Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2492

2026-06-24 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.361.039/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-24
Publicatiedatum
2026-07-31
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.361.039/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Vergoedingsrecht wegens door man verkregen erfenisgelden van zijn moeder. Buitenlands codicil. Legaat appartementsrecht. Schuld bij de zuster van de man kwijtgescholden? Specifiek bewijsaanbod, getuigenverhoor. Voortgezet gebruik en gebruiksvergoeding appartement. Vakantiewoning in Portugal. Advocaatkosten geen benadeling van de gemeenschap.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (49.796 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG


Team Familie



zaaknummer : 200.361.039/01
rekestnummers rechtbank : FA RK 24-1958, FA RK 24-1961 en FA RK 24-4464
zaaknummers rechtbank : C/09/663209, C/09/663213 en C/09/668335




beschikking van de meervoudige kamer van 24 juni 2026




inzake




[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. V.L.T. van Roy te Leiden,



tegen




[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.J. de Vries te Amsterdam.






1Het verloop van het geding in eerste aanleg


Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de deelbeschikking van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 23 juni 2025 en de eindbeschikking van 4 augustus 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (laatstgenoemde beschikking hierna te noemen: de bestreden beschikking).





2Het geding in hoger beroep


2.1
De man is op 3 november 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.



2.2
De vrouw heeft op 26 januari 2026 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.



2.3
De man heeft op 23 maart 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.



2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- een brief van 10 december 2025, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van 17 maart 2026, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

van de zijde van de vrouw:
- een journaalbericht van 16 maart 2026, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van 17 maart 2026, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.



2.5
De mondelinge behandeling heeft op 27 maart 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd en deze voorgedragen.





3De feiten


3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.



3.2
Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2017 te [huwelijksplaats] .



3.3
Partijen zijn de ouders van: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: de minderjarige.



3.4
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige.



3.5
De vrouw heeft de Spaanse nationaliteit. De man heeft de Canadese en de Italiaanse nationaliteit.



3.6
Bij tussenbeschikking van de rechtbank van 23 juni 2025 is – kort samengevat – :
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- bepaald dat de minderjarige haar hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw;
- bepaald dat de minderjarige elke dinsdag en donderdag na schooltijd en drie zaterdagen per maand bij de man is;
- een verdeling van de vakanties en feestdagen vastgesteld;
- een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage aan kinderalimentatie vastgesteld van € 304,- per maand;
- de verdeling aangehouden om aan partijen de mogelijkheid te geven hierover nader overleg te voeren.



3.7
In hoger beroep is vast komen te staan dat de echtscheidingsbeschikking op [datum] 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.





4De omvang van het geschil


4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de wijze van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, als volgt vastgesteld:
- met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] te [postcode] [plaats] :
1) de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a. a) partijen verstrekken binnen één maand na deze beschikking een gezamenlijke opdracht aan [makelaar] te [plaats] tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
b) de man zal binnen twee maanden na de taxatie aan de vrouw aantonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a. a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal - als partijen het niet eens zijn - partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
- met betrekking tot de vakantiewoning in Portugal: sluit het verzoek tot verdeling van de vakantiewoning in Portugal op voet van artikel 3:178 lid 3 BW uit voor ten hoogste drie jaar, te rekenen vanaf de datum van deze beschikking;
- met betrekking tot de bankrekeningen van partijen: bepaalt dat de op de peildatum aanwezige saldi van de op naam van één van hen of partijen gezamenlijk bij helfte zullen worden verdeeld;
- met betrekking tot de inboedel van de echtelijke woning, inclusief de bakfiets: bepaalt dat de inboedel in onderling overleg tussen partijen zal worden verdeeld, waarbij de door de vrouw overgelegde lijst als uitgangspunt dient;
- met betrekking tot de auto met kenteken [kenteken] : deelt de auto toe aan de man, onder de vergoeding van de helft van de waarde daarvan aan de vrouw, waarbij de waarde wordt gesteld op de door de garage/dealer waar de auto destijds gekocht is, te stellen prijs;
- bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van de schuld bij de zuster van de man voor zijn/haar rekening dient te nemen.
De rechtbank heeft de verdeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen.



4.2
De man verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, opnieuw rechtdoende:
- te bepalen dat de man een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap heeft van € 397.336,14 in verband met de door hem onder uitsluitingsclausule ontvangen erfenis;
- te bepalen dat de vrouw aan de man dient te betalen: primair € 20.328,- te vermeerderen met € 968,- per maand vanaf 1 december 2025, dat de vrouw gebruik blijft maken van het aan de man toebehorende appartement aan de [adres] te [plaats] , althans: subsidiair een bedrag van € 6.755,- ter vergoeding van de door de man betaalde bijdrage aan de Vereniging van Eigenaren van het appartement aan de [adres] te [plaats] , te vermeerderen met € 325,- per maand vanaf 1 december 2025, dat de vrouw gebruik blijft maken van het appartement alsmede een bedrag van € 696,78 ter zake van de door de man betaalde gemeentelijke belastingen voor het betreffende appartement, te vermeerderen met € 63,34 per maand dat de vrouw gebruik maakt van het appartement;
- te bepalen dat de vrouw aan de man dient te betalen het bedrag van € 1.959,10 terzake van de door hem ten behoeve van haar betaalde premies ziektekostenverzekering;
- te bepalen dat de vrouw aan de man dient te betalen de helft van de door de man betaalde belastingen, verzekeringen en kosten van onderhoud aan de gezamenlijk in eigendom toebehorende onroerende goederen aan de [adres] alsmede het huis in Portugal;
- kosten rechtens.



