Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:6091
2026-09-22
Civiel recht
200.358.960
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Uitleg van AOV-verzekering. Geen verjaring ex art 7:942 lid 1 BW (behoudens uitzondering). Geen schending van klachtplicht.
Citeert (7)
- ECLI:NL:HR:2008:BC2793 Hoge Raad 16-05-2008
- ECLI:NL:HR:2018:601 Hoge Raad 13-04-2018
- ECLI:NL:HR:2015:83 Hoge Raad 16-01-2015
- ECLI:NL:HR:2025:761 Hoge Raad 16-05-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2444 Gerechtshof Amsterdam 08-09-2020
- ECLI:NL:HR:2014:3593 Hoge Raad 12-12-2014
- ECLI:NL:HR:2022:853 Hoge Raad 10-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (35.607 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.358.960
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 579038
arrest van 22 september 2026
in de zaak van:
[appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. R. Gerretsen
tegen:
ASR Schadeverzekeringen N.V. (ASR)
die is gevestigd in Utrecht
advocaat: mr. M.H. Pluymen
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank) op 2 april 2025 tussen partijen heeft uitgesproken.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de memorie van antwoord
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 8 juli 2026 is gehouden.
2De kern van de zaak
2.1.
[appellant] heeft bij (een rechtsvoorganger van) ASR een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. Vanaf 2010 is [appellant] arbeidsongeschikt. Hij maakt aanspraak op betaling van maandelijkse uitkeringen conform de verzekerde bedragen zoals die tot 2007 op de polis werden vermeld (vermeerderd met indexaties). In 2007 is het verzekerde bedrag op de polis verlaagd, maar dat was volgens [appellant] in strijd met de overeenkomst. ASR ontkent dat. Ook beroept ASR zich op verjaring en schending van de klachtplicht. De rechtbank heeft de vordering van [appellant] (een verklaring voor recht) afgewezen. Het hof zal die vordering echter grotendeels toewijzen. Hierna wordt uitgelegd hoe het hof tot die beslissing komt.
3De toelichting op de beslissing van het hof
De feiten
3.1.
[appellant] is sinds 1 januari 2001 werkzaam als zelfstandig werkend timmerman.
3.2.
Op 7 februari 2001 heeft [naam1] , de rechtsvoorgangster van ASR van de assurantietussenpersoon van [appellant] , Assurantie en Financieringskantoor [naam2] (hierna: [naam2] ), een aanvraagformulier ontvangen voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor [appellant] , met een te verzekeren jaarrente voor rubriek A van NLG 60.000,-- en voor rubriek B NLG 38.000,- .
3.3.
In het aanvraagformulier heeft [appellant] op een daartoe strekkende vraag vermeld welk inkomen hij de afgelopen drie jaren in loondienst heeft genoten. Verder heeft hij een berekening opgeschreven van het inkomen dat hij dacht dat als zelfstandige te gaan verdienen. De vraag of de aangevraagde bedragen tezamen met overige voorzieningen bij arbeidsongeschiktheid ten hoogste 80% vormen van zijn “huidige winst respectievelijk inkomen” heeft hij met “ja” beantwoord.
3.4.
In een door [appellant] vooraf geraadpleegde brochure over het product staat onder meer vermeld:
Op blz. 4:
“ [naam1] biedt u als zelfstandig ondernemer de keus uit: de AOV
GARANT en de AOV GARANT PLUS waarmee u maximaal 80% van uw
huidige inkomen kunt verzekeren.”
Op blz. 5:
En op blz. 7:
“Variabele jaarrente. U heeft de keus uit een gelijkblijvende jaarrente,
een met 3, 4 of 5% klimmende jaarrente of een combinatie hiervan. De jaarrente
is maximaal 80% van uw huidige inkomen.”
3.5.
Op basis hiervan heeft [naam1] een offerte afgegeven, die door [appellant] is aanvaard. Vervolgens heeft [naam1] op 23 maart 2001 een polis afgegeven. Op de polis is vermeld dat [appellant] met ingang van 8 februari 2001 is verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid in zijn beroep van ‘Timmerman e.a. Houtbewerkers’. De verzekerde jaarrente voor het eerste ziektejaar (rubriek A) bedroeg 60.000 gulden (€ 27.226,-) en vanaf het tweede ziektejaar 38.000,- (rubriek B) gulden (€ 17.243,-), met een jaarlijkse samengestelde “klimming” van 3%.
3.6.
Op de polis is verder clausule 699 vermeld. Deze clausule luidt als volgt:
“In de polis zal worden aangetekend dat drie jaar na ingang, of eerder bij arbeidsongeschiktheid, een inkomenstoets zal plaatsvinden om na te gaan of de huidige rentebedragen overeenstemmen met maximaal 80% van het netto winstaandeel van betrokkene over de afgelopen twee jaar. Als de verzekerde jaarrente meer bedraagt dan voorgenoemde 80% (voor rubriek B rekeninghoudend met de W.A.Z.) dient de rente voor rubriek A te worden verlaagd tot deze 80% en de rente voor rubriek B tot deze 80% minus de W.A.Z.
