjarige bij de vader is:
a. herfstvakantie: 1 nacht bij de vader van vrijdag 13.00 tot zaterdag 17.00 uur, mits één van de zonen of zussen van de vader gedurende deze uren aanwezig zijn (de moeder kan dan zo nodig 5 nachten in het buitenland verblijven met de minderjarige vanaf de zaterdag daarvoor tot en met donderdag);
b. voorjaarsvakantie: 1 nacht bij de vader van vrijdag 13.00 uur tot zaterdag 17.00 uur, mits één van de zonen of zussen van de vader gedurende deze uren aanwezig zijn;
c. meivakantie: een week hij de moeder met de toestemming om naar het buitenland te reizen (7 nachten): 1 nacht bij de vader van 13.00 uur tot zaterdag 17.00 uur, mits de zonen aanwezig zijn;
f) te bepalen dat de kerstvakanties op de navolgende wijze worden verdeeld, in het bijzijn van de broers van de minderjarige of zussen van de vader als de minderjarige bij de vader is:
a jaar 2026: de minderjarige kan van 20 t/m 27 december met de moeder naar het buitenland en is van 28 t/m 30 december hij de vader;
b. jaar 2027: de minderjarige is van 24 t/m 25 december en van 26 t/m 28 december bij de vader en kan van 30 december tot en met 6 januari met de moeder naar het buitenland reizen;
c. jaar 2028: de minderjarige kan van 23 t/m 30 december met de moeder naar het buitenland reizen en is van 1 t/m 3 januari bij de vader;
g) te bepalen dat partijen worden verwezen naar [hulperverleningstraject] of een soortgelijke instantie en te bepalen dat de vader zijn medewerking dient te verlenen hieraan zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere keer, nadat de vader, in gebreke blijft om aan [de] in dezen te wijzen beschikking te voldoen, een en ander zonder maximum vast te stellen, uitvoerbaar bij voorraad;
h) te bepalen dat de moeder vervangende toestemming krijgt voor de behandeling van de minderjarige door een kinderpsycholoog, welke toestemming de toestemming van de vader vervangt;
i ) te bepalen dat de moeder het huis in Portugal gedurende de drie weken dat de minderjarige met de moeder naar het buitenland reist mag gebruiken met de minderjarige, met uitsluiting van de vader gedurende deze weken;
j) met veroordeling van de vader in de algehele proceskosten van beide instanties, in ieder geval de algehele proceskosten in hoger beroep.
4.4
Bij voornoemd journaalbericht van 18 maart 2026 heeft de moeder het hof aanvullend verzocht, bij beschikking, de bestreden beschikking te vernietigen c.q. te wijzigen, met inachtname van het volgende:
a. de verzoeken van de vader in beide instanties geheel af te wijzen;
b. te bepalen dat de moeder vervangende toestemming krijgt voor de behandeling van de minderjarige door de orthodontist, zodat de minderjarige een beugel kan krijgen, alsook voor het bijschrijven van de minderjarige op haar zorgpolis, welke toestemming de toestemming van de vader vervangt;
c. met veroordeling van de vader in de algehele proceskosten van beide instanties, in ieder geval de algehele proceskosten in hoger beroep.
4.5
De vader verzoekt het hof in het incidenteel hoger beroep de verzoeken van de moeder af te wijzen.
5De motivering van de beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel II-ter bevoegd te beslissen op de verzoeken ten aanzien van de minderjarige.
5.2
Door partijen is geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is, zodat het hof Nederlands recht zal toepassen.
Reguliere zorgregeling
5.3
De vader voert, samengevat, het navolgende aan. De vader is het niet eens met de door de rechtbank bepaalde zorgregeling. Bij de vader is de ziekte ALS gediagnosticeerd, zodat het in het belang van de minderjarige is om, de naar verwachting beperkte tijd die de minderjarige nog met de vader kan delen, de zorgregeling uit te breiden. De vader benadrukt dat hij te allen tijde het belang van de minderjarige voorop zet en nooit haar veiligheid op het spel zal zetten.
5.4
De moeder voert, samengevat, het navolgende aan. De moeder is het ook niet eens met de door de rechtbank bepaalde zorgregeling. De moeder vindt dat de zorgregeling beperkt moet worden omdat de gezondheid van de vader is verslechterd waardoor hij niet langer in staat is zoveel tijd met de minderjarige door te brengen. De vader kan niet voor de minderjarige zorgen en belast de minderjarige met de zorg voor hem.
5.5
De bijzondere curator heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, samengevat, naar voren gebracht dat het sinds de procedure in eerste aanleg beter gaat met de minderjarige. Zij is sterk en consistent en geeft aan dat zij het fijn vindt bij haar vader. Het is voor de minderjarige van belang dat er rust en stabiliteit komt en dat zij op beide ouders kan terugvallen. De minderjarige wenst twee zaterdagen per maand bij haar vader te verblijven, in plaats van drie zaterdagen per maand, zodat zij ook twee weekenden volledig met haar moeder kan doorbrengen. De bijzondere curator heeft het hof geadviseerd hier rekening mee te houden bij het maken van de beslissing.
5.6
Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, waaronder de invulling van de zorgregeling (zie art. 1:253a lid 2 BW), aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt daarbij een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
5.7
Het hof volgt het advies van de bijzondere curator en zal een zorgregeling bepalen waarbij de minderjarige elke dinsdag na schooltijd tot 19.30 uur, met avondeten, en elke donderdag na schooltijd tot 18.00 uur, zonder avondeten, en twee zaterdagen per maand van 10.00 uur tot 19.30 uur, met avondeten, bij de vader verblijft. Het meer of anders door partijen verzochte, zal worden afgewezen. Het hof overweegt daartoe dat de minderjarige zich nog steeds in een complexe situatie bevindt door de echtscheiding van de ouders en de progressieve ziekte van de vader. Uit het verslag van de bijzondere curator en hetgeen de bijzondere curator tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, blijkt dat het desondanks goed gaat met de minderjarige. De minderjarige is sinds de procedure in eerste aanleg, zelfverzekerder, vrolijker en ervaart de contacten met de vader als prettig. Het hof acht het van belang dat de rust en stabiliteit voor de minderjarige blijft bestaan, zodat het hof niet al te veel inhoudelijke wijzigingen in de zorgregeling zal aanbrengen. Het hof acht het wel in het belang van de minderjarige dat zij twee weekenden per maand een volledig weekend met de moeder kan doorbrengen, zodat het hof dienovereenkomstig zal beslissen.
Aanwezigheid van twee volwassenen tijdens de zorgregeling waarvan één professioneel gekwalificeerd persoon
5.8
De moeder voert, samengevat, het volgende aan. Tijdens de zorgregeling dienen er twee volwassenen aanwezig te zijn, waarvan één professioneel gekwalificeerd persoon die voor de minderjarige zorgt. De aanwezigheid van één derde persoon is niet langer voldoende omdat de gezondheid van de vader achteruit is gegaan. Het contact moet voor de minderjarige veilig zijn.