4.3

De vrouw verzoekt het hof, bij beschikking:

In het principaal hoger beroep: de grieven van de man af te wijzen.




In het incidenteel hoger beroep: de bestreden beschikking op de onderdelen waartegen de grieven van de vrouw zich richten te vernietigen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:


1. ten aanzien van de peildatum (grief 1):

de peildatum voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap vast te stellen op 13 maart 2024;

2. ten aanzien van de schuld aan de zuster (grief 2):


primair: vast te stellen dat de vordering van de zuster in 2017 opeisbaar werd en op grond van art. 3:307 BW is verjaard en dat aldus geen afdwingbare schuld (meer) bestaat;
subsidiair: vast te stellen dat de schuld is kwijtgescholden (art. 6:160 BW) dan wel omgezet in een natuurlijke verbintenis en daarom niet tot de gemeenschap behoort met toedeling ervan aan de man zonder verrekening;
meer subsidiair: vast te stellen dat de schuld aan de man is verknocht (art. 1:94 BW) en buiten de gemeenschap valt, met toedeling ervan aan de man zonder verrekening;
uiterst subsidiair: op grond van art. 3:185 BW de (gestelde) schuld volledig aan de man toe te delen zonder enige verrekening met de vrouw;


3. ten aanzien van het appartement [adres] (grief 3):


vast te stellen dat het appartement aan de [adres] in ieder geval voor 4/5 deel in de gemeenschap van goederen van partijen valt en tussen partijen dient te worden verdeeld;
het appartement aan de [adres] toe te delen aan de man onder de verplichting aan de vrouw de helft van de taxatiewaarde, althans 4/10 deel van de taxatiewaarde, te voldoen, welke taxatie zal worden verricht door een door het hof te benoemen deskundige, althans door [makelaar] te [plaats] ;


4. ten aanzien van de vakantiewoning Portugal (grief 4):

te bepalen dat de tot de huwelijksgemeenschap behorende vakantiewoning te Portugal zal worden verdeeld door de verkoop daarvan door de aankoopmakelaar tegen een prijs die deze makelaar acceptabel acht, waarbij de netto-opbrengst na aftrek van verkoopkosten bij helfte tussen partijen wordt verdeeld;

5. ten aanzien van benadeling gemeenschap (grief 5):

de man te veroordelen uit hoofde van benadeling van de gemeenschap ex art. 1:164 BW aan de vrouw te voldoen de som van € 14.727,22 (advocaatkosten betaald vóór de peildatum);

6. ten aanzien van de auto (grief 6):

aan de man toe te bedelen de auto met kenteken [kenteken] en de man te veroordelen € 9.975,- te voldoen aan de vrouw uit hoofde van overbedeling terzake de auto, zijnde de helft van de aanschafwaarde van € 19.950, -;

7. ten aanzien van regres kosten:

de man te veroordelen aan de vrouw te betalen de som van € 6.737,99 zijnde de helft van de door haar betaalde kosten na peildatum betreffende de echtelijke woning, de vakantiewoning in Portugal en de verrekening in verband met de belastingaangifte IB 2023;

8. ten aanzien van gebruik [appartement] (grief 7):

de man te verbieden over te gaan tot ontruiming van de vrouw en de dochter van partijen uit het appartement aan de [adres] voordat 6 maanden zijn verstreken na de levering van de echtelijke woning aan de man, althans totdat de vrouw en [minderjarige] passende vervangende woonruimte hebben gevonden;

9. ten aanzien van de bankrekeningen (grief 8):

de man te gebieden mee te werken aan het splitsen in gelijke delen van de aandelenrekening met nr. [nummer] , zodat iedere partij de helft van de aandelen op datum splitsing verkrijgt, althans een pakket aandelen vertegenwoordigende de helft van de waarde van de aandelen op datum splitsing;


van de bankrekeningen van partijen aan de vrouw toe te delen:
RABO Regenboog [bankrekeningnummer] ( [minderjarige] )
RABO spaar [bankrekeningnummer]
Portugal [bankrekeningnummer]
Betaal [bankrekeningnummer]
Spaar [bankrekeningnummer]



en van de bankrekeningen van partijen aan de man toe te delen:
HypoVereinsbank [bankrekeningnummer]
RABO direct rekening [bankrekeningnummer]
Spaar [bankrekeningnummer]
AMRO [bankrekeningnummer]
AMRO [bankrekeningnummer] (direct sparen)
Creditcard ICS [bankrekeningnummer]



alsmede te bepalen dat de vrouw terzake overbedeling met betrekking tot de verdeling van de
bankrekeningen van partijen aan de man dient te betalen de som van € 21.603,43, althans een door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag;


10. uitvoerbaarverklaring bij voorraad

de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, voor zover de wet dit toelaat;

11. proceskosten

de man te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep, althans te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.



