Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2347
2026-08-04
Civiel recht; Arbeidsrecht
200.350.005/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHDHA:2026:2347 → ECLI:NL:RBDHA:2024:15406 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- tussenuitspraak ECLI:NL:GHDHA:2026:2347 → ECLI:NL:GHDHA:2025:2411
Inhoudsindicatie
Deze zaak is een vervolg op hof Den Haag 25 november 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2411. Daarin heeft het hof de werkgever een bewijsopdracht gegeven met betrekking tot de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. Na bewijslevering komt het hof tot de slotsom dat het ontslag op staande voet alsnog rechtsgeldig moet worden geoordeeld en dat de beschikking van de kantonrechter – die geen getuigen had gehoord – niet in stand kan blijven.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2411 Gerechtshof Den Haag 25-11-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.216 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
zaaknummer: 200.350.005/01
zaaknummers rechtbank Den Haag: 11208956 \ RP VERZ 24-50414
11275829 \ RP VERZ 24-50473
beschikking van 4 augustus 2026
in de zaak van
1 [verzoeker] V.O.F.,
gevestigd te [plaats] ,
2. [verzoeker 2],
3. [verzoeker 3],
beiden wonende te [woonplaats] ,
verzoekers in principaal beroep,
verweerders in incidenteel beroep,
advocaat: mr. E.M. van der Niet, kantoorhoudend te Den Haag,
tegen
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in principaal beroep,
verzoeker in incidenteel beroep,
advocaat: mr. R.M. van der Zwan, kantoorhoudend te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk [verzoeker] c.s. (verzoekers in principaal beroep,
verweerders in incidenteel beroep gezamenlijk), [verzoeker] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verweerder] genoemd.
1De zaak in het kort
Deze zaak is een vervolg op hof Den Haag 25 november 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2411. Daarin heeft het hof de werkgever een bewijsopdracht gegeven met betrekking tot de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. Na bewijslevering komt het hof tot de slotsom dat het ontslag op staande voet alsnog rechtsgeldig moet worden geoordeeld en dat de beschikking van de kantonrechter – die geen getuigen had gehoord – niet in stand kan blijven.
2Procesverloop in hoger beroep
In deze zaak heeft het hof op 25 november 2025 een tussenbeschikking gegeven. Voor het procesverloop in hoger beroep tot die datum verwijst het hof naar die tussenbeschikking.
Ter uitvoering van die tussenbeschikking hebben getuigenverhoren plaatsgehad op 2 en 7 april 2026. De hiervan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich bij de stukken.
Na sluiting van de enquête en contra-enquête hebben partijen afgezien van het nemen van memories na enquête. Van de zijde van [verweerder] is beraad gevraagd voor het eventueel in het geding brengen van geluidsdragers. Daarvan is afgezien.
Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald.
3Verdere beoordeling van het hoger beroep
3.1.
Het hof verwijst naar en blijft bij de inhoud van zijn tussenbeschikking.
3.2.
Het hof heeft [verzoeker] c.s. daarbij toegelaten tot het bewijs van de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde dringende reden, bestaande uit het handelen van [verweerder] op 22 juni 2024 in de ijssalon en/of in de woning, zoals beschreven in de ontslagbrief.
3.3.
In de tussenbeschikking (onder 5.12) heeft het hof overwogen dat de bewijslast van de door [verweerder] gestelde mishandeling rust op [verweerder] . Het hof heeft daaraan het volgende toegevoegd: omdat deze stelling min of meer spiegelbeeldig is aan de bewijsopdracht aan [verzoeker] c.s., zal het hof aan [verweerder] niet een afzonderlijke bewijsopdracht geven. [verweerder] dient zich ervan bewust te zijn dat het hof het bewijs van de door hem gestelde mishandeling te zijner tijd zal beoordelen met inachtneming van deze bewijslastverdeling.
3.4.
Ter uitvoering van de bewijsopdracht zijn achtereenvolgens de volgende getuigen gehoord (hetzij op verzoek van [verzoeker] c.s. (de getuigen 1, 2 en 5 t/m 7), hetzij op verzoek van [verweerder] (de getuigen 4 en 8), hetzij op verzoek van beide partijen (de getuige 3):
[verzoeker 3]
[verzoeker 2]
[verweerder]
mevrouw [getuige 4]
de heer [getuige 5]
de heer [getuige 6]
de heer [getuige 7]
mevrouw [getuige 8] .
3.5.
Voor de inhoud van de afgelegde getuigenverklaringen verwijst het hof naar de desbetreffende processen-verbaal.
Het handelen van [verweerder] op 22 juni 2024 in de ijssalon
3.6.
Voor zover het ontslag is gebaseerd op het handelen van [verweerder] in de ijssalon op de bewuste dag, acht het hof [verzoeker] c.s. niet geslaagd in het bewijs.
3.7.
Uit de verschillende verklaringen komt naar voren dat [verzoeker 2] in de ijssalon een gesprek had met de vader en moeder (de getuige [getuige 4] ) van [verweerder] over contracten en over de huur van het boven de ijssalon gelegen appartement en dat [verweerder] en zijn partner (de getuige [getuige 8] ) daar vanaf zeker moment ook bij aanwezig waren. Op grond van die verklaringen kan worden aangenomen dat, te midden van klanten, de discussie gaandeweg verhit raakte en dat met stemverheffing werd gesproken, zodanig dat een van de personeelsleden aanleiding zag de noodknop te gebruiken om de beveiliging te waarschuwen. Dat [verweerder] [verzoeker 2] fysiek te lijf wilde gaan (vechten) en dreigde met de Siciliaanse maffia, vindt weliswaar steun in de verklaring van [verzoeker 2] zelf, maar niet in die van de andere getuigen, ook niet indien daarbij de door [verzoeker] c.s. overgelegde camerabeelden worden betrokken. Voor zover [verweerder] in de ijssalon heeft gescholden, namelijk door [verzoeker 2] “dief” te noemen, acht het hof deze uitlating in de gegeven omstandigheden van onvoldoende ernst om een ontslag op staande voet te kunnen dragen. [verzoeker] c.s. hebben bij beroepschrift (4.6.1) nog verwezen naar een bepaalde passage in een audio-opname, maar ook de daar genoemde uitlatingen leiden niet tot een andere beoordeling. Ook het feit dat de beveiliging is gewaarschuwd, is van onvoldoende betekenis. Het is immers evenzeer voorstelbaar dat de beveiliging werd gewaarschuwd om te voorkomen dat de situatie verder zou escaleren.
Het handelen van [verweerder] op 22 juni 2024 in het appartement
3.8.
Slechts drie personen kunnen uit eigen waarneming verklaren over hetgeen zich heeft voorgedaan in het appartement: [verzoeker 2] , [getuige 5] en [verweerder] . Dat er tussen hen is gevochten staat vast. Beoordeeld moet worden of het bewijs is geleverd dat, zoals [verzoeker] c.s. hebben gesteld, [verweerder] met de vechtpartij begon.
3.9.
