Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2340
2026-04-14
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.362.584/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding bevel tot terugverhuizing. Moeder, die met het gezag is belast, is verhuisd met de minderjarige. Terughoudendheid bij beslissing. Moeder voldoet aan criterium om het contact tussen de vader en de minderjarige te bevorderen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2021:1513 Hoge Raad 15-10-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.264 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
Zaaknummer hof : 200.362.584/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/708406 / KG ZA 25-1031
Arrest van 14 april 2026 in kort geding
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonend in [woonplaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. B. Schoonewil, kantoorhoudend in Velsen-Zuid,
tegen
[de man]
,
wonend in [woonplaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. E.F. Wolters, kantoorhoudend in Alkmaar.
Het hof noemt partijen hierna de vrouw en de man.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de raad.
1De zaak in het kort
1.1
Partijen zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] (de minderjarige), die door de man is erkend. Zij hebben samengewoond in de woning van de man in [woonplaats 2] en medio september 2025 is hun relatie beëindigd. De vrouw is vervolgens met de minderjarige en de halfzus van de minderjarige bij haar ouders in [woonplaats 1] ingetrokken. In de bodemprocedure waarin de man – kort gezegd – heeft verzocht om hem ook met het gezag over de minderjarige te belasten, een co-ouderschapsregeling vast te stellen en de vrouw te verbieden om met de minderjarige te verhuizen naar een woonplaats verder dan 10 kilometers van [woonplaats 2] , is nog geen zitting gepland bij de rechtbank Noord-Holland. In dit kort geding heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, op vordering van de man en voor zover in dit hoger beroep van belang, de vrouw bevolen om uiterlijk 13 april 2026 met de minderjarige te verhuizen naar een woning binnen een straal van tien kilometer hemelsbreed van de [adres] te [woonplaats 2] , op straffe van een dwangsom. Het hof vernietigt die beslissing. Het gaat in dit geval om een ordemaatregel. De vrouw is belast met het eenhoofdig gezag en daarvoor geldt een andere grondslag dan bij gezamenlijk gezag bij de beoordeling of de vrouw bevolen kan worden terug te verhuizen.
2Procesverloop in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 1 december 2025 van de vrouw, die ook inhoudt een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad ex artikel 351 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 13 november 2025 (hierna: het bestreden vonnis), die tevens de grieven bevat, met bijlagen;
de memorie van antwoord in het incident van de man, met bijlagen;
2.2
Het verzoek van de vrouw om de zaak als spoedappel te behandelen is afgewezen. Wel heeft het hof aanleiding gezien om ambtshalve een mondelinge behandeling te gelasten in zowel de hoofdzaak als het schorsingsincident op basis van voormelde stukken.
2.3
Nadien zijn bij het hof ingekomen:
de memorie van antwoord van de man;
het journaalbericht van de vrouw van 13 maart 2026 met bijlagen.
2.4
Op 19 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De raad is niet ter zitting verschenen.
De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.
3Procedure bij de rechtbank en vorderingen in hoger beroep
3.1
In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vrouw bevolen om uiterlijk 13 april 2026 met de minderjarige te verhuizen naar een woning binnen een straal van tien kilometer hemelsbreed van de [adres] te [woonplaats 2] , op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet hieraan voldoet, tot een maximum van € 50.000,- is bereikt. Verder heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de minderjarige in het kader van de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht voorlopig bij de man zal zijn als volgt:
- om de week van vrijdag direct uit school tot zondag 19.00 uur, waarbij de vrouw de minderjarige op vrijdag naar de man brengt en de man de minderjarige op zondag weer terugbrengt bij de vrouw;
- gedurende de helft van de vakanties, waarbij ook hier geldt dat de minderjarige door de ouder bij wie hij verblijft naar de ander wordt gebracht.
