Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2490
2026-07-15
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.360.603/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Noodzaak bewind is vast komen te staan. Vervanging bewindvoerder.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.577 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
Zaaknummer : 200.360.603/01
zaaknummer rechtbank : 11719126 GZ VERZ 25-5021
registernummer rechtbank : BM 50172
beschikking van de meervoudige kamer van 15 juli 2026
inzake de onderbewindstelling van:
[de rechthebbende] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat mr. J.J.A. Bosch te Rotterdam,
Als belanghebbenden in deze procedure zijn aangemerkt:
- [de bewindvoerder] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder.
- [de dochter] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
hierna te noemen: de dochter.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
2.1
De rechthebbende is op 22 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De bewindvoerder heeft op 19 februari 2026 een schriftelijke reactie gegeven.
2.3
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een brief van de zijde van de dochter van de rechthebbende van 4 november 2025, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de rechthebbende van 28 december 2025, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de rechthebbende van 3 april 2026, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 14 april 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat;
- de bewindvoerder.
De dochter heeft in haar hiervoor genoemde brief aangegeven niet bij de zaak te willen worden betrokken.
De advocaat van de rechthebbende heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd en deze voorgedragen.
2.5
Na de mondelinge behandeling zijn, met toestemming van het hof, de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de rechthebbende van 1 mei 2026, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de rechthebbende van 29 mei 2026, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de rechthebbende van 4 juni 2026, met daarbij de bereidverklaring van [de beoogd bewindvoerder] van 2 juni 2026, ingekomen op diezelfde datum.
3De feiten
3.1
De rechthebbende is geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] .
3.2
Bij beschikking van 12 maart 2025 heeft de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam over de goederen die rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren bewind ingesteld als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden, met benoeming van [de bewindvoerder] te [vestigingsplaats] tot bewindvoerder.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind afgewezen. Voorts heeft de kantonrechter de grond van het bewind gewijzigd in die zin dat het bewind wordt voortgezet op grond van een lichamelijke of geestelijke toestand.
4.2
De rechthebbende is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter voor zover dit de afwijzing van zijn verzoek tot opheffing van de onderbewindstelling betreft. Hij verzoekt het hof, na een toelichting ter zitting, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, primair, het bewind over zijn goederen op te heffen, althans, subsidiair, een andere bewindvoerder te benoemen en, meer subsidiair, een hoger bedrag aan leefgeld vast te stellen.
4.3
De schriftelijke reactie van de bewindvoerder strekt tot afwijzing van het verzoek van de rechthebbende.
5De motivering van de beslissing
Bijlagen bij de brief van de bewindvoerder
5.1
De rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen de bijlagen bij de brief van 19 februari 2026 van de bewindvoerder. De rechthebbende stelt dat de bewindvoerder deze stukken niet aan hem heeft verstrekt, zodat hij hier geen kennis van heeft kunnen nemen.
5.2
Het hof overweegt als volgt. Ter zitting is duidelijk geworden dat de rechthebbende geen kennis heeft kunnen nemen van de bijlagen bij de brief van de bewindvoerder van 19 februari 2026. Nu de bijlagen vanwege hun omvang niet snel en eenvoudig te doorgronden zijn en de rechthebbende in redelijkheid niet voldoende heeft kunnen kennisnemen van de bijlagen en zich onvoldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen, zal het hof deze stukken buiten beschouwing laten.
Onderbewindstelling
5.3
De rechthebbende stelt zich primair op het standpunt dat de noodzaak voor de onderbewindstelling ontbreekt omdat de rechthebbende in staat is om zelf zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. De rechthebbende stelt zich begeleidbaar op, wordt begeleid door zijn huisarts en zijn bloed wordt regelmatig getest. Daarnaast is de rechthebbende medicijntrouw en doet hij gedisciplineerd werk bij [werkgever] via [stichting] . Tegen de door de kantonrechter gewijzigde grondslag van het bewind heeft de rechthebbende (verder) geen grief gericht. Subsidiair stelt de rechthebbende dat de samenwerking met de bewindvoerder zeer moeizaam verloopt. Het leefgeld en de reiskosten om met het openbaar vervoer naar zijn werk te reizen, worden vaak te laat of niet gestort. De bewindvoerder schiet tekort in de zorg van een goed bewindvoerder.