[verzoeker 2] en [getuige 5] hebben verklaard dat zij samen naar het appartement boven de ijssalon zijn gegaan. De aanleiding daarvoor was volgens [getuige 5] dat [verweerder] aan het einde van de bijeenkomst in de ijssalon luid tegen hem had gezegd “Zie dat je zo snel mogelijk naar boven komt, want ik ga je spullen eruit gooien”. Het vervolg van hun verklaring over wat zich heeft voorgedaan in het appartement, komt neer op het volgende. Nadat zij de deur van het appartement hadden geopend, bleek dat [verweerder] daar was. [verweerder] wilde een vuistslag geven aan [getuige 5] , maar [verzoeker 2] voorkwam dat. Het werd een duwen en trekken naar en in de woonkamer waar geworsteld werd en waar alle drie bij betrokken waren. Op een gegeven moment ging [verweerder] naar de keuken om daar uit een lade een keukenmes te pakken. [verzoeker 2] heeft dat mes gezien. [getuige 5] niet, maar wist waar de messen lagen omdat hij daar woonde. Daar lag niet een messenslijper, die hadden ze niet. [verweerder] opende de lade met messen. Hij ( [getuige 5] ) heeft niet gewacht om te kijken, maar heeft wel het geluid gehoord van het snijgedeelte van een mes. [verzoeker 2] en [getuige 5] zijn toen snel naar de buitendeur gegaan en naar buiten gegaan. Terwijl [verweerder] de deur probeerde open te trekken, hielden [verzoeker 2] en [getuige 5] de deur aan de buitenkant vast. Met de telefoon van [getuige 5] hebben zij de politie gebeld.
3.10.
[verweerder] heeft het volgende, samengevat, verklaard. In de ijssalon, toen hij daar weg ging, heeft hij aan [getuige 5] gezegd “Je moet je spullen komen ophalen.” Hij is vanuit de ijssalon direct naar het appartement gegaan. Hij had een sleutel daarvan. Hij gooide de jassen die hij binnen aantrof naar buiten en begon de spullen in de woonkamer te verzamelen. Zijn vriendin kwam achter hem aan. Hij was boos maar zij heeft hem rustig gemaakt. Zij heeft hem gezegd dat hij de spullen maar weer binnen moest zetten. Dat heeft hij gedaan. Zijn ouders kwamen ook. Zijn vriendin heeft daar de slotenmaker gebeld. Zijn ouders en vriendin zijn weer weggegaan, dus hij was daar alleen om te wachten op de slotenmaker. Omstreeks 17.00 uur hoorde hij de deur opengaan en zag hij dat [verzoeker 2] en [getuige 5] binnenkwamen. [verzoeker 2] kwam gelijk op hem af, vroeg “wat doe je hier?” en gaf hem direct klappen. Ze zijn gevallen en hij zag overal bloed. Hij liep naar de keuken om iets te pakken om zich te verdedigen en zij gingen toen naar buiten. Hij heeft toen de deur van binnen afgesloten. Wat hij pakte in de keuken was niet een mes, maar een messenslijper. Hij heeft [verzoeker 2] en [getuige 5] geen van beiden aangevallen. Ze kwamen allebei op hem af. [verzoeker 2] voorop en [getuige 5] kwam er achteraan. Hij heeft ze allebei vastgepakt en ze vielen op de grond. Sinds het gebeurde op 22 juni 2024 heeft hij [getuige 5] een paar keer gesproken en verder hebben zij wel 50 berichten uitgewisseld via Messenger. [getuige 5] heeft daarin gezegd dat hij een video had gemaakt in de woning op 22 juni 2024 en dat daarop is te zien dat [verzoeker 2] hem aanviel en in meerdere berichten heeft [getuige 5] gezegd dat [verzoeker 2] als eerste met het gevecht begon en niet [verweerder] .
3.11.
De getuigen [verzoeker 2] en [getuige 5] hebben op de wezenlijke punten in deze zaak op het hof een betrouwbare en overtuigende indruk gemaakt, terwijl hun verklaringen elkaar aanvullen en versterken. Bij de waardering van de verklaring van [getuige 5] weegt nog mee dat van hem (ook) een schriftelijke verklaring voorhanden is. [getuige 5] heeft daarover verklaard dat hij deze uit eigen beweging heeft opgesteld, naar zijn schatting één of twee à drie weken na het voorval. Hij heeft ook verklaard waarom hij destijds die verklaring had opgesteld: hij dacht nog dat hij erbij betrokken was, hij had immers ook aangifte gedaan bij de politie en hij dacht dus dat het handig was. Deze schriftelijke verklaring van [getuige 5] strookt in grote lijnen met zijn getuigenverklaring. Als getuige heeft [getuige 5] verklaard dat hij de schriftelijke verklaring naar waarheid had opgeschreven.
3.12.
Bij verweerschrift in hoger beroep heeft [verweerder] opgemerkt:
“Overigens beschikt [verweerder] nog over een geluidsopname van [getuige 5] , die in een gesprek met [verweerder] ook uitdrukkelijk aangeeft en toegeeft dat het de heer [verzoeker 2] was die bij binnenkomst in de woning direct op [verweerder] is afgestormd en gesprongen en het vechten is begonnen. De heer [getuige 5] heeft daarbij nog geprobeerd om de heer [verzoeker 2] tot rust te manen. (…) De geluidsopname zal tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ook ten gehore worden gebracht.”
3.13.
De door [verweerder] genoemde geluidsopname van een telefoongesprek tussen hem en [getuige 5] is ook bij de mondelinge behandeling in hoger beroep aan de orde geweest, maar er is geen geluidsopname ten gehore gebracht. Daar is door partijen gesproken over de authenticiteit van de gestelde opname en de mogelijkheid deze te laten onderzoeken door een deskundige.
3.14.
[getuige 5] heeft naar aanleiding van de genoemde geluidsopname het volgende, samengevat, verklaard. Nadat hij ( [getuige 5] ) uit Nederland was vertrokken, bleef [verweerder] hem lastig vallen met tekstberichten en voice-berichten. Het kwam erop neer dat [getuige 5] moest zeggen dat [verzoeker 2] was begonnen en dat [verweerder] hem met rust zou laten als [getuige 5] dat zou zeggen. [getuige 5] heeft een aantal keren laten weten met rust gelaten te willen worden, maar [verweerder] bleef maar bellen en aandringen. [verweerder] zei dat [verzoeker 2] € 100.000,- schadevergoeding van hem ( [verweerder] ) wilde hebben en als [getuige 5] nu maar zou zeggen dat [verzoeker 2] was begonnen, hij ( [verweerder] ) daarvan af zou zijn. Toen heeft [verweerder] een gesproken bericht gestuurd, maar [getuige 5] betwijfelt of het een origineel bericht was. Volgens hem was het knip- en plakwerk. Er is geen gesproken bericht waarin hij heeft gezegd dat het [verzoeker 2] was. Op een gegeven moment kreeg hij een geluidsbestand waarin je stemmen hoort met kleine pauzetjes ertussendoor en waarin je hoort “Hij was het”.
3.15.
