Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2451

2026-04-14 Civiel recht 200.335.851/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-04-14
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.335.851/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Aannemingsovereenkomst: opschorting, verzuim, ingebrekestelling en ontbiding.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (33.656 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel


Zaaknummer hof : 200.335.851/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/650508 / HA ZA 23-7





Arrest van 14 april 2026




in de zaak van





[appellant] , handelende onder de naam [eenmanszaak],
wonend in [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. C.J.H. Anker, kantoorhoudend in Rotterdam,



tegen





[geïntimeerde] , handelende onder de naam Meubelmakerij [geïntimeerde],
wonend in [woonplaats] ( [gemeente] ),
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.W. Huijzer, kantoorhoudend in Papendrecht.




Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .





1De zaak in het kort

1.1
Partijen hebben een aannemingsovereenkomst gesloten. [appellant] stelt dat hij die overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden en vordert schadevergoeding van [geïntimeerde] . De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] ten onrechte de betaling van een factuur van [geïntimeerde] heeft opgeschort, waardoor [appellant] in verzuim is komen te verkeren en hij de overeenkomst met [geïntimeerde] niet rechtsgeldig heeft kunnen ontbinden. De vorderingen van [appellant] zijn alle afgewezen. Tegen dit oordeel komt [appellant] in deze hoger beroep procedure op.


1.2
Het hof is het eens met het oordeel van de rechtbank en bekrachtigt het vonnis.




2Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:


de dagvaarding van 15 november 2023, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 augustus 2023;


het arrest van dit hof van 23 januari 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast;


het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 april 2024;


de memorie van grieven, alsmede akte wijziging c.q. vermeerdering van eis, van [appellant] , met bijlagen;


de memorie van antwoord van [geïntimeerde] .




2.2
Op 5 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.




3Feitelijke achtergrond

3.1
Partijen, beiden handelend als eenmanszaak, hebben een aannemingsovereenkomst gesloten op basis waarvan [geïntimeerde] werkzaamheden heeft verricht aan het interieur van een schip van [appellant] . Het schip was door [appellant] aangekocht ten behoeve van zijn eenmanszaak [eenmanszaak] .


3.2
Op 13 oktober 2021 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een factuur voor de aanbetaling van € 10.000,00 (incl. btw) verzonden. In de begeleidende mail staat dat als het bedrag is overgemaakt, [geïntimeerde] de producten gelijk gaat bestellen. [appellant] heeft deze factuur op 13 oktober 2021 voldaan. Op 15 december 2021 heeft [geïntimeerde] een factuur van € 5.000,00 (incl. btw) voor de werkzaamheden aan [appellant] verzonden. Deze factuur heeft [appellant] op 18 december 2021 voldaan.


3.3

Per e-mail van 13 februari 2022 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] het volgende bericht:

“Goedemorgen [appellant] ,





14 t/m 20 februari 2022: ladenblokken in elkaar zetten. Laatste delen “bandwerk”.


Maandag 14 februari: sommige delen controleren op het schip.





21 t/m 25 februari 2022: in de werkplaats kasten in elkaar zetten en evt aanpassen.


26 en 27 februari 2022 ( zaterdag en zondag) kast plaatsen.


Nieuwe “ mal”controleren. “Uitslag” maken voor de muur





01 t/m 03 maart 2022 keukenbrand freesen en schuren.


04-03-2022 : blad plaatsen





In het weekend moet de lijm uitharden en mag er echt geen druk op staan, niet aankomen of er iets opzetten aub! !





07-03-2022: blad polijsten en kooktoestel en kraan en wasbak plaatsen


Ook deze dag niets aanraken of belasten aub!





09 maart 2022 tot het einde van de maand: afwerking van kast, en evt kleine zaken keuken en beginnen met het opbouwen van de muur.





De tijd tussen het blad en de muur is expres bedoeld zodat er geen houtstof ronddwarrelt en het blad stofvrij uit kan harden.





Dit is de planning, maar houdt er rekening mee dat er altijd calamiteiten kunnen voordoen.”




