Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2445
2026-07-13
Strafrecht
22-000959-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzet tegen strafbeschikking. Verdachte niet-ontvankelijk in verzet, na schriftelijke afstandsverklaring. Niet gebleken dat verdachte onder druk is gezet afstand te doen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.847 tekens)
Rolnummer: 22-000959-25
Parketnummer: 09-362280-24
Datum uitspraak: 13 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 18 maart 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen de aan hem uitgevaardigde strafbeschikking.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het verzet
Aan de verdachte is in deze zaak op 13 november 2024 een strafbeschikking uitgevaardigd. Namens de verdachte is daartegen op 20 november 2024 verzet ingesteld. Aan de orde is de vraag of de verdachte kan worden ontvangen in het verzet.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte ontvankelijk is in het verzet en heeft daartoe – samengevat – aangevoerd dat de verdachte tijdens zijn verhoor op 13 november 2024 door de politie onder ongeoorloofde druk is gezet tot het doen van afstand van het recht op verzet, alsmede dat de afstandsverklaring niet voldoet aan het bepaalde in artikel 257e van het Wetboek van Strafvordering, omdat deze niet schriftelijk is gedaan en deze niet in de aanwezigheid van een raadsman is ondertekend.
Het hof overweegt als volgt.
Tijdens het verhoor van de verdachte bij de politie op 13 november 2024 is aan de verdachte een strafbeschikking aangeboden. De (toenmalige) raadsman van de verdachte was telefonisch aanwezig. De verdachte heeft tijdens dit verhoor geweigerd in te stemmen met de aangeboden strafbeschikking. Na de beëindiging van het verhoor gaf de verdachte de verbalisanten te kennen dat hij hiervan wilde terugkomen. Hem is toen uitgelegd wat de rechtsgevolgen daarvan zouden zijn. De verbalisanten hebben de raadsman gebeld, hem de situatie uitgelegd en hem verzocht om fysiek aanwezig te zijn bij het hervatten van het verhoor. Vervolgens is het verhoor hervat in aanwezigheid van de raadsman. Tijdens het verhoor hebben de verbalisanten de voorwaarden van de strafbeschikking, waaronder het doen van afstand van het recht op verzet tegen de strafbeschikking, met de verdachte besproken. De verbalisanten hebben aan de verdachte gevraagd – in het bijzijn van zijn raadsman – of zij hem onder druk hebben gezet, waarop de verdachte heeft geantwoord: ‘nee’. Ook heeft de verdachte – na onderbreking van het verhoor voor overleg tussen de verdachte en zijn raadsman – verklaard de afstandsverklaring te zullen tekenen, waarna de raadsman nogmaals de voorwaarden met de verdachte heeft besproken. Vervolgens heeft de verdachte het proces-verbaal van verhoor ondertekend. Naar het oordeel van het hof is aldus niet aannemelijk geworden dat de verdachte onder (ongeoorloofde) druk is gezet.
Op pagina’s 273 en 274 van het dossier bevindt zich een document gedateerd 13 november 2024 en getiteld “Afstandsverklaring [verdachte] ex artikel 116 lid 2 Sv”. In dit document staat onder meer dat “ [verdachte] als verdachte de door het openbaar ministerie opgelegde strafbeschikking accepteert, met eveneens het gevolg dat [verdachte] hiertegen niet in verzet kan komen”. Tevens staat er dat de verdachte is gewezen op de rechtsgevolgen van de afstandsverklaring, dat hij daar vrijwillig en weloverwogen akkoord mee gaat en dat hij in de afstandsverklaring is bijgestaan door zijn raadsman. Het document is door de verdachte voor akkoord ondertekend. Naar het oordeel van het hof is dit document aan te merken als een rechtsgeldige afstandsverklaring zoals bedoeld in artikel 257e van het Wetboek van Strafvordering. De omstandigheid dat de afstandsverklaring een niet geheel juiste titel heeft, doet daaraan niet af, nu uit de inhoud van de afstandsverklaring de rechtsgevolgen daarvan ondubbelzinnig blijken.
Het hof zal de verdachte dan ook niet-ontvankelijk verklaren in het verzet tegen de strafbeschikking.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het verzet tegen de strafbeschikking van 13 november 2024 onder parketnummer 09-362280-24.