Zoals eerder vermeld, hebben partijen na sluiting van de enquête en contra-enquête afgezien van het nemen van memories na enquête, is van de zijde van [verweerder] beraad gevraagd voor het eventueel nog in het geding brengen van nadere geluidsdragers en is daarvan afgezien.
3.16.
Als het [verweerder] ernst is met zijn stelling dat [getuige 5] in een gesprek met hem “uitdrukkelijk aangeeft en toegeeft dat het de heer [verzoeker 2] was die bij binnenkomst in de woning direct op [verweerder] is afgestormd en gesprongen en het vechten is begonnen” en [verweerder] beschikt over een geluidsopname van dat gesprek, is niet goed te begrijpen waarom [verweerder] deze opname niet in het geding heeft gebracht, zoals hij na afloop van het getuigenverhoor wel heeft geopperd maar (zonder toelichting) niet heeft gedaan. Dat wekt des te meer verbazing tegen de achtergrond van de getuigenverklaring van [getuige 5] op dit punt en de opmerkingen van de zijde van [verzoeker] c.s. bij de mondelinge behandeling in hoger beroep over de gestelde opname (in het bijzonder de wens van [verzoeker] c.s. in de gelegenheid te worden gesteld te bewijzen dat de opname is gemanipuleerd).
3.17.
Het hof moet hieruit afleiden dat [verweerder] het niet heeft aangedurfd deze geluidsopname in het geding te brengen en daarmee mogelijk ter beschikking te stellen voor nader onderzoek naar de authenticiteit ervan en trekt de conclusie dat de uitlatingen door en van de zijde van [verweerder] over het beweerde telefoongesprek met [getuige 5] niet juist zijn.
3.18.
In het proces-verbaal van het getuigenverhoor van de getuige [getuige 6] is onder meer het volgende opgenomen:
“U zegt mij dat de advocaat van [verzoeker 2] [ [verzoeker 2] , hof] daarnet zei dat zij heeft gezien dat [verweerder] mij op de gang aansprak en dat hij over geluidsfragmenten sprak. Het klopt dat ik daarnet door [verweerder] ben aangesproken. Hij zei me dat als ik wilde, hij me de geluidsbestanden zou geven om de waarheid te vertellen. Ik heb daarop niet gereageerd en dat was ook het einde van het gesprek. Ik heb dus geen bestanden gehoord of gezien.”
Het hof heeft geen reden om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen. Het komt de geloofwaardigheid van [verweerder] niet ten goede dat hij aldus heeft geprobeerd een getuige te beïnvloeden.
3.19.
De voorgaande overwegingen doen in ernstige mate afbreuk aan de geloofwaardigheid van [verweerder] .
3.20.
[verweerder] heeft erop gewezen dat zijn gezicht onder het bloed zat na afloop van de vechtpartij in het appartement. Hij heeft daarbij de vraag opgeworpen “Hoe is [verweerder] dan aan zijn verwondingen gekomen”. Dat er een vechtpartij is geweest, staat vast, zoals eerder overwogen. Uit de verwondingen van [verweerder] kan niet worden afgeleid wie de aanstichter daarvan is geweest. Overigens valt uit het proces-verbaal van de politie van het verhoor van [verzoeker 2] op te maken dat ook [verzoeker 2] letsel had opgelopen.
3.21.
[verweerder] heeft er ook op gewezen dat het [verzoeker 2] en [getuige 5] zijn geweest die zijn aangehouden door de politie en niet hij. Als getuige heeft hij verklaard dat de politie [verzoeker 2] en [getuige 5] heeft gearresteerd en dat de politie niet dom is. Ook deze omstandigheid acht het hof van onvoldoende betekenis. Welke omstandigheden de politie er op dat moment toe hebben gebracht [verzoeker 2] en [getuige 5] als verdachten aan te houden en niet [verweerder] , is niet bekend. [verweerder] en [getuige 8] hebben als getuige nog verklaard dat de politie in het appartement geen mes heeft gevonden. Dat blijkt echter uit niets en het hof acht het ook onaannemelijk dat in een bewoond appartement in een keukenlade niet een mes ligt, al was het maar omdat er volgens de eigen stelling van [verweerder] wel een messenslijper lag.
3.22.
[verweerder] heeft aangevoerd dat [verzoeker 2] en [getuige 5] de mogelijkheid hebben gehad hun verklaringen op elkaar af te stemmen. In eerste aanleg heeft hij naar voren gebracht dat zij als verdachten zijn afgevoerd en samen in een ruimte zijn ondergebracht aangezien het geruime tijd duurde voordat zij gehoord werden. Volgens [verzoeker] c.s. was het uiteraard niet zo dat de politie [verzoeker 2] en [getuige 5] in dezelfde ruimte vasthield. Ter zitting van de kantonrechter heeft [verweerder] volhard in zijn bewering dat zij in de wachtruimte het verhaal op elkaar hebben afgestemd, maar niet toegelicht waarop deze bewering rustte. Het hof acht het niet aannemelijk. In hoger beroep heeft [verweerder] aangevoerd dat toen de politie ter plaatse kwam, de agenten eerst met hem hebben gesproken en dat hij kon zien dat [getuige 5] en [verzoeker 2] toen bij elkaar stonden en de mogelijkheid hadden om te overleggen en hun verklaringen op elkaar af te stemmen. Het hof heeft daarvoor geen aanwijzingen in de stukken gevonden. Vastgesteld kan worden dat [verweerder] hierover als getuige niets heeft verklaard en dat de getuige [getuige 4] (de moeder van [verweerder] ) als getuige heeft verklaard “ [verzoeker 2] stond bij die branddeur en [getuige 5] ( [getuige 5] , hof) stond wat verderop. Ze waren uit elkaar gehaald door de politie”. De getuige [getuige 8] heeft verklaard dat zij na haar aankomst [getuige 5] en [verzoeker 2] zag met twee politieagenten en aan het einde van de gang naar het appartement [verweerder] met politie. Er bestaat, kortom, geen goede grond de verklaringen van [verzoeker 2] en [getuige 5] ‘besmet’ te achten door onderlinge afstemming.
3.23.
[verweerder] heeft als getuige verklaard dat hij het was die toen de deur heeft afgesloten in het appartement, omdat hij bang was voor [verzoeker 2] en [getuige 5] , en niet andersom. Het hof ziet hierin niet een argument vóór de lezing van [verweerder] van de gebeurtenissen in het appartement. Daartegenover staat immers dat, toen [verzoeker 2] en [getuige 5] buiten stonden, zij wilden voorkomen dat [verweerder] naar buiten zou komen door de deur aan de buitenzijde vast te houden. Niet alleen [verzoeker 2] en [getuige 5] hebben dat verklaard, maar ook de getuige [getuige 4] . Zij heeft daarbij ook verklaard dat [verzoeker 2] zei dat haar zoon in het appartement was met een groot mes.
3.24.