4.4

In incidenteel hoger beroep verzoekt de man het hof het incidenteel hoger beroep van de vrouw af te wijzen, althans:
subsidiair, ten aanzien van grief 4 van de vrouw:
indien en voor zover het hof meent dat verdeling van de vakantiewoning te Portugal alsnog geboden is, een zogenaamd spoorboekje te stellen, waarbij partijen na taxatie van de vakantiewoning binnen een door het hof te stellen termijn, alsnog ieder in staat worden gesteld om tot overname van de vakantiewoning over te gaan. Indien geen van beide partijen de vakantiewoning kan of wil overnemen, zal de vakantiewoning dienen te worden verkocht aan een derde, nadat partijen over en weer een akkoord hebben bereikt over de verdeling van de kosten die ten behoeve van de vakantiewoning na de peildatum zijn gemaakt.




4.5
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.





5De motivering van de beslissing



Rechtsmacht en toepasselijk recht




5.1
Het hof dient ambtshalve vast te stellen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om van de onderhavige zaak kennis te nemen. Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding (aangezien beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben), heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).



5.2

Door partijen is geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen, zodat ook het hof in hoger beroep uitgaat van de toepasselijkheid van Nederlands recht.

Wat zijn de kerngrieven van partijen?





5.3
Het hof leest in het appel en het incidenteel appel een aantal kerngrieven. De kerngrieven zijn:
- dat de man van mening is dat de erfenis die hij van zijn moeder heeft gekregen, zowel uit Nederland als uit de Verenigd Koninkrijk, is verkregen onder uitsluitingsclausule en jegens de gemeenschap derhalve vergoedingsrechten zijn ontstaan;
- dat de vrouw van mening is dat de geldlening die de zuster van de man aan de man heeft verstrekt van ongeveer € 130.000 is verjaard; en
- dat de vrouw van mening is dat het appartement aan de [adres] te [plaats] in de wettelijke algemene gemeenschap van goederen valt.



5.4
Het hof zal eerst ingaan op de kerngrieven en daarna de overige grieven bespreken.



Peildatum





5.5
Partijen zijn met elkaar gehuwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Met betrekking tot de peildatum van de omvang en samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap zijn partijen het erover eens dat deze is ontbonden op 13 maart 2024.



De nalatenschap van de moeder van de man





5.6
De man grieft dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man niet heeft aangetoond dat de bedragen die op de gezamenlijke bankrekening zijn gestort afkomstig zijn uit de nalatenschap van zijn moeder en dat niet kan worden vastgesteld dat deze onder de uitsluitingsclausule vallen. De man heeft een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap omdat deze onder uitsluitingsclausule verkregen gelden, afkomstig uit de nalatenschap van zijn moeder, in de huwelijksgoederengemeenschap zijn gevloeid door storting op een gemeenschappelijke bankrekening.



5.7
De vrouw stelt dat de man geen vergoedingsrecht toekomt. De vrouw stelt dat een deel van het bedrag is aangewend om de erfbelasting mee te voldoen. Ten aanzien van de overige bedragen stelt de vrouw dat de man afstand heeft gedaan van zijn vergoedingsrecht. De vrouw concludeert dan ook tot afwijzing van de grief van de man nu:
- de man niet heeft bewezen dat de gestelde bedragen daadwerkelijk uit de nalatenschap afkomstig zijn;
- de man door zijn eigen gedragingen (vermenging, geen voorbehoud, schenking aan zoon) afstand heeft gedaan van een eventueel vergoedingsrecht;
- toewijzing in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid gelet op de afspraken tussen partijen en de door de vrouw gedane investeringen ten behoeve van de gemeenschap.



5.8
Het hof overweegt als volgt. Op de nalatenschap van de moeder van de man is blijkens haar testament van [datum] 2013 (overgelegd door de man als productie 2 in eerste aanleg) een uitsluitingsclausule van toepassing. Het hof heeft verder kunnen vaststellen dat de man - van onder meer [Engelse advocaat] – uit de nalatenschap van zijn moeder (die is overleden op [overlijdensdatum] 2018) de volgende bedragen heeft ontvangen:
- € 177.696,- ( productie 6 bij het beroepschrift van de man);
- € 46.675,62 ( productie 6 bij het beroepschrift van de man);
- € 50.460,- ( productie 3 bij het beroepschrift van de man);
in totaal: € 274.831,62.



5.9
De man stelt dat hij aan erfbelasting een bedrag van € 38.355,- heeft betaald (onder verwijzing naar productie 2 en 3 bij zijn beroepschrift). Het hof is van oordeel dat de huwelijksgoederengemeenschap – met de door de overboeking op de bankrekening in de huwelijksgoederengemeenschap gevloeide onder uitsluitingsclausule door de man verkregen erfenisgelden – derhalve in beginsel is gebaat met (afgerond) € 236.477,- (€ 274.831,62 - € 38.355). Naar het oordeel van het hof zijn er door de vrouw geen feiten en omstandigheden gesteld die rechtvaardigen dat de man zijn vergoedingsrecht jegens de huwelijksgoederengemeenschap niet kan effectueren. Het hof verwijst in deze naar de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504. Het ligt op de weg van de andere echtgenoot (in dit geval de vrouw), om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan het vergoedingsrecht van de man jegens de gemeenschap niet (of niet volledig) geldend kan worden gemaakt. Dat is bijvoorbeeld het geval voor zover uit het gemeenschapsvermogen privéschulden van de man zijn voldaan of indien de man minder heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan waartoe hij in zijn verhouding tot de vrouw op grond van artikel 1:84 BW gehouden was. Voorts passeert het hof het beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid, omdat uit hetgeen de vrouw heeft aangevoerd niet volgt dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat afgeweken moet worden van het uitgangspunt dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap vanwege het feit dat zijn privévermogen in de huwelijksgemeenschap is overgegaan of aan gemeenschapsschulden is besteed. Verder heeft de vrouw onvoldoende gesteld om het bestaan van een natuurlijke verbintenis aan te nemen, zodat het hof ook aan dit argument voorbijgaat. Gelet op het voorgaande – en op hetgeen hierna in dit verband nog wordt overwogen – is het hof van oordeel dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van (afgerond) € 236.477,-.