Aanpassing van de eventueel te verlagen verzekerde bedragen zal na toetsing van het inkomen geschieden of, bij arbeidsongeschiktheid, per schadedatum. Na aanpassing zal eventueel teveel betaalde premie door de maatschappij worden gerestitueerd.”
3.7.
In de toepasselijke polisvoorwaarden AOV Garant Plus (tekst zoals die gold ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid) wordt onder meer bepaald:
“Artikel 2 Strekking van de verzekering
Deze verzekering verleent een periodieke uitkering bij derving van
inkomen door verzekerde tengevolge van zijn arbeidsongeschiktheid.
Artikel 28 Optie met betrekking tot verhoging
verzekerde jaarrente
Elk jaar kan verzekeringnemer voor de hoofdpremievervaldag
(optiedatum) verzoeken de verzekerde jaarrente van Rubriek A en/of
B te verhogen. De verhoging kan tot maximaal 15% van de
verzekerde jaarrente plaatsvinden zonder medische acceptatie.
Voor deze verhogingen gelden de volgende voorwaarden;
a. de verzekerde Jaarrente In combinatie met enige andere voorziening
terzake van inkomstenderving als gevolg van arbeidsongeschiktheid
mag niet meer bedragen dan 80% van het jaarinkomen.
Onder het jaarinkomen wordt verstaan de Inkomsten van verzekerde
uit arbeid en/of winst uit onderneming in de zin van de Wet op de
Inkomstenbelasting; (…)
Artikel 31 Verplichtingen bij andere risicowijziging(en)
(…)
2. Verzekeringnemer respectievelijk verzekerde is verplicht op straffe
van verlies van het recht op uitkering de maatschappij onmiddellijk
kennis te geven, wanneer:
(…)
c. verzekeringnemer geen of minder verzekerbaar belang heeft bij
hetgeen verzekerd is. Beoordeling hiervan vindt plaats op basis van
artikel 2 van deze Bijzondere Voorwaarden.”
3.8.
In een brief van 29 juni 2006 (aan [naam2] ) heeft [naam1] , met verwijzing naar clausule 699, [appellant] verzocht de financiële stukken te verstrekken over de afgelopen drie jaar (2003, 2004 en 2005), om “vast te stellen of de verzekerde bedragen in overeenstemming zijn met de nettowinst c.q. het inkomen van verzekerde”. [appellant] stuurde vervolgens de gevraagde financiële stukken over de jaren 2003, 2004 en 2005.
3.9.
In het jaar 2006 heeft [naam1] op basis van deze stukken een inkomenstoets uitgevoerd. De inkomenstoets was voor [naam1] in 2007 aanleiding de verzekerde bedragen te verlagen tot 80% van het gemiddelde inkomen van [appellant] over de jaren 2003-2005. Naar verhouding was dat een grote verlaging. Het hof is niet bekend met de verzekerde bedragen in de jaren 2007 en 2008, maar in het jaar 2009 waren de bedragen voor het eerstejaarsrisico en het na-eerstejaarsrisico allebei € 19.669,-. Met de verzekerde bedragen heeft [naam1] ook de premie verlaagd. Na deze aanpassing heeft [naam1] het in de voorafgaande jaren te veel aan premie betaalde bedrag aan [appellant] terugbetaald. [appellant] noch zijn assurantietussenpersoon hebben tegen de aanpassing van het verzekerde bedrag geprotesteerd. Evenmin hebben zij bezwaar gemaakt tegen of vragen gesteld over de vaststelling van het verzekerde bedrag. [appellant] heeft de door [naam1] gerestitueerde premie behouden. Ook is [appellant] sindsdien de lagere premie gaan betalen. De arbeidsongeschiktheidsverzekering maakte overigens onderdeel uit van een grotere bedrijfspolis met meer dekkingen, waarvan de totaal premie regelmatig veranderde, bijvoorbeeld als de gebruikte bedrijfswagen wijzigde.
3.10.
Op 1 juni 2010 heeft [appellant] zich arbeidsongeschikt gemeld en sindsdien ontvangt hij op basis van de verzekering maandelijks een uitkering.
3.11.