5.9
De vader voert, samengevat, het volgende aan. Er bestaat geen noodzaak om een professioneel gekwalificeerd persoon aanwezig te laten zijn op de momenten dat de minderjarige bij de vader verblijft. Het contact is veilig en de vader zal nooit de minderjarige en haar belangen schaden.
5.10
Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof maakt deze gronden, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden gebleken die tot een ander oordeel leiden. Uit hetgeen de bijzondere curator in haar verslag en tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren heeft gebracht, maakt het hof op dat de huidige regeling waarbij er steeds één volwassene aanwezig is tijdens de zorgregeling, tot op heden goed verloopt. Het hof ziet in hetgeen de moeder naar voren heeft gebracht dan ook geen aanleiding om dit te wijzigen en zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen en het verzoek van de moeder afwijzen.
Verdeling vakanties
5.11
De vader voert, samengevat, het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat een verdeling van de vakanties bij helfte niet haalbaar is. Er zijn voldoende waarborgen voor de veiligheid van de minderjarige aanwezig voor een verdeling van de vakanties bij helfte. Daarnaast reisde het gezin veel vaker naar het buitenland en de ouders hebben een vakantiehuis in Portugal.
5.12
De moeder voert, samengevat het volgende aan. De moeder wil juist een beperking van de verdeling van de vakanties omdat de zorg voor een kind tijdens een vakantie veeleisender is dan tijdens schooltijd. Daarnaast wenst de moeder een andere verdeling van de kerstvakantie zodat zij tijdens Kerstmis met de minderjarige naar haar moeder in Italië kan reizen.
5.13
De bijzondere curator heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, samengevat, naar voren gebracht dat de minderjarige eerder moeite had met slapen bij de vader, maar dat dat nu goed gaat doordat de oudere stiefbroers aanwezig zijn. Er zit enige speling in de uitbreiding van de verdeling van de vakanties omdat, zoals blijkt uit het verslag van de bijzondere curator, de vakantie een goed moment is om meer rust te creëren in het contact tussen de vader en de minderjarige, temeer nu de minderjarige doordeweekse dagen ook nog veel activiteiten heeft. De minderjarige heeft het de afgelopen zomervakantie in Portugal heel fijn gehad bij de vader.
Oordeel van het hof
5.14
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de verdeling van de vakanties en feestdagen het afgelopen jaar goed is verlopen. De minderjarige is in de zomervakantie met de vader en haar stiefbroers naar Portugal gegaan en de minderjarige heeft het heel fijn gehad. Het hof ziet hierin aanleiding om uitsluitend de verdeling van de zomervakantie iets aan te passen. Het hof zal bepalen dat de minderjarige in de zomervakantie niet één week maar 10 dagen bij de vader kan doorbrengen thuis of op een vakantiebestemming naar keuze, mits één van de volwassen zonen of één van de zussen van de vader de gehele vakantie en tijdens de reis permanent in de directe omgeving aanwezig is. De vader dient minimaal zes weken van tevoren aan te geven of en wanneer hij op vakantie zal gaan met de minderjarige.
5.15
Voorts verzoekt de moeder het hof haar toestemming te verlenen zodat zij met de minderjarige naar het buitenland kan reizen. Het hof overweegt als volgt. Het gezag over de minderjarige komt aan beide ouders toe. Het is de verantwoordelijkheid van beide ouders om op een verantwoorde wijze invulling te geven aan het ouderschap. Vanuit dat kader bezien, is het hof van oordeel dat de ouders in onderling overleg moeten bepalen wanneer de minderjarige naar het buitenland kan reizen en wanneer niet. Beide ouders zijn verantwoordelijk om zorg te dragen voor een goede regeling zodat de minderjarige zich bij beide ouders veilig en gelukkig kan voelen. Het hof zal het verzoek van de vrouw dus afwijzen.
Besturen van een voertuig door de vader
5.16
De moeder stelt dat de vader niet meer in staat is om auto te rijden. Er is een risico op epileptische aanvallen bij de vader en de vader brengt daarmee zichzelf en anderen in gevaar. De moeder heeft met de huisarts, de politie en Veilig Thuis gesproken maar niemand wil/kan iets doen.
5.17
De vader voert, samengevat, het volgende aan. De vader betwist dat hij niet in staat is om auto te rijden. De vader heeft nog nooit een epileptische aanval gehad. De vader heeft daarnaast een op hem aangepaste auto, waarmee hij zich zonder problemen verplaatst.
5.18
Het hof overweegt als volgt. De moeder stelt dat er een risico is op een epileptische aanval tijdens het rijden, de vader ontkent echter dat hij ooit een epileptische aanval heeft gehad. Het hof is niet in staat een inschatting te maken, nu geen van partijen nadere medische gegevens dan wel een medische verklaring omtrent de geschiktheid van de man om auto te rijden heeft overgelegd. Omdat de belangen van de minderjarige voorop staan en het hof de zorgen van de moeder begrijpt, zal het hof bepalen dat de moeder verantwoordelijk zal zijn voor het halen en brengen van de minderjarige.
5.19
Een algeheel rijverbod op straffe van een dwangsom, zoals de moeder verzoekt, is naar het oordeel van het hof niet voorbehouden aan de familiekamer. Het hof zal dit verzoek van de moeder dan ook afwijzen.
Deelname [hulperverleningstraject] of een soortgelijke instantie op straffe van een dwangsom
5.20
De moeder stelt dat het van groot belang is dat de ouders ondersteuning krijgen in hun communicatie. De vader dient zijn medewerking te verlenen aan passende hulpverlening, zoals [hulperverleningstraject] . De vader heeft jegens de minderjarige niet alleen rechten maar ook verplichtingen, hij moet zich inzetten voor de belangen van de minderjarige en een goede communicatie is daarin essentieel.
5.21
De vader stelt dat er geen reden is voor een gedwongen traject. De moeder weigert juist het contact met de vader. De vader is genoodzaakt enkel per e-mail contact op te nemen met de moeder.
5.22
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof aldus gebleken dat de communicatie tussen de ouders ernstig is verstoord. Het hof is dan ook van oordeel dat beide ouders in het belang van de minderjarige hulpverlening dienen te accepteren om de strijd die zij voeren te staken. De minderjarige heeft immers last van deze strijd en de ouders brengen haar hiermee in een loyaliteitsconflict. Het traject [hulperverleningstraject] is echter een traject in het vrijwillig kader, zodat het hof geen juridische grondslag ziet partijen hiertoe te dwingen. Het is de verantwoordelijkheid van beide ouders om op een verantwoorde wijze met hun dochter om te gaan. Het hof zal het verzoek van de moeder afwijzen.