Overboekingen van de zuster van de man





5.10
Het hof stelt vast dat de zuster van de man, in tranches van € 7.500,-, een totaalbedrag van € 90.000,- heeft overgeboekt (productie 7 bij het beroepschrift van de man). Het hof is van oordeel dat deze verkrijging door de man, geen verkrijging is krachtens erfrecht van zijn moeder en dat sprake is van een schenking van de zuster van de man, zonder uitsluitingsclausule, zodat de man ten aanzien van dit bedrag geen vergoedingsrecht toekomt nu er geen privévermogen van de man in de huwelijksgoederengemeenschap is gevloeid.



Overboekingen van de zuster van de man aan de minderjarige





5.11
Het hof stelt vast dat de zuster van de man, in tranches van € 7.500,-, een totaalbedrag van € 45.000,- heeft overgeboekt op de bankrekening van de minderjarige (productie 7 bij het beroepschrift van de man). Het hof is van oordeel dat deze verkrijging eveneens geen verkrijging is krachtens erfrecht van de moeder van de man en dat sprake is van een schenking van de zuster van de man aan de minderjarige. Bovendien is dit vermogen van de minderjarige en valt dit niet in de huwelijksgemeenschap.



Slotuitdeling





5.12
De man stelt voorts dat hij uit de nalatenschap van zijn moeder een slotuitdeling van € 25.159,52 heeft ontvangen waarop de uitsluitingsclausule van toepassing is, zodat er ten aanzien van dit bedrag eveneens een vergoedingsrecht van de man bestaat. Het hof is van oordeel dat enig bewijs van deze uitkering niet door de man is geleverd, zodat het hof niet kan vaststellen of de man ten aanzien van dit bedrag een vergoedingsrecht toekomt.




Overboeking van de zuster van de man van € 700,-





5.13
De man stelt daarnaast dat zijn zuster een bedrag van € 700,- heeft overgeboekt teneinde eigenaar te worden van een tot de nalatenschap van hun moeder behorende ring. De vrouw betwist dat de overboeking van genoemd geldbedrag door de zuster van de man met de omschrijving "ring" ziet op de erfenis. Het betreft volgens de vrouw een betaling die ziet op de bijdrage van de zuster van de man aan een ring voor de andere zuster, [zus 2] . Partijen hebben toen samen de ring gekocht, aldus de vrouw. Het hof is van oordeel dat – gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw – de man onvoldoende heeft onderbouwd dat de betaling van € 700,- door zijn zuster verband houdt met de nalatenschap van zijn moeder en dat er vervolgens ook nog sprake zou zijn dat op dit verkregen bedrag een uitsluitingsclausule rust. Gezien het voorgaande valt dit bedrag naar het oordeel van het hof in de gemeenschap van goederen en leidt dit niet tot een vergoedingsrecht voor de man.



Schenking aan de zoon





5.14
De vrouw stelt dat de man vanuit de nalatenschap van zijn moeder € 35.000,- heeft geschonken aan zijn zoon [zoon van de man] . Dat deel van de nalatenschap is derhalve niet in de gemeenschap gevloeid.



5.15
Het hof overweegt als volgt. Het hof heeft wel kunnen vaststellen dat er van de gemeenschappelijke rekening bedragen aan de zoon [zoon van de man] zijn overgeboekt maar het hof heeft niet kunnen vaststellen dat er sprake is van een schenking die afkomstig is uit de nalatenschap van de moeder van de man. Derhalve wordt er geen afbreuk gedaan aan het hiervoor onder 5.9 aangenomen vergoedingsrecht van de man.



Betalingen van € 82.000,- geschied door de vrouw





5.16
De vrouw stelt dat indien de man een vergoedingsrecht heeft terzake de nalatenschap van zijn overleden moeder, de vrouw in vier tranches betalingen heeft verricht aan de man van in totaal € 82.000,- die op het vergoedingsrecht van de man in mindering moeten worden gebracht.



5.17
Het hof overweegt als volgt. Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen volgt dat partijen in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de vrouw privévermogen (verkregen krachtens erfrecht of schenking met een uitsluitingsclausule) naar de man/wettelijke algehele gemeenschap van goederen heeft overgeboekt waardoor er door de vermogensverschuiving een vergoedingsrecht van de vrouw zou zijn ontstaan. De wettelijke algehele gemeenschap van goederen omvat in beginsel alle baten dus ook gelden die de vrouw mogelijk op een rekening heeft staan die op haar naam staat.