3.4

Per e-mail van 18 februari 2022 heeft [geïntimeerde] op verzoek van [appellant] de volgende data ingevuld achter de diverse werkzaamheden:

“Datum keuken klaar: 5 Maart 2022


Datum kastwand klaar: 21 Maart 2022


Datum slaapkamer klaar: 14 April 2022


Datum badkamer klaar: 25 April 2022


Datum lange dressoir: 31 Mei 2022


Calamiteiten niet meegerekend.”




3.5
Op 24 maart 2022 heeft [geïntimeerde] een factuur gestuurd aan [appellant] ten bedrage van € 5.000,00 (incl. btw). [appellant] heeft deze factuur niet betaald. Op 11 april 2022 heeft [geïntimeerde] de factuur nogmaals toegestuurd aan [appellant] met het verzoek die te voldoen zodat hij verder kan met de werkzaamheden.


3.6

Op 12 april 2022 heeft [appellant] in reactie hierop het volgende e-mailbericht verzonden aan [geïntimeerde] :

“Het werk ligt inmiddels ruim drie maanden achter op schema. Ondanks meerdere waarschuwingen, zowel mondeling als via whatsapp worden ook de herziene deadlines wederom niet gehaald. Aangezien u niet gecommuniceerd heeft met betrekking tot calamiteiten is deze vertraging onacceptabel. Voor de eerste twee verstreken herziene deadlines van 5 maart voor het voltooien van de keuken, en 21 maart voor het voltooien van de kastwand stellen we u via deze kennisgeving in gebreke. Met de factuur die u bij uw mail stuurt zou de betaling het volledig afgesproken bedrag bereiken en daarmee dus volledig voldaan zijn, zodoende wordt betaling van deze factuur opgeschort totdat het afgesproken werk volledig volgens afspraak en naar onze voldoening afgerond is. U heeft tot 31 mei 2022 om de volledige overeengekomen werkzaamheden af te ronden. Zijn de werkzaamheden op deze datum niet volgens afspraak afgerond, verkeert u in verzuim. […]”




3.7

Op 15 april 2022 heeft [appellant] ter aanvulling van het voorgaande bericht het volgende bericht verzonden aan [geïntimeerde] :

“Aangezien u we geen enkele reactie van u hebben mogen ontvangen op de mail notificatie ingebrekestelling, ontvangt u de tekst uit de mail nu ook via aangetekende brief. Inmiddels is ook de deadline van 14 april 2022 voor het gereedkomen van de slaapkamer verstreken, ook voor deze deadline stellen we u bij dezen in gebreke. […]”




3.8

In reactie op de berichten van [appellant] is namens [geïntimeerde] op 22 april 2022 een brief verzonden aan [appellant] met onder meer de volgende inhoud:

“[…] U stelt dat de heer [geïntimeerde] achterstand heeft opgelopen die voor u niet acceptabel is.





Volgens de heer [geïntimeerde] is dit echter voor een heel groot deel aan uzelf te wijten.





Zoals de boot nu in het water ligt is het dermate onstabiel dat optimaal werken niet mogelijk is. Wanneer andere boten langs varen is de schommeling onwerkbaar.





Ook zou u zelf, op zijn verzoek, gedeeltelijk de vloeren verzorgen. Tot op heden is dit niet gebeurd waardoor de werkzaamheden worden belemmerd.





Verder heeft de heer [geïntimeerde] veel extra werk gekregen door het schoonmaken van de door u uitgevoerde slijpwerkzaamheden, teneinde verdere schade aan meubels etc. te voorkomen.





Wat betreft de facturen is het ook niet juist wat u stelt. De offerte is groot € 24.200,00. Tot nu toe is gefactureerd € 20.000,00. Het is dus beslist niet juist dat u stelt dat bij betaling van de laatste factuur aan u verzonden, ad. € 5.000,00, u het gehele bedrag heeft betaald. Er komt nog een nota van € 4.200,00, alsmede een nota ad. € 1.766,60 inclusief btw inzake het reinigen van diverse zaken nav uw slijpwerk, waarbij u de meubels niet heeft afgedekt.