5.4
De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat het bewind noodzakelijk is gelet op de psychiatrische problematiek van de rechthebbende. De rechthebbende heeft geen inzicht in zijn financiële situatie. Daarnaast is de financiële situatie van de rechthebbende onstabiel omdat hij bijvoorbeeld zelf zijn toeslagen heeft beëindigd in 2025, waardoor nieuwe schulden zijn ontstaan. De communicatie met de rechthebbende verloopt weliswaar moeizaam, maar dit was al het geval voor de uitspraak van de rechtbank. De rechthebbende belt veelvuldig buiten spreekuren, verwacht na een vraag direct een antwoord en is heel bedreigend naar de bewindvoerder. De bewindvoerder heeft al drie keer een melding gedaan bij de politie. Het bewind is desondanks goed uit te voeren en het gedrag van de rechthebbende zal niet verbeteren bij een andere bewindvoerder.
Oordeel van het hof
5.5
Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 1:449, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken. Ingevolge artikel 1:448, tweede lid, BW kan het ontslag aan een bewindvoerder worden verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden zulks op verzoek van de medebewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve.
5.6
Het hof is op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de rechtbank, ten aanzien van de opheffing van het bewind, op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt ze, na eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing leiden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken dat de noodzaak van het bewind is komen te vervallen. Voldoende gebleken is dat de rechthebbende langdurig niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Tegen de door de kantonrechter gewijzigde grondslag van het bewind heeft de rechthebbende als gezegd niet gegriefd. Zijn verslavingsproblematiek en de (woon)ondersteuning/begeleiding door eerder [zorgorganisatie] en daarna [zorginstelling] zijn ook niet in geschil. Hij werkt via een speciale werkvoorziening van [stichting] . Of de rechthebbende zich begeleidbaar opstelt in de door de rechthebbende aangevoerde zin acht het hof van onvoldoende doorslaggevend belang. Daartoe overweegt het hof (ook) dat ter zitting vast is komen te staan dat de schulden van de rechthebbende sinds de bestreden beschikking zijn opgelopen, onder andere door het afsluiten van meerdere nieuwe (telefoon)abonnementen. Door de rechthebbende is niet betwist dat hij nieuwe schulden heeft gemaakt. Terwijl hij aan de andere kant zijn toeslagen heeft stopgezet waarop hij recht heeft. Het hof overweegt daarom dat er op dit moment onvoldoende aanleiding is om het bewind over de goederen van de rechthebbende op te heffen. Het hof zal het primaire verzoek van de rechthebbende dan ook afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.
5.7
Nu het primaire verzoek om opheffing van het bewind niet wordt toegewezen komt het hof toe aan het subsidiaire verzoek van de rechthebbende. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat sprake is van een ernstig verstoorde verstandhouding tussen de rechthebbende en de bewindvoerder. Het hof acht het voldoende aannemelijk dat het veronderstelde en noodzakelijke minimum aan vertrouwen tussen de bewindvoerder en de rechthebbende inmiddels ontbreekt. Zo voelt de rechthebbende zich niet gehoord en geeft de bewindvoerder aan dat de rechthebbende te allen tijde en veelvuldig belt en direct een antwoord verwacht, waardoor het telefoonnummer van de rechthebbende op het kantoor van de bewindvoerder geblokkeerd is (geweest). De communicatie over en weer vertoont gebreken, waardoor er veel onduidelijkheid blijft bestaan, bijvoorbeeld over de toeslagen die de rechthebbende ontvangt. Bovendien heeft de bewindvoerder meerdere keren de politie benaderd omdat de rechthebbende bedreigingen jegens de bewindvoerder uitte. Het hof is van oordeel dat de samenwerking dusdanig is verstoord, dat dit te veel onrust en stress teweegbrengt voor een vruchtbare samenwerking. Het hof kan niet vaststellen dat dit in overwegende mate aan één van beide partijen te wijten is, maar het hof ziet in deze verstoorde vertrouwens- en samenwerkingsrelatie een gewichtige reden om tot ontslag van de huidige bewindvoerder over te gaan.