Vervangende toestemming kinderpsycholoog
5.23
De moeder voert, samengevat, het volgende aan. Het [hulpverleningsinstantie 1] (hierna: [hulpverleningsinstantie 1] ) heeft op [datum] 2025 contact opgenomen met de moeder dat ze toestemming hadden gekregen van de vader om de minderjarige naar een kinderpsycholoog te brengen. Dit duurt echter heel erg lang omdat de casus eerst door [hulpverleningsinstantie 2] moet worden beoordeeld. De minderjarige heeft hulp nodig om de traumatische ervaringen die zij meegemaakt heeft en nog mee gaat maken te verwerken. De moeder wil dat de minderjarige in behandeling gaat bij een psycholoog in de particuliere sector.
5.24
De vader voert, samengevat, het volgende aan. De vader heeft zijn medewerking verleend aan het [hulpverleningsinstantie 1] en staat daarachter, gezien de daar aanwezige expertise en het beoogde maatwerk. De vader is van mening dat het [hulpverleningsinstantie 1] en [hulpverleningsinstantie 2] de benodigde expertise hebben om de juiste en passende psycholoog voor de minderjarige te vinden.
5.25
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de minderjarige vanuit het [hulpverleningsinstantie 1] hulpverlening zal ontvangen. Het hof ziet de toegevoegde waarde van hulpverlening voor de minderjarige, maar is van oordeel dat op dit moment eerst voldoende aandacht en tijd geschonken moet worden aan de door de raad in eerste aanleg geadviseerde en in te zetten hulpverlening via het [hulpverleningsinstantie 1] . Het hof acht het in het belang van de minderjarige om de uitkomst hiervan af te wachten om te voorkomen dat de minderjarige te zwaar belast wordt. Daarnaast heeft de bijzondere curator tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangegeven dat het juist de ouders zijn die de minderjarige belasten met hun strijd. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat er onvoldoende aanleiding is om de moeder vervangende toestemming te verlenen. Het hof zal het verzoek van de moeder afwijzen.
Vervangende toestemming orthodontist en bijschrijven zorgpolis
5.26
De moeder verzoekt het hof daarnaast om vervangende toestemming om de minderjarige te laten behandelen bij een orthodontist en haar bij te schrijven op de zorgpolis van de moeder. De minderjarige is door de tandarts doorverwezen naar de orthodontist voor een beugel maar de vader weigert hier zijn toestemming voor te geven. Om er voor te zorgen dat de zorgkosten vergoed worden, is inschrijving van de minderjarige op de zorgpolis van de moeder noodzakelijk.
5.27
Het hof overweegt als volgt. Uit de brief van de tandarts aan de orthodontist (productie 7 bij journaalbericht van 18 maart 2026 van de moeder) blijkt dat de minderjarige op [datum] 2026 door de tandarts is doorverwezen naar de orthodontist voor een consult en behandeling. Het hof is eveneens gebleken dat de vader tot op heden geen toestemming heeft willen geven. Gelet op de noodzaak voor de minderjarige ziet het hof aanleiding om de moeder vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige te laten behandelen door de orthodontist. Gelet op het feit dat het noodzakelijk is dat de minderjarige aanvullend verzekerd is voor deze kosten, ziet het hof aanleiding de moeder eveneens vervangende toestemming te verlenen de minderjarige bij te schrijven op haar zorgpolis.
Uitsluitend gebruik huis in Portugal
5.28
De moeder voert, samengevat, het volgende aan. De moeder wil het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke vakantiewoning te Portugal van 10 augustus tot 30 augustus 2026. In de zomer van 2025 zou de moeder met de minderjarige 10 dagen gebruik maken van de woning maar de vader weigerde de woning te verlaten, waardoor de moeder haar reis naar Portugal heeft moeten annuleren. Het is niet in het belang van de minderjarige om tijdens de vakantie gezamenlijk in de vakantiewoning te verblijven.
5.29
De vader voert, samengevat, het volgende aan. De vader verblijft graag in de vakantiewoning en heeft hier baat bij. Het staat de moeder vrij om gezamenlijk te verblijven in de vakantiewoning, indien zij dit niet wenst dan staat het haar vrij de vakantie elders te verblijven. Daarnaast baseert de moeder haar verzoek niet op een rechtsgrond die in rechte afdwingbaar is.
5.30
Het hof overweegt als volgt. De ouders hebben een gemeenschappelijke vakantiewoning te Portugal. Het hof is van oordeel dat de Portugese rechter uitsluitend bevoegd is in goederenrechtelijke zin over het uitsluitend gebruik van de vakantiewoning te Portugal te beslissen. Indien de ouders een beheersregeling wensen conform Boek 3 van het BW, is dit eveneens voorbehouden aan de Portugese rechter. De rechter te Portugal kan beoordelen op welke wijze het beheer van het onroerend goed moet worden uitgevoerd. Het hof zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen. Het hof geeft de ouders mee dat zij in het belang van de minderjarige de strijdbijl dienen te begraven, zeker gelet op de wellicht nog beperkte tijd die de minderjarige in de nabijheid van beide ouders zal kunnen doorbrengen.
Bijzondere curator
5.31
De bijzondere curator zal van haar taak worden ontslagen met het in kracht van gewijsde gaan van deze beschikking, zodat zij in de gelegenheid zal zijn de beslissing van het hof met de minderjarige te bespreken.