Dit arrest is gewezen door mr. B.W. Mulder, als voorzitter, en mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en mr. R.K. Pijpers, leden, in bijzijn van de griffier mr. G.E.C.M.I. Loef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 juli 2026.
mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en mr. G.E.C.M.I. Loef zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Parketnummer: 09-362280-24
Datum uitspraak: 13 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 18 maart 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen de aan hem uitgevaardigde strafbeschikking.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het verzet
Aan de verdachte is in deze zaak op 13 november 2024 een strafbeschikking uitgevaardigd. Namens de verdachte is daartegen op 20 november 2024 verzet ingesteld. Aan de orde is de vraag of de verdachte kan worden ontvangen in het verzet.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte ontvankelijk is in het verzet en heeft daartoe – samengevat – aangevoerd dat de verdachte tijdens zijn verhoor op 13 november 2024 door de politie onder ongeoorloofde druk is gezet tot het doen van afstand van het recht op verzet, alsmede dat de afstandsverklaring niet voldoet aan het bepaalde in artikel 257e van het Wetboek van Strafvordering, omdat deze niet schriftelijk is gedaan en deze niet in de aanwezigheid van een raadsman is ondertekend.
Het hof overweegt als volgt.
Tijdens het verhoor van de verdachte bij de politie op 13 november 2024 is aan de verdachte een strafbeschikking aangeboden. De (toenmalige) raadsman van de verdachte was telefonisch aanwezig. De verdachte heeft tijdens dit verhoor geweigerd in te stemmen met de aangeboden strafbeschikking. Na de beëindiging van het verhoor gaf de verdachte de verbalisanten te kennen dat hij hiervan wilde terugkomen. Hem is toen uitgelegd wat de rechtsgevolgen daarvan zouden zijn. De verbalisanten hebben de raadsman gebeld, hem de situatie uitgelegd en hem verzocht om fysiek aanwezig te zijn bij het hervatten van het verhoor. Vervolgens is het verhoor hervat in aanwezigheid van de raadsman. Tijdens het verhoor hebben de verbalisanten de voorwaarden van de strafbeschikking, waaronder het doen van afstand van het recht op verzet tegen de strafbeschikking, met de verdachte besproken. De verbalisanten hebben aan de verdachte gevraagd – in het bijzijn van zijn raadsman – of zij hem onder druk hebben gezet, waarop de verdachte heeft geantwoord: ‘nee’. Ook heeft de verdachte – na onderbreking van het verhoor voor overleg tussen de verdachte en zijn raadsman – verklaard de afstandsverklaring te zullen tekenen, waarna de raadsman nogmaals de voorwaarden met de verdachte heeft besproken. Vervolgens heeft de verdachte het proces-verbaal van verhoor ondertekend. Naar het oordeel van het hof is aldus niet aannemelijk geworden dat de verdachte onder (ongeoorloofde) druk is gezet.
Op pagina’s 273 en 274 van het dossier bevindt zich een document gedateerd 13 november 2024 en getiteld “Afstandsverklaring [verdachte] ex artikel 116 lid 2 Sv”. In dit document staat onder meer dat “ [verdachte] als verdachte de door het openbaar ministerie opgelegde strafbeschikking accepteert, met eveneens het gevolg dat [verdachte] hiertegen niet in verzet kan komen”. Tevens staat er dat de verdachte is gewezen op de rechtsgevolgen van de afstandsverklaring, dat hij daar vrijwillig en weloverwogen akkoord mee gaat en dat hij in de afstandsverklaring is bijgestaan door zijn raadsman. Het document is door de verdachte voor akkoord ondertekend. Naar het oordeel van het hof is dit document aan te merken als een rechtsgeldige afstandsverklaring zoals bedoeld in artikel 257e van het Wetboek van Strafvordering. De omstandigheid dat de afstandsverklaring een niet geheel juiste titel heeft, doet daaraan niet af, nu uit de inhoud van de afstandsverklaring de rechtsgevolgen daarvan ondubbelzinnig blijken.
Het hof zal de verdachte dan ook niet-ontvankelijk verklaren in het verzet tegen de strafbeschikking.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het verzet tegen de strafbeschikking van 13 november 2024 onder parketnummer 09-362280-24.
Dit arrest is gewezen door mr. B.W. Mulder, als voorzitter, en mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en mr. R.K. Pijpers, leden, in bijzijn van de griffier mr. G.E.C.M.I. Loef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 juli 2026.
mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en mr. G.E.C.M.I. Loef zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.