3.2
De vrouw vordert het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen in afwachting van de beslissing van de bodemrechter. Zij voert in de kern het volgende aan. De man heeft geen spoedeisend belang bij zijn vordering de vrouw te gebieden terug te verhuizen naar [woonplaats 2] . De voorzieningenrechter heeft het verkeerde juridische kader toegepast voor het bevel tot terugverhuizing, aangezien partijen niet gezamenlijk met het gezag over de minderjarige zijn belast en ook nooit zo hebben gehandeld. De vrouw voldoet aan de verplichting tot omgang. De verhuisafstand van 10 kilometer is niet gemotiveerd. Het is voor de vrouw niet mogelijk om rondom [woonplaats 2] met de huidige woningmarkt een woning te vinden gezien haar financiële situatie. Er is dan ook ten onrechte een dwangsom verbonden aan het bevel tot verhuizing. Het aanbod van de man om in zijn woning te verblijven gedurende een half jaar is niet reëel. De halfzus van de minderjarige voelde zich niet gelukkig in [woonplaats 2] en sinds zij terug is in [woonplaats 1] gaat het beter met haar. Van de man kan zonodig ook worden verwacht dat hij verhuist naar de woonomgeving van de vrouw en de minderjarige.
3.3
De man verweert zich en vordert de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, althans het door de vrouw gevorderde af te wijzen, en het bestreden vonnis te bekrachtigen zonodig met aanvulling en verbetering van gronden. De man verweert zich samengevat als volgt. Het gaat om een kort geding waarvoor in beginsel geen inhoudelijke toetsing plaatsvindt aan de hand van alle verhuiscriteria. De voorzieningenrechter heeft dan ook op juiste gronden beslist. De minderjarige is geworteld in [woonplaats 2] en de man heeft altijd een betekenisvolle rol gespeeld in het leven van de minderjarige, die nu niet langer meer mogelijk is. Dat de man niet ook het gezag over de minderjarige heeft, komt omdat de vrouw dit weigert en de minderjarige is erkend voor de huidige wettelijke regeling die pas per 1 januari 2023 in werking is getreden en op grond waarvan een vader na erkenning van rechtswege gezamenlijk gezag verkrijgt. Dat de vrouw de omgang tussen de man en de minderjarige bevordert, betwist de man. De man bestrijdt dat de vrouw en de halfzus van de minderjarige niet gelukkig waren in [woonplaats 2] en meer geworteld zijn in [woonplaats 1] . De man meent dat de vrouw over voldoende financiële middelen beschikt om ook buiten de sociale huursector naar passende woonruimte te kunnen zoeken. De man biedt en bood aan dat de vrouw tijdelijk in zijn woning kan verblijven terwijl zij in [woonplaats 2] naar andere woonruimte zoekt, in welk geval de man zelf elders zal verblijven.
4Beoordeling in hoger beroep
Schorsingsincident
4.1
De vrouw heeft gevorderd dat het hof de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beslissing van de voorzieningenrechter schorst totdat in hoger beroep is beslist. Omdat het hof nu meteen een eindarrest zal wijzen in de hoofdzaak, heeft de vrouw geen belang meer bij schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, zodat haar standpunten hierover niet behoeven te worden besproken. Het hof zal de vordering tot schorsing daarom afwijzen.
Spoedeisend belang (grieven 4 en 5)
4.2
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of er ten tijde van dit vonnis, ook in hoger beroep, bij die voorziening een spoedeisend belang bestaat. Anders dan de vrouw stelt, is er naar het oordeel van het hof wel sprake van een spoedeisend belang in deze zaak. Dit belang is daarin gelegen dat de vrouw met de minderjarige is verhuisd naar [woonplaats 1] , een plek op anderhalf uur rijden van [woonplaats 2] (de woonplaats van de man). Weliswaar is er al op 3 oktober 2025 een bodemprocedure aanhangig gemaakt over het gezag over en de omgang met de minderjarige en het bevel tot terugverhuizing, maar er is nog niet bekend op welke termijn de zaak door de rechtbank Noord-Holland (op zitting) zal worden behandeld.
