Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2338
2026-06-18
Civiel recht
200.360.245/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHDHA:2026:2338 → ECLI:NL:RBROT:2025:10547 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Levenspartner vordert in kort geding opheffing / schorsing locatieverbod verpleeghuis waar partner is opgenomen. Rechtbank toets aan art. 8 EVRM en wijst vorderingen af met veroordeling van levenspartner in de proceskosten. Daarna komt de partner te overlijden. Levenspartner heeft belang bij oordeel in hoger beroep ivm proceskostenveroordeling. Hof bekrachtigt vonnis van de rechtbank.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.911 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.360.245/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/705028/ KG ZA 25-830
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ex artikel 29a lid 1 Rv
ter zitting van 18 juni 2026 om 13.30 uur
in de zaak van
[appellante]
,
wonend in [plaats], gemeente [gemeente],
appellante,
advocaat: mr. E. de Jong, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen:
Stichting Aafje Thuiszorg Huizen Zorghotels,
gevestigd in Rotterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.F.T.A. van den Eijnden, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellante] en Aafje.
Beide partijen zijn op de mondelinge behandeling verschenen. Zij hebben tijdens die mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht, mr. Van den Eijnden aan de hand van spreekaantekeningen die zij heeft overgelegd, gereageerd op de standpunten van de wederpartij en - vragen van het hof beantwoord. Daarna heeft het hof de zitting voor korte tijd geschorst en zich beraden. Na hervatting van de zitting heeft het hof met toepassing van artikel 29a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de hierna volgende mondelinge uitspraak gedaan.
1Inleiding
1.1
Het hof heeft zich over de zaak beraden en de uitkomst daarvan is dat het hof [appellante] geen gelijk geeft. Het hof gaat nu uitleggen waarom.
2Achtergrond van de zaak
2.1
[appellante] was de levenspartner van de heer [naam] (hierna: [naam] ). [naam] verbleef sinds 22 december 2021 in een verpleeghuis van Aafje ( [locatie] ). [appellante] heeft [naam] sindsdien zeer regelmatig bezocht. [naam] stond onder bewind en mentorschap van twee derden. Aafje heeft op 24 juli 2025 aan [appellante] een locatieverbod opgelegd. [appellante] is het daar niet mee eens en heeft de rechtbank verzocht het verbod met onmiddellijke ingang op te heffen of te schorsen en subsidiair om Aafje te bevelen dat [naam] van het verpleeghuis naar haar wordt gebracht en dat dat kan zonder nadere voorwaarden, en het verbod zodanig op te heffen dat zij [naam] onbeperkt mag bezoeken als hij in de terminale fase komt. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen bij vonnis van 29 augustus 2025 afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten.
2.2
In hoger beroep zijn de vorderingen van [appellante] hetzelfde en vraagt zij veroordeling van Aafje in de kosten van beide procedures.
2.3
Na het instellen van het hoger beroep is [naam] op 4 februari 2026 overleden.
3Beoordeling
3.1
Eerst moet worden beoordeeld of [appellante] nog belang heeft bij haar vorderingen nu [naam] inmiddels is overleden. Het hof overweegt als volgt. Aafje heeft het locatieverbod ingesteld om de gezondheid van [naam] te beschermen en te waarborgen dat medewerkers van Aafje veilig de nodige zorg aan [naam] konden geven. [naam] is niet meer in leven en [appellante] heeft daarom geen belang meer bij toewijzing van haar vorderingen over het locatieverbod in hoger beroep. Ook al heeft [appellante] geen belang meer bij die vorderingen, zij heeft volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad nog wel een belang bij een oordeel van het hof over de proceskostenveroordeling. Ten tijde van het instellen van haar vorderingen bij de voorzieningenrechter had [appellante] een spoedeisend belang.
3.2
Het locatieverbod moet getoetst worden aan art. 8 EVRM, zoals de voorzieningenrechter ook heeft gedaan. Het hof gaat ervan uit dat [appellante] de levenspartner was van [naam] en dat [appellante] in dat verband recht had om met hem samen te zijn. Dit recht is niet absoluut. Er kunnen beperkingen op zijn. Die beperkingen zijn mogelijk als daar een wettelijke basis voor is. Die wettelijke basis biedt art. 45 van de Wet zorg en dwang. Dit artikel bepaalt dat voor dit soort instellingen als Aafje huisregels kunnen gelden. [appellante] moet zich aan de redelijke huisregels houden. Een verbod op toegang kan ook daarop gebaseerd worden.