Indien de betaling van de laatste factuur had plaatsgevonden was de keuken klaar geweest. Er moeten nu zaken zoals hang- en sluitwerk worden besteld wat door uitblijven van de betaling nu niet mogelijk is. Ook zullen de werkzaamheden niet worden hervat zolang er geen betaling heeft plaatsgevonden.”




3.9
Bij e-mail van 12 mei 2022 heeft de gemachtigde van [appellant] gereageerd en heeft hij [geïntimeerde] gesommeerd om de werkzaamheden aan de keuken, de kastwand, de slaapkamer, de badkamer en het lange dressoir voor 31 mei 2022 af te ronden en op te leveren. Dat is niet gebeurd.


3.10

Op 21 september 2022 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] onder meer het volgende geschreven aan [appellant] :

“[…] Uw cliënt weigert al sinds maart 2022 om aan zijn financiële verplichtingen te voldoen en is derhalve al geruime tijd in verzuim. Gelet op dat verzuim, heeft cliënt al lange tijd zijn werkzaamheden opgeschort. […]





[…] Gelet op de stelselmatige en langdurige tekortkoming(en) van uw cliënt in de nakoming van de overeenkomst ontbind ik hierbij ex artikel 6:265 BW de overeenkomst. […]”




3.11

Op 6 oktober 2022 heeft de gemachtigde van [appellant] in reactie op het bericht van de gemachtigde van [geïntimeerde] onder meer het volgende geschreven:

“U zult begrijpen dat mijn cliënt de stelling dat hij in verzuim verkeert verre van zich werpt. Op grond daarvan is de door u aangekondigde ontbinding ook niet gerechtvaardigd. Door cliënt wordt uitdrukkelijk betwist dat uw cliënt rechtsgeldig tot ontbinding ex artikel 6:265 BW over is gegaan.





Gelet op de verschillende ingebrekestellingen en het feit dat uw cliënt uit uw mededelingen heeft moeten afleiden dat uw cliënte niet meer tot herstelwerkzaamheden zal overgaan, ontbindt cliënt hierbij de overeenkomst tussen partijen.”






4Procedure bij de rechtbank

4.1

[appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en na wijziging van eis gevorderd:


voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen op grond van de aannemingsovereenkomst en gehouden is om alle daardoor geleden en de te lijden schade aan [appellant] te vergoeden;


voor recht te verklaren dat de aannemingsovereenkomst tussen partijen op 6 oktober 2022 door [appellant] rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden dan wel de aannemingsovereenkomst tussen partijen alsnog te ontbinden;



[geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag van € 14.500,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2022, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de der algehele voldoening;



[geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag van € 26.923,80 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2022, althans 22 juli 2022, althans 6 oktober 2022, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de der algehele voldoening;



[geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag van € 14.806,44 aan gevolgschade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;



[geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.337,30 aan buitengerechtelijke incassokosten;



[geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, het salaris en nasalaris advocaat daaronder mede begrepen, met daarbij de bepaling dat indien deze kosten niet binnen vijf dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis aan [appellant] zullen zijn voldaan, daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd zal zijn.




4.2

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en op zijn beurt gevorderd (in reconventie), bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] de overeenkomst met [appellant] terecht heeft ontbonden of, subsidiair, de overeenkomst alsnog te ontbinden;



[appellant] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 5.000,00(vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 29 maart 2021), een bedrag ad € 4.200,00 (vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 1 juni 2022 althans vanaf een door de rechtbank te bepalen redelijke datum) en een bedrag ad € 1.766,60 aan meerwerk vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf de vroegst mogelijke datum tot aan de dag der algehele voldoening,



[appellant] te veroordelen in de kosten van de procedure, het salaris van de advocaat van gedaagde en de nakosten daaronder begrepen.