De getuigen [getuige 4] en [getuige 8] hebben verklaard dat [verweerder] een bericht had gestuurd met foto (“Ze zijn naar boven gekomen en hebben mij aangevallen”) respectievelijk had gebeld met beeldbellen met de mededeling dat hij was aangevallen door [getuige 5] en [verzoeker 2] . Hierover merkt het hof op dat de bron van deze informatie [verweerder] zelf was. Dat relativeert de bewijswaarde van deze verklaringen op dit punt.
3.25.
Alles overziende, acht het hof [verzoeker] c.s. op grond van de voorgaande overwegingen geslaagd in het bewijs ten aanzien van de gebeurtenissen in het appartement.
3.26.
Dat betekent dat het hof, anders dan de kantonrechter, het bewijs van de dringende reden die aan het ontslag ten grondslag is gelegd in zoverre geleverd oordeelt. Bij tussenbeschikking heeft het hof reeds overwogen dat het ontslag onverwijld is gegeven.
3.27.
De ernst van het handelen van [verweerder] in het appartement tegenover zowel [verzoeker 2] als [getuige 5] rechtvaardigt het gegeven ontslag op staande voet. Voor zover [verweerder] heeft bedoeld ook ten aanzien van het handelen in het appartement aan te voeren dat hij slechts als mede-eigenaar en verkoper van de woning en de onderneming is opgetreden en [verzoeker] c.s. slechts als kopers, verwerpt het hof dat standpunt. Het is evident dat dit handelen de arbeidsverhouding tussen partijen heeft geraakt.
3.28.
Het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is geweest, kan daarom geen standhouden.
3.29.
Het door de kantonrechter toegewezen verzoek tot betaling van een billijke vergoeding (toegewezen tot € 4.000,- netto) met wettelijke rente moet alsnog worden afgewezen.
3.30.
Het verzoek van [verzoeker] c.s. om een gefixeerde schadevergoeding van € 2.818,80 netto met wettelijke rente zal alsnog worden toegewezen.
3.31.
Bij tussenbeschikking heeft het hof reeds overwogen dat het verzoek van [verweerder] wegens advocaatkosten (toegewezen tot € 2.117,50 inclusief btw) alsnog moet worden afgewezen.
3.32.
In incidenteel beroep heeft [verweerder] verzocht hem alsnog een billijke vergoeding toe te kennen van € 12.500,- bruto omdat hij van mening is dat de kantonrechter bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding ten onrechte niet heeft laten meewegen dat [verzoeker 2] hem in de woning heeft mishandeld. Zoals het hof bij tussenbeschikking heeft overwogen, rust de bewijslast hier op [verweerder] . In de voorgaande overwegingen ligt besloten dat [verweerder] dat bewijs niet heeft geleverd. Het incidentele beroep heeft dus geen succes.
Slotsom en kosten
3.33.
Grief 2 is gegrond voor zover [verzoeker] c.s. daarin betogen dat het voorval in de woning een dringende reden oplevert, maar ongegrond voor zover zij daarin betogen dat het voorval in de ijssalon een dringende reden oplevert. Bij bespreking van grief 1 bestaat onvoldoende belang. Grief 3 slaagt omdat het hof niet alleen het verzoek van [verweerder] wegens advocaatkosten niet toewijsbaar heeft geoordeeld, maar ook anders zal beslissen over de proceskosten. Omdat [verweerder] in het ongelijk wordt gesteld, zal hij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. Wegens de samenhang tussen de zaken in eerste aanleg met de afzonderlijke zaaknummers 11208956 \ RP VERZ 24-50414 en 11275829 \ RP VERZ 24-50473 zal het hof in de zaak met het laatstgenoemde zaaknummer niet een afzonderlijke kostenveroordeling ter zake van salaris advocaat uitspreken maar uitsluitend ter zake van griffierecht. Ter wille van de overzichtelijkheid zal het hof de beschikking van de kantonrechter geheel vernietigen en voor het dictum van de kantonrechter een nieuw dictum in de plaats stellen. Wat de veroordeling door de kantonrechter tot het verstrekken van een eindafrekening betreft, geldt het volgende. Voor zover deze veroordeling betrekking heeft op de bedragen van € 4.000,- wegens billijke vergoeding en € 2.117,50 wegens advocaatkosten, moet deze alsnog worden afgewezen. Voor zover deze veroordeling betrekking heeft op het bedrag van € 3.428,- netto wegens achterstallig salaris (met wettelijke rente en wettelijke verhoging), is deze niet aan het oordeel van het hof onderworpen. Deze veroordeling zal daarom hierna worden herhaald, hoewel het hof heeft begrepen dat [verzoeker] c.s. daaraan reeds hebben voldaan. Het hof ziet daarin aanleiding de door de kantonrechter opgelegde dwangsom alsnog geheel af te wijzen. Wat het petitum in het beroepschrift onder II betreft, geldt het volgende. [verzoeker] c.s. verzoeken terugbetaling van twee bedragen (bruto-equivalent van € 4.000,- netto en € 2.117,50). Het hof leest de daarin eveneens verzochte wettelijke rente als begrepen in het verzoek tot terugbetaling, derhalve als de wettelijke rente die [verzoeker] c.s. ter uitvoering van de beschikking van de kantonrechter hebben betaald aan [verweerder] . Voor zover [verzoeker] c.s. hebben bedoeld ook wettelijke rente te verzoeken over de door [verweerder] terug te betalen bedragen, hebben zij dat niet met voldoende duidelijkheid geformuleerd.
3.34.
De proceskosten in eerste aanleg in de zaak met zaaknummer 11275829 \ RP VERZ 24-50473 worden begroot op € 496,- (griffierecht naar tarief 2024).
3.35.
De proceskosten in eerste aanleg in de zaak met zaaknummer 11208956 \ RP VERZ 24-50414 worden begroot op € 812,- (salaris advocaat).
3.36.
De proceskosten in principaal beroep worden begroot op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 2.736,- (3 punten × tarief I)
getuigentaxe € 1.400,- (2 x € 700,-)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 5.152,-.
3.37.
De proceskosten in incidenteel beroep worden begroot op:
salaris advocaat € 456,- (1 punt × tarief I x 1/2).