3.3
Er dient niet alleen een wettelijke basis te zijn, maar het verbod moet ook noodzakelijk zijn. Die noodzaak ziet, zoals Aafje heeft aangevoerd, op de gezondheid van [naam] en dat het personeel van Aafje de zorg veilig kan verlenen. Uit de stukken en de uitspraak van de voorzieningenrechter blijkt dat [appellante] herhaaldelijk aangesproken is om zich aan de regels te houden en dat Aafje [appellante] verschillende keren schriftelijk heeft verzocht om zich aan de regels te houden. Daarnaast is ook schriftelijk geprobeerd uit te leggen waarom dat van belang is. Het hof constateert dat [appellante] telkens de grenzen heeft opgezocht, dan wel dat zij daar overheen is gegaan. Zoals ook de voorzieningenrechter heeft overwogen, was voor Aafje de maat vol op het moment dat door [appellante] filmopnames van [naam] gepubliceerd werden.
3.4
[appellante] heeft tevergeefs aangevoerd dat de maatregel te verstrekkend en te zwaar is. De maatregel voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. [appellante] is verschillende keren op de regels aangesproken en in de gelegenheid gesteld om zich daaraan te houden. Hoewel de maatregel zwaar is, was die op dat moment begrijpelijk. Daarbij weegt het hof mee dat vanuit Aafje meteen de bereidheid is getoond om te praten over aanpassingen van de maatregel. Deze toenaderingspogingen en de toegangsbeperkende maatregelen die Aafje in plaats van het toegangsverbod heeft voorgesteld, heeft [appellante] telkens afgewezen. Dit maakt dat het voor [appellante] een ‘alles of niets’-situatie geweest is: [appellante] wilde onbeperkte toegang tot [naam] en anders niet. [appellante] heeft bijvoorbeeld niet willen instemmen met het voorstel van Aafje om te beginnen met wekelijks een uur bezoek aan [naam] onder toezicht en de toegang van daaruit verder uit te bouwen. Dat betekent dat grief 1 van [appellante] tegen het oordeel van de voorzieningenrechter niet slaagt.
3.5
De tweede grief van [appellante] ziet op het oordeel van de voorzieningenrechter in r.o. 3.5 van het bestreden vonnis dat [appellante] als levenspartner geen bijzondere positie heeft ten opzichte van [naam] en dat [appellante] en [naam] niet juridisch aan elkaar verbonden zijn. Het hof overweegt dat de voorzieningenrechter hiermee heeft bedoeld te zeggen dat het feit dat [appellante] levensgezel van [naam] is, het oordeel niet anders maakt. Uit de uitspraak van de voorzieningenrechter blijkt dat zij begrip heeft voor de positie van [appellante] , maar dat leidt niet tot een andere uitspraak. Het hof is het daarmee eens. Volgens het hof heeft de voorzieningenrechter voldoende onderkend wat de positie van [appellante] was. Grief 2 van [appellante] slaagt daarom ook niet.
3.6
Het hof oordeelt dat [appellante] terecht in de proceskosten is veroordeeld omdat zij in het ongelijk is gesteld. [appellante] moet ook de proceskosten in hoger beroep betalen omdat zij in hoger beroep ook in het ongelijk wordt gesteld. Het bedrag aan salaris advocaat is, met toepassing van tarief I, gebaseerd op drie punten: er zijn namelijk twee zittingen geweest en Aafje heeft één processtuk moeten schrijven. Dat betekent een bedrag van (3 x € 912,- =) € 2.736,-. Daar worden de nakosten van € 189,- bij opgeteld, zodat het totaalbedrag van de proceskosten € 2.925,- bedraagt. Het griffierecht (dat was € 827,-) is in debet gesteld, wat betekent dat [appellante] niet wordt veroordeeld om dat bedrag te betalen.
3.7
Het hof legt de uitspraak vast in een proces verbaal dat binnen 2 weken naar partijen wordt gestuurd. [appellante] heeft de mogelijkheid om beroep in cassatie in te stellen van deze uitspraak. De uitspraakdatum is vandaag, 18 juni 2026.
4Beslissing
Het hof:
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, van 29 augustus 2025;
- veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op vandaag aan de zijde van Aafje vastgesteld op € 2.736,- aan salaris van de advocaat en begroot op € 189,- aan nasalaris;
- verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad.