4.3
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] in conventie afgewezen en [appellant] in de proceskosten in conventie veroordeeld. In reconventie heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [geïntimeerde] de overeenkomst met [appellant] terecht heeft ontbonden, de overige vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

4.3.1

[appellant] heeft de termijn van 31 mei 2022 als fatale termijn bedoeld en de bedoeling van partijen was dat het werk in ieder geval op die datum gereed zou zijn. Voor die datum kon [geïntimeerde] niet in verzuim zijn en daarom kon [appellant] zijn betalingsverplichting voortvloeiend uit de factuur van 24 maart 2022 niet opschorten. Door dit wel te doen, is [appellant] in verzuim komen te verkeren en hierdoor kon [geïntimeerde] niet in verzuim komen. Bij gebrek aan verzuim kon [appellant] de overeenkomst niet rechtsgeldig ontbinden. De grondslag van de vorderingen van [appellant] is hiermee vervallen.


4.3.2
Omdat [appellant] door de onterechte opschorting in verzuim verkeerde, heeft [geïntimeerde] de overeenkomst tussen partijen bij brief van 21 september 2022 wel rechtsgeldig ontbonden. De op dit punt gevorderde verklaring voor recht wordt dan ook toegewezen. Deze ontbinding heeft partijen van hun verbintenissen bevrijd en partijen hoeven niet meer na te komen. De vorderingen van [geïntimeerde] die op nakoming zien, kunnen daarom niet worden toegewezen. Voor zover de verbintenissen reeds waren nagekomen, heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd wat de waarde daarvan is geweest, zodat ook de vorderingen op dat punt worden afgewezen. Dat er is afgesproken dat [geïntimeerde] meerwerk zou verrichten, is door [geïntimeerde] eveneens niet voldoende onderbouwd gesteld.





5Vorderingen in hoger beroep

5.1

[appellant] heeft zijn eis gewijzigd en vordert het vonnis van de rechtbank te vernietigen en daarbij:


voor recht te verklaren dat de aannemingsovereenkomst tussen partijen op 6 oktober 2022 door [appellant] rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden, dan wel de aannemingsovereenkomst tussen partijen alsnog te ontbinden;



[geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag van € 6.409,00 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2022, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de [het hof leest: dag] der algehele voldoening;



[geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag van € 42.716,35 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2022, althans 22 juli 2022, althans 6 oktober 2022, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de [het hof leest: dag] der algehele voldoening;



[geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag van € 2.117,50 aan deskundigenkosten;



[geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.266,25 aan buitengerechtelijke incassokosten;



[geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, zowel in eerste aanleg als in appel, het salaris en nasalaris advocaat daaronder mede begrepen, met daarbij de bepaling dat indien deze kosten niet binnen vijf dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis aan [appellant] zullen zijn voldaan, daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd zal zijn.




5.2
Kort gezegd zien de bezwaren van [appellant] op het volgende.

5.2.1
De rechtbank is ten onrechte van de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte offerte uitgegaan. Partijen hebben een bedrag van € 20.000,00 inclusief btw afgesproken. Hierbij is een offerte niet aan de orde geweest.


5.2.2
De rechtbank heeft ten onrechte de volgende verweren van [appellant] niet besproken. De vijf data uit het e-mail bericht van 18 februari 2022 zijn fatale termijnen die door [geïntimeerde] niet zijn gehaald, zodat hij reeds daarom in verzuim is komen te verkeren. Daarnaast is [geïntimeerde] op 1 juli 2022 nogmaals in gebreke gesteld, zodat hij in ieder geval vanaf 22 juli 2022 in verzuim verkeert. Ook is een beroep gedaan op artikel 6:83 sub c BW vanwege de ontbinding door [geïntimeerde] van 21 september 2022.


5.2.3

[appellant] mocht zijn betalingsverplichting wel opschorten. Hij was niet gehouden de laatste termijn te voldoen. De werkzaamheden van [geïntimeerde] schoten te kort. Er waren ook geen betalingsafspraken gemaakt. Dit betekent dat betaling van de aanneemsom pas afdwingbaar is als het werk in zijn geheel is opgeleverd. [geïntimeerde] heeft het werk niet opgeleverd en kon zijn werkzaamheden ook niet opschorten. Door dit toch te doen, is [geïntimeerde] in verzuim komen te verkeren en heeft [appellant] , en niet [geïntimeerde] , de overeenkomst rechtsgeldig kunnen ontbinden. Er is geen sprake van verzuim van [appellant] .