Vanaf december 2010 (dus ná het intreden van de arbeidsongeschiktheid) wordt door ASR een toelichting op de polis vermeld met de volgende inhoud:
“Wij adviseren u om elk jaar na te gaan of het verzekerd bedrag nog voldoet aan uw verzekeringsbehoefte. De verzekerde bedragen voor uw arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (eventueel ook bij andere verzekeraars) mogen gezamenlijk niet meer zijn dan 80% van uw gemiddelde inkomen over de afgelopen drie kalenderjaren. Is het verzekerd bedrag hoger? Dan kunt u met uw adviseur bekijken of u het verzekerd bedrag verlaagt tot maximaal 80% van uw inkomen. Bij een uitkering passen wij het verzekerd bedrag in ieder geval aan naar 80% van uw inkomen. Is het verzekerd bedrag lager? Dan kunt u met uw adviseur bekijken of u het verzekerd bedrag verhoogt tot maximaal 80% van uw inkomen.”
3.12.
Op 29 januari 2011 heeft [appellant] een brief aan ASR geschreven die er, samengevat, op neerkomt dat hij financieel niet uitkomt, dat loonheffing niet correct wordt ingehouden en hij premievrijstelling wenst.
3.13.
In een brief van 26 april 2017 heeft [appellant] , bij monde van zijn advocaat, zich (onder meer) op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van de (geïndexeerde) verzekerde bedragen per 31 januari 2005. Volgens [appellant] heeft [naam1] voor haar berekening ten onrechte refertejaren gebruikt en heeft zij miskend dat sprake is van een sommenverzekering. In een brief van 14 april 2022 heeft de advocaat van [appellant] zijn stellingen verduidelijkt.
Uitleg
3.14.
[appellant] beklaagt zich erover dat in 2006 een inkomenstoets heeft plaatsgevonden op basis van de refertejaren 2003, 2004 en 2005 en vervolgens de verzekerde som is verlaagd. Volgens hem biedt clausule 699 slechts de eenmalige bevoegdheid “drie jaar na ingang, of eerder bij arbeidsongeschiktheid”, dus hier in 2004, het inkomen te toetsen op basis van “de afgelopen twee jaar” (dus hier: 2002 en 2003). In latere inkomenstoetsen voorziet de polis niet. [appellant] ziet daarom de verzekering (in beginsel) als sommenverzekering waarbij het inkomen bij aangaan van de verzekering, verhoogd met jaarlijkse indexaties, is verzekerd, met dien verstande dat (bij wijze van uitzondering) eenmalig (na drie jaar) kan worden getoetst of het verzekerde bedrag meer is dan 80% van het inkomen en dan zo nodig kan worden aangepast. Nu dat hier niet is gebeurd, moet volgens [appellant] worden voorbijgegaan aan de inkomenstoets in 2006 en worden uitgegaan van de (geïndexeerde) verzekerde bedragen per 31 januari 2005. In deze procedure vordert [appellant] een verklaring voor recht om dit bevestigd te krijgen.
3.15.
ASR bestrijdt die uitleg. Zij legt de verzekering zo uit dat de verzekering nooit meer dekt dan 80% van het inkomen, met dien verstande dat clausule 699 meebrengt dat dit bij een startende ondernemer gedurende drie jaar niet wordt getoetst. Vanaf drie jaar kan dit echter worden getoetst en worden de verzekerde bedragen daarmee in overeenstemming gebracht. ASR wijst erop dat al uit de brochure (bladzijdes 5 en 7) en het aanvraagformulier blijkt dat zij nooit meer dekking wenst te verlenen dan 80% van het inkomen. Ook wijst ASR op de artikelen 2, 28a en 31 lid 2 onder c van de polisvoorwaarden. ASR erkent dat de toelichting die in december 2010 op de polis is geplaatst (zie rechtsoverweging 3.11) nog niet gold toen [appellant] arbeidsongeschikt raakte, maar volgens ASR geeft die toelichting niettemin steun aan haar opvatting dat de polis altijd al in die zin moet worden uitgelegd. Verder ziet ASR steun voor haar uitleg in het gegeven dat [appellant] (bijgestaan door zijn assurantietussenpersoon) zonder bezwaar heeft meegewerkt aan de inkomenstoets in 2006, dat hij in 2007 niet heeft geprotesteerd toen zijn jaarrente naar beneden werd bijgesteld en de premie navenant werd verlaagd en hij de gerestitueerde teveel betaalde premie heeft behouden. Ten slotte maakt het voor de uitleg niet uit of hier sprake is van een sommenverzekering, wat niet zo is, of een schadeverzekering, aldus ASR.
3.16.
Voor de uitleg van een verzekeringsovereenkomst geldt in het algemeen de zogenoemde Haviltex-maatstaf. De uitleg van een bepaling in polisvoorwaarden als de onderhavige, waarover tussen partijen niet onderhandeld pleegt te worden, is met name afhankelijk van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en in het licht van de in voorkomend geval bij de polisvoorwaarden behorende toelichting.
Voor de toepassing van de Haviltex-maatstaf kan van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van partijen kan worden verwacht.