Schuld bij de zuster van de man





5.18
De vrouw grieft dat de rechtbank ten onrechte de schuld bij de zuster van de man heeft aangemerkt als bestaand en behorend tot de gemeenschap van goederen. De vrouw stelt primair dat de vordering van de zuster van de man is verjaard, subsidiair dat de lening door de zuster van de man is kwijtgescholden, meer subsidiair dat de schuld verknocht is aan de man, uiterst subsidiair dat de schuld aan de man moet worden toegedeeld op grond van artikel 3:185 BW.



5.19
De man voert gemotiveerd verweer.



5.20
Het hof overweegt als volgt. Uit de gewisselde processtukken volgt dat de zuster van de man aan de man een geldlening heeft verstrekt van € 415.000,-. (productie 7 bij journaalbericht van 16 mei 2025 van de man in eerste aanleg). Deze geldlening is in eerste instantie verstrekt voor de financiering van de aanschaf van de woning aan de [adres] te [plaats] . Op basis van de leningsvoorwaarden moest de lening in beginsel worden terugbetaald op het moment van verkoop van deze woning. Voorts volgt uit de stellingen van partijen dat partijen na verkoop van de woning aan de [adres] te [plaats] een woning hebben aangeschaft aan de [adres] te [plaats] die partijen in mede eigendom toebehoort. Daarnaast volgt uit de stellingen van partijen dat de lening van de zuster aan de man van € 415.000,- na verkoop van de woning aan de [adres] niet is afgelost maar dat de gelden uit de lening zijn aangewend voor de aankoop van de woning aan de [adres] te [plaats] . Uit de feitelijke gang van zaken, mede bezien de familierechtelijke betrekking tussen de man en zijn zuster en het feitelijk handelen van de man en de zuster, gaat het hof ervan uit dat de zuster van de man haar instemming heeft verleend om de gelden uit de geldlening te gebruiken voor de aankoop van de [adres] en dat de lening is gecontinueerd. Het hof gaat er derhalve van uit dat de zuster van de man ermee akkoord is gegaan dat de lening bij de verkoop van de [adres] niet opeisbaar is geworden maar de gelden mochten worden besteed aan de woning aan de [adres] . Nu de woning aan de [adres] nog niet is verkocht en kijkend naar de voorwaarden waaronder de lening is verstrekt, is de lening tot op heden niet opeisbaar en derhalve niet verjaard. De schuld kwalificeert daarmee als een gemeenschapsschuld en de vrouw is draagplichtig voor de helft van deze schuld.



5.21
De vrouw stelt dat de geldlening van de zuster van de man door de zuster van de man is kwijtgescholden en doet hiertoe een specifiek bewijsaanbod door het horen van de zusters van de man. Het hof zal de vrouw toelaten tot bewijs dat de schuld is kwijtgescholden door het horen van de zusters van de man.



Appartement aan de [adres] te [plaats]





5.22
De vrouw grieft dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het appartement aan de [adres] tot het privévermogen van de man behoort. Het codicil is naar Nederlands recht niet geldig en dient te worden aangemerkt als een testament. Dit testament is komen te vervallen met het latere testament van [datum] 2013. Subsidiair stelt de vrouw dat de man 1/5 deel onder uitsluitingsclausule heeft verkregen en 4/5 deel geschonken heeft gekregen. Meer subsidiair stelt de vrouw dat de man afstand heeft gedaan van de uitsluitingsclausule, dan wel het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is dat de man zich op de uitsluitingsclausule beroept, althans dat er sprake is van een natuurlijke verbintenis en de man de nalatenschap gemeenschappelijk heeft willen laten zijn.



5.23
De man voert gemotiveerd verweer. De man stelt dat hij de woning krachtens erfrecht uit de nalatenschap van zijn moeder, onder een uitsluitingsclausule, heeft verkregen. Het appartement behoort derhalve tot zijn privévermogen.



5.24
Het hof heeft vastgesteld dat het appartement bij notariële akte van [datum] 2019 ter uitvoering van het legaat krachtens erfrecht aan de man is geleverd (zie productie 2 van de man in eerste aanleg). De notaris heeft in deze akte vastgesteld dat de moeder van de man bij rechtsgeldig Engels codicil het appartementsrecht aan de man heeft gelegateerd en dat op de nalatenschap van de moeder van de man en de afwikkeling daarvan het Nederlands recht van toepassing is. Uit deze akte volgt eveneens dat niet alleen de man als executeur in de nalatenschap van zijn moeder maar alle erfgenamen (krachtens volmacht) hebben meegewerkt aan de uitvoering van dit in het codicil opgenomen legaat aan de man. Op basis van voormelde notariële akte alsmede de inhoud van het testament van de moeder van de man (testament van [datum] 2013 van de moeder van de man, overgelegd door de man als productie 2 in eerste aanleg) is het hof van oordeel dat de man het appartement heeft verkregen krachtens erfrecht onder een uitsluitingsclausule en het appartement derhalve tot zijn privévermogen behoort. Het hof merkt hierbij op dat door de notariële afgifte van het legaat, de man het appartement in zijn geheel als legataris onder bijzondere titel uit de nalatenschap van zijn moeder heeft verkregen. Dat de man tevens mede-erfgenaam van zijn moeder is, maakt het voorgaande niet anders. De vrouw heeft verder – zoals de rechtbank ook heeft overwogen en eveneens in hoger beroep geldt – geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat de mede-erfgenamen van de man, zoals de vrouw (veronder)stelt, in het geval dat het codicil nietig moet worden geacht, het appartement aan de [adres] aan de man zouden schenken of dat zij met de akte afgifte legaat geacht moeten worden het appartement aan hem te hebben geschonken. Ten overvloede wijst het hof er bovendien op dat ook krachtens de goederenrechtelijke eenheidsleer de man het volledige appartement krachtens erfrecht onder uitsluitingsclausule zou hebben verkregen en het dus eveneens niet in de huwelijksgemeenschap zou vallen als aangenomen zou moeten worden dat het codicil nietig zou zijn geweest en er sprake zou zijn geweest van toedeling door de mede-erfgenamen aan de man in plaats van uitvoering van een legaat. Ook dit kan de vrouw dus niet baten. Het hof gaat daarnaast voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man afstand heeft gedaan van de uitsluitingsclausule, nu de man hier geen afstand van kan doen omdat het aan de testateur is om aan een erfrechtelijke verkrijging een uitsluitingsclausule te verbinden. De overige aangevoerde stellingen van de vrouw acht het hof niet rechtens relevant zodat die niet besproken hoeven te worden.