5.2.4

[appellant] heeft zijn schadeposten voldoende onderbouwd. De ongedaanmakingsverbintenissen brengen mee dat aanneemsom minus een waardevergoeding voor het geleverde werk moet worden terugbetaald aan [appellant] . Daarnaast heeft [appellant] recht op aanvullende schadevergoeding omdat hij meerkosten kwijt is aan het afronden van de werkzaamheden. Voor de hoogte daarvan wordt verwezen naar het deskundigenrapport van Top Expertise, waarvan [geïntimeerde] de kosten behoort te dragen.


5.2.5
De vorderingen van [appellant] moeten alsnog worden toegewezen en de vorderingen van [geïntimeerde] moeten worden afgewezen. Daarbij hoort dat [geïntimeerde] in de kosten wordt veroordeeld.



5.3

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het hoger beroep met bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.




6Beoordeling in hoger beroep

6.1

[appellant] heeft zijn vorderingen gebaseerd op zijn ontbinding van de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst op 21 september 2022. [geïntimeerde] heeft betwist dat deze ontbinding rechtsgeldig was, omdat hij niet in verzuim verkeerde en overigens op dat moment de overeenkomst zelf al ontbonden had.


6.2
Voor een rechtsgeldige ontbinding van de overeenkomst door [appellant] is, nu nakoming van de overeenkomst mogelijk was, nodig dat [geïntimeerde] in verzuim was (art. 6:265 BW). [geïntimeerde] heeft betwist in verzuim te zijn gekomen, omdat [appellant] reeds in verzuim verkeerde, waardoor hij zelf niet meer in verzuim kon komen. Het hof zal dan ook eerst beoordelen of [appellant] in verzuim was. Hiervoor is van belang om te weten of [appellant] gehouden was de factuur van 24 maart 2022 te betalen.


6.3

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat [appellant] gehouden was de factuur van 24 maart 2022 te voldoen omdat partijen hadden afgesproken dat er deelbetalingen zouden worden gedaan. Hoewel dit is betwist door [appellant] , is het hof van oordeel dat dit is komen vast te staan. [geïntimeerde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat partijen deze betalingsafspraken hebben gemaakt en [appellant] heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. [geïntimeerde] heeft namelijk onbetwist aangevoerd dat hij een beginnend ondernemer was en niet in staat was om al het werk en de kosten daarvan te kunnen voorschieten; met andere woorden hij had deelbetalingen nodig om het werk uit te kunnen voeren. Hiervoor heeft hij verwezen naar de app conversatie tussen partijen waarin [appellant] aan [geïntimeerde] (onder meer) vraagt of hij de factuur voor het voorschot kan sturen. Ook uit de feitelijke gang van zaken volgt dat [appellant] gedurende het werk facturen zou voldoen: [appellant] heeft de facturen van 13 oktober 2021 en 15 december 2021 vrijwel direct voldaan en zich nimmer op het standpunt gesteld dat hij de facturen (nog) niet verschuldigd was, omdat hij pas na algehele oplevering van het werk zou betalen. Ook ten aanzien van de factuur van 24 maart 2022 heeft [appellant] zich destijds niet direct op het standpunt gesteld dat hij deze nog niet verschuldigd was. Zowel hijzelf als zijn advocaat berichtten aan [geïntimeerde] dat de betaling van deze factuur werd opgeschort. Het is daarnaast ook een gangbare praktijk dat betalingen in termijnen gedurende het werk wordt afgesproken. Dit alles maakt dat tussen partijen betalingsafspraken zijn gemaakt die inhouden dat gedurende het werk de deelfacturen van [geïntimeerde] zouden worden voldaan.


6.4

[appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat dit met de factuur van 24 maart 2022 anders lag omdat dit de slotfactuur was terwijl het werk nog niet klaar en opgeleverd was, zodat ook als er betalingsafspraken waren gemaakt deze factuur nog niet opeisbaar en dus nog niet verschuldigd was.

