Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2024:2687
2024-08-27
Strafrecht
22-002220-23
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2026:1353 → ECLI:NL:GHDHA:2024:2687
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft een vuurwapen en (bijbehorende) munitie voorhanden gehad. Onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gepubliceerd naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.991 tekens)
PROMIS
Rolnummer: 22-002220-23
Parketnummer: 10-319288-21
Datum uitspraak: 10 september 2024
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
adres: [adres 1] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Blijkens de akte instellen rechtsmiddel van 17 juli 2023 is door de officier van justitie beperkt appel ingesteld tegen het vonnis, in die zin dat het appel uitsluitend is gericht tegen de vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde. Het hoger beroep van de officier van justitie is dus niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissingen ten aanzien van het onder 1, 2, en 3 tenlastegelegde.
De verdachte heeft geen appel ingesteld.
Gelet op het voorgaande is slechts het onder 4 tenlastegelegde in hoger beroep aan de orde. De ter zake van feiten 1, 2 en 3 ingediende vordering van de benadeelde partij is hiermee evenmin aan de orde.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:
4.hij op of omstreeks 11 november 2021 te Rotterdam een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk en/of type Browning Hi-Power-Grand Puissance, kaliber 9 mm en/of (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 kogelpatronen, kaliber 9 mm voorhanden heeft gehad.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
4.hij op of omstreeks 11 november 2021 te Rotterdam een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk en/of type Browning Hi-Power-Grand Puissance, kaliber 9 mm en/of (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 kogelpatronen, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverwegingen
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat de verdachte op 11 november 2021 in het bezit is geweest van een vuurwapen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank veroordeeld wegens -kort gezegd- afpersing waarbij, zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, ook een vuurwapen is gebruikt. Naar aanleiding van een melding van de aangeefster in die zaak heeft de politie de woning waar de verdachte zou verblijven aan de [adres 1] te Rotterdam geobserveerd. De verbalisanten zagen twee mannen, waarvan één persoon sterke gelijkenissen vertoonde met de foto van de verdachte uit het bedrijfsprocessensysteem van de politie, uit het portiek lopen en naar het naastgelegen bergingencomplex lopen. De verbalisanten zagen de mannen het bergingencomplex met gebruik van een sleutel ingaan en zagen vervolgens dat de mannen het complex even later verlieten en naar de [adres 2] liepen. De verbalisanten hebben waargenomen dat de mannen het portiek met de huisnummers [nummers] ingingen. Volgens informatie van de wijkagent zou in de woning [adres 2] een vriend van de verdachte wonen. Toen de politie de woning betrad, waren daar vier personen aanwezig, terwijl een verbalisant bij het aanbellen vijf personen door het raam had gezien. De vader van de vriend van verdachte gaf ook te kennen dat zijn zoon met twee vrienden aanwezig zou zijn, terwijl er in de woning slechts één van die vrienden werd aangetroffen. Door de verbalisanten werd op de dakrand boven het balkon een telefoon en naast de telefoon een vuurwapen met munitie aangetroffen.
Uit onderzoek naar de inhoud van deze telefoon blijkt dat in deze telefoon een Snapchatgesprek aanwezig was dat plaatsvond tussen de gebruikers ‘ [Snapchataccount 1] ’ en ‘ [Snapchataccount 2] ’. Eerstgenoemde gebruikersnaam komt overeen met de gebruikersnaam van het Snapchataccount van ‘ [naam] ’, waarvan de gebruiker ‘ [Snapchataccount 2] ’ een screenshot heeft aangeleverd. Tevens heeft de gebruiker ‘ [Snapchataccount 2] ’ verklaard dat ‘ [naam] ’ ook bekend stond als de artiest ‘ [artiestennaam] ’ op YouTube. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep bevestigd dat hij deze artiestennaam inderdaad ook wel heeft gebruikt. Het hof merkt hierbij op dat – zo blijkt uit ter terechtzitting in hoger beroep door het openbaar ministerie gepresenteerde informatie dit door de verdediging niet althans niet overtuigend is weersproken - het pas sinds 2022 mogelijk is om je Snapchat-gebruikersnaam te wijzigen en dat de telefoon op 11 november 2021 is aangetroffen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat hieruit volgt dat de hiervoor genoemde -op het dak gevonden- telefoon aan de verdachte toebehoort. Het vuurwapen met munitie werd door verbalisanten náást deze telefoon op het dak aangetroffen.