In dit geval heeft [appellant] onweersproken aangevoerd dat hij in deze optreedt als consument. Verder staat vast dat hij bij het invullen van het aanvraagformulier werd bijgestaan door een assurantietussenpersoon, [naam2] . Over de precieze opdracht aan en rol van deze assurantietussenpersoon is verder weinig gebleken. Door ASR is overigens wel betoogd dat kennis van die tussenpersoon aan [appellant] moet worden toegerekend, maar is niet betoogd dat vanwege de betrokkenheid van de assurantietussenpersoon hier geen sprake is van een consumentenovereenkomst. Het hof ziet ook geen aanknopingspunt daar anders over te denken. Dit brengt mee dat voldaan moet zijn aan de eis dat voor [appellant] bij de totstandkoming van de overeenkomst in de omstandigheden van het geval duidelijk en begrijpelijk moet zijn geweest dat de bepalingen waarop ASR zich beroept de betekenis hebben die zij stelt en dat bij twijfel over de betekenis daarvan de voor [appellant] gunstigste uitleg (artikel 6:238 lid 2 BW) prevaleert. [appellant] heeft zich op deze zogenoemde contra proferentem-regel beroepen.
3.17.
Het hof ziet in de tekst van clausule 699 (zie r.o. 3.6) geen aanknopingspunten om die anders uit te leggen dan dat de verzekeraar drie jaar na het aangaan van de verzekering (of eerder bij arbeidsongeschiktheid) een inkomenscheck mag doen, op basis van de twee jaar daarvoor, om na te gaan of de verzekerde som meer bedraagt dan 80% van het inkomen, en, als dat het geval blijkt te zijn, de verzekerde jaarrente te verlagen naar 80% van het inkomen. De tekst van de bepaling is hierover op zich duidelijk.
3.18.
ASR heeft onvoldoende aangevoerd om de clausule gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en gelet op een eventuele toelichting daarop uit te leggen op de door haar gestelde wijze.
ASR wijst op de brochure waar [appellant] kennis van heeft genomen. ASR betoogt dat uit die brochure (zie rechtsoverweging 3.4) blijkt dat de bedoeling van de verzekering is om nooit meer dan 80% van het inkomen te dekken. Dit heeft zich echter niet vertaald in een regeling in de polis(voorwaarden) waaruit dit blijkt en waarbij gedurende de looptijd van de verzekering de verzekerde som periodiek wordt getoetst aan het inkomen. In clausule 699 is immers slechts een eenmalige toetsing aan het inkomen opgenomen. Dat [appellant] op basis van opmerkingen in de brochure de clausule toch ruimer had moeten opvatten, in die zin dat vanaf drie jaar gedurende de gehele looptijd een periodieke toetsing aan het inkomen moet of kan plaatsvinden, kan niet worden aangenomen Dit geldt temeer, nu de opmerkingen in de brochure over 80% van het inkomen niet zo eenduidig zijn als ASR doet voorkomen. [appellant] heeft er terecht op gewezen dat in de brochure (en ook in het aanvraagformulier) telkens wordt gesproken over “huidige inkomen” zonder dat wordt uitgelegd wat daaronder moet worden verstaan. Volgens [appellant] kan dat ook worden opgevat als het inkomen van dat moment.
Ook als de verdere inhoud en context van de polisvoorwaarden als geheel mede in beschouwing worden genomen, leidt dat niet tot de door ASR bepleite uitleg. Uit het samenstel van de artikelen 2, 28a en 31 van de polisvoorwaarden blijkt onvoldoende duidelijk dat het de bedoeling van de verzekering is om nooit meer dan 80% van het actuele inkomen (dan wel een gemiddeld inkomen van de afgelopen twee of drie jaar) te dekken. Artikel 31 spreekt over een meldingsplicht als “verzekeringnemer geen of minder verzekerbaar belang heeft bij hetgeen verzekerd is”, zonder duidelijk te maken dat “het verzekerbaar belang bij hetgeen verzekerd is” (in de visie van ASR) is gekoppeld aan het actuele inkomen. In de polisvoorwaarden staat geen enkele bepaling die er concreet op neerkomt dat een verzekeringnemer periodiek moet nagaan of het verzekerd bedrag meer is dan 80% van zijn actuele inkomen en, zo ja, dat hij dit dan moet melden en hoe vaak dan, waarna de omvang van de dekking zal worden teruggebracht. Niet voor niets is in december 2010 een toelichting op de polis gekomen (zie rechtsoverweging 3.11), waarmee is getracht dit wel duidelijk te maken. Vaststaat dat die toelichting nog niet gold op het moment dat [appellant] vanwege arbeidsongeschiktheid in juni 2010 aanspraak maakte op dekking en voor [appellant] dus niet kenbaar was. Het hof ziet niet in hoe die toelichting, hoewel niet van toepassing, toch een voor ASR positieve rol kan spelen bij de uitleg van de polis.