Bevel tot terugverhuizing (grief 1-3, 6-8)
4.3
Het hof stelt voorop dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Uitgangspunt daarbij is dat de vrouw het eenhoofdig gezag heeft, waardoor zij in beginsel vrij was en is in de keuze van haar woonplaats en die van de minderjarige. Daar heeft zij de toestemming van de man als de niet met het gezag belaste ouder niet voor nodig. Dat er op dit moment een verzoek van de man bij de rechtbank voorligt om met het gezamenlijk gezag te worden belast maakt dit niet anders, aangezien daarop nog niet is beslist. Maar ook in het geval van eenhoofdig gezag bestaat er een juridische grondslag om de keuzevrijheid van de met het gezag belaste ouder ten aanzien van de woonplaats van het kind te beperken. Dit kan er onder omstandigheden toe leiden dat de rechter een bevel tot terug verhuizing uitspreekt aan een met het eenhoofdig gezag belaste ouder als deze ouder niet voldoet aan de verplichting omgang tussen het kind en de andere ouder te bevorderen (artikel 1:247 lid 3 BW). Op grond van artikel 8 EVRM is de rechter in zo’n geval gehouden alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen alsnog medewerking te verlenen aan omgang tussen het kind en de andere ouder. Een verbod aan de met het gezag belaste ouder om te verhuizen, dan wel een bevel aan deze om terug te verhuizen, kan dan een passende maatregel zijn. Dit volgt uit de beschikking van de Hoge Raad van 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1513.
4.4
Naar het oordeel van het hof is er in deze zaak geen reden om als ordemaatregel een dergelijk verstrekkende voorziening te treffen. De vrouw is tijdens haar zwangerschap met de halfzus van de minderjarige bij de man ingetrokken. Totdat de man de relatie beëindigde, verbleven zij allen bij de man in huis. Na het uiteengaan van partijen is de vrouw met de minderjarige en de halfzus van de minderjarige bij haar ouders in [woonplaats 1] gaan wonen. De vrouw heeft aangevoerd dat het voor haar onmogelijk is om in [woonplaats 2] op afzienbare termijn een woning te vinden gezien de krapte op de woningmarkt. Het hof acht dit aannemelijk, ook gelet op haar huidige financiële middelen (de vrouw ontvangt een WIA-uitkering en heeft blijkens haar aangifte inkomstenbelasting 2025 geen vermogen). Het aanbod van de man dat de vrouw in de woning van de man mag blijven wonen gedurende (in ieder geval) een half jaar acht het hof niet reëel. Afgezien van het feit dat de vrouw en de halfzus zich niet prettig voelen in deze woning, zal het niet tot een oplossing leiden. Het hof heeft niet de verwachting dat de vrouw in die periode wel een andere woning zal vinden. Dit betekent dat de vrouw en de minderjarigen in de komende periode met meerdere verhuizingen en een onzeker perspectief zouden worden geconfronteerd, hetgeen het hof in strijd met de belangen van beide minderjarigen acht. Het hof acht het dan ook aannemelijk dat de vrouw geen andere mogelijkheid heeft gehad dan bij haar ouders in te trekken. Een terugverhuizing van de minderjarige, zoals gevorderd door de man, is een ingrijpende gebeurtenis in het leven van de minderjarige, ook mede gelet op de verdere gevolgen van terugverhuizing zoals een wisseling van school. Naar het oordeel van het hof moet een kortgedingrechter terughoudend zijn met het bevel tot terugverhuizing aangezien in de bodemprocedure weer anders over de woonplaats van de minderjarige kan worden beslist. Na de verhuizing van de vrouw naar haar ouders in [woonplaats 1] voldoet de vrouw bovendien aan de verplichting om het contact tussen de man en de minderjarige te bevorderen. Zo wordt aan de door de voorzieningenrechter vastgestelde voorlopige omgangsregeling op dit moment uitvoering gegeven, en is deze zelfs uitgebreid. De vrouw biedt daarnaast nog extra omgangsmomenten aan. Het hof is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat de vordering van de man tot terugverhuizing van de vrouw moet worden afgewezen. Alle andere omstandigheden die partijen hebben aangevoerd zullen in de bodemprocedure besproken moeten worden en behoeven op dit moment geen bespreking meer. Het hof zal dan ook het bestreden vonnis vernietigen.
5Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw rechtdoende:
wijst de vordering van de man, die inhoudt dat de vrouw wordt bevolen om met de minderjarige terug te verhuizen, af;
wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd;
Dit arrest is gewezen door mr. C.M. Warnaar, mr. G.G.B. Boelens en Z. Gademan en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Team Familie
Zaaknummer hof : 200.362.584/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/708406 / KG ZA 25-1031
Arrest van 14 april 2026 in kort geding
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonend in [woonplaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. B. Schoonewil, kantoorhoudend in Velsen-Zuid,
tegen
[de man]
,
wonend in [woonplaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. E.F. Wolters, kantoorhoudend in Alkmaar.
Het hof noemt partijen hierna de vrouw en de man.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de raad.
1De zaak in het kort
1.1
Partijen zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] (de minderjarige), die door de man is erkend. Zij hebben samengewoond in de woning van de man in [woonplaats 2] en medio september 2025 is hun relatie beëindigd. De vrouw is vervolgens met de minderjarige en de halfzus van de minderjarige bij haar ouders in [woonplaats 1] ingetrokken. In de bodemprocedure waarin de man – kort gezegd – heeft verzocht om hem ook met het gezag over de minderjarige te belasten, een co-ouderschapsregeling vast te stellen en de vrouw te verbieden om met de minderjarige te verhuizen naar een woonplaats verder dan 10 kilometers van [woonplaats 2] , is nog geen zitting gepland bij de rechtbank Noord-Holland. In dit kort geding heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, op vordering van de man en voor zover in dit hoger beroep van belang, de vrouw bevolen om uiterlijk 13 april 2026 met de minderjarige te verhuizen naar een woning binnen een straal van tien kilometer hemelsbreed van de [adres] te [woonplaats 2] , op straffe van een dwangsom. Het hof vernietigt die beslissing. Het gaat in dit geval om een ordemaatregel. De vrouw is belast met het eenhoofdig gezag en daarvoor geldt een andere grondslag dan bij gezamenlijk gezag bij de beoordeling of de vrouw bevolen kan worden terug te verhuizen.
2Procesverloop in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 1 december 2025 van de vrouw, die ook inhoudt een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad ex artikel 351 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 13 november 2025 (hierna: het bestreden vonnis), die tevens de grieven bevat, met bijlagen;
de memorie van antwoord in het incident van de man, met bijlagen;
2.2
Het verzoek van de vrouw om de zaak als spoedappel te behandelen is afgewezen. Wel heeft het hof aanleiding gezien om ambtshalve een mondelinge behandeling te gelasten in zowel de hoofdzaak als het schorsingsincident op basis van voormelde stukken.
2.3
Nadien zijn bij het hof ingekomen:
de memorie van antwoord van de man;
het journaalbericht van de vrouw van 13 maart 2026 met bijlagen.
2.4
Op 19 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De raad is niet ter zitting verschenen.
De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.
3Procedure bij de rechtbank en vorderingen in hoger beroep
3.1
In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vrouw bevolen om uiterlijk 13 april 2026 met de minderjarige te verhuizen naar een woning binnen een straal van tien kilometer hemelsbreed van de [adres] te [woonplaats 2] , op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet hieraan voldoet, tot een maximum van € 50.000,- is bereikt. Verder heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de minderjarige in het kader van de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht voorlopig bij de man zal zijn als volgt:
- om de week van vrijdag direct uit school tot zondag 19.00 uur, waarbij de vrouw de minderjarige op vrijdag naar de man brengt en de man de minderjarige op zondag weer terugbrengt bij de vrouw;
- gedurende de helft van de vakanties, waarbij ook hier geldt dat de minderjarige door de ouder bij wie hij verblijft naar de ander wordt gebracht.