Proceskosten
5.32
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten compenseren zodat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
5.33
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de zorgregeling en de verdeling van de vakanties betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de minderjarige bij de vader zal zijn:
- elke dinsdag na schooltijd tot 19.30 uur, met avondeten bij de vader;
- elke donderdag na schooltijd tot 18.00 uur, zonder avondeten;
- twee zaterdagen per maand van 10.00 uur tot 19.30 uur, met avondeten bij de vader;
bepaalt dat de moeder verantwoordelijk is voor het halen en brengen van de minderjarige;
bepaalt een verdeling van de vakanties, waarbij de minderjarige:
- in de herfstvakantie bij de moeder verblijft:
- in de kerstvakantie van 24 december 13.00 uur tot 25 december 13.00 uur en van 26
december 17.00 uur tot 28 december 13.00 uur bij de vader verblijft, waarbij heeft te gelden dat de overnachting alleen plaatsvindt wanneer één van de volwassen zonen of één van de zussen van de vader bij de vader overnacht wanneer de minderjarige daar de nacht doorbrengt:
- in de voorjaarsvakantie bij de vader verblijft van donderdag 13.00 uur tot zaterdag 13.00 uur, mits één van de volwassen zonen of één van de zussen van de vader bij de vader overnacht wanneer de minderjarige daar de nacht doorbrengt:
- in de meivakantie een hele week bij de moeder verblijft, waarbij zij eventueel met de minderjarige naar het buitenland kan reizen, waarbij ze minimaal zes weken van tevoren bij de vader aangeeft in welke week dit zal zijn. In de andere week van de meivakantie verblijft de minderjarige van donderdag 13.00 uur tot zaterdag 13.00 uur bij de vader, onder dezelfde voorwaarden als benoemd onder de voorjaarsvakantie:
- in de zomervakantie drie weken met de moeder in het buitenland verblijft, waarbij de moeder minimaal twee maanden van tevoren aangeeft of dit de eerste of laatste drie weken van de zomervakantie zullen zijn. De vader is gerechtigd om 10 dagen met de minderjarige thuis of op een vakantiebestemming naar keuze door te brengen, mits één van de volwassen zonen of één van de zussen van de vader de gehele vakantie en tijdens de reis permanent in de directe omgeving aanwezig is. De vader zal minimaal zes weken van tevoren aangeven of en wanneer hij op vakantie zal gaan met de minderjarige;
verleent aan de moeder vervangende toestemming om de minderjarige te laten behandelen bij de orthodontist;
verleent de moeder vervangende toestemming om de minderjarige bij te schrijven op haar zorgpolis;
ontslaat de bijzondere curator [de bijzondere curator] van haar taak met ingang van de datum van het in kracht van gewijsde gaan van deze beschikking;
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.G.B. Boelens, A.N. Labohm en R.L.M.C. Janssen, bijgestaan door mr. F. van Wijk-Spieker als griffier en is op 24 juni 2026 door mr. A.A.F. Donders uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Team Familie
zaaknummer : 200.361.630/01
rekestnummers rechtbank : FA RK 24-1958, FA RK 24-1961 en FA RK 24-4464
zaaknummers rechtbank : C/09/663209, C/09/663213 en C/09/668335
beschikking van de meervoudige kamer van 24 juni 2026
inzake
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. V.L.T. van Roy te Leiden,
tegen
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. H. Devkinandan te Zoetermeer.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de bijzondere curator] , in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen minderjarige,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de raad.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
1.1
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de deelbeschikking van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 23 juni 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
2.1
De vader is op 22 september 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Bij arrest van 4 november 2025 heeft het hof bevolen dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. Daarnaast heeft het hof de vader bevolen om uiterlijk op 18 november 2025 de dagvaarding te verbeteren en aan te vullen zodat deze voldoet aan de eisen voor een beroepschrift en deze in te dienen ter griffie van het hof. De vader heeft op 18 november 2025 een verbeterd beroepschrift ingediend.
2.2
De moeder heeft op 13 maart 2026 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vader heeft op 26 maart 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
De raad heeft het hof bij brief van 24 februari 2026, ingekomen op 2 maart 2026, medegedeeld niet op de mondelinge behandeling te zullen verschijnen.
2.5
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een brief van 9 januari 2026 van de zijde van de vader, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vader, met bijlagen, ingekomen op 27 januari 2026;
- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 18 maart 2026, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
2.6
Voorts is op 10 maart 2026 van de zijde van de bijzondere curator het door haar opgemaakte eindverslag van diezelfde datum ingekomen.
2.7
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de minderjarige, in het bijzijn van de bijzondere curator, gehoord.
2.8
De mondelinge behandeling heeft op 27 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de bijzondere curator.
De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd en deze voorgedragen.
3De feiten
3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2017 te [huwelijksplaats] .
3.3
Uit dit huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] geboren: [minderjarige] , hierna te noemen: de minderjarige.
3.4
De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige.
3.5
De moeder heeft de Spaanse nationaliteit en de vader heeft de Canadese en de Italiaanse nationaliteit.
3.6
De rechtbank Den Haag heeft op 15 februari 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover in hoger beroep van belang, inhoudende:
- toevertrouwing van de minderjarige aan de moeder;
- vaststelling van een voorlopige zorgregeling, waarbij de minderjarige contact heeft met de vader:
- iedere dinsdag uit school tot 19.30 uur, waarbij de minderjarige eet bij de vader;
- iedere donderdag uit school tot 18.00 uur, waarbij de minderjarige eet bij de moeder;
- iedere zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de minderjarige eet bij de moeder,
waarbij er een door de vader te kiezen volwassene (in de nabijheid en) beschikbaar is waar de minderjarige naartoe kan lopen indien zij hulp nodig heeft voor de vader (op de wijze zoals beschreven in het lichaam van deze beschikking).
3.7
Bij beschikking van de rechtbank van 19 december 2024 is:
- aan de moeder vervangende toestemming verleend om met de minderjarige naar Portugal te reizen van 29 december 2024 tot 5 januari 2025;
- bepaald dat de minderjarige van dinsdag 24 december 2024 13.00 uur tot woensdag 25 december 2024 13.00 uur en van donderdag 26 december 2024 17.00 uur tot zaterdag 28 december 2024 13.00 uur bij de vader verblijft, waarbij heeft te gelden dat de overnachting alleen plaatsvindt wanneer één van de volwassen zonen of één van de zussen van de vader bij de vader overnacht wanneer de minderjarige daar de nacht doorbrengt.
3.8
Bij beschikking van de rechtbank van 16 januari 2025 is:
- een vakantieregeling vastgesteld voor de voorjaarsvakantie, meivakantie en zomervakantie 2025, waarbij - voor zover van belang – de minderjarige in de zomervakantie drie weken met de moeder naar het buitenland mag reizen, waarbij minimaal twee maanden van tevoren aan de vader wordt doorgegeven of dit de eerste of laatste drie weken van de zomervakantie betreffen. De vader is gerechtigd om een week met de minderjarige thuis of op een vakantiebestemming door te brengen, mits één van de volwassen zonen of één van de zussen van de vader de gehele vakantie en tijdens de reis permanent aanwezig is, en waarbij de vader minimaal zes weken van tevoren bij de moeder aangeeft of en wanneer hij op vakantie zal gaan met de minderjarige;
- bepaald dat de vader tijdens de contactmomenten met de minderjarige – zowel binnenshuis als buitenshuis - een volwassene moet regelen die in de directe nabijheid aanwezig is;
- [de bijzondere curator] benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang:
- bepaald dat de minderjarige haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij moeder;
- bepaald dat de minderjarige bij de vader zal zijn:
- elke dinsdag na schooltijd tot 19.30 uur, met avondeten bij de vader. De vader haalt de minderjarige uit school, de moeder haalt de minderjarige weer op bij de vader;
- elke donderdag na schooltijd tot 18.00 uur, zonder avondeten. De vader haalt de minderjarige uit school, de moeder haalt de minderjarige weer op bij de vader;
- drie zaterdagen per maand van 10.00 uur tot 19.30 uur, met avondeten bij de vader;
- een verdeling van de vakanties bepaald, waarbij de minderjarige:
- in de herfstvakantie bij de moeder verblijft;
- in de kerstvakantie van 24 december 13.00 uur tot 25 december 13.00 uur en van 26 december 17.00 uur tot 28 december 13.00 uur bij de vader verblijft, waarbij heeft te gelden dat de overnachting alleen plaatsvindt wanneer één van de volwassen zonen of één van de zussen van de vader bij de vader overnacht wanneer de minderjarige daar de nacht doorbrengt;
- in de voorjaarsvakantie bij de vader verblijft van donderdag 13.00 uur tot zaterdag 13.00 uur, mits één van de volwassen zonen of één van de zussen van de vader bij de vader overnacht wanneer de minderjarige daar de nacht doorbrengt;
- in de meivakantie een hele week bij de moeder verblijft, waarbij zij eventueel met de minderjarige naar het buitenland kan reizen, waarbij ze minimaal zes weken van tevoren bij de vader aangeeft in welke week dit zal zijn. In de andere week van de meivakantie verblijft de minderjarige van donderdag 13.00 uur tot zaterdag 13.00 uur bij de vader, onder dezelfde voorwaarden als benoemd onder de voorjaarsvakantie;
- in de zomervakantie drie weken met de moeder in het buitenland verblijft, waarbij de moeder minimaal twee maanden van tevoren aangeeft of dit de eerste of laatste drie weken van de zomervakantie zullen zijn. De vader is gerechtigd om één week met de minderjarige thuis of op een vakantiebestemming naar keuze door te brengen, mits één van de volwassen zonen of één van de zussen van de vader de gehele vakantie en tijdens de reis permanent in de directe omgeving aanwezig is. De vader zal minimaal zes weken van tevoren aangeven of en wanneer hij op vakantie zal gaan met de minderjarige.