Voortgezet gebruik en gebruiksvergoeding [adres] te [plaats]





5.25
Voorts volgt uit het petitum van de man dat hij van de vrouw een vergoeding wenst te verkrijgen voor het gebruik door de vrouw van zijn woning aan de [adres] te [plaats] , in welke woning de vrouw woonachtig is met de dochter van partijen. Het hof verwijst naar de tweede bullet van het petitum van de man. Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen is het hof van oordeel dat de [adres] tot het privé vermogen van de man behoort. Nu de woning tot zijn privé vermogen behoort komen alle lasten met betrekking tot deze woning voor rekening en risico van de man. Gedurende de periode van het huwelijk van partijen zijn partijen over en weer verplicht elkaar het nodige te verschaffen in de zin van artikel 1:81 BW, waaronder het woongenot. Het huwelijk van partijen is ontbonden op [datum] 2025, door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het hof dient derhalve vast te stellen wat de grondslag is van de man op basis waarvan hij een vordering heeft op de vrouw. Op basis van artikel 1:165 BW kan door de rechter op verzoek worden bepaald dat de vrouw gedurende een periode van een half jaar na de ontbinding van het huwelijk gebruik mag maken van de echtelijke woning. Het hof begrijpt uit het betoog van de vrouw dat zij gebruik wil blijven maken van de woning aan de [adres] te [plaats] , nu zij aldaar verblijft, en dat de vrouw verzoekt de man te verbieden over te gaan tot ontruiming van de vrouw en de dochter van partijen uit het appartement aan de [adres] voordat 6 maanden zijn verstreken na de levering van de echtelijke woning aan de man, althans totdat de vrouw en de dochter passende vervangende woonruimte hebben gevonden. Op basis van artikel 1:165 BW zal het hof aan de vrouw toestaan dat zij gedurende een periode van 6 maanden na het huwelijk nog gebruik zal kunnen maken van deze woning. Gezien het feit dat de vrouw aldaar verblijft met de dochter, acht het hof het niet redelijk en billijk dat zij voor deze beperkte periode een vergoedingsrecht aan de man verschuldigd is. Het hof constateert verder dat de periode van zes maanden na ontbinding van het huwelijk inmiddels verstreken is. Het is vervolgens aan partijen om voor de periode daarna een regeling met elkaar te treffen op basis van welke titel de vrouw in de woning kan verblijven. Dit betekent dat de grief van de vrouw gedeeltelijk slaagt en dat de grief van de man geen doel treft.



Vakantiewoning te Portugal





5.26
Tot de gemeenschap behoort een vakantiewoning te Portugal (hierna: de vakantiewoning). De man wil de vakantiewoning onderverdeeld laten en de vrouw wenst over te gaan tot verkoop van de vakantiewoning, aangezien zij de lasten van deze woning niet kan voldoen. Uit artikel 3:178 BW blijkt dat niemand in een onverdeelde, voor verdeling vatbare gemeenschap hoeft te blijven. Nu de vrouw gegronde redenen heeft aangegeven om over te gaan tot verdeling, treft de grief van de vrouw doel om de vakantiewoning niet gedurende een periode van drie jaar onverdeeld te laten.



5.27
Uit het verweerschrift in het incidenteel appel volgt dat de man toedeling wenst van de vakantiewoning. Nu de vrouw daar in beginsel geen bezwaar tegen heeft, zal het hof de vakantiewoning met inachtneming van het hiernavolgende toedelen aan de man, waarbij de man de helft van de – nog te taxeren – waarde aan de vrouw dient te betalen. Indien dit niet mogelijk blijkt te zijn of als partijen binnen drie maanden na datum van deze beschikking geen overeenstemming met betrekking tot de waarde van de vakantiewoning weten te bereiken, zal de vakantiewoning moeten worden verkocht. Gezien het feit dat de woning in Portugal is gelegen, heeft het hof in goederenrechtelijke zin geen rechtsmacht tot het onroerend goed aldaar. Dit is immers voorbehouden aan de Portugese rechter. Evenmin heeft het hof gegevens over de waarde van de woning. Het hof kan wel de wijze van verdeling van de vakantiewoning gelasten. Het hof zal in het dictum op basis van een spoorboekje de stappen formuleren waarlangs de vakantiewoning dient te worden toegedeeld aan de man, dan wel dient te worden verkocht en geleverd aan een derde.



