Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2489
2026-04-01
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.362.702/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Artikel 1:255 BW; zorgen omtrent schoolverzuim minderjarigen; voorzichtig positieve ontwikkeling bij de minderjarigen; OTS wordt met ingang datum uitspraak in hoger beroep beëindigd.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.234 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team familie
zaaknummer : 200.362.702/01
rekestnummer rechtbank : JE RK 25-2301
zaaknummer rechtbank : C/10/709825
beschikking van de meervoudige kamer van 1 april 2026
inzake
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M. ter Haar-Bas te Rotterdam,
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Als informant is aangemerkt:
[de gecertificeerde instelling] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 1 december 2025, die op schrift is gesteld op 10 december 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
2.1
De moeder is op 15 december 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De gecertificeerde instelling heeft bij bericht van 17 februari 2026, met bijlagen, ingekomen op 18 februari 2026, het hof geïnformeerd over de huidige stand van zaken.
2.3
Verder is bij het hof op 22 december 2025 van de zijde van de moeder een journaalbericht van diezelfde datum ingekomen, met bijlage.
2.4
De voorzitter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling met de minderjarige [minderjarige 1] gesproken. De minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om hun mening kenbaar te maken.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 27 februari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [raadsvertegenwoordiger] ;
- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling] .
3De feiten
3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Uit de moeder zijn, voor zover in dit hoger beroep van belang, geboren de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] );
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ).
3.3
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
3.4
De minderjarigen wonen bij de moeder.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter, op verzoek van de raad, de minderjarigen voor een periode van 12 maanden onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling, met ingang van 1 december 2025 tot 1 december 2026. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De moeder is het niet eens met deze beslissing. Zij verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het inleidende verzoek van de raad alsnog af te wijzen althans, bij toewijzing van de maatregel, deze in duur te verkorten tot drie maanden, althans tot zes maanden, althans een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht, kosten rechtens.
5De motivering van de beslissing
Standpunten betrokkenen
5.1
De moeder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen. Er is sprake van een belast verleden, maar het gezin heeft een positieve ontwikkeling en groei doorgemaakt. Het gaat goed met de minderjarigen doordat er nu rust in de thuissituatie is. Het gezin moet in zijn eigen tempo verder kunnen herstellen; een ondertoezichtstelling werkt averechts en zal alleen maar meer druk met zich meebrengen. Het schoolverzuim van de minderjarigen wordt door de moeder aangepakt door afspraken die zij heeft gemaakt met de scholen van de minderjarigen over aangepaste schoolroosters. De moeder is in staat om binnen een aanvaardbare termijn zelfstandig de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen te dragen.
5.2
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De raad ziet dat de moeder positieve stappen heeft gezet, maar dit is nog onvoldoende. Er zijn grote zorgen over het schoolverzuim van de minderjarigen. Er is veel gebeurd in het leven van de minderjarigen. Bij een trauma is eerst rust van belang, maar op het moment dat dit te lang duurt, kan er ook vermijding ontstaan. De drempel om de schoolgang op een normale manier te vervolgen wordt dan hoger. Er is niet alleen stabiliteit nodig voor de minderjarigen, maar ook verdere ontwikkeling. De gecertificeerde instelling kan de moeder helpen om een balans te vinden in het behouden van de rust, de verbetering van de schoolgang en de noodzakelijke verdere ontwikkeling van de minderjarigen.
5.3
De gecertificeerde instelling stelt dat de moeder positieve stappen heeft gezet maar dat er tegelijkertijd zorgen zijn over het schoolverzuim van de minderjarigen. Er dient meer zicht te komen op wat er speelt binnen het gezin. Het gezin is hecht en sociaal en de moeder is betrokken bij het welbevinden en het welzijn van de minderjarigen. Ondanks dat de moeder gefrustreerd is over hoe de hulpverlening in het verleden is gelopen, wat haar vertrouwen in de hulpverlening heeft geschaad, is de moeder gemotiveerd om zich in te zetten voor hulpverlening die de minderjarigen nodig hebben om zich verder te ontwikkelen. Het optuigen van hulpverlening is in dit gezin maatwerk en vereist zorgvuldigheid om tot daadwerkelijke en wenselijke resultaten te komen.