4.2
De vader verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende:
een reguliere zorgregeling vast te stellen, waarbij de minderjarige bij de vader verblijft:
- elke dinsdag na schooltijd tot 19.30 uur, met avondeten bij de vader;
- elke donderdag na schooltijd tot 19.30 uur, met avondeten bij de vader;
- twee zaterdagen per maand van 10.00 uur tot 19.30 uur, met avondeten bij de vader;
- één weekend per maand, van zaterdag 10.00 uur tot zondag na het avondeten, steeds in aanwezigheid van één van haar broers of één van haar tantes of een derde volwassene, en;
een regeling ten aanzien van de verdeling van de vakanties vast te stellen, waarbij de minderjarige gedurende de:
- zomervakantie drie weken bij de vader verblijft, waarbij de vader gerechtigd is om met de minderjarige in het buitenland te verblijven, mits één van zijn volwassen zonen of één van zijn zussen de gehele vakantie en tijdens de reis in de directe omgeving (dus in hetzelfde huis of voertuig) aanwezig is;
- herfstvakantie: de helft van de vakantie bij de vader verblijft;
- kerstvakantie: één week bij de vader verblijft, waarbij de vader gerechtigd is om met de minderjarige in het buitenland te verblijven, mits één van zijn volwassen zonen of één van zijn zussen de gehele vakantie en tijdens de reis in de directe omgeving (dus in hetzelfde huis of voertuig) aanwezig is;
- voorjaarsvakantie: de helft van de vakantie bij de vader verblijft, waarbij de vader gerechtigd is om met de minderjarige in het buitenland te verblijven, mits één van zijn volwassen zonen of één van zijn zussen de gehele vakantie en tijdens de reis in de directe omgeving (dus in hetzelfde huis of voertuig) aanwezig is;
- meivakantie: de helft van de vakantie bij de vader verblijft, waarbij de vader gerechtigd is om met de minderjarige in het buitenland te verblijven, mits één van zijn volwassen zonen of één van zijn zussen de gehele vakantie en tijdens de reis in de directe omgeving (dus in hetzelfde huis of voertuig) aanwezig is.
4.3
De moeder verzoekt het hof bij beschikking, de bestreden beschikking te vernietigen c.q. te wijzigen, met inachtname van het volgende:
a. a) de verzoeken van de vader in beide instanties geheel af te wijzen;
b) te bepalen dat de minderjarige bij de vader zal zijn:
- elke dinsdag na schooltijd tot 19:30 uur, met avondeten bij de vader, waarbij de vader de minderjarige haalt uit school en de moeder de minderjarige weer ophaalt bij de vader;
- elke donderdag na schooltijd tot 18:00 uur, zonder avondeten, waarbij de vader de minderjarige haalt uit school en de moeder de minderjarige weer ophaalt hij de vader;
- een zaterdag per maand vanaf 12:30 uur tot 17:00 uur;
- een zaterdag per maand vanaf 12:30 uur tot 19:30 uur mits een van de broers of tantes aanwezig is;
c) te bepalen dat (1) er tijdens de zorgregeling altijd twee volwassenen aanwezig zijn (één die voor de vader kan zorgen in geval van een ongeluk, en één die voor de minderjarige kan zorgen) en (2) dat de volwassene die voor de minderjarige zorgt een professioneel gekwalificeerd persoon is, die deskundig is en te allen tijde de veiligheid en het welzijn van de minderjarige voorop kan stellen, wiens woonsituatie niet afhankelijk is van de vader;
d) te bepalen dat de vader geen voertuig zal besturen tijdens de zorgregeling met de minderjarige en te bepalen dat de vader zijn medewerking dient te verlenen hieraan zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere keer nadat de vader in gebreke blijft om aan [de] in dezen te wijzen beschikking te voldoen, een en ander zonder maximum vast te stellen, uitvoerbaar bij voorraad;
e) te bepalen dat de volgende vakantieverdeling wordt vastgesteld (waarbij de minderjarige bij de vader zal zijn), in het bijzijn van de broers van de minderjarige of de zussen van de vader als de minderjarige bij de vader is:
a. herfstvakantie: 1 nacht bij de vader van vrijdag 13.00 tot zaterdag 17.00 uur, mits één van de zonen of zussen van de vader gedurende deze uren aanwezig zijn (de moeder kan dan zo nodig 5 nachten in het buitenland verblijven met de minderjarige vanaf de zaterdag daarvoor tot en met donderdag);
b. voorjaarsvakantie: 1 nacht bij de vader van vrijdag 13.00 uur tot zaterdag 17.00 uur, mits één van de zonen of zussen van de vader gedurende deze uren aanwezig zijn;
c. meivakantie: een week hij de moeder met de toestemming om naar het buitenland te reizen (7 nachten): 1 nacht bij de vader van 13.00 uur tot zaterdag 17.00 uur, mits de zonen aanwezig zijn;
f) te bepalen dat de kerstvakanties op de navolgende wijze worden verdeeld, in het bijzijn van de broers van de minderjarige of zussen van de vader als de minderjarige bij de vader is:
a jaar 2026: de minderjarige kan van 20 t/m 27 december met de moeder naar het buitenland en is van 28 t/m 30 december hij de vader;
b. jaar 2027: de minderjarige is van 24 t/m 25 december en van 26 t/m 28 december bij de vader en kan van 30 december tot en met 6 januari met de moeder naar het buitenland reizen;
c. jaar 2028: de minderjarige kan van 23 t/m 30 december met de moeder naar het buitenland reizen en is van 1 t/m 3 januari bij de vader;
g) te bepalen dat partijen worden verwezen naar [hulperverleningstraject] of een soortgelijke instantie en te bepalen dat de vader zijn medewerking dient te verlenen hieraan zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere keer, nadat de vader, in gebreke blijft om aan [de] in dezen te wijzen beschikking te voldoen, een en ander zonder maximum vast te stellen, uitvoerbaar bij voorraad;
h) te bepalen dat de moeder vervangende toestemming krijgt voor de behandeling van de minderjarige door een kinderpsycholoog, welke toestemming de toestemming van de vader vervangt;
i ) te bepalen dat de moeder het huis in Portugal gedurende de drie weken dat de minderjarige met de moeder naar het buitenland reist mag gebruiken met de minderjarige, met uitsluiting van de vader gedurende deze weken;
j) met veroordeling van de vader in de algehele proceskosten van beide instanties, in ieder geval de algehele proceskosten in hoger beroep.