Op tenminste één van de kogelpatronen in het aangetroffen vuurwapen is een DNA-hoofdprofiel aangetroffen. Het is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker dat dit DNA afkomstig is van de verdachte dan wanneer dit DNA afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon.
Nu bovendien de ex-vriendin van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte haar op 1 november 2021 een wapen heeft getoond toen zij samen in de berging van de woning aan de [adres 1] te Rotterdam waren, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het vuurwapen voorhanden had.
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep daarnaast – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat de herkenning van de verdachte tijdens de observatie onbetrouwbaar moet worden geacht.
Het hof acht de herkenning, gelet op het volgende, voldoende betrouwbaar. Volgens een van de verbalisanten die betrokken was bij de observatie, vertoont de langste van de twee geobserveerde mannen zeer sterke gelijkenissen met de verdachte. Deze herkenning wordt bovendien ondersteund door het gegeven dat de betreffende man de woning van de verdachte verlaat, de berging van deze woning met behulp van een sleutel ingaat en vervolgens naar binnen gaat bij het portiek gelegen aan de [adres 2] met de huisnummers [nummers] , terwijl bekend is dat de woning gelegen aan de [adres 2] de woning van een (destijds) goede vriend van de verdachte betreft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft een vuurwapen en (bijbehorende) munitie voorhanden gehad. Dergelijk (ongecontroleerd) bezit vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van burgers. Vuurwapens worden daarnaast vaak gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en bij eigenrichting.
Er dient dan ook streng te worden opgetreden tegen het bezit van vuurwapens en munitie.
Justitiële documentatie
Het hof heeft in het voordeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 13 augustus 2024, waaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van de pleegdatum van het bewezenverklaarde feit nog niet eerder onherroepelijk was veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Op te leggen straf
Het hof is – alles afwegende en in aanmerking genomen de LOVS-richtlijnen – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.
Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk, voorzitter, mr. A. de Lange en mr. J.P.L.M. Remmerswaal, leden, in bijzijn van de griffier mr. E. Wouters.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 september 2024.
Rolnummer: 22-002220-23
Parketnummer: 10-319288-21
Datum uitspraak: 10 september 2024
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
adres: [adres 1] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Blijkens de akte instellen rechtsmiddel van 17 juli 2023 is door de officier van justitie beperkt appel ingesteld tegen het vonnis, in die zin dat het appel uitsluitend is gericht tegen de vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde. Het hoger beroep van de officier van justitie is dus niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissingen ten aanzien van het onder 1, 2, en 3 tenlastegelegde.
De verdachte heeft geen appel ingesteld.
Gelet op het voorgaande is slechts het onder 4 tenlastegelegde in hoger beroep aan de orde. De ter zake van feiten 1, 2 en 3 ingediende vordering van de benadeelde partij is hiermee evenmin aan de orde.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:
4.hij op of omstreeks 11 november 2021 te Rotterdam een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk en/of type Browning Hi-Power-Grand Puissance, kaliber 9 mm en/of (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 kogelpatronen, kaliber 9 mm voorhanden heeft gehad.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
4.hij op of omstreeks 11 november 2021 te Rotterdam een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk en/of type Browning Hi-Power-Grand Puissance, kaliber 9 mm en/of (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 kogelpatronen, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverwegingen
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat de verdachte op 11 november 2021 in het bezit is geweest van een vuurwapen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank veroordeeld wegens -kort gezegd- afpersing waarbij, zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, ook een vuurwapen is gebruikt. Naar aanleiding van een melding van de aangeefster in die zaak heeft de politie de woning waar de verdachte zou verblijven aan de [adres 1] te Rotterdam geobserveerd. De verbalisanten zagen twee mannen, waarvan één persoon sterke gelijkenissen vertoonde met de foto van de verdachte uit het bedrijfsprocessensysteem van de politie, uit het portiek lopen en naar het naastgelegen bergingencomplex lopen. De verbalisanten zagen de mannen het bergingencomplex met gebruik van een sleutel ingaan en zagen vervolgens dat de mannen het complex even later verlieten en naar de [adres 2] liepen. De verbalisanten hebben waargenomen dat de mannen het portiek met de huisnummers [nummers] ingingen. Volgens informatie van de wijkagent zou in de woning [adres 2] een vriend van de verdachte wonen. Toen de politie de woning betrad, waren daar vier personen aanwezig, terwijl een verbalisant bij het aanbellen vijf personen door het raam had gezien. De vader van de vriend van verdachte gaf ook te kennen dat zijn zoon met twee vrienden aanwezig zou zijn, terwijl er in de woning slechts één van die vrienden werd aangetroffen. Door de verbalisanten werd op de dakrand boven het balkon een telefoon en naast de telefoon een vuurwapen met munitie aangetroffen.