Het oordeel van het hof
5.4
Op grond van artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.5
Op basis van de stukken en wat ter zitting is besproken, is het hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij dat heeft gedaan. Het hof neemt die gronden over en maakt deze, na eigen afweging tot de zijne. Het hof is echter van oordeel dat inmiddels niet meer wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling, zodat het hof de ondertoezichtstelling van de minderjarigen met ingang van heden zal beëindigen. Het hof licht dat als volgt toe.
5.6
Na de bestreden beschikking hebben de moeder en de minderjarigen voorzichtig positieve stappen gezet. De moeder is met de scholen van de minderjarigen in gesprek gegaan, waarna er aangepaste roosters zijn gemaakt om de schoolgang van de minderjarigen (verder) op te bouwen. Het hof gaat ervan uit dat dit een belangrijk aandachtspunt blijft voor de moeder zolang de minderjarigen (nog) niet het reguliere schoolrooster volgen. Verder hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een duidelijk doel voor ogen en gaat [minderjarige 3] uit zichzelf weer naar school. Zo heeft [minderjarige 1] tijdens het kindgesprek verklaard dat hij [opleiding] wil afronden zodat hij [opleiding] kan gaan volgen en heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [minderjarige 2] de overstap wil maken naar de praktijkschool, zodat ook hij [opleiding] kan volgen. Ook het feit dat de moeder sinds januari van dit jaar weer een baan heeft, is positief. De moeder heeft met haar handelen laten zien dat zij regie kan voeren en dat zij de zorgen over de minderjarigen in de gaten houdt en daar ook mee aan de slag gaat. Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat niet meer wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling. Het hof geeft met deze beslissing de moeder de verantwoordelijkheid over de opvoeding en de ontwikkeling van de minderjarigen terug, zodat zij voort kan gaan op de ingeslagen weg en – indien nodig – hulpverlening voor de minderjarigen kan organiseren.
5.7
Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk vernietigen en het verzoek tot ondertoezichtstelling alsnog afwijzen voor zover dit betrekking heeft op de periode met ingang van heden.
5.8
De proceskosten worden, zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard, in hoger beroep gecompenseerd. Dat betekent dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.
5.9
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze betrekking heeft op de ondertoezichtstelling over de periode vanaf heden en, in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst af het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen voor zover dit betrekking heeft op de periode met ingang van heden;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Reijngoud, H.J. Wieman-Bart en S. Wahedi, bijgestaan door mr. F. van Wijk-Spieker als griffier, en is op 1 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Team familie
zaaknummer : 200.362.702/01
rekestnummer rechtbank : JE RK 25-2301
zaaknummer rechtbank : C/10/709825
beschikking van de meervoudige kamer van 1 april 2026
inzake
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M. ter Haar-Bas te Rotterdam,
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Als informant is aangemerkt:
[de gecertificeerde instelling] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 1 december 2025, die op schrift is gesteld op 10 december 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
2.1
De moeder is op 15 december 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De gecertificeerde instelling heeft bij bericht van 17 februari 2026, met bijlagen, ingekomen op 18 februari 2026, het hof geïnformeerd over de huidige stand van zaken.
2.3
Verder is bij het hof op 22 december 2025 van de zijde van de moeder een journaalbericht van diezelfde datum ingekomen, met bijlage.
2.4
De voorzitter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling met de minderjarige [minderjarige 1] gesproken. De minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om hun mening kenbaar te maken.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 27 februari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [raadsvertegenwoordiger] ;
- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling] .
3De feiten
3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Uit de moeder zijn, voor zover in dit hoger beroep van belang, geboren de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] );
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ).
3.3
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
3.4
De minderjarigen wonen bij de moeder.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter, op verzoek van de raad, de minderjarigen voor een periode van 12 maanden onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling, met ingang van 1 december 2025 tot 1 december 2026. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De moeder is het niet eens met deze beslissing. Zij verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het inleidende verzoek van de raad alsnog af te wijzen althans, bij toewijzing van de maatregel, deze in duur te verkorten tot drie maanden, althans tot zes maanden, althans een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht, kosten rechtens.
5De motivering van de beslissing
Standpunten betrokkenen
5.1
De moeder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen. Er is sprake van een belast verleden, maar het gezin heeft een positieve ontwikkeling en groei doorgemaakt. Het gaat goed met de minderjarigen doordat er nu rust in de thuissituatie is. Het gezin moet in zijn eigen tempo verder kunnen herstellen; een ondertoezichtstelling werkt averechts en zal alleen maar meer druk met zich meebrengen. Het schoolverzuim van de minderjarigen wordt door de moeder aangepakt door afspraken die zij heeft gemaakt met de scholen van de minderjarigen over aangepaste schoolroosters. De moeder is in staat om binnen een aanvaardbare termijn zelfstandig de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen te dragen.