4.4
Bij voornoemd journaalbericht van 18 maart 2026 heeft de moeder het hof aanvullend verzocht, bij beschikking, de bestreden beschikking te vernietigen c.q. te wijzigen, met inachtname van het volgende:
a. de verzoeken van de vader in beide instanties geheel af te wijzen;
b. te bepalen dat de moeder vervangende toestemming krijgt voor de behandeling van de minderjarige door de orthodontist, zodat de minderjarige een beugel kan krijgen, alsook voor het bijschrijven van de minderjarige op haar zorgpolis, welke toestemming de toestemming van de vader vervangt;
c. met veroordeling van de vader in de algehele proceskosten van beide instanties, in ieder geval de algehele proceskosten in hoger beroep.
4.5
De vader verzoekt het hof in het incidenteel hoger beroep de verzoeken van de moeder af te wijzen.
5De motivering van de beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel II-ter bevoegd te beslissen op de verzoeken ten aanzien van de minderjarige.
5.2
Door partijen is geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is, zodat het hof Nederlands recht zal toepassen.
Reguliere zorgregeling
5.3
De vader voert, samengevat, het navolgende aan. De vader is het niet eens met de door de rechtbank bepaalde zorgregeling. Bij de vader is de ziekte ALS gediagnosticeerd, zodat het in het belang van de minderjarige is om, de naar verwachting beperkte tijd die de minderjarige nog met de vader kan delen, de zorgregeling uit te breiden. De vader benadrukt dat hij te allen tijde het belang van de minderjarige voorop zet en nooit haar veiligheid op het spel zal zetten.
5.4
De moeder voert, samengevat, het navolgende aan. De moeder is het ook niet eens met de door de rechtbank bepaalde zorgregeling. De moeder vindt dat de zorgregeling beperkt moet worden omdat de gezondheid van de vader is verslechterd waardoor hij niet langer in staat is zoveel tijd met de minderjarige door te brengen. De vader kan niet voor de minderjarige zorgen en belast de minderjarige met de zorg voor hem.
5.5
De bijzondere curator heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, samengevat, naar voren gebracht dat het sinds de procedure in eerste aanleg beter gaat met de minderjarige. Zij is sterk en consistent en geeft aan dat zij het fijn vindt bij haar vader. Het is voor de minderjarige van belang dat er rust en stabiliteit komt en dat zij op beide ouders kan terugvallen. De minderjarige wenst twee zaterdagen per maand bij haar vader te verblijven, in plaats van drie zaterdagen per maand, zodat zij ook twee weekenden volledig met haar moeder kan doorbrengen. De bijzondere curator heeft het hof geadviseerd hier rekening mee te houden bij het maken van de beslissing.
5.6
Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, waaronder de invulling van de zorgregeling (zie art. 1:253a lid 2 BW), aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt daarbij een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
5.7
Het hof volgt het advies van de bijzondere curator en zal een zorgregeling bepalen waarbij de minderjarige elke dinsdag na schooltijd tot 19.30 uur, met avondeten, en elke donderdag na schooltijd tot 18.00 uur, zonder avondeten, en twee zaterdagen per maand van 10.00 uur tot 19.30 uur, met avondeten, bij de vader verblijft. Het meer of anders door partijen verzochte, zal worden afgewezen. Het hof overweegt daartoe dat de minderjarige zich nog steeds in een complexe situatie bevindt door de echtscheiding van de ouders en de progressieve ziekte van de vader. Uit het verslag van de bijzondere curator en hetgeen de bijzondere curator tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, blijkt dat het desondanks goed gaat met de minderjarige. De minderjarige is sinds de procedure in eerste aanleg, zelfverzekerder, vrolijker en ervaart de contacten met de vader als prettig. Het hof acht het van belang dat de rust en stabiliteit voor de minderjarige blijft bestaan, zodat het hof niet al te veel inhoudelijke wijzigingen in de zorgregeling zal aanbrengen. Het hof acht het wel in het belang van de minderjarige dat zij twee weekenden per maand een volledig weekend met de moeder kan doorbrengen, zodat het hof dienovereenkomstig zal beslissen.
Aanwezigheid van twee volwassenen tijdens de zorgregeling waarvan één professioneel gekwalificeerd persoon
5.8
De moeder voert, samengevat, het volgende aan. Tijdens de zorgregeling dienen er twee volwassenen aanwezig te zijn, waarvan één professioneel gekwalificeerd persoon die voor de minderjarige zorgt. De aanwezigheid van één derde persoon is niet langer voldoende omdat de gezondheid van de vader achteruit is gegaan. Het contact moet voor de minderjarige veilig zijn.
5.9
De vader voert, samengevat, het volgende aan. Er bestaat geen noodzaak om een professioneel gekwalificeerd persoon aanwezig te laten zijn op de momenten dat de minderjarige bij de vader verblijft. Het contact is veilig en de vader zal nooit de minderjarige en haar belangen schaden.
5.10
Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof maakt deze gronden, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden gebleken die tot een ander oordeel leiden. Uit hetgeen de bijzondere curator in haar verslag en tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren heeft gebracht, maakt het hof op dat de huidige regeling waarbij er steeds één volwassene aanwezig is tijdens de zorgregeling, tot op heden goed verloopt. Het hof ziet in hetgeen de moeder naar voren heeft gebracht dan ook geen aanleiding om dit te wijzigen en zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen en het verzoek van de moeder afwijzen.
Verdeling vakanties
5.11
De vader voert, samengevat, het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat een verdeling van de vakanties bij helfte niet haalbaar is. Er zijn voldoende waarborgen voor de veiligheid van de minderjarige aanwezig voor een verdeling van de vakanties bij helfte. Daarnaast reisde het gezin veel vaker naar het buitenland en de ouders hebben een vakantiehuis in Portugal.