6.4.1
In dit kader is van belang welke prijs (inclusief btw) partijen overeengekomen zijn voor de werkzaamheden: € 20.000,00 zoals [appellant] stelt, dan wel € 24.200,00 zoals [geïntimeerde] stelt. Hoewel [geïntimeerde] een offerte die sluit op € 24.200,00 inclusief btw in het geding heeft gebracht, kan hiervan niet worden uitgegaan. [appellant] heeft consequent betwist deze offerte te hebben gezien dan wel te hebben ontvangen en de stellingen van [geïntimeerde] in dit kader zijn wisselend. Daarnaast is deze offerte ook niet ondertekend door partijen en bestaat ook verder geen aanleiding aan te nemen dat wat hierin is neergelegd, is wat partijen zijn overeengekomen.


6.4.2
Het komt dus aan op wat partijen mondeling met elkaar hebben afgesproken. Hoewel [appellant] heeft gesteld een all-in prijs van € 20.000,00 te zijn overeengekomen met [geïntimeerde] , heeft [appellant] ter zitting ook gezegd dat er niet over btw is gesproken toen partijen het over de prijs hebben gehad. [geïntimeerde] heeft dat niet betwist. Dit betekent dat er op dit punt geen uitdrukkelijke afspraken zijn gemaakt. De vraag wat partijen dan op dat punt hebben afgesproken kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van wat is besproken. Het komt aan op wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen mochten afleiden en wat ze op dat punt redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.


6.4.3
In dat kader heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat beide partijen ondernemers zijn die de btw kunnen verrekenen zodat dit geen kostenpost is en dus als er over prijzen wordt gesproken dit altijd zonder btw is, maar de btw er in de facturen nog wel bijkomt. Gelet hierop kon en mocht hij ervan uitgaan dat ook [appellant] dit zo bedoelde en begreep. [appellant] heeft gesteld dat zijn budget niet meer was dan € 20.000,00 en hij als beginnend ondernemer niet zo thuis was in de btw en het verrekenen daarvan. Hij ging er dan ook van uit dat in de € 20.000,00 ook de btw was opgenomen.



6.5
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] er terecht van uit mocht gaan, nu beide partijen ondernemers waren en de overeenkomst ook in dat kader werd aangegaan, dat de btw nog boven op de genoemde prijs zou komen. [appellant] heeft namelijk niet betwist dat dit tussen ondernemingen de normale gang van zaken is en de btw dan geen punt van belang is omdat deze kan worden verrekend. Indien en voor zover dat in dit geval voor [appellant] anders was, had het op zijn weg gelegen hierover duidelijkheid te vragen dan wel deze te verschaffen aan [geïntimeerde] . Door dat niet te doen en de btw geen onderwerp van gesprek te maken, heeft [geïntimeerde] er op mogen vertrouwen dat het door hem genoemde bedrag nog moest worden vermeerderd met btw. Eventuele onervarenheid van [appellant] en/of het feit dat hij op dat moment niet meer geld had, komt daarbij voor zijn rekening en risico. Daarbij komt dat tussen partijen niet in geschil is dat de overeengekomen prijs voor de werkzaamheden aan de lage kant was. Dat draagt eraan bij dat [appellant] er naar het oordeel van het hof niet op mocht vertrouwen dat de btw reeds in het bedrag van € 20.000,00 begrepen zat en het voor [geïntimeerde] duidelijk was dat [appellant] dit zo had begrepen.


6.6
Dit betekent dat de factuur van 24 maart 2022 geen slotfactuur was die pas verschuldigd zou zijn als het werk klaar en opgeleverd zou zijn, maar een factuur die [appellant] op basis van de afspraak tussen partijen gehouden was te betalen. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] deze factuur niet heeft betaald, ook niet nadat [geïntimeerde] hem nogmaals om betaling had verzocht. Voor deze niet betaling heeft [appellant] zich beroepen op een opschortingsrecht.


6.7
Voor een geldig beroep op een opschortingsrecht is het nodig dat [appellant] op dat moment (maart 2022) een opeisbare vordering op [geïntimeerde] heeft en [geïntimeerde] deze vordering niet nakomt. [appellant] heeft aangevoerd dat hiervan sprake is, omdat [geïntimeerde] te kort schoot in zijn werkzaamheden.