5.8
Het hof zal de huidige bewindvoerder daarom ontslaan als bewindvoerder en overeenkomstig de voorkeur van de rechthebbende de beoogd bewindvoerder [de beoogd bewindvoerder] – die zich bereid heeft verklaard het bewind op zich te nemen en tegen wiens benoeming voor het overige niet van bezwaren is gebleken – benoemen als opvolgend bewindvoerder.
Hoogte van het leefgeld
5.9
Nu het hof het subsidiaire verzoek van de rechthebbende toewijst, behoeft het meer subsidiaire verzoek van de rechthebbende geen bespreking meer.
6De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en, in aanvulling op de bestreden beschikking:
ontslaat met ingang van 1 augustus 2026 [de bewindvoerder] , gevestigd te [vestigingsplaats] , als bewindvoerder over het vermogen van [de rechthebbende] , geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ;
benoemt met ingang van 1 augustus 2026 [de beoogd bewindvoerder] , gevestigd te [vestigingsplaats] , tot bewindvoerder over de bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 12 maart 2025 onder bewind gestelde goederen, die toebehoren of zullen toebehoren aan [de rechthebbende] , geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ;
bepaalt dat de bewindvoerder de in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren vastgestelde forfaitaire tarieven ten laste van het vermogen van de rechthebbende mag brengen;
draagt de griffier op om op de voet van artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan het bewindsbureau van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, in verband met aantekening in het Centraal Curatele- en bewindregister;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E. Sutorius-Van Hees, A.F. Mollema en A.J.I. Mullenders, bijgestaan door mr. F. van Wijk-Spieker als griffier en is op 15 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Team Familie
Zaaknummer : 200.360.603/01
zaaknummer rechtbank : 11719126 GZ VERZ 25-5021
registernummer rechtbank : BM 50172
beschikking van de meervoudige kamer van 15 juli 2026
inzake de onderbewindstelling van:
[de rechthebbende] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat mr. J.J.A. Bosch te Rotterdam,
Als belanghebbenden in deze procedure zijn aangemerkt:
- [de bewindvoerder] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder.
- [de dochter] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
hierna te noemen: de dochter.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
2.1
De rechthebbende is op 22 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De bewindvoerder heeft op 19 februari 2026 een schriftelijke reactie gegeven.
2.3
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een brief van de zijde van de dochter van de rechthebbende van 4 november 2025, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de rechthebbende van 28 december 2025, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de rechthebbende van 3 april 2026, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 14 april 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat;
- de bewindvoerder.
De dochter heeft in haar hiervoor genoemde brief aangegeven niet bij de zaak te willen worden betrokken.
De advocaat van de rechthebbende heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd en deze voorgedragen.
2.5
Na de mondelinge behandeling zijn, met toestemming van het hof, de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de rechthebbende van 1 mei 2026, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de rechthebbende van 29 mei 2026, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de rechthebbende van 4 juni 2026, met daarbij de bereidverklaring van [de beoogd bewindvoerder] van 2 juni 2026, ingekomen op diezelfde datum.
3De feiten
3.1
De rechthebbende is geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] .
3.2
Bij beschikking van 12 maart 2025 heeft de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam over de goederen die rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren bewind ingesteld als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden, met benoeming van [de bewindvoerder] te [vestigingsplaats] tot bewindvoerder.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind afgewezen. Voorts heeft de kantonrechter de grond van het bewind gewijzigd in die zin dat het bewind wordt voortgezet op grond van een lichamelijke of geestelijke toestand.