6Beslissing
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking;
opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] c.s. van een bedrag van € 2.818,80 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening;
verklaart [verweerder] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot de gefixeerde schadevergoeding;
veroordeelt [verzoeker] c.s. hoofdelijk om aan [verweerder] te betalen € 3.428,- netto (achterstallig salaris), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf opeisbaarheid van de respectieve maandsalarissen tot de dag dat alles is voldaan en vermeerderd met 15% wettelijke verhoging;
veroordeelt [verzoeker] c.s. hoofdelijk om aan [verweerder] binnen een maand na de datum van de beschikking van de kantonrechter een eindafrekening te verstrekken ter zake van de betaling wegens achterstallig salaris;
veroordeelt [verweerder] tot terugbetaling binnen twee weken na vandaag aan [verzoeker] c.s. van de ter uitvoering van de bestreden beschikking betaalde bedragen van het bruto-equivalent van € 4.000,- netto en € 2.117,50 (inclusief btw), en de daarover door [verzoeker] c.s. betaalde wettelijke rente;
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten in eerste aanleg en begroot deze aan de zijde van [verzoeker] c.s. op € 1.308,-;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het hoger beroep (zowel in principaal als in incidenteel beroep) en begroot deze aan de zijde van [verzoeker] c.s. op € 5.608,-, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris in geval van betekening van deze beschikking;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.F. Thiessen, C.A. Joustra en M.T. Nijhuis, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Civiel recht
Team Handel
zaaknummer: 200.350.005/01
zaaknummers rechtbank Den Haag: 11208956 \ RP VERZ 24-50414
11275829 \ RP VERZ 24-50473
beschikking van 4 augustus 2026
in de zaak van
1 [verzoeker] V.O.F.,
gevestigd te [plaats] ,
2. [verzoeker 2],
3. [verzoeker 3],
beiden wonende te [woonplaats] ,
verzoekers in principaal beroep,
verweerders in incidenteel beroep,
advocaat: mr. E.M. van der Niet, kantoorhoudend te Den Haag,
tegen
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in principaal beroep,
verzoeker in incidenteel beroep,
advocaat: mr. R.M. van der Zwan, kantoorhoudend te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk [verzoeker] c.s. (verzoekers in principaal beroep,
verweerders in incidenteel beroep gezamenlijk), [verzoeker] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verweerder] genoemd.
1De zaak in het kort
Deze zaak is een vervolg op hof Den Haag 25 november 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2411. Daarin heeft het hof de werkgever een bewijsopdracht gegeven met betrekking tot de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. Na bewijslevering komt het hof tot de slotsom dat het ontslag op staande voet alsnog rechtsgeldig moet worden geoordeeld en dat de beschikking van de kantonrechter – die geen getuigen had gehoord – niet in stand kan blijven.
2Procesverloop in hoger beroep
In deze zaak heeft het hof op 25 november 2025 een tussenbeschikking gegeven. Voor het procesverloop in hoger beroep tot die datum verwijst het hof naar die tussenbeschikking.
Ter uitvoering van die tussenbeschikking hebben getuigenverhoren plaatsgehad op 2 en 7 april 2026. De hiervan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich bij de stukken.
Na sluiting van de enquête en contra-enquête hebben partijen afgezien van het nemen van memories na enquête. Van de zijde van [verweerder] is beraad gevraagd voor het eventueel in het geding brengen van geluidsdragers. Daarvan is afgezien.
Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald.
3Verdere beoordeling van het hoger beroep
3.1.
Het hof verwijst naar en blijft bij de inhoud van zijn tussenbeschikking.
3.2.
Het hof heeft [verzoeker] c.s. daarbij toegelaten tot het bewijs van de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde dringende reden, bestaande uit het handelen van [verweerder] op 22 juni 2024 in de ijssalon en/of in de woning, zoals beschreven in de ontslagbrief.
3.3.
In de tussenbeschikking (onder 5.12) heeft het hof overwogen dat de bewijslast van de door [verweerder] gestelde mishandeling rust op [verweerder] . Het hof heeft daaraan het volgende toegevoegd: omdat deze stelling min of meer spiegelbeeldig is aan de bewijsopdracht aan [verzoeker] c.s., zal het hof aan [verweerder] niet een afzonderlijke bewijsopdracht geven. [verweerder] dient zich ervan bewust te zijn dat het hof het bewijs van de door hem gestelde mishandeling te zijner tijd zal beoordelen met inachtneming van deze bewijslastverdeling.
3.4.
Ter uitvoering van de bewijsopdracht zijn achtereenvolgens de volgende getuigen gehoord (hetzij op verzoek van [verzoeker] c.s. (de getuigen 1, 2 en 5 t/m 7), hetzij op verzoek van [verweerder] (de getuigen 4 en 8), hetzij op verzoek van beide partijen (de getuige 3):
[verzoeker 3]
[verzoeker 2]
[verweerder]
mevrouw [getuige 4]
de heer [getuige 5]
de heer [getuige 6]
de heer [getuige 7]
mevrouw [getuige 8] .
3.5.
Voor de inhoud van de afgelegde getuigenverklaringen verwijst het hof naar de desbetreffende processen-verbaal.
Het handelen van [verweerder] op 22 juni 2024 in de ijssalon
3.6.
Voor zover het ontslag is gebaseerd op het handelen van [verweerder] in de ijssalon op de bewuste dag, acht het hof [verzoeker] c.s. niet geslaagd in het bewijs.
3.7.
Uit de verschillende verklaringen komt naar voren dat [verzoeker 2] in de ijssalon een gesprek had met de vader en moeder (de getuige [getuige 4] ) van [verweerder] over contracten en over de huur van het boven de ijssalon gelegen appartement en dat [verweerder] en zijn partner (de getuige [getuige 8] ) daar vanaf zeker moment ook bij aanwezig waren. Op grond van die verklaringen kan worden aangenomen dat, te midden van klanten, de discussie gaandeweg verhit raakte en dat met stemverheffing werd gesproken, zodanig dat een van de personeelsleden aanleiding zag de noodknop te gebruiken om de beveiliging te waarschuwen. Dat [verweerder] [verzoeker 2] fysiek te lijf wilde gaan (vechten) en dreigde met de Siciliaanse maffia, vindt weliswaar steun in de verklaring van [verzoeker 2] zelf, maar niet in die van de andere getuigen, ook niet indien daarbij de door [verzoeker] c.s. overgelegde camerabeelden worden betrokken. Voor zover [verweerder] in de ijssalon heeft gescholden, namelijk door [verzoeker 2] “dief” te noemen, acht het hof deze uitlating in de gegeven omstandigheden van onvoldoende ernst om een ontslag op staande voet te kunnen dragen. [verzoeker] c.s. hebben bij beroepschrift (4.6.1) nog verwezen naar een bepaalde passage in een audio-opname, maar ook de daar genoemde uitlatingen leiden niet tot een andere beoordeling. Ook het feit dat de beveiliging is gewaarschuwd, is van onvoldoende betekenis. Het is immers evenzeer voorstelbaar dat de beveiliging werd gewaarschuwd om te voorkomen dat de situatie verder zou escaleren.
Het handelen van [verweerder] op 22 juni 2024 in het appartement
3.8.
Slechts drie personen kunnen uit eigen waarneming verklaren over hetgeen zich heeft voorgedaan in het appartement: [verzoeker 2] , [getuige 5] en [verweerder] . Dat er tussen hen is gevochten staat vast. Beoordeeld moet worden of het bewijs is geleverd dat, zoals [verzoeker] c.s. hebben gesteld, [verweerder] met de vechtpartij begon.
3.9.