3.2
De vrouw vordert het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen in afwachting van de beslissing van de bodemrechter. Zij voert in de kern het volgende aan. De man heeft geen spoedeisend belang bij zijn vordering de vrouw te gebieden terug te verhuizen naar [woonplaats 2] . De voorzieningenrechter heeft het verkeerde juridische kader toegepast voor het bevel tot terugverhuizing, aangezien partijen niet gezamenlijk met het gezag over de minderjarige zijn belast en ook nooit zo hebben gehandeld. De vrouw voldoet aan de verplichting tot omgang. De verhuisafstand van 10 kilometer is niet gemotiveerd. Het is voor de vrouw niet mogelijk om rondom [woonplaats 2] met de huidige woningmarkt een woning te vinden gezien haar financiële situatie. Er is dan ook ten onrechte een dwangsom verbonden aan het bevel tot verhuizing. Het aanbod van de man om in zijn woning te verblijven gedurende een half jaar is niet reëel. De halfzus van de minderjarige voelde zich niet gelukkig in [woonplaats 2] en sinds zij terug is in [woonplaats 1] gaat het beter met haar. Van de man kan zonodig ook worden verwacht dat hij verhuist naar de woonomgeving van de vrouw en de minderjarige.
3.3
De man verweert zich en vordert de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, althans het door de vrouw gevorderde af te wijzen, en het bestreden vonnis te bekrachtigen zonodig met aanvulling en verbetering van gronden. De man verweert zich samengevat als volgt. Het gaat om een kort geding waarvoor in beginsel geen inhoudelijke toetsing plaatsvindt aan de hand van alle verhuiscriteria. De voorzieningenrechter heeft dan ook op juiste gronden beslist. De minderjarige is geworteld in [woonplaats 2] en de man heeft altijd een betekenisvolle rol gespeeld in het leven van de minderjarige, die nu niet langer meer mogelijk is. Dat de man niet ook het gezag over de minderjarige heeft, komt omdat de vrouw dit weigert en de minderjarige is erkend voor de huidige wettelijke regeling die pas per 1 januari 2023 in werking is getreden en op grond waarvan een vader na erkenning van rechtswege gezamenlijk gezag verkrijgt. Dat de vrouw de omgang tussen de man en de minderjarige bevordert, betwist de man. De man bestrijdt dat de vrouw en de halfzus van de minderjarige niet gelukkig waren in [woonplaats 2] en meer geworteld zijn in [woonplaats 1] . De man meent dat de vrouw over voldoende financiële middelen beschikt om ook buiten de sociale huursector naar passende woonruimte te kunnen zoeken. De man biedt en bood aan dat de vrouw tijdelijk in zijn woning kan verblijven terwijl zij in [woonplaats 2] naar andere woonruimte zoekt, in welk geval de man zelf elders zal verblijven.
4Beoordeling in hoger beroep
Schorsingsincident
4.1
De vrouw heeft gevorderd dat het hof de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beslissing van de voorzieningenrechter schorst totdat in hoger beroep is beslist. Omdat het hof nu meteen een eindarrest zal wijzen in de hoofdzaak, heeft de vrouw geen belang meer bij schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, zodat haar standpunten hierover niet behoeven te worden besproken. Het hof zal de vordering tot schorsing daarom afwijzen.
Spoedeisend belang (grieven 4 en 5)
4.2
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of er ten tijde van dit vonnis, ook in hoger beroep, bij die voorziening een spoedeisend belang bestaat. Anders dan de vrouw stelt, is er naar het oordeel van het hof wel sprake van een spoedeisend belang in deze zaak. Dit belang is daarin gelegen dat de vrouw met de minderjarige is verhuisd naar [woonplaats 1] , een plek op anderhalf uur rijden van [woonplaats 2] (de woonplaats van de man). Weliswaar is er al op 3 oktober 2025 een bodemprocedure aanhangig gemaakt over het gezag over en de omgang met de minderjarige en het bevel tot terugverhuizing, maar er is nog niet bekend op welke termijn de zaak door de rechtbank Noord-Holland (op zitting) zal worden behandeld.