3.19.
Verder ziet ASR steun voor haar uitleg in het gegeven dat [appellant] (bijgestaan door zijn assurantietussenpersoon) zonder bezwaar heeft meegewerkt aan de inkomenstoets in 2006, dat [appellant] in 2007 niet heeft geprotesteerd toen het verzekerd bedrag naar beneden werd bijgesteld en de premie navenant werd verlaagd en dat hij de gerestitueerde teveel betaalde premie heeft behouden.
3.20.
Voor het hof leggen die omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal om tot een andere uitleg te komen. Als gezegd draait het bij de uitleg van bepalingen in een verzekeringsovereenkomst om objectieve factoren. Die leiden allen tot de uitleg van [appellant] . Het niet protesteren in 2006 en 2007 kan evenzeer met onoplettendheid samenhangen en legt als subjectieve factor onvoldoende gewicht in de schaal om te kunnen komen tot de door ASR bepleite uitleg. Voor zover er ruimte voor enige twijfel zou zijn, zou toepassing van de contra proferentem-regel ook leiden tot de uitleg van [appellant] .
3.21.
De conclusie is dat het hof zal uitgaan van de door [appellant] gestelde uitleg.
Geen wijzigingsovereenkomst
3.22.
Het hof leest in de hiervoor genoemde stellingen van ASR (zie 3.19) niet een (subsidiair) beroep op de rechtsgrond dat, als ASR niet gevolgd wordt in haar uitleg, ASR op grond van deze feiten er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat in 2007 tussen haar en [appellant] een wijziging van de verzekeringsovereenkomst is overeengekomen waarbij een verlaagde verzekerde som is overeengekomen met een verlaagde premie en dat [appellant] daarom aan de verlaagde jaarrente gebonden is. Voor zover die rechtsgrond wel had moeten worden ingelezen of aangevuld, ontbreken voldoende feitelijke bouwstenen ter onderbouwing daarvan. Met name ontbreekt elke feitelijke informatie over de communicatie tussen partijen in 2007. Zo ontbreekt de berekening van de door ASR aangepaste jaarrente en hoe de beslissing daarover is gecommuniceerd met [appellant] en/of diens assurantietussenpersoon. Ook ontbreekt een polisaanhangsel uit 2007 en is daarmee onbekend wat daarin is vermeld over een lagere jaarrente. Onder die omstandigheden is te weinig feitelijke informatie voorhanden om te kunnen concluderen dat het niet reageren van [appellant] op de verlaagde jaarrente en het gaan betalen van de lagere premie (en gerestitueerd krijgen van teveel betaalde premie) in de gegeven omstandigheden door ASR gerechtvaardigd mocht worden opgevat als aanvaarding door [appellant] van een aanbod tot verlaging van de verzekerde som, temeer nu ASR gelet op het voorgaande wist of had moeten weten dat haar aanbod daartoe geen steun vond in de polis(voorwaarden) en [appellant] in deze optreedt als consument.
Verjaring?
3.23.
Het voorgaande betekent dat de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht in beginsel toewijsbaar is. Hij zou daar echter geen belang bij hebben als klopt wat ASR stelt, namelijk dat zijn vorderingen uit de verzekeringsovereenkomst zijn verjaard. Het hof begrijpt dat zo dat alle aanspraken van [appellant] voor zover gebaseerd op hogere verzekerde sommen dan zoals die in 2007 zijn vastgesteld, zijn verjaard drie jaar na 2010. ASR stelt zich op het standpunt dat op dat moment het verzekerde risico (de arbeidsongeschiktheid) zich heeft verwezenlijk en de verplichting tot het doen van een uitkering onder de verzekering opeisbaar is geworden en [appellant] daarmee bekend was. De driejaarstermijn van artikel 7:942 lid 1 BW is daarmee volgens ASR gaan lopen. Binnen die drie jaar heeft [appellant] geen aanspraak gemaakt op vergoeding van hogere verzekerde sommen dan die door ASR werden gehanteerd en uitbetaald, zo begrijpt het hof ASR. Aldus ontbreekt een tijdige stuiting.
3.24.
Volgens [appellant] worden de uitkeringen op grond van de polis maandelijks opeisbaar en betekent dat in dit geval dat alleen de termijnen van voor 26 april 2014 zijn verjaard, omdat hij via de brief van zijn advocaat van 26 april 2017 (zie rechtsoverweging 3.13) aanspraak heeft gemaakt op de hogere verzekerde bedragen.
3.25.