5.12
De moeder voert, samengevat het volgende aan. De moeder wil juist een beperking van de verdeling van de vakanties omdat de zorg voor een kind tijdens een vakantie veeleisender is dan tijdens schooltijd. Daarnaast wenst de moeder een andere verdeling van de kerstvakantie zodat zij tijdens Kerstmis met de minderjarige naar haar moeder in Italië kan reizen.
5.13
De bijzondere curator heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, samengevat, naar voren gebracht dat de minderjarige eerder moeite had met slapen bij de vader, maar dat dat nu goed gaat doordat de oudere stiefbroers aanwezig zijn. Er zit enige speling in de uitbreiding van de verdeling van de vakanties omdat, zoals blijkt uit het verslag van de bijzondere curator, de vakantie een goed moment is om meer rust te creëren in het contact tussen de vader en de minderjarige, temeer nu de minderjarige doordeweekse dagen ook nog veel activiteiten heeft. De minderjarige heeft het de afgelopen zomervakantie in Portugal heel fijn gehad bij de vader.
Oordeel van het hof
5.14
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de verdeling van de vakanties en feestdagen het afgelopen jaar goed is verlopen. De minderjarige is in de zomervakantie met de vader en haar stiefbroers naar Portugal gegaan en de minderjarige heeft het heel fijn gehad. Het hof ziet hierin aanleiding om uitsluitend de verdeling van de zomervakantie iets aan te passen. Het hof zal bepalen dat de minderjarige in de zomervakantie niet één week maar 10 dagen bij de vader kan doorbrengen thuis of op een vakantiebestemming naar keuze, mits één van de volwassen zonen of één van de zussen van de vader de gehele vakantie en tijdens de reis permanent in de directe omgeving aanwezig is. De vader dient minimaal zes weken van tevoren aan te geven of en wanneer hij op vakantie zal gaan met de minderjarige.
5.15
Voorts verzoekt de moeder het hof haar toestemming te verlenen zodat zij met de minderjarige naar het buitenland kan reizen. Het hof overweegt als volgt. Het gezag over de minderjarige komt aan beide ouders toe. Het is de verantwoordelijkheid van beide ouders om op een verantwoorde wijze invulling te geven aan het ouderschap. Vanuit dat kader bezien, is het hof van oordeel dat de ouders in onderling overleg moeten bepalen wanneer de minderjarige naar het buitenland kan reizen en wanneer niet. Beide ouders zijn verantwoordelijk om zorg te dragen voor een goede regeling zodat de minderjarige zich bij beide ouders veilig en gelukkig kan voelen. Het hof zal het verzoek van de vrouw dus afwijzen.
Besturen van een voertuig door de vader
5.16
De moeder stelt dat de vader niet meer in staat is om auto te rijden. Er is een risico op epileptische aanvallen bij de vader en de vader brengt daarmee zichzelf en anderen in gevaar. De moeder heeft met de huisarts, de politie en Veilig Thuis gesproken maar niemand wil/kan iets doen.
5.17
De vader voert, samengevat, het volgende aan. De vader betwist dat hij niet in staat is om auto te rijden. De vader heeft nog nooit een epileptische aanval gehad. De vader heeft daarnaast een op hem aangepaste auto, waarmee hij zich zonder problemen verplaatst.
5.18
Het hof overweegt als volgt. De moeder stelt dat er een risico is op een epileptische aanval tijdens het rijden, de vader ontkent echter dat hij ooit een epileptische aanval heeft gehad. Het hof is niet in staat een inschatting te maken, nu geen van partijen nadere medische gegevens dan wel een medische verklaring omtrent de geschiktheid van de man om auto te rijden heeft overgelegd. Omdat de belangen van de minderjarige voorop staan en het hof de zorgen van de moeder begrijpt, zal het hof bepalen dat de moeder verantwoordelijk zal zijn voor het halen en brengen van de minderjarige.
5.19
Een algeheel rijverbod op straffe van een dwangsom, zoals de moeder verzoekt, is naar het oordeel van het hof niet voorbehouden aan de familiekamer. Het hof zal dit verzoek van de moeder dan ook afwijzen.
Deelname [hulperverleningstraject] of een soortgelijke instantie op straffe van een dwangsom
5.20
De moeder stelt dat het van groot belang is dat de ouders ondersteuning krijgen in hun communicatie. De vader dient zijn medewerking te verlenen aan passende hulpverlening, zoals [hulperverleningstraject] . De vader heeft jegens de minderjarige niet alleen rechten maar ook verplichtingen, hij moet zich inzetten voor de belangen van de minderjarige en een goede communicatie is daarin essentieel.
5.21
De vader stelt dat er geen reden is voor een gedwongen traject. De moeder weigert juist het contact met de vader. De vader is genoodzaakt enkel per e-mail contact op te nemen met de moeder.
5.22
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof aldus gebleken dat de communicatie tussen de ouders ernstig is verstoord. Het hof is dan ook van oordeel dat beide ouders in het belang van de minderjarige hulpverlening dienen te accepteren om de strijd die zij voeren te staken. De minderjarige heeft immers last van deze strijd en de ouders brengen haar hiermee in een loyaliteitsconflict. Het traject [hulperverleningstraject] is echter een traject in het vrijwillig kader, zodat het hof geen juridische grondslag ziet partijen hiertoe te dwingen. Het is de verantwoordelijkheid van beide ouders om op een verantwoorde wijze met hun dochter om te gaan. Het hof zal het verzoek van de moeder afwijzen.
Vervangende toestemming kinderpsycholoog
5.23
De moeder voert, samengevat, het volgende aan. Het [hulpverleningsinstantie 1] (hierna: [hulpverleningsinstantie 1] ) heeft op [datum] 2025 contact opgenomen met de moeder dat ze toestemming hadden gekregen van de vader om de minderjarige naar een kinderpsycholoog te brengen. Dit duurt echter heel erg lang omdat de casus eerst door [hulpverleningsinstantie 2] moet worden beoordeeld. De minderjarige heeft hulp nodig om de traumatische ervaringen die zij meegemaakt heeft en nog mee gaat maken te verwerken. De moeder wil dat de minderjarige in behandeling gaat bij een psycholoog in de particuliere sector.
5.24
De vader voert, samengevat, het volgende aan. De vader heeft zijn medewerking verleend aan het [hulpverleningsinstantie 1] en staat daarachter, gezien de daar aanwezige expertise en het beoogde maatwerk. De vader is van mening dat het [hulpverleningsinstantie 1] en [hulpverleningsinstantie 2] de benodigde expertise hebben om de juiste en passende psycholoog voor de minderjarige te vinden.