Deze uitspraak is op 18 juni 2026 mondeling in het openbaar gedaan door mrs. M.D. Ruizeveld, F.J. Verbeek en L.M. van Bochove, in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal van deze uitspraak is op 25 juni 2026 ondertekend door mr. M.D. Ruizeveld.
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.360.245/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/705028/ KG ZA 25-830
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ex artikel 29a lid 1 Rv
ter zitting van 18 juni 2026 om 13.30 uur
in de zaak van
[appellante]
,
wonend in [plaats], gemeente [gemeente],
appellante,
advocaat: mr. E. de Jong, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen:
Stichting Aafje Thuiszorg Huizen Zorghotels,
gevestigd in Rotterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.F.T.A. van den Eijnden, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellante] en Aafje.
Beide partijen zijn op de mondelinge behandeling verschenen. Zij hebben tijdens die mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht, mr. Van den Eijnden aan de hand van spreekaantekeningen die zij heeft overgelegd, gereageerd op de standpunten van de wederpartij en - vragen van het hof beantwoord. Daarna heeft het hof de zitting voor korte tijd geschorst en zich beraden. Na hervatting van de zitting heeft het hof met toepassing van artikel 29a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de hierna volgende mondelinge uitspraak gedaan.
1Inleiding
1.1
Het hof heeft zich over de zaak beraden en de uitkomst daarvan is dat het hof [appellante] geen gelijk geeft. Het hof gaat nu uitleggen waarom.
2Achtergrond van de zaak
2.1
[appellante] was de levenspartner van de heer [naam] (hierna: [naam] ). [naam] verbleef sinds 22 december 2021 in een verpleeghuis van Aafje ( [locatie] ). [appellante] heeft [naam] sindsdien zeer regelmatig bezocht. [naam] stond onder bewind en mentorschap van twee derden. Aafje heeft op 24 juli 2025 aan [appellante] een locatieverbod opgelegd. [appellante] is het daar niet mee eens en heeft de rechtbank verzocht het verbod met onmiddellijke ingang op te heffen of te schorsen en subsidiair om Aafje te bevelen dat [naam] van het verpleeghuis naar haar wordt gebracht en dat dat kan zonder nadere voorwaarden, en het verbod zodanig op te heffen dat zij [naam] onbeperkt mag bezoeken als hij in de terminale fase komt. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen bij vonnis van 29 augustus 2025 afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten.
2.2
In hoger beroep zijn de vorderingen van [appellante] hetzelfde en vraagt zij veroordeling van Aafje in de kosten van beide procedures.
2.3
Na het instellen van het hoger beroep is [naam] op 4 februari 2026 overleden.
3Beoordeling
3.1
Eerst moet worden beoordeeld of [appellante] nog belang heeft bij haar vorderingen nu [naam] inmiddels is overleden. Het hof overweegt als volgt. Aafje heeft het locatieverbod ingesteld om de gezondheid van [naam] te beschermen en te waarborgen dat medewerkers van Aafje veilig de nodige zorg aan [naam] konden geven. [naam] is niet meer in leven en [appellante] heeft daarom geen belang meer bij toewijzing van haar vorderingen over het locatieverbod in hoger beroep. Ook al heeft [appellante] geen belang meer bij die vorderingen, zij heeft volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad nog wel een belang bij een oordeel van het hof over de proceskostenveroordeling. Ten tijde van het instellen van haar vorderingen bij de voorzieningenrechter had [appellante] een spoedeisend belang.
3.2
Het locatieverbod moet getoetst worden aan art. 8 EVRM, zoals de voorzieningenrechter ook heeft gedaan. Het hof gaat ervan uit dat [appellante] de levenspartner was van [naam] en dat [appellante] in dat verband recht had om met hem samen te zijn. Dit recht is niet absoluut. Er kunnen beperkingen op zijn. Die beperkingen zijn mogelijk als daar een wettelijke basis voor is. Die wettelijke basis biedt art. 45 van de Wet zorg en dwang. Dit artikel bepaalt dat voor dit soort instellingen als Aafje huisregels kunnen gelden. [appellante] moet zich aan de redelijke huisregels houden. Een verbod op toegang kan ook daarop gebaseerd worden.
3.3
Er dient niet alleen een wettelijke basis te zijn, maar het verbod moet ook noodzakelijk zijn. Die noodzaak ziet, zoals Aafje heeft aangevoerd, op de gezondheid van [naam] en dat het personeel van Aafje de zorg veilig kan verlenen. Uit de stukken en de uitspraak van de voorzieningenrechter blijkt dat [appellante] herhaaldelijk aangesproken is om zich aan de regels te houden en dat Aafje [appellante] verschillende keren schriftelijk heeft verzocht om zich aan de regels te houden. Daarnaast is ook schriftelijk geprobeerd uit te leggen waarom dat van belang is. Het hof constateert dat [appellante] telkens de grenzen heeft opgezocht, dan wel dat zij daar overheen is gegaan. Zoals ook de voorzieningenrechter heeft overwogen, was voor Aafje de maat vol op het moment dat door [appellante] filmopnames van [naam] gepubliceerd werden.
3.4
[appellante] heeft tevergeefs aangevoerd dat de maatregel te verstrekkend en te zwaar is. De maatregel voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. [appellante] is verschillende keren op de regels aangesproken en in de gelegenheid gesteld om zich daaraan te houden. Hoewel de maatregel zwaar is, was die op dat moment begrijpelijk. Daarbij weegt het hof mee dat vanuit Aafje meteen de bereidheid is getoond om te praten over aanpassingen van de maatregel. Deze toenaderingspogingen en de toegangsbeperkende maatregelen die Aafje in plaats van het toegangsverbod heeft voorgesteld, heeft [appellante] telkens afgewezen. Dit maakt dat het voor [appellante] een ‘alles of niets’-situatie geweest is: [appellante] wilde onbeperkte toegang tot [naam] en anders niet. [appellante] heeft bijvoorbeeld niet willen instemmen met het voorstel van Aafje om te beginnen met wekelijks een uur bezoek aan [naam] onder toezicht en de toegang van daaruit verder uit te bouwen. Dat betekent dat grief 1 van [appellante] tegen het oordeel van de voorzieningenrechter niet slaagt.
3.5
De tweede grief van [appellante] ziet op het oordeel van de voorzieningenrechter in r.o. 3.5 van het bestreden vonnis dat [appellante] als levenspartner geen bijzondere positie heeft ten opzichte van [naam] en dat [appellante] en [naam] niet juridisch aan elkaar verbonden zijn. Het hof overweegt dat de voorzieningenrechter hiermee heeft bedoeld te zeggen dat het feit dat [appellante] levensgezel van [naam] is, het oordeel niet anders maakt. Uit de uitspraak van de voorzieningenrechter blijkt dat zij begrip heeft voor de positie van [appellante] , maar dat leidt niet tot een andere uitspraak. Het hof is het daarmee eens. Volgens het hof heeft de voorzieningenrechter voldoende onderkend wat de positie van [appellante] was. Grief 2 van [appellante] slaagt daarom ook niet.
3.6
Het hof oordeelt dat [appellante] terecht in de proceskosten is veroordeeld omdat zij in het ongelijk is gesteld. [appellante] moet ook de proceskosten in hoger beroep betalen omdat zij in hoger beroep ook in het ongelijk wordt gesteld. Het bedrag aan salaris advocaat is, met toepassing van tarief I, gebaseerd op drie punten: er zijn namelijk twee zittingen geweest en Aafje heeft één processtuk moeten schrijven. Dat betekent een bedrag van (3 x € 912,- =) € 2.736,-. Daar worden de nakosten van € 189,- bij opgeteld, zodat het totaalbedrag van de proceskosten € 2.925,- bedraagt. Het griffierecht (dat was € 827,-) is in debet gesteld, wat betekent dat [appellante] niet wordt veroordeeld om dat bedrag te betalen.
3.7
Het hof legt de uitspraak vast in een proces verbaal dat binnen 2 weken naar partijen wordt gestuurd. [appellante] heeft de mogelijkheid om beroep in cassatie in te stellen van deze uitspraak. De uitspraakdatum is vandaag, 18 juni 2026.
4Beslissing
Het hof:
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, van 29 augustus 2025;
- veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op vandaag aan de zijde van Aafje vastgesteld op € 2.736,- aan salaris van de advocaat en begroot op € 189,- aan nasalaris;
- verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad.
Deze uitspraak is op 18 juni 2026 mondeling in het openbaar gedaan door mrs. M.D. Ruizeveld, F.J. Verbeek en L.M. van Bochove, in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal van deze uitspraak is op 25 juni 2026 ondertekend door mr. M.D. Ruizeveld.