Lasten van de woning te Portugal





5.28
Tussen partijen is in geschil wie de lasten van de woning te Portugal dient te dragen. Met betrekking tot deze lasten is het hof van oordeel dat de lasten met betrekking tot dit onroerend goed vanaf de datum van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap in beginsel door beide partijen gelijk gedragen moeten worden. Dit vloeit ook voort uit de wet. Het hof is eveneens van oordeel dat indien er onderhoudswerkzaamheden en of verbouwingswerkzaamheden moeten worden verricht, dit op basis van de wet de instemming behoeft van alle deelgenoten, tenzij de instemming van de andere deelgenoot niet kan worden afgewacht, daarbij kan worden gedacht aan een lekkend dak. Een discussie tussen partijen is de kosten met betrekking tot de aanleg van het zwembad. Het hof verwijst naar randnummer 60 t/m 63 in het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel van de vrouw. Ook de vrouw stelt dat zij kosten met betrekking tot de woning in Portugal heeft voldaan. Het hof verwijst naar punt 7 van haar petitum alsmede naar randnummer 65 van haar incidenteel appel. Op basis van de processtukken kan het hof niet vaststellen of de opdracht aan de aannemer voor het aanleggen van het zwembad is verstrekt, voor de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap of nadien. Indien de man na ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap de opdracht aan de aannemer heeft verstrekt voor het aanleggen van een zwembad, dan had hij hiervoor instemming nodig van de vrouw. Indien de man niet de instemming van de vrouw heeft verkregen, was hij niet bevoegd de opdracht te geven tot de uitvoering van de werkzaamheden en komen de lasten met betrekking tot de aanleg van het zwembad voor zijn rekening. Het hof begrijpt dat er naast het zwembad ook nog andere kosten zijn met betrekking tot de woning in Portugal. Het hof heeft in het vorenstaande aangegeven hoe de draagplicht is met betrekking tot de kosten van de gemeenschappelijke woning te Portugal. Op basis van de door partijen verstrekte gegevens kan het hof niet exact vaststellen wie wat betaald heeft. Het hof heeft aan partijen een duidelijke richtlijn gegeven hoe zij dit zelf met elkaar moeten afwikkelen. Indien het hof dit zou moeten doen, zou dit de echtscheidingsprocedure onnodig vertragen (zie art. 827 lid 1 onder g Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Het hof kwalificeert een dergelijke vordering dus niet als een nevenvordering in de zin van artikel 827 Rv. Het hof zal de over en weer gedane verzoeken afwijzen.



Lasten van de woning aan de [adres] te [plaats]





5.29
Uit het petitum van de man volgt dat hij eveneens wenst dat de vrouw de helft van de kosten voldoet van de woning aan de [adres] te [plaats] . Door de vrouw is gemotiveerd verweer gevoerd hiertegen.



5.30
Het hof is van oordeel dat nu de man het uitsluitend gebruik heeft van deze woning, het redelijk en billijk is dat hij de lasten met betrekking tot deze woning vanaf de datum van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap integraal voldoet, met uitzondering van mogelijke aflossingen op de hypothecaire geldlening. De grief van de man treft geen doel.



Regresvordering: ziektekosten





5.31
De man stelt voorts dat hij na de datum van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap de ziektekosten van de vrouw heeft voldaan. Door de vrouw is verweer gevoerd. Zij stelt dat de man niet heeft aangetoond dat de man deze kosten heeft voldaan.



5.32
Het hof overweegt als volgt. Door de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap is het huwelijk nog niet ontbonden. Titel 6 van Boek 1 BW is nog van toepassing. Hieruit volgt dat partijen elkaar het nodige dienen te verschaffen. Daarnaast is ook artikel 1:84 BW met betrekking tot de kosten van de huishouding van toepassing. Betaling van de ziektekosten kwalificeert het hof als kosten van de huishouding. Op basis van hetgeen de man heeft gesteld en mede bezien het door de vrouw gevoerde verweer kan het hof niet vaststellen wat de grondslag en verdere onderbouwing is van de man voor het terugvorderen van het betalen van de ziektekosten. Indien de man na ontbinding van het huwelijk alsnog de premie van de ziektekosten heeft voldaan, dan dient de vrouw die aan de man terug te betalen. Het hof zal het verzoek van de man dan ook afwijzen.



Benadeling van de gemeenschap: advocaatkosten





5.33
De vrouw stelt nog aan de orde dat de man zijn advocaatkosten van € 14.727,22 ten onrechte ten laste heeft gebracht van de huwelijksgemeenschap. Het hof begrijpt uit het betoog van de vrouw dat zij de schuld aan de advocaat kwalificeert als een verknochte schuld dan wel dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat de man deze schuld volledig zelfstandig dient te dragen. Door de man is verweer gevoerd. Door de man is onder meer gesteld dat hij de huwelijksgoederengemeenschap niet heeft benadeeld. Het hof is van oordeel dat de advocaatkosten van beide partijen die zijn ontstaan vóór de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap zijn te kwalificeren als gemeenschapsschulden. Door de betaling van zijn advocaat heeft de man een gemeenschapsschuld voldaan ten laste van de gemeenschap, hetgeen niet gekwalificeerd kan worden als een benadeling van de gemeenschap. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de man bestuursbevoegd was om gelden van de bankrekening op te nemen. De grief van de vrouw treft geen doel.