6.8
Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] het interieur van het schip zou bouwen en opleveren. De vraag is of dit deels dan wel geheel opgeleverd had moeten zijn in maart 2022 en daarmee of [appellant] op dat moment een opeisbare vordering op [geïntimeerde] had. Het hof gaat in dit kader voorbij aan de stelling van [appellant] dat partijen hadden afgesproken dat het werk al in oktober/november 2021 gereed zou zijn. Deze stelling heeft [appellant] in het licht van de betwisting door [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. Ook zijn hiervoor geen aanknopingspunten te vinden in de stukken.


6.9

[appellant] heeft verwezen naar de mail van 18 februari 2022. Hierin zijn, aldus [appellant] , fatale termijnen neergelegd en nu [geïntimeerde] noch de keuken op 5 maart 2022, noch de kastenwand op 21 maart 2022 had opgeleverd, schoot hij op dat moment tekort. Daarnaast was het werk gebrekkig en bij lange na niet af, zodat ook om deze reden [geïntimeerde] tekort schoot. [geïntimeerde] heeft betwist dat partijen een datum hebben afgesproken waarop de werkzaamheden afgerond moesten zijn. De data in de mail van 18 februari 2022 waren geen fatale termijnen, maar een indicatie, aldus [geïntimeerde] .


6.10
Vast staat dat partijen geen datum voor oplevering overeengekomen zijn bij het sluiten van de overeenkomst. Ook de door [geïntimeerde] opgegeven data in de mail van 18 februari 2022 kunnen niet gelden als datum waarop [geïntimeerde] gehouden was de werkzaamheden (deels) definitief op te leveren bij gebreke waarvan hij te kort zou schieten in de nakoming van de overeenkomst. Uit de mailwisseling blijkt dat het hier om een indicatie ging die [geïntimeerde] op verzoek van [appellant] heeft opgegeven en niet dat het hier om afgesproken fatale termijnen ging die er toe zouden leiden dat [geïntimeerde] in verzuim zou komen als hij die niet zou halen. Dat ook [appellant] hiervan uit ging blijkt uit zijn bericht van 12 mei 2022 waarin namens [appellant] wordt bericht dat de einddatum van de werkzaamheden is bepaald op 31 mei 2022, [geïntimeerde] in gebreke is gesteld voor het niet opleveren van de keuken en de kastenwand en voorts dat aan [geïntimeerde] tot 31 mei 2022 de gelegenheid is geboden om de overeengekomen werkzaamheden volledig af te ronden bij gebreke waarvan [geïntimeerde] in verzuim komt te verkeren.


6.11

Dit betekent dat op het moment dat [appellant] de betaling van de factuur opschortte, [geïntimeerde] (nog) niet tekortschoot en deze opschorting dus onterecht (prematuur) was. Een achteraf geheel of ten dele ongegrond gebleken beroep op opschorting brengt mee dat degene die dit beroep deed terstond als schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim komt te verkeren (art. 6:83, aanhef en onder c BW). [geïntimeerde] kon hierdoor niet meer in verzuim komen (art. 6:61 BW). Eventuele nadere geldige ingebrekestellingen en/of fatale termijn konden dan ook geen effect meer sorteren. Dit alles betekent dat [appellant] de overeenkomst niet rechtsgeldig heeft kunnen ontbinden en de rechtbank zijn vorderingen, die op die ontbinding waren gegrond, terecht heeft afgewezen. Alle grieven van [appellant] stuiten hierop af.

Conclusie en proceskosten




6.12
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 augustus 2023 (voor zover aan zijn oordeel onderworpen) bekrachtigen.


6.13

Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep (inclusief nakosten).
Het hof begroot de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] op:griffierecht € 783,00salaris advocaat € 7.056,00 (3 punten × tarief IV)nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)Totaal € 8.028,00





7Beslissing
Het hof:



bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 augustus 2023;


veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 8.028,00;


bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,00;


verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;


wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.




Dit arrest is gewezen door mrs. M. Verkerk, P. Volker en R.W. Polak en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.




Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).


Hoge Raad 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610.