[verzoeker 2] en [getuige 5] hebben verklaard dat zij samen naar het appartement boven de ijssalon zijn gegaan. De aanleiding daarvoor was volgens [getuige 5] dat [verweerder] aan het einde van de bijeenkomst in de ijssalon luid tegen hem had gezegd “Zie dat je zo snel mogelijk naar boven komt, want ik ga je spullen eruit gooien”. Het vervolg van hun verklaring over wat zich heeft voorgedaan in het appartement, komt neer op het volgende. Nadat zij de deur van het appartement hadden geopend, bleek dat [verweerder] daar was. [verweerder] wilde een vuistslag geven aan [getuige 5] , maar [verzoeker 2] voorkwam dat. Het werd een duwen en trekken naar en in de woonkamer waar geworsteld werd en waar alle drie bij betrokken waren. Op een gegeven moment ging [verweerder] naar de keuken om daar uit een lade een keukenmes te pakken. [verzoeker 2] heeft dat mes gezien. [getuige 5] niet, maar wist waar de messen lagen omdat hij daar woonde. Daar lag niet een messenslijper, die hadden ze niet. [verweerder] opende de lade met messen. Hij ( [getuige 5] ) heeft niet gewacht om te kijken, maar heeft wel het geluid gehoord van het snijgedeelte van een mes. [verzoeker 2] en [getuige 5] zijn toen snel naar de buitendeur gegaan en naar buiten gegaan. Terwijl [verweerder] de deur probeerde open te trekken, hielden [verzoeker 2] en [getuige 5] de deur aan de buitenkant vast. Met de telefoon van [getuige 5] hebben zij de politie gebeld.
3.10.
[verweerder] heeft het volgende, samengevat, verklaard. In de ijssalon, toen hij daar weg ging, heeft hij aan [getuige 5] gezegd “Je moet je spullen komen ophalen.” Hij is vanuit de ijssalon direct naar het appartement gegaan. Hij had een sleutel daarvan. Hij gooide de jassen die hij binnen aantrof naar buiten en begon de spullen in de woonkamer te verzamelen. Zijn vriendin kwam achter hem aan. Hij was boos maar zij heeft hem rustig gemaakt. Zij heeft hem gezegd dat hij de spullen maar weer binnen moest zetten. Dat heeft hij gedaan. Zijn ouders kwamen ook. Zijn vriendin heeft daar de slotenmaker gebeld. Zijn ouders en vriendin zijn weer weggegaan, dus hij was daar alleen om te wachten op de slotenmaker. Omstreeks 17.00 uur hoorde hij de deur opengaan en zag hij dat [verzoeker 2] en [getuige 5] binnenkwamen. [verzoeker 2] kwam gelijk op hem af, vroeg “wat doe je hier?” en gaf hem direct klappen. Ze zijn gevallen en hij zag overal bloed. Hij liep naar de keuken om iets te pakken om zich te verdedigen en zij gingen toen naar buiten. Hij heeft toen de deur van binnen afgesloten. Wat hij pakte in de keuken was niet een mes, maar een messenslijper. Hij heeft [verzoeker 2] en [getuige 5] geen van beiden aangevallen. Ze kwamen allebei op hem af. [verzoeker 2] voorop en [getuige 5] kwam er achteraan. Hij heeft ze allebei vastgepakt en ze vielen op de grond. Sinds het gebeurde op 22 juni 2024 heeft hij [getuige 5] een paar keer gesproken en verder hebben zij wel 50 berichten uitgewisseld via Messenger. [getuige 5] heeft daarin gezegd dat hij een video had gemaakt in de woning op 22 juni 2024 en dat daarop is te zien dat [verzoeker 2] hem aanviel en in meerdere berichten heeft [getuige 5] gezegd dat [verzoeker 2] als eerste met het gevecht begon en niet [verweerder] .
3.11.
De getuigen [verzoeker 2] en [getuige 5] hebben op de wezenlijke punten in deze zaak op het hof een betrouwbare en overtuigende indruk gemaakt, terwijl hun verklaringen elkaar aanvullen en versterken. Bij de waardering van de verklaring van [getuige 5] weegt nog mee dat van hem (ook) een schriftelijke verklaring voorhanden is. [getuige 5] heeft daarover verklaard dat hij deze uit eigen beweging heeft opgesteld, naar zijn schatting één of twee à drie weken na het voorval. Hij heeft ook verklaard waarom hij destijds die verklaring had opgesteld: hij dacht nog dat hij erbij betrokken was, hij had immers ook aangifte gedaan bij de politie en hij dacht dus dat het handig was. Deze schriftelijke verklaring van [getuige 5] strookt in grote lijnen met zijn getuigenverklaring. Als getuige heeft [getuige 5] verklaard dat hij de schriftelijke verklaring naar waarheid had opgeschreven.
3.12.
Bij verweerschrift in hoger beroep heeft [verweerder] opgemerkt:
“Overigens beschikt [verweerder] nog over een geluidsopname van [getuige 5] , die in een gesprek met [verweerder] ook uitdrukkelijk aangeeft en toegeeft dat het de heer [verzoeker 2] was die bij binnenkomst in de woning direct op [verweerder] is afgestormd en gesprongen en het vechten is begonnen. De heer [getuige 5] heeft daarbij nog geprobeerd om de heer [verzoeker 2] tot rust te manen. (…) De geluidsopname zal tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ook ten gehore worden gebracht.”
3.13.
De door [verweerder] genoemde geluidsopname van een telefoongesprek tussen hem en [getuige 5] is ook bij de mondelinge behandeling in hoger beroep aan de orde geweest, maar er is geen geluidsopname ten gehore gebracht. Daar is door partijen gesproken over de authenticiteit van de gestelde opname en de mogelijkheid deze te laten onderzoeken door een deskundige.
3.14.
[getuige 5] heeft naar aanleiding van de genoemde geluidsopname het volgende, samengevat, verklaard. Nadat hij ( [getuige 5] ) uit Nederland was vertrokken, bleef [verweerder] hem lastig vallen met tekstberichten en voice-berichten. Het kwam erop neer dat [getuige 5] moest zeggen dat [verzoeker 2] was begonnen en dat [verweerder] hem met rust zou laten als [getuige 5] dat zou zeggen. [getuige 5] heeft een aantal keren laten weten met rust gelaten te willen worden, maar [verweerder] bleef maar bellen en aandringen. [verweerder] zei dat [verzoeker 2] € 100.000,- schadevergoeding van hem ( [verweerder] ) wilde hebben en als [getuige 5] nu maar zou zeggen dat [verzoeker 2] was begonnen, hij ( [verweerder] ) daarvan af zou zijn. Toen heeft [verweerder] een gesproken bericht gestuurd, maar [getuige 5] betwijfelt of het een origineel bericht was. Volgens hem was het knip- en plakwerk. Er is geen gesproken bericht waarin hij heeft gezegd dat het [verzoeker 2] was. Op een gegeven moment kreeg hij een geluidsbestand waarin je stemmen hoort met kleine pauzetjes ertussendoor en waarin je hoort “Hij was het”.
3.15.
Zoals eerder vermeld, hebben partijen na sluiting van de enquête en contra-enquête afgezien van het nemen van memories na enquête, is van de zijde van [verweerder] beraad gevraagd voor het eventueel nog in het geding brengen van nadere geluidsdragers en is daarvan afgezien.
3.16.