Bevel tot terugverhuizing (grief 1-3, 6-8)
4.3
Het hof stelt voorop dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Uitgangspunt daarbij is dat de vrouw het eenhoofdig gezag heeft, waardoor zij in beginsel vrij was en is in de keuze van haar woonplaats en die van de minderjarige. Daar heeft zij de toestemming van de man als de niet met het gezag belaste ouder niet voor nodig. Dat er op dit moment een verzoek van de man bij de rechtbank voorligt om met het gezamenlijk gezag te worden belast maakt dit niet anders, aangezien daarop nog niet is beslist. Maar ook in het geval van eenhoofdig gezag bestaat er een juridische grondslag om de keuzevrijheid van de met het gezag belaste ouder ten aanzien van de woonplaats van het kind te beperken. Dit kan er onder omstandigheden toe leiden dat de rechter een bevel tot terug verhuizing uitspreekt aan een met het eenhoofdig gezag belaste ouder als deze ouder niet voldoet aan de verplichting omgang tussen het kind en de andere ouder te bevorderen (artikel 1:247 lid 3 BW). Op grond van artikel 8 EVRM is de rechter in zo’n geval gehouden alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen alsnog medewerking te verlenen aan omgang tussen het kind en de andere ouder. Een verbod aan de met het gezag belaste ouder om te verhuizen, dan wel een bevel aan deze om terug te verhuizen, kan dan een passende maatregel zijn. Dit volgt uit de beschikking van de Hoge Raad van 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1513.
4.4
Naar het oordeel van het hof is er in deze zaak geen reden om als ordemaatregel een dergelijk verstrekkende voorziening te treffen. De vrouw is tijdens haar zwangerschap met de halfzus van de minderjarige bij de man ingetrokken. Totdat de man de relatie beëindigde, verbleven zij allen bij de man in huis. Na het uiteengaan van partijen is de vrouw met de minderjarige en de halfzus van de minderjarige bij haar ouders in [woonplaats 1] gaan wonen. De vrouw heeft aangevoerd dat het voor haar onmogelijk is om in [woonplaats 2] op afzienbare termijn een woning te vinden gezien de krapte op de woningmarkt. Het hof acht dit aannemelijk, ook gelet op haar huidige financiële middelen (de vrouw ontvangt een WIA-uitkering en heeft blijkens haar aangifte inkomstenbelasting 2025 geen vermogen). Het aanbod van de man dat de vrouw in de woning van de man mag blijven wonen gedurende (in ieder geval) een half jaar acht het hof niet reëel. Afgezien van het feit dat de vrouw en de halfzus zich niet prettig voelen in deze woning, zal het niet tot een oplossing leiden. Het hof heeft niet de verwachting dat de vrouw in die periode wel een andere woning zal vinden. Dit betekent dat de vrouw en de minderjarigen in de komende periode met meerdere verhuizingen en een onzeker perspectief zouden worden geconfronteerd, hetgeen het hof in strijd met de belangen van beide minderjarigen acht. Het hof acht het dan ook aannemelijk dat de vrouw geen andere mogelijkheid heeft gehad dan bij haar ouders in te trekken. Een terugverhuizing van de minderjarige, zoals gevorderd door de man, is een ingrijpende gebeurtenis in het leven van de minderjarige, ook mede gelet op de verdere gevolgen van terugverhuizing zoals een wisseling van school. Naar het oordeel van het hof moet een kortgedingrechter terughoudend zijn met het bevel tot terugverhuizing aangezien in de bodemprocedure weer anders over de woonplaats van de minderjarige kan worden beslist. Na de verhuizing van de vrouw naar haar ouders in [woonplaats 1] voldoet de vrouw bovendien aan de verplichting om het contact tussen de man en de minderjarige te bevorderen. Zo wordt aan de door de voorzieningenrechter vastgestelde voorlopige omgangsregeling op dit moment uitvoering gegeven, en is deze zelfs uitgebreid. De vrouw biedt daarnaast nog extra omgangsmomenten aan. Het hof is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat de vordering van de man tot terugverhuizing van de vrouw moet worden afgewezen. Alle andere omstandigheden die partijen hebben aangevoerd zullen in de bodemprocedure besproken moeten worden en behoeven op dit moment geen bespreking meer. Het hof zal dan ook het bestreden vonnis vernietigen.
5Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw rechtdoende:
wijst de vordering van de man, die inhoudt dat de vrouw wordt bevolen om met de minderjarige terug te verhuizen, af;
wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd;
Dit arrest is gewezen door mr. C.M. Warnaar, mr. G.G.B. Boelens en Z. Gademan en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.