Artikel 7: 942 lid 1 BW bepaalt dat een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. Het hof volgt [appellant] in zijn opvatting dat bij een arbeidsongeschiktheidsverzekering met maandelijkse uitkeringstermijnen sprake is van op zichzelf staande, losse vorderingen op de verzekeraar. Voor elke opeisbare maandtermijn geldt dan een zelfstandige verjaringstermijn van drie jaar. Deze opvatting is in lijn met die van het Kifid en sluit aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad over de verjaring van vorderingen uit onverschuldigde betaling. Die laatste uitspraak dateert van na het door ASR aangehaalde arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 september 2020 , waarin nog van een andere opvatting werd uitgegaan.
3.26.
Het beroep op verjaring slaagt dus alleen voor zover het de maandelijkse termijnen van vóór 26 april 2014 betreft.
Geen schending klachtplicht
3.27.
ASR stelt dat [appellant] niet tijdig heeft geklaagd over het opvragen van de inkomensgegevens in 2006 en het daarmee samenhangend verlagen van de verzekerde som in 2007. [appellant] heeft daar voor het eerst over geklaagd in de brief van zijn advocaat van 26 april 2017. Als aangenomen moet worden dat ASR in 2006 de inkomensgegevens te laat opvroeg, dan wist [appellant] dat toen al en had hij daar toen bezwaar tegen moeten maken. De kennis van de assurantietussenpersoon moet daarbij aan [appellant] worden toegerekend, aldus ASR. Er zijn volgens ASR geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit kan volgen dat [appellant] meer dan een paar maanden nodig had om te onderzoeken of de verzekerde bedragen in 2007 terecht werden verlaagd. Door vervolgens te wachten met klagen tot 2017 heeft ASR naar haar zeggen nadeel ondervonden, aangezien de correspondentie in het dossier “niet meer integraal raadpleegbaar is” en bij de behandeling van het dossier betrokken personen niet langer in dienst zijn. Ook beschikt zij niet meer over de inkomensgegevens over de jaren 2003 tot en met 2005. Zij kan daarom geen reconstructie meer maken van de inkomenstoets zoals [naam1] die in 2006 heeft uitgevoerd. ASR is daarmee geschaad in haar belangen. [appellant] bestrijdt dat hij de klachtplicht heeft geschonden.
3.28.
Artikel 6:89 BW ziet op het klagen over een gebrek in een prestatie en vindt toepassing bij alle verbintenissen. De eerste vraag is over welke gebrekkige prestatie en welke verbintenis het hier gaat. Het hof ziet niet in hoe het (zonder rechtsgrond) opvragen van inkomensgegevens in 2006 valt te duiden als een gebrekkige prestatie van ASR. Als dat al anders zou zijn, zou dat overigens niet tot een ander oordeel leiden. Het hof begrijpt ASR verder aldus dat een van haar verbintenissen uit hoofde van de verzekering eruit bestaat dat zij jaarlijks correcte polisaanhangsels moet afgeven, met daarin de vaststelling van correcte verzekerde jaarrentes. Als een niet correcte jaarrente wordt vermeld is dat een gebrekkige prestatie, zo begrijpt het hof. Het hof kan daarin meegaan. Dat dit niet de hoofdverbintenis is, maakt dat niet anders.
3.29.
ASR meent verder dat als vanaf 2007 de jaarrentes niet correct (te laag) in de polisaanhangsels worden vermeld [appellant] (bijgestaan door zijn assurantietussenpersoon) dat in 2007 heeft ontdekt of bij een redelijkerwijs van hem te vergen onderzoek had behoren te ontdekken. Het hof zal veronderstellenderwijs hierin meegaan, hoewel [appellant] dit heeft betwist. Vervolgens is dan de vraag wanneer [appellant] hierover voor het eerst heeft geklaagd. Het standpunt van [appellant] is dat hij in 2011 hierover al heeft geklaagd, onder verwijzing naar zijn brief van 29 januari 2011. Het hof volgt hem daarin niet, nu de brief van 29 januari 2011 niet op die manier kan worden uitgelegd. Deze brief gaat immers over iets anders. Het hof gaat er daarom met ASR van uit dat eerst is geklaagd met de brief van 26 april 2017. De volgende vraag is of daarmee te laat is geklaagd.
3.30.