Als het [verweerder] ernst is met zijn stelling dat [getuige 5] in een gesprek met hem “uitdrukkelijk aangeeft en toegeeft dat het de heer [verzoeker 2] was die bij binnenkomst in de woning direct op [verweerder] is afgestormd en gesprongen en het vechten is begonnen” en [verweerder] beschikt over een geluidsopname van dat gesprek, is niet goed te begrijpen waarom [verweerder] deze opname niet in het geding heeft gebracht, zoals hij na afloop van het getuigenverhoor wel heeft geopperd maar (zonder toelichting) niet heeft gedaan. Dat wekt des te meer verbazing tegen de achtergrond van de getuigenverklaring van [getuige 5] op dit punt en de opmerkingen van de zijde van [verzoeker] c.s. bij de mondelinge behandeling in hoger beroep over de gestelde opname (in het bijzonder de wens van [verzoeker] c.s. in de gelegenheid te worden gesteld te bewijzen dat de opname is gemanipuleerd).
3.17.
Het hof moet hieruit afleiden dat [verweerder] het niet heeft aangedurfd deze geluidsopname in het geding te brengen en daarmee mogelijk ter beschikking te stellen voor nader onderzoek naar de authenticiteit ervan en trekt de conclusie dat de uitlatingen door en van de zijde van [verweerder] over het beweerde telefoongesprek met [getuige 5] niet juist zijn.
3.18.
In het proces-verbaal van het getuigenverhoor van de getuige [getuige 6] is onder meer het volgende opgenomen:
“U zegt mij dat de advocaat van [verzoeker 2] [ [verzoeker 2] , hof] daarnet zei dat zij heeft gezien dat [verweerder] mij op de gang aansprak en dat hij over geluidsfragmenten sprak. Het klopt dat ik daarnet door [verweerder] ben aangesproken. Hij zei me dat als ik wilde, hij me de geluidsbestanden zou geven om de waarheid te vertellen. Ik heb daarop niet gereageerd en dat was ook het einde van het gesprek. Ik heb dus geen bestanden gehoord of gezien.”
Het hof heeft geen reden om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen. Het komt de geloofwaardigheid van [verweerder] niet ten goede dat hij aldus heeft geprobeerd een getuige te beïnvloeden.
3.19.
De voorgaande overwegingen doen in ernstige mate afbreuk aan de geloofwaardigheid van [verweerder] .
3.20.
[verweerder] heeft erop gewezen dat zijn gezicht onder het bloed zat na afloop van de vechtpartij in het appartement. Hij heeft daarbij de vraag opgeworpen “Hoe is [verweerder] dan aan zijn verwondingen gekomen”. Dat er een vechtpartij is geweest, staat vast, zoals eerder overwogen. Uit de verwondingen van [verweerder] kan niet worden afgeleid wie de aanstichter daarvan is geweest. Overigens valt uit het proces-verbaal van de politie van het verhoor van [verzoeker 2] op te maken dat ook [verzoeker 2] letsel had opgelopen.
3.21.
[verweerder] heeft er ook op gewezen dat het [verzoeker 2] en [getuige 5] zijn geweest die zijn aangehouden door de politie en niet hij. Als getuige heeft hij verklaard dat de politie [verzoeker 2] en [getuige 5] heeft gearresteerd en dat de politie niet dom is. Ook deze omstandigheid acht het hof van onvoldoende betekenis. Welke omstandigheden de politie er op dat moment toe hebben gebracht [verzoeker 2] en [getuige 5] als verdachten aan te houden en niet [verweerder] , is niet bekend. [verweerder] en [getuige 8] hebben als getuige nog verklaard dat de politie in het appartement geen mes heeft gevonden. Dat blijkt echter uit niets en het hof acht het ook onaannemelijk dat in een bewoond appartement in een keukenlade niet een mes ligt, al was het maar omdat er volgens de eigen stelling van [verweerder] wel een messenslijper lag.
3.22.
[verweerder] heeft aangevoerd dat [verzoeker 2] en [getuige 5] de mogelijkheid hebben gehad hun verklaringen op elkaar af te stemmen. In eerste aanleg heeft hij naar voren gebracht dat zij als verdachten zijn afgevoerd en samen in een ruimte zijn ondergebracht aangezien het geruime tijd duurde voordat zij gehoord werden. Volgens [verzoeker] c.s. was het uiteraard niet zo dat de politie [verzoeker 2] en [getuige 5] in dezelfde ruimte vasthield. Ter zitting van de kantonrechter heeft [verweerder] volhard in zijn bewering dat zij in de wachtruimte het verhaal op elkaar hebben afgestemd, maar niet toegelicht waarop deze bewering rustte. Het hof acht het niet aannemelijk. In hoger beroep heeft [verweerder] aangevoerd dat toen de politie ter plaatse kwam, de agenten eerst met hem hebben gesproken en dat hij kon zien dat [getuige 5] en [verzoeker 2] toen bij elkaar stonden en de mogelijkheid hadden om te overleggen en hun verklaringen op elkaar af te stemmen. Het hof heeft daarvoor geen aanwijzingen in de stukken gevonden. Vastgesteld kan worden dat [verweerder] hierover als getuige niets heeft verklaard en dat de getuige [getuige 4] (de moeder van [verweerder] ) als getuige heeft verklaard “ [verzoeker 2] stond bij die branddeur en [getuige 5] ( [getuige 5] , hof) stond wat verderop. Ze waren uit elkaar gehaald door de politie”. De getuige [getuige 8] heeft verklaard dat zij na haar aankomst [getuige 5] en [verzoeker 2] zag met twee politieagenten en aan het einde van de gang naar het appartement [verweerder] met politie. Er bestaat, kortom, geen goede grond de verklaringen van [verzoeker 2] en [getuige 5] ‘besmet’ te achten door onderlinge afstemming.
3.23.
[verweerder] heeft als getuige verklaard dat hij het was die toen de deur heeft afgesloten in het appartement, omdat hij bang was voor [verzoeker 2] en [getuige 5] , en niet andersom. Het hof ziet hierin niet een argument vóór de lezing van [verweerder] van de gebeurtenissen in het appartement. Daartegenover staat immers dat, toen [verzoeker 2] en [getuige 5] buiten stonden, zij wilden voorkomen dat [verweerder] naar buiten zou komen door de deur aan de buitenzijde vast te houden. Niet alleen [verzoeker 2] en [getuige 5] hebben dat verklaard, maar ook de getuige [getuige 4] . Zij heeft daarbij ook verklaard dat [verzoeker 2] zei dat haar zoon in het appartement was met een groot mes.
3.24.
De getuigen [getuige 4] en [getuige 8] hebben verklaard dat [verweerder] een bericht had gestuurd met foto (“Ze zijn naar boven gekomen en hebben mij aangevallen”) respectievelijk had gebeld met beeldbellen met de mededeling dat hij was aangevallen door [getuige 5] en [verzoeker 2] . Hierover merkt het hof op dat de bron van deze informatie [verweerder] zelf was. Dat relativeert de bewijswaarde van deze verklaringen op dit punt.
3.25.