Verdeling auto





5.34
Door de vrouw is onder andere de waarde van de auto aan de orde gesteld. Zij is van mening dat de auto voor de aanschafprijs van € 19.950,- in de verdeling moeten worden betrokken, aangezien de auto twee maanden voor de ontbinding door de man is aangeschaft en de man nadien in de auto is blijven rijden. Door de man is verweer gevoerd. Hij kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank.



5.35
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist en neemt deze gronden na een eigen afweging over. Naar het oordeel van het hof zijn door de vrouw niet zodanige feiten en omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden. De grief van de vrouw treft geen doel.



Verdeling banksaldi





5.36
De vrouw heeft ook de verdeling van de banksaldi aan de orde gesteld. Het hof verwijst naar randnummers 147 tot en met 157 van haar verweerschrift tevens houdende incidenteel appel. Door de man is verweer gevoerd. Hij stelt dat de vrouw niet iets anders vordert dan het pad wat de rechtbank voor ogen had.



5.37
Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting komt het hof tot het oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de verdeling van de banksaldi op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze, na eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andersluidend oordeel moeten leiden. Het hof overweegt met betrekking tot de verdeling van het saldo op de bankrekeningen, dat de rechtbank een juiste grondslag heeft gehanteerd. De grief van de vrouw treft geen doel.



Belastingteruggave 2023





5.38
De vrouw stelt dat zij van de man nog een verrekening te vorderen heeft van de belastingteruggave over het jaar 2023 van € 1.906,-. Dit betreft een teruggave op de gezamenlijke aangifte inkomstenbelasting, die aan de man is uitbetaald maar aan beide partijen ten goede had moeten komen. Door de man is geen verweer gevoerd.



5.39
Het hof overweegt als volgt. Partijen waren in 2023 nog gehuwd en fiscale partners. Partijen dienen daarom eventuele teruggaven die na de peildatum zijn ontvangen maar zien op de periode voor de peildatum bij helfte met elkaar te delen. Het hof heeft echter niet kunnen vaststellen dat de man over 2023 een belastingteruggave heeft gehad en indien dat het geval zou zijn dan komt de helft daarvan aan de vrouw toe.



Bewijsaanbod





5.40
Tot slot doet de man nog een algemeen bewijsaanbod. De man heeft dit aanbod echter op geen enkele wijze nader gespecificeerd. Van een partij die bewijs aanbiedt, mag worden verwacht dat die partij voldoende concreet toelicht op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en bewijs van feiten aanbiedt die van belang zijn voor de door het hof te nemen beslissing. De man heeft dit nagelaten, zodat het hof aan het bewijsaanbod voorbij zal gaan.





Proceskosten





5.41
Het hof zal gezien de familierechtelijke aard van de procedure de proceskosten in hoger beroep compenseren.



5.42
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.





6De beslissing


Het hof, beschikkende in het hoger beroep:



vernietigt de bestreden beschikking voor zover die het vergoedingsrecht van de man, de verdeling van de vakantiewoning te Portugal en de schuld van de zuster van de man betreft, en opnieuw beschikkende:



bepaalt dat de man jegens de ontbonden huwelijksgemeenschap een vergoedingsrecht heeft ter zake de nalatenschap van zijn moeder van (afgerond) € 236.477,-;



bepaalt dat de vrouw een periode van 6 maanden na de ontbinding van het huwelijk gebruik mag (mocht) maken van de woning aan de [adres] te [plaats] ;



gelast de wijze van verdeling van de vakantiewoning te Portugal als volgt:
- veroordeelt partijen om de vakantiewoning te Portugal aan de man toe te delen, onder de voorwaarde dat de man de helft van de waarde van de vakantiewoning aan de vrouw dient te vergoeden, en indien partijen niet binnen drie maanden na datum van deze beschikking overeenstemming weten te bereiken met betrekking tot de waarde van de vakantiewoning dan dient de vakantiewoning te worden verkocht;



bepaalt dat als de man over 2023 een belastingteruggave heeft gehad, de helft van deze belastingteruggave dient te voldoen aan de vrouw;



verklaart dit deel van de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



alvorens nader te beslissen omtrent de schuld bij de zuster van de man:



laat de vrouw toe tot het leveren van bewijs van haar stelling dat de zuster van de man de schuld van € 415.000,- heeft kwijtgescholden door het horen van getuigen;



bepaalt dat de getuigen zullen worden gehoord door de meervoudige kamer, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag op een nader te bepalen dag en uur;



bepaalt dat partijen binnen twee weken na datum van deze beschikking de verhinderdata dienen op te geven van partijen, de advocaten en de getuigen in de maanden juli, augustus, september, oktober en november 2026. Het hof verzoekt partijen ervoor te zorgen dat alle getuigen tijdens één zitting kunnen worden gehoord;



bepaalt dat de vrouw zal zorgdragen voor het oproepen van de getuigen;



houdt iedere verdere beslissing aan.




Deze beschikking is gegeven door mrs. G.G.B. Boelens, A.N. Labohm en R.L.M.C. Janssen, bijgestaan door mr. F. van Wijk-Spieker als griffier en is op 24 juni 2026 door mr. A.A.F. Donders uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.