Uit onderzoek naar de inhoud van deze telefoon blijkt dat in deze telefoon een Snapchatgesprek aanwezig was dat plaatsvond tussen de gebruikers ‘ [Snapchataccount 1] ’ en ‘ [Snapchataccount 2] ’. Eerstgenoemde gebruikersnaam komt overeen met de gebruikersnaam van het Snapchataccount van ‘ [naam] ’, waarvan de gebruiker ‘ [Snapchataccount 2] ’ een screenshot heeft aangeleverd. Tevens heeft de gebruiker ‘ [Snapchataccount 2] ’ verklaard dat ‘ [naam] ’ ook bekend stond als de artiest ‘ [artiestennaam] ’ op YouTube. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep bevestigd dat hij deze artiestennaam inderdaad ook wel heeft gebruikt. Het hof merkt hierbij op dat – zo blijkt uit ter terechtzitting in hoger beroep door het openbaar ministerie gepresenteerde informatie dit door de verdediging niet althans niet overtuigend is weersproken - het pas sinds 2022 mogelijk is om je Snapchat-gebruikersnaam te wijzigen en dat de telefoon op 11 november 2021 is aangetroffen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat hieruit volgt dat de hiervoor genoemde -op het dak gevonden- telefoon aan de verdachte toebehoort. Het vuurwapen met munitie werd door verbalisanten náást deze telefoon op het dak aangetroffen.
Op tenminste één van de kogelpatronen in het aangetroffen vuurwapen is een DNA-hoofdprofiel aangetroffen. Het is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker dat dit DNA afkomstig is van de verdachte dan wanneer dit DNA afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon.
Nu bovendien de ex-vriendin van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte haar op 1 november 2021 een wapen heeft getoond toen zij samen in de berging van de woning aan de [adres 1] te Rotterdam waren, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het vuurwapen voorhanden had.
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep daarnaast – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat de herkenning van de verdachte tijdens de observatie onbetrouwbaar moet worden geacht.
Het hof acht de herkenning, gelet op het volgende, voldoende betrouwbaar. Volgens een van de verbalisanten die betrokken was bij de observatie, vertoont de langste van de twee geobserveerde mannen zeer sterke gelijkenissen met de verdachte. Deze herkenning wordt bovendien ondersteund door het gegeven dat de betreffende man de woning van de verdachte verlaat, de berging van deze woning met behulp van een sleutel ingaat en vervolgens naar binnen gaat bij het portiek gelegen aan de [adres 2] met de huisnummers [nummers] , terwijl bekend is dat de woning gelegen aan de [adres 2] de woning van een (destijds) goede vriend van de verdachte betreft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft een vuurwapen en (bijbehorende) munitie voorhanden gehad. Dergelijk (ongecontroleerd) bezit vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van burgers. Vuurwapens worden daarnaast vaak gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en bij eigenrichting.
Er dient dan ook streng te worden opgetreden tegen het bezit van vuurwapens en munitie.
Justitiële documentatie
Het hof heeft in het voordeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 13 augustus 2024, waaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van de pleegdatum van het bewezenverklaarde feit nog niet eerder onherroepelijk was veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Op te leggen straf
Het hof is – alles afwegende en in aanmerking genomen de LOVS-richtlijnen – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.
Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk, voorzitter, mr. A. de Lange en mr. J.P.L.M. Remmerswaal, leden, in bijzijn van de griffier mr. E. Wouters.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 september 2024.