4.2
De rechthebbende is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter voor zover dit de afwijzing van zijn verzoek tot opheffing van de onderbewindstelling betreft. Hij verzoekt het hof, na een toelichting ter zitting, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, primair, het bewind over zijn goederen op te heffen, althans, subsidiair, een andere bewindvoerder te benoemen en, meer subsidiair, een hoger bedrag aan leefgeld vast te stellen.
4.3
De schriftelijke reactie van de bewindvoerder strekt tot afwijzing van het verzoek van de rechthebbende.
5De motivering van de beslissing
Bijlagen bij de brief van de bewindvoerder
5.1
De rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen de bijlagen bij de brief van 19 februari 2026 van de bewindvoerder. De rechthebbende stelt dat de bewindvoerder deze stukken niet aan hem heeft verstrekt, zodat hij hier geen kennis van heeft kunnen nemen.
5.2
Het hof overweegt als volgt. Ter zitting is duidelijk geworden dat de rechthebbende geen kennis heeft kunnen nemen van de bijlagen bij de brief van de bewindvoerder van 19 februari 2026. Nu de bijlagen vanwege hun omvang niet snel en eenvoudig te doorgronden zijn en de rechthebbende in redelijkheid niet voldoende heeft kunnen kennisnemen van de bijlagen en zich onvoldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen, zal het hof deze stukken buiten beschouwing laten.
Onderbewindstelling
5.3
De rechthebbende stelt zich primair op het standpunt dat de noodzaak voor de onderbewindstelling ontbreekt omdat de rechthebbende in staat is om zelf zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. De rechthebbende stelt zich begeleidbaar op, wordt begeleid door zijn huisarts en zijn bloed wordt regelmatig getest. Daarnaast is de rechthebbende medicijntrouw en doet hij gedisciplineerd werk bij [werkgever] via [stichting] . Tegen de door de kantonrechter gewijzigde grondslag van het bewind heeft de rechthebbende (verder) geen grief gericht. Subsidiair stelt de rechthebbende dat de samenwerking met de bewindvoerder zeer moeizaam verloopt. Het leefgeld en de reiskosten om met het openbaar vervoer naar zijn werk te reizen, worden vaak te laat of niet gestort. De bewindvoerder schiet tekort in de zorg van een goed bewindvoerder.
5.4
De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat het bewind noodzakelijk is gelet op de psychiatrische problematiek van de rechthebbende. De rechthebbende heeft geen inzicht in zijn financiële situatie. Daarnaast is de financiële situatie van de rechthebbende onstabiel omdat hij bijvoorbeeld zelf zijn toeslagen heeft beëindigd in 2025, waardoor nieuwe schulden zijn ontstaan. De communicatie met de rechthebbende verloopt weliswaar moeizaam, maar dit was al het geval voor de uitspraak van de rechtbank. De rechthebbende belt veelvuldig buiten spreekuren, verwacht na een vraag direct een antwoord en is heel bedreigend naar de bewindvoerder. De bewindvoerder heeft al drie keer een melding gedaan bij de politie. Het bewind is desondanks goed uit te voeren en het gedrag van de rechthebbende zal niet verbeteren bij een andere bewindvoerder.
Oordeel van het hof
5.5
Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 1:449, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken. Ingevolge artikel 1:448, tweede lid, BW kan het ontslag aan een bewindvoerder worden verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden zulks op verzoek van de medebewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve.