5.25
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de minderjarige vanuit het [hulpverleningsinstantie 1] hulpverlening zal ontvangen. Het hof ziet de toegevoegde waarde van hulpverlening voor de minderjarige, maar is van oordeel dat op dit moment eerst voldoende aandacht en tijd geschonken moet worden aan de door de raad in eerste aanleg geadviseerde en in te zetten hulpverlening via het [hulpverleningsinstantie 1] . Het hof acht het in het belang van de minderjarige om de uitkomst hiervan af te wachten om te voorkomen dat de minderjarige te zwaar belast wordt. Daarnaast heeft de bijzondere curator tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangegeven dat het juist de ouders zijn die de minderjarige belasten met hun strijd. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat er onvoldoende aanleiding is om de moeder vervangende toestemming te verlenen. Het hof zal het verzoek van de moeder afwijzen.
Vervangende toestemming orthodontist en bijschrijven zorgpolis
5.26
De moeder verzoekt het hof daarnaast om vervangende toestemming om de minderjarige te laten behandelen bij een orthodontist en haar bij te schrijven op de zorgpolis van de moeder. De minderjarige is door de tandarts doorverwezen naar de orthodontist voor een beugel maar de vader weigert hier zijn toestemming voor te geven. Om er voor te zorgen dat de zorgkosten vergoed worden, is inschrijving van de minderjarige op de zorgpolis van de moeder noodzakelijk.
5.27
Het hof overweegt als volgt. Uit de brief van de tandarts aan de orthodontist (productie 7 bij journaalbericht van 18 maart 2026 van de moeder) blijkt dat de minderjarige op [datum] 2026 door de tandarts is doorverwezen naar de orthodontist voor een consult en behandeling. Het hof is eveneens gebleken dat de vader tot op heden geen toestemming heeft willen geven. Gelet op de noodzaak voor de minderjarige ziet het hof aanleiding om de moeder vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige te laten behandelen door de orthodontist. Gelet op het feit dat het noodzakelijk is dat de minderjarige aanvullend verzekerd is voor deze kosten, ziet het hof aanleiding de moeder eveneens vervangende toestemming te verlenen de minderjarige bij te schrijven op haar zorgpolis.
Uitsluitend gebruik huis in Portugal
5.28
De moeder voert, samengevat, het volgende aan. De moeder wil het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke vakantiewoning te Portugal van 10 augustus tot 30 augustus 2026. In de zomer van 2025 zou de moeder met de minderjarige 10 dagen gebruik maken van de woning maar de vader weigerde de woning te verlaten, waardoor de moeder haar reis naar Portugal heeft moeten annuleren. Het is niet in het belang van de minderjarige om tijdens de vakantie gezamenlijk in de vakantiewoning te verblijven.
5.29
De vader voert, samengevat, het volgende aan. De vader verblijft graag in de vakantiewoning en heeft hier baat bij. Het staat de moeder vrij om gezamenlijk te verblijven in de vakantiewoning, indien zij dit niet wenst dan staat het haar vrij de vakantie elders te verblijven. Daarnaast baseert de moeder haar verzoek niet op een rechtsgrond die in rechte afdwingbaar is.
5.30
Het hof overweegt als volgt. De ouders hebben een gemeenschappelijke vakantiewoning te Portugal. Het hof is van oordeel dat de Portugese rechter uitsluitend bevoegd is in goederenrechtelijke zin over het uitsluitend gebruik van de vakantiewoning te Portugal te beslissen. Indien de ouders een beheersregeling wensen conform Boek 3 van het BW, is dit eveneens voorbehouden aan de Portugese rechter. De rechter te Portugal kan beoordelen op welke wijze het beheer van het onroerend goed moet worden uitgevoerd. Het hof zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen. Het hof geeft de ouders mee dat zij in het belang van de minderjarige de strijdbijl dienen te begraven, zeker gelet op de wellicht nog beperkte tijd die de minderjarige in de nabijheid van beide ouders zal kunnen doorbrengen.
Bijzondere curator
5.31
De bijzondere curator zal van haar taak worden ontslagen met het in kracht van gewijsde gaan van deze beschikking, zodat zij in de gelegenheid zal zijn de beslissing van het hof met de minderjarige te bespreken.
Proceskosten
5.32
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten compenseren zodat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
5.33
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de zorgregeling en de verdeling van de vakanties betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de minderjarige bij de vader zal zijn:
- elke dinsdag na schooltijd tot 19.30 uur, met avondeten bij de vader;
- elke donderdag na schooltijd tot 18.00 uur, zonder avondeten;
- twee zaterdagen per maand van 10.00 uur tot 19.30 uur, met avondeten bij de vader;
bepaalt dat de moeder verantwoordelijk is voor het halen en brengen van de minderjarige;
bepaalt een verdeling van de vakanties, waarbij de minderjarige:
- in de herfstvakantie bij de moeder verblijft:
- in de kerstvakantie van 24 december 13.00 uur tot 25 december 13.00 uur en van 26
december 17.00 uur tot 28 december 13.00 uur bij de vader verblijft, waarbij heeft te gelden dat de overnachting alleen plaatsvindt wanneer één van de volwassen zonen of één van de zussen van de vader bij de vader overnacht wanneer de minderjarige daar de nacht doorbrengt:
- in de voorjaarsvakantie bij de vader verblijft van donderdag 13.00 uur tot zaterdag 13.00 uur, mits één van de volwassen zonen of één van de zussen van de vader bij de vader overnacht wanneer de minderjarige daar de nacht doorbrengt:
- in de meivakantie een hele week bij de moeder verblijft, waarbij zij eventueel met de minderjarige naar het buitenland kan reizen, waarbij ze minimaal zes weken van tevoren bij de vader aangeeft in welke week dit zal zijn. In de andere week van de meivakantie verblijft de minderjarige van donderdag 13.00 uur tot zaterdag 13.00 uur bij de vader, onder dezelfde voorwaarden als benoemd onder de voorjaarsvakantie:
- in de zomervakantie drie weken met de moeder in het buitenland verblijft, waarbij de moeder minimaal twee maanden van tevoren aangeeft of dit de eerste of laatste drie weken van de zomervakantie zullen zijn. De vader is gerechtigd om 10 dagen met de minderjarige thuis of op een vakantiebestemming naar keuze door te brengen, mits één van de volwassen zonen of één van de zussen van de vader de gehele vakantie en tijdens de reis permanent in de directe omgeving aanwezig is. De vader zal minimaal zes weken van tevoren aangeven of en wanneer hij op vakantie zal gaan met de minderjarige;
verleent aan de moeder vervangende toestemming om de minderjarige te laten behandelen bij de orthodontist;
verleent de moeder vervangende toestemming om de minderjarige bij te schrijven op haar zorgpolis;
ontslaat de bijzondere curator [de bijzondere curator] van haar taak met ingang van de datum van het in kracht van gewijsde gaan van deze beschikking;
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.G.B. Boelens, A.N. Labohm en R.L.M.C. Janssen, bijgestaan door mr. F. van Wijk-Spieker als griffier en is op 24 juni 2026 door mr. A.A.F. Donders uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.