Alles overziende, acht het hof [verzoeker] c.s. op grond van de voorgaande overwegingen geslaagd in het bewijs ten aanzien van de gebeurtenissen in het appartement.
3.26.
Dat betekent dat het hof, anders dan de kantonrechter, het bewijs van de dringende reden die aan het ontslag ten grondslag is gelegd in zoverre geleverd oordeelt. Bij tussenbeschikking heeft het hof reeds overwogen dat het ontslag onverwijld is gegeven.
3.27.
De ernst van het handelen van [verweerder] in het appartement tegenover zowel [verzoeker 2] als [getuige 5] rechtvaardigt het gegeven ontslag op staande voet. Voor zover [verweerder] heeft bedoeld ook ten aanzien van het handelen in het appartement aan te voeren dat hij slechts als mede-eigenaar en verkoper van de woning en de onderneming is opgetreden en [verzoeker] c.s. slechts als kopers, verwerpt het hof dat standpunt. Het is evident dat dit handelen de arbeidsverhouding tussen partijen heeft geraakt.
3.28.
Het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is geweest, kan daarom geen standhouden.
3.29.
Het door de kantonrechter toegewezen verzoek tot betaling van een billijke vergoeding (toegewezen tot € 4.000,- netto) met wettelijke rente moet alsnog worden afgewezen.
3.30.
Het verzoek van [verzoeker] c.s. om een gefixeerde schadevergoeding van € 2.818,80 netto met wettelijke rente zal alsnog worden toegewezen.
3.31.
Bij tussenbeschikking heeft het hof reeds overwogen dat het verzoek van [verweerder] wegens advocaatkosten (toegewezen tot € 2.117,50 inclusief btw) alsnog moet worden afgewezen.
3.32.
In incidenteel beroep heeft [verweerder] verzocht hem alsnog een billijke vergoeding toe te kennen van € 12.500,- bruto omdat hij van mening is dat de kantonrechter bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding ten onrechte niet heeft laten meewegen dat [verzoeker 2] hem in de woning heeft mishandeld. Zoals het hof bij tussenbeschikking heeft overwogen, rust de bewijslast hier op [verweerder] . In de voorgaande overwegingen ligt besloten dat [verweerder] dat bewijs niet heeft geleverd. Het incidentele beroep heeft dus geen succes.
Slotsom en kosten
3.33.
Grief 2 is gegrond voor zover [verzoeker] c.s. daarin betogen dat het voorval in de woning een dringende reden oplevert, maar ongegrond voor zover zij daarin betogen dat het voorval in de ijssalon een dringende reden oplevert. Bij bespreking van grief 1 bestaat onvoldoende belang. Grief 3 slaagt omdat het hof niet alleen het verzoek van [verweerder] wegens advocaatkosten niet toewijsbaar heeft geoordeeld, maar ook anders zal beslissen over de proceskosten. Omdat [verweerder] in het ongelijk wordt gesteld, zal hij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. Wegens de samenhang tussen de zaken in eerste aanleg met de afzonderlijke zaaknummers 11208956 \ RP VERZ 24-50414 en 11275829 \ RP VERZ 24-50473 zal het hof in de zaak met het laatstgenoemde zaaknummer niet een afzonderlijke kostenveroordeling ter zake van salaris advocaat uitspreken maar uitsluitend ter zake van griffierecht. Ter wille van de overzichtelijkheid zal het hof de beschikking van de kantonrechter geheel vernietigen en voor het dictum van de kantonrechter een nieuw dictum in de plaats stellen. Wat de veroordeling door de kantonrechter tot het verstrekken van een eindafrekening betreft, geldt het volgende. Voor zover deze veroordeling betrekking heeft op de bedragen van € 4.000,- wegens billijke vergoeding en € 2.117,50 wegens advocaatkosten, moet deze alsnog worden afgewezen. Voor zover deze veroordeling betrekking heeft op het bedrag van € 3.428,- netto wegens achterstallig salaris (met wettelijke rente en wettelijke verhoging), is deze niet aan het oordeel van het hof onderworpen. Deze veroordeling zal daarom hierna worden herhaald, hoewel het hof heeft begrepen dat [verzoeker] c.s. daaraan reeds hebben voldaan. Het hof ziet daarin aanleiding de door de kantonrechter opgelegde dwangsom alsnog geheel af te wijzen. Wat het petitum in het beroepschrift onder II betreft, geldt het volgende. [verzoeker] c.s. verzoeken terugbetaling van twee bedragen (bruto-equivalent van € 4.000,- netto en € 2.117,50). Het hof leest de daarin eveneens verzochte wettelijke rente als begrepen in het verzoek tot terugbetaling, derhalve als de wettelijke rente die [verzoeker] c.s. ter uitvoering van de beschikking van de kantonrechter hebben betaald aan [verweerder] . Voor zover [verzoeker] c.s. hebben bedoeld ook wettelijke rente te verzoeken over de door [verweerder] terug te betalen bedragen, hebben zij dat niet met voldoende duidelijkheid geformuleerd.
3.34.
De proceskosten in eerste aanleg in de zaak met zaaknummer 11275829 \ RP VERZ 24-50473 worden begroot op € 496,- (griffierecht naar tarief 2024).
3.35.
De proceskosten in eerste aanleg in de zaak met zaaknummer 11208956 \ RP VERZ 24-50414 worden begroot op € 812,- (salaris advocaat).
3.36.
De proceskosten in principaal beroep worden begroot op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 2.736,- (3 punten × tarief I)
getuigentaxe € 1.400,- (2 x € 700,-)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 5.152,-.
3.37.
De proceskosten in incidenteel beroep worden begroot op:
salaris advocaat € 456,- (1 punt × tarief I x 1/2).
6Beslissing
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking;
opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] c.s. van een bedrag van € 2.818,80 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening;
verklaart [verweerder] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot de gefixeerde schadevergoeding;
veroordeelt [verzoeker] c.s. hoofdelijk om aan [verweerder] te betalen € 3.428,- netto (achterstallig salaris), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf opeisbaarheid van de respectieve maandsalarissen tot de dag dat alles is voldaan en vermeerderd met 15% wettelijke verhoging;
veroordeelt [verzoeker] c.s. hoofdelijk om aan [verweerder] binnen een maand na de datum van de beschikking van de kantonrechter een eindafrekening te verstrekken ter zake van de betaling wegens achterstallig salaris;
veroordeelt [verweerder] tot terugbetaling binnen twee weken na vandaag aan [verzoeker] c.s. van de ter uitvoering van de bestreden beschikking betaalde bedragen van het bruto-equivalent van € 4.000,- netto en € 2.117,50 (inclusief btw), en de daarover door [verzoeker] c.s. betaalde wettelijke rente;
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten in eerste aanleg en begroot deze aan de zijde van [verzoeker] c.s. op € 1.308,-;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het hoger beroep (zowel in principaal als in incidenteel beroep) en begroot deze aan de zijde van [verzoeker] c.s. op € 5.608,-, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris in geval van betekening van deze beschikking;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.F. Thiessen, C.A. Joustra en M.T. Nijhuis, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier.