Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2262

2026-07-08 Bestuursrecht; Belastingrecht BK-25/582
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-07-08
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
BK-25/582
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Het taxatierapport van belanghebbende kan niet dienen ter bepaling van een waardevermindering voor de bpm wegens schade en ex-schade. Taxatiemethode met koerslijst kan niet worden toegepast nu belanghebbende geen gegevens heeft ingebracht waarmee de verschillen tussen de ingevoerde auto en de referentieauto kunnen worden gekwantificeerd. Naheffing bpm niet te hoog en terecht op basis van de forfaitaire tabel.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.133 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG


Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/582



Uitspraak van 8 juli 2026


in het geding tussen:



[X] B.V., te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)


en


de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )


op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 30 juni 2025, nummer SGR 23/8549.





Procesverloop


1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 9.629 (de naheffingsaanslag).



1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:


“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 227;
- draagt verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.”




1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een bedrag aan griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft verweer gevoerd.



1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 mei 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten





2.1.
Belanghebbende heeft op 4 november 2022 aangifte bpm gedaan ter zake van een Hyundai Kona (de auto). Zij heeft de auto gekocht voor een bedrag van € 13.000. De datum eerste toelating van de auto is 22 september 2021. De auto is op 31 oktober 2022 door de RDW gekeurd. De auto beschikt over een vermogen van 206 kW.



2.2.
De taxateur van [naam] heeft de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald op € 9.475. Daarbij is de XRAY-koerslijstwaarde van een Volkswagen T-Roc Motion Sport met een vermogen van 140 kW (€ 28.418) als uitgangspunt genomen en is een waardevermindering vanwege schade toegepast. De historische nieuwprijs is aan de hand van dit referentievoertuig bepaald op € 61.060.



2.3.
In de aangifte is vervolgens uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 61.060 en een inkoopwaarde van € 9.475. De volgens de aangifte verschuldigde bpm bedraagt € 3.248 en is op aangifte voldaan.



2.4.

Op 11 november 2022 heeft een hertaxatie door DRZ plaatsgevonden. De inkoopwaarde bedraagt volgens DRZ € 29.744 en is bepaald door op de XRAY-koerslijstwaarde van een Volkswagen T-Roc Motion Sport Business met een vermogen van 140 kW (€ 30.418) een waardevermindering wegens schade toe te passen van € 674, ofwel 72% van de door DRZ geconstateerde schade. De historische nieuwprijs is aan de hand van dit referentievoertuig bepaald op € 48.370. In het rapport van DRZ is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Het aangegeven voertuig met zijn specifieke samenstelling/handelsbenaming is niet in Nederland leverbaar geweest. Hierdoor hebben wij voor de typeselectie gebruik gemaakt van het meest overeenkomstige model wat leverbaar was op de Nederlandse markt.”






Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:


“9. De rechtbank verwerpt de door eiseres bepleite herleidingsmethode en verwijst ter onderbouwing van haar oordeel naar de uitspraak van gerechtshof Den Haag van 28 november 2024.[1]


10. Naar het oordeel van de rechtbank is de door de taxateur bepaalde handelsinkoopwaarde niet goed bruikbaar . De taxateur en DRZ hebben, bij gebrek aan een beter passende koerslijs als uitgangspunt koerslijsten gebruikt van een Volkswagen T-Roc met een significant lager vermogen dan auto. Voorts is de door de taxateur bepaalde handelsinkoopwaarde beduidend lager dan de eigen aankoopprijs en strookt de door de taxateur geconstateerde schade niet met de bevindingen van DRZ. Dat, zoals eiseres stelt, binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld.

11. Ter zitting heeft eiseres de rechtbank verzocht om een derde-deskundige in te schakelen om de auto te taxeren dan wel om in Duitsland informatie over het schadeverleden van de auto op te vragen. De rechtbank wijst deze verzoeken af. Eiseres beschikt niet meer over de auto zodat een derde deskundige zich enkel kan baseren op fotomateriaal. Een dergelijke taxatie heeft geen toegevoegde waarde ten opzichte van de rapporten van de taxateur en DRZ. Indien eiseres meent dat een waardevermindering wegens ex-schade in aanmerking moet worden genomen, rust op haar de bewijslast. Zij dient aannemelijk te maken dat de auto een schadeverleden heeft en in hoeverre dat verleden in een blijvende waardevermindering resulteert. Dat dergelijk informatie voor eiseres niet toegankelijk is acht de rechtbank niet aannemelijk. Eiseres heeft de auto in Duitsland gekocht en kan bij de verkoper navraag doen.

12. Nu de handelsinkoopwaarde van de auto niet aannemelijk is gemaakt kan de taxatiemethode niet worden toegepast. Het staat eiseres in beginsel vrij om te kiezen voor een andere in of bij de wet voorziene methode ter bepaling van de vermindering dan waarvan bij de aangifte is uitgegaan. Toepassing van de koerslijstmethode is in de onderhavige zaak evenwel niet mogelijk, wegens het ontbreken van een passende koerslijst.

13. Aangezien zowel de taxatiemethode als de koerslijstmethode niet toegepast kunnen worden, resteert de forfaitaire tabel om de vermindering te bepalen. De rechtbank stelt vast dat tussen datum eerste toelating en het belastbare feit ruim 13 maanden zijn verstreken hetgeen betekent dat toepassing van de forfaitaire tabel zou leiden tot een vermindering met 35,22% (28% + 5*1,444). Uitgaande van een bedrag aan bruto Bpm van € 20.942 leidt dat tot een vermindering van € 7.376 en een bedrag aan te betalen Bpm van € 13.566. De naheffingsaanslag, die is gebaseerd op een bedrag aan te betalen Bpm van € 12.877, is dan ook eerder te laag dan te hoog vastgesteld.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.


(…)



[1] ECLI:NL:GHDHA:2024:2333.”





Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.
Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.



4.2.
Belanghebbende concludeert:


tot partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank;


tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar;


primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag;


subsidiair tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde in goede justitie en dienovereenkomstige vermindering van de verschuldigde bpm en de naheffingsaanslag;


meer subsidiair tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 29.744 (handelsinkoopwaarde DRZ), de historische nieuwprijs op € 55.713, de verschuldigde bpm op € 11.180 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 7.932.


Verder verzoekt belanghebbende het Hof een (proces)kostenvergoeding voor bezwaar, beroep en hoger beroep.



4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.




Beoordeling van het hoger beroep



Schade en schadeverleden




5.1.
Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de handelsinkoopwaarde als vermeld in het taxatierapport dient te worden gevolgd en dat daarbij (ex-)schade in aanmerking moet worden genomen. Het gaat hier om een totaal schadebedrag van € 18.946. De Inspecteur betwist de opgevoerde schade.



5.2.
Naar vaste rechtspraak rust de bewijslast voor een waardevermindering als gevolg van (ex-)schade op belanghebbende (HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Belanghebbende heeft ten bewijze van de gebreken en het schadeverleden slechts verwezen naar het onder 2.2 bedoelde taxatierapport en de daarbij behorende schadecalculatie. Op de foto’s in het taxatierapport zijn alleen normale gebruikssporen te zien, zoals lichte krassen, die gebruikelijk zijn voor een gebruikte auto van de leeftijd van de auto. Daarnaast heeft DRZ bij de hertaxatie geconstateerd dat de in het taxatierapport vermelde schade ofwel als gebruiksschade dan wel niet als schade kwalificeert. DRZ heeft uitsluitend schade aangetroffen aan de velg linksvoor en het bandenspanningscontrolesysteem en hiervoor ook een schadebedrag opgenomen. Een en ander rechtvaardigt de door belanghebbende voorgestane aftrek van € 18.946 aan schade dan ook niet. Belanghebbende heeft de door haar gestelde schade niet aannemelijk gemaakt. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding om meer schade in aanmerking te nemen dan door de Inspecteur op basis van het DRZ-rapport bij de naheffingsaanslag is gedaan. Ook heeft belanghebbende de door haar gestelde ex-schade en de omvang daarvan niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft over ex-schade uitsluitend in algemene bewoordingen stellingen ingenomen, zonder specifiek in te gaan op de vermeende ex-schade aan de auto en het bepalen en aannemelijk maken van de omvang daarvan. Het taxatierapport van belanghebbende kan dan ook niet dienen ter bepaling van een waardevermindering wegens schade en ex-schade.



Handelsinkoopwaarde





5.3.
Meer subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 29.744, zoals gebruikt in het waardeonderzoek van DRZ, moet worden vastgesteld. De Inspecteur betwist dit standpunt en stelt dat deze handelsinkoopwaarde te laag is en niet overeenkomt met de werkelijke handelsinkoopwaarde. Met een beroep op interne compensatie stelt de Inspecteur dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is en dus in stand dient te blijven.



5.4.
Naar het oordeel van het Hof stelt de Inspecteur terecht dat de handelsinkoopwaarde van € 29.744 niet overeenkomt met de werkelijke handelsinkoopwaarde. Niet in geschil is dat de auto niet voorkomt in een koerslijst. De door belanghebbende verdedigde handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is afkomstig uit een koerslijst van een Volkswagen T-Roc. Niet alleen verschilt de auto qua merk van deze referentieauto, ook is de auto luxer uitgevoerd en beschikt deze over een veel groter motorvermogen dan de referentieauto. Gelet op deze aanzienlijke verschillen kan de koerslijstwaarde van de referentieauto niet zonder meer dienen ter bepaling van de handelsinkoopwaarde.



5.5.

In het arrest van 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
“4.2.7. (…) Indien een motorrijtuig van een bepaald merk, model, type, uitvoering en leeftijd, met niet meer dan normale gebruiksschade, niet voorkomt in een algemeen toegepaste koerslijst, sluit dat niet uit dat bij toepassing van de taxatiemethode de taxateur als referentie voor het bepalen van een (bij benadering) reële waardedaling van het te registreren motorrijtuig gebruik kan maken van de handelsinkoopwaarde die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor een referentievoertuig. In dat geval is de in die koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde slechts een uitgangspunt. De door taxatie berekende waarde zal in dat geval van die koerslijstwaarde verschillen vanwege andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van het te waarderen motorrijtuig ten opzichte van gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht en waarop de koerslijstwaarde is gebaseerd.”




5.6.
Zoals uit de aangehaalde passage volgt, kan belanghebbende bij toepassing van de taxatiemethode gebruikmaken van een koerslijst van een referentievoertuig waarbij de in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde slechts een uitgangspunt vormt. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft, na verwerping van het taxatierapport, echter geen gegevens of bewijsmiddelen ingebracht waaruit kan worden afgeleid dat rekening houdend met de bijzondere of afwijkende kernmerken en eigenschappen van de auto ten opzichte van het referentievoertuig in de koerslijst de handelsinkoopwaarde dusdanig laag is, dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd. Daarnaast heeft de Inspecteur terecht nog gewezen op verkoopadvertenties, waaronder die van de auto, waaruit verkoopprijzen van circa € 40.000 blijken. Ook dit ondersteunt de conclusie dat de handelsinkoopwaarde eerder te laag dan te hoog is vastgesteld bij het opleggen van de naheffingsaanslag. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding de handelsinkoopwaarde in goede justitie vast te stellen en verwerpt derhalve ook het subsidiaire standpunt van belanghebbende. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat naheffing op basis van de tabel tot een te hoog bedrag aan bpm leidt.



Slotsom





5.7.
Het hoger beroep is ongegrond.





Proceskosten


6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.





Beslissing


Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.



Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, A. van Dongen en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.




De griffier, de voorzitter,








L. van den Bogerd W. de Wit




De beslissing is op 8 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.




Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).





Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:


a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.





Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.