5.2
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De raad ziet dat de moeder positieve stappen heeft gezet, maar dit is nog onvoldoende. Er zijn grote zorgen over het schoolverzuim van de minderjarigen. Er is veel gebeurd in het leven van de minderjarigen. Bij een trauma is eerst rust van belang, maar op het moment dat dit te lang duurt, kan er ook vermijding ontstaan. De drempel om de schoolgang op een normale manier te vervolgen wordt dan hoger. Er is niet alleen stabiliteit nodig voor de minderjarigen, maar ook verdere ontwikkeling. De gecertificeerde instelling kan de moeder helpen om een balans te vinden in het behouden van de rust, de verbetering van de schoolgang en de noodzakelijke verdere ontwikkeling van de minderjarigen.
5.3
De gecertificeerde instelling stelt dat de moeder positieve stappen heeft gezet maar dat er tegelijkertijd zorgen zijn over het schoolverzuim van de minderjarigen. Er dient meer zicht te komen op wat er speelt binnen het gezin. Het gezin is hecht en sociaal en de moeder is betrokken bij het welbevinden en het welzijn van de minderjarigen. Ondanks dat de moeder gefrustreerd is over hoe de hulpverlening in het verleden is gelopen, wat haar vertrouwen in de hulpverlening heeft geschaad, is de moeder gemotiveerd om zich in te zetten voor hulpverlening die de minderjarigen nodig hebben om zich verder te ontwikkelen. Het optuigen van hulpverlening is in dit gezin maatwerk en vereist zorgvuldigheid om tot daadwerkelijke en wenselijke resultaten te komen.
Het oordeel van het hof
5.4
Op grond van artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.5
Op basis van de stukken en wat ter zitting is besproken, is het hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij dat heeft gedaan. Het hof neemt die gronden over en maakt deze, na eigen afweging tot de zijne. Het hof is echter van oordeel dat inmiddels niet meer wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling, zodat het hof de ondertoezichtstelling van de minderjarigen met ingang van heden zal beëindigen. Het hof licht dat als volgt toe.
5.6
Na de bestreden beschikking hebben de moeder en de minderjarigen voorzichtig positieve stappen gezet. De moeder is met de scholen van de minderjarigen in gesprek gegaan, waarna er aangepaste roosters zijn gemaakt om de schoolgang van de minderjarigen (verder) op te bouwen. Het hof gaat ervan uit dat dit een belangrijk aandachtspunt blijft voor de moeder zolang de minderjarigen (nog) niet het reguliere schoolrooster volgen. Verder hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een duidelijk doel voor ogen en gaat [minderjarige 3] uit zichzelf weer naar school. Zo heeft [minderjarige 1] tijdens het kindgesprek verklaard dat hij [opleiding] wil afronden zodat hij [opleiding] kan gaan volgen en heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [minderjarige 2] de overstap wil maken naar de praktijkschool, zodat ook hij [opleiding] kan volgen. Ook het feit dat de moeder sinds januari van dit jaar weer een baan heeft, is positief. De moeder heeft met haar handelen laten zien dat zij regie kan voeren en dat zij de zorgen over de minderjarigen in de gaten houdt en daar ook mee aan de slag gaat. Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat niet meer wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling. Het hof geeft met deze beslissing de moeder de verantwoordelijkheid over de opvoeding en de ontwikkeling van de minderjarigen terug, zodat zij voort kan gaan op de ingeslagen weg en – indien nodig – hulpverlening voor de minderjarigen kan organiseren.
5.7
Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk vernietigen en het verzoek tot ondertoezichtstelling alsnog afwijzen voor zover dit betrekking heeft op de periode met ingang van heden.
5.8
De proceskosten worden, zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard, in hoger beroep gecompenseerd. Dat betekent dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.
5.9
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze betrekking heeft op de ondertoezichtstelling over de periode vanaf heden en, in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst af het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen voor zover dit betrekking heeft op de periode met ingang van heden;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Reijngoud, H.J. Wieman-Bart en S. Wahedi, bijgestaan door mr. F. van Wijk-Spieker als griffier, en is op 1 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.