5.6
Het hof is op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de rechtbank, ten aanzien van de opheffing van het bewind, op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt ze, na eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing leiden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken dat de noodzaak van het bewind is komen te vervallen. Voldoende gebleken is dat de rechthebbende langdurig niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Tegen de door de kantonrechter gewijzigde grondslag van het bewind heeft de rechthebbende als gezegd niet gegriefd. Zijn verslavingsproblematiek en de (woon)ondersteuning/begeleiding door eerder [zorgorganisatie] en daarna [zorginstelling] zijn ook niet in geschil. Hij werkt via een speciale werkvoorziening van [stichting] . Of de rechthebbende zich begeleidbaar opstelt in de door de rechthebbende aangevoerde zin acht het hof van onvoldoende doorslaggevend belang. Daartoe overweegt het hof (ook) dat ter zitting vast is komen te staan dat de schulden van de rechthebbende sinds de bestreden beschikking zijn opgelopen, onder andere door het afsluiten van meerdere nieuwe (telefoon)abonnementen. Door de rechthebbende is niet betwist dat hij nieuwe schulden heeft gemaakt. Terwijl hij aan de andere kant zijn toeslagen heeft stopgezet waarop hij recht heeft. Het hof overweegt daarom dat er op dit moment onvoldoende aanleiding is om het bewind over de goederen van de rechthebbende op te heffen. Het hof zal het primaire verzoek van de rechthebbende dan ook afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.
5.7
Nu het primaire verzoek om opheffing van het bewind niet wordt toegewezen komt het hof toe aan het subsidiaire verzoek van de rechthebbende. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat sprake is van een ernstig verstoorde verstandhouding tussen de rechthebbende en de bewindvoerder. Het hof acht het voldoende aannemelijk dat het veronderstelde en noodzakelijke minimum aan vertrouwen tussen de bewindvoerder en de rechthebbende inmiddels ontbreekt. Zo voelt de rechthebbende zich niet gehoord en geeft de bewindvoerder aan dat de rechthebbende te allen tijde en veelvuldig belt en direct een antwoord verwacht, waardoor het telefoonnummer van de rechthebbende op het kantoor van de bewindvoerder geblokkeerd is (geweest). De communicatie over en weer vertoont gebreken, waardoor er veel onduidelijkheid blijft bestaan, bijvoorbeeld over de toeslagen die de rechthebbende ontvangt. Bovendien heeft de bewindvoerder meerdere keren de politie benaderd omdat de rechthebbende bedreigingen jegens de bewindvoerder uitte. Het hof is van oordeel dat de samenwerking dusdanig is verstoord, dat dit te veel onrust en stress teweegbrengt voor een vruchtbare samenwerking. Het hof kan niet vaststellen dat dit in overwegende mate aan één van beide partijen te wijten is, maar het hof ziet in deze verstoorde vertrouwens- en samenwerkingsrelatie een gewichtige reden om tot ontslag van de huidige bewindvoerder over te gaan.
5.8
Het hof zal de huidige bewindvoerder daarom ontslaan als bewindvoerder en overeenkomstig de voorkeur van de rechthebbende de beoogd bewindvoerder [de beoogd bewindvoerder] – die zich bereid heeft verklaard het bewind op zich te nemen en tegen wiens benoeming voor het overige niet van bezwaren is gebleken – benoemen als opvolgend bewindvoerder.
Hoogte van het leefgeld
5.9
Nu het hof het subsidiaire verzoek van de rechthebbende toewijst, behoeft het meer subsidiaire verzoek van de rechthebbende geen bespreking meer.
6De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en, in aanvulling op de bestreden beschikking:
ontslaat met ingang van 1 augustus 2026 [de bewindvoerder] , gevestigd te [vestigingsplaats] , als bewindvoerder over het vermogen van [de rechthebbende] , geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ;
benoemt met ingang van 1 augustus 2026 [de beoogd bewindvoerder] , gevestigd te [vestigingsplaats] , tot bewindvoerder over de bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 12 maart 2025 onder bewind gestelde goederen, die toebehoren of zullen toebehoren aan [de rechthebbende] , geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ;
bepaalt dat de bewindvoerder de in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren vastgestelde forfaitaire tarieven ten laste van het vermogen van de rechthebbende mag brengen;
draagt de griffier op om op de voet van artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan het bewindsbureau van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, in verband met aantekening in het Centraal Curatele- en bewindregister;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E. Sutorius-Van Hees, A.F. Mollema en A.J.I. Mullenders, bijgestaan door mr. F. van Wijk-Spieker als griffier en is op 15 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.