De beantwoording van de vraag of te laat is geklaagd hangt af van de omstandigheden van het geval. Het ligt daarbij op de weg van ASR feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen, waaruit kan volgen dat het tijdsverloop vanaf 2007 tot aan het moment waarop [appellant] geklaagd heeft (26 april 2017) zo lang is geweest dat niet kan worden gesproken van een tijdige klacht als bedoeld in de art. 6:89 BW. Naar het oordeel van het hof heeft ASR aan deze stelplicht onvoldoende invulling gegeven. ASR heeft enkel verwezen naar door haar gesteld nadeel, bestaande uit het niet meer kunnen beschikken over documenten. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is gevraagd om welke documenten het dan precies gaat. Op die vraag kon ASR geen antwoord geven. Voor zover ASR heeft gezinspeeld op wegraken van stukken door de overgang van de polis van [naam1] naar ASR mist dat een onderbouwing in het licht van de stelling van [appellant] dat die overgang plaatsvond ná zijn klachtbrief in 2017. Wat betreft de inkomensgegevens over 2003 tot en met 2005 valt verder niet in te zien waarom ASR in haar belangen is geschaad door het niet meer kunnen reconstrueren van de inkomsenstoets in 2006. Dit aangezien die inkomenstoets in de uitleg van het hof zonder gevolgen had moeten blijven. Welke betrokken personen niet langer in dienst zijn en tot welk nadeel dat precies heeft geleid heeft ASR verder ook niet toegelicht.
3.31.
Voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft ASR een beroep gedaan op artikel 11 van de polisvoorwaarden, waarin staat dat de vaststelling van de uitkering wordt geacht in overeenstemming te zijn met hoe die moet zijn als niet binnen één jaar daarover is geklaagd. Het hof begrijpt ASR aldus dat zij in dit verband niet langer het oog heeft op haar verbintenis tot het afgeven van een juist polisaanhangsel, maar op haar verbintenis tot het doen van uitkeringen conform de polis. Die verbintenis heeft zij voor het eerst geschonden in 2010, en daarover had dan op grond van genoemde bepaling binnen een jaar geklaagd moeten worden, bij gebreke waarvan de uitkering geacht moet worden in overeenstemming te zijn met de polis, zo begrijp het hof ASR. Volgens [appellant] is een beroep op artikel 11 van de polisvoorwaarden in strijd met dwingend recht.
3.32.
Het hof acht het beroep op artikel 11 van de polisvoorwaarden in strijd met de twee-conclusieregel, nu dat eerst op zitting is gedaan. Het beroep houdt geen verdieping in van het bestaande debat over de klachtplicht, maar een verbreding, omdat wordt uitgegaan van een andere verbintenis (prestatie) dan waar het in de stukken over ging en het geheel nieuwe vragen oproept, met name over de geldigheid van de bewuste bepaling, waarover geen debat heeft plaatsgevonden. Ook is niet gedebatteerd over de uitleg van bedoelde bepaling, waaronder de vraag of het hier gaat om een eenmalige vaststelling of een periodiek terugkerende vaststelling. Het hof gaat daarom voorbij aan dit te late beroep op artikel 11 van de polisvoorwaarden.
3.33.
Het beroep op schending van de klachtplicht faalt.
Gevolg
3.34.
Omdat clausule 699 niet (tijdig en correct) is toegepast, de inkomenstoets in 2006 contractuele grondslag miste en in 2007 geen wijzigingsovereenkomst tot stand is gekomen, volgt het hof [appellant] in zijn opvatting dat hij in 2010 nog steeds verzekerd was voor de oorspronkelijk op de polis vermelde jaarrentes (dus van voor het moment van verlaging daarvan in 2007), vermeerderd met de jaarlijkse indexaties van 3%.
ASR heeft nog betoogd dat de door [appellant] voorgestelde uitleg van clausule 699 tot dezelfde uitkomst had geleid. Indien ASR in 2004 het inkomen zou hebben getoetst op basis van de jaren 2002 en 2003, wat volgens [appellant] zou zijn toegestaan, dan zou het verzekerde bedrag ook zijn verlaagd tot de verzekerde som die nu uitgangspunt is, aldus ASR. Het hof volgt deze redenering niet. Het gaat hier immers niet om een vordering tot schadevergoeding op grond van een tekortkoming, waarbij vergeleken moet worden met wat in de hypothetische situatie zonder tekortkoming was gebeurd. Het gaat om een vordering tot nakoming. Los daarvan heeft [appellant] gemotiveerd betwist dat een toets in 2004 over de jaren 2002 en 2003 tot een zelfde uitkomst zou hebben geleid en heeft ASR haar andersluidend standpunt niet voldoende onderbouwd.
Het voorgaande betekent dat de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is, met dien verstande dat de termijnen van vóór 26 april 2014 zijn verjaard.
3.35.
De wettelijke rente is als gevorderd en niet betwist toewijsbaar vanaf het moment van verschuldigdheid van de maandelijkse te laag uitgekeerde uitkering (artikel 6:83 aanhef en onder a BW).
De conclusie
3.36.
Het hoger beroep slaagt. Omdat ASR (grotendeels) in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in zowel het hoger beroep als die bij de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3.37.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4De beslissing
Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 2 april 2025 en beslist
- verklaart voor recht dat ASR is gehouden uit te keren op basis van het oorspronkelijke, niet verlaagde verzekerde bedrag, vermeerderd met indexatie en vermeerderd met wettelijke rente vanaf het moment van verschuldigdheid van de maandelijkse te lage uitkering, met dien verstande dat uitkeringen van voor 26 april 2014 zijn verjaard
4.2.
veroordeelt ASR tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de rechtbank:
o € 320,- aan griffierecht
o € 1.228,- aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 punten x het toepasselijke (oude) tarief II á € 614,- per punt)
en tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep:
o € 362,- aan griffierecht
o € 144,47 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan ASR
o € 2.580,- aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x het toepasselijke (huidige) tarief II á € 1.290,- per punt)
4.3.
bepaalt dat alle genoemde kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, C. Bakker en V. van der Kuil en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
Daarnaast werd een zogenoemde WAZ Garant Plus verzekering afgesloten. Die werd beëindigd in 2004 met de afschaffing van de WAZ (Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen), waarbij de dekking op de AOV garant Plus rubriek B werd verhoogd.
O.a. HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793 en HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601
HR 16 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:83
Zie onder meer Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening 9 april 2020, nr. 2021-0001B
HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:761
Gerechtshof Amsterdam 8 september 2020 ECLI:NL:GHAMS:2020:2444
HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.358.960
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 579038
arrest van 22 september 2026
in de zaak van:
[appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. R. Gerretsen
tegen:
ASR Schadeverzekeringen N.V. (ASR)
die is gevestigd in Utrecht
advocaat: mr. M.H. Pluymen
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank) op 2 april 2025 tussen partijen heeft uitgesproken.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de memorie van antwoord
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 8 juli 2026 is gehouden.
2De kern van de zaak
2.1.
[appellant] heeft bij (een rechtsvoorganger van) ASR een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. Vanaf 2010 is [appellant] arbeidsongeschikt. Hij maakt aanspraak op betaling van maandelijkse uitkeringen conform de verzekerde bedragen zoals die tot 2007 op de polis werden vermeld (vermeerderd met indexaties). In 2007 is het verzekerde bedrag op de polis verlaagd, maar dat was volgens [appellant] in strijd met de overeenkomst. ASR ontkent dat. Ook beroept ASR zich op verjaring en schending van de klachtplicht. De rechtbank heeft de vordering van [appellant] (een verklaring voor recht) afgewezen. Het hof zal die vordering echter grotendeels toewijzen. Hierna wordt uitgelegd hoe het hof tot die beslissing komt.
3De toelichting op de beslissing van het hof
De feiten
3.1.
[appellant] is sinds 1 januari 2001 werkzaam als zelfstandig werkend timmerman.
3.2.
Op 7 februari 2001 heeft [naam1] , de rechtsvoorgangster van ASR van de assurantietussenpersoon van [appellant] , Assurantie en Financieringskantoor [naam2] (hierna: [naam2] ), een aanvraagformulier ontvangen voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor [appellant] , met een te verzekeren jaarrente voor rubriek A van NLG 60.000,-- en voor rubriek B NLG 38.000,- .
3.3.
In het aanvraagformulier heeft [appellant] op een daartoe strekkende vraag vermeld welk inkomen hij de afgelopen drie jaren in loondienst heeft genoten. Verder heeft hij een berekening opgeschreven van het inkomen dat hij dacht dat als zelfstandige te gaan verdienen. De vraag of de aangevraagde bedragen tezamen met overige voorzieningen bij arbeidsongeschiktheid ten hoogste 80% vormen van zijn “huidige winst respectievelijk inkomen” heeft hij met “ja” beantwoord.
3.4.
In een door [appellant] vooraf geraadpleegde brochure over het product staat onder meer vermeld:
Op blz. 4:
“ [naam1] biedt u als zelfstandig ondernemer de keus uit: de AOV
GARANT en de AOV GARANT PLUS waarmee u maximaal 80% van uw
huidige inkomen kunt verzekeren.”
Op blz. 5:
En op blz. 7:
“Variabele jaarrente. U heeft de keus uit een gelijkblijvende jaarrente,
een met 3, 4 of 5% klimmende jaarrente of een combinatie hiervan. De jaarrente
is maximaal 80% van uw huidige inkomen.”
3.5.
Op basis hiervan heeft [naam1] een offerte afgegeven, die door [appellant] is aanvaard. Vervolgens heeft [naam1] op 23 maart 2001 een polis afgegeven. Op de polis is vermeld dat [appellant] met ingang van 8 februari 2001 is verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid in zijn beroep van ‘Timmerman e.a. Houtbewerkers’. De verzekerde jaarrente voor het eerste ziektejaar (rubriek A) bedroeg 60.000 gulden (€ 27.226,-) en vanaf het tweede ziektejaar 38.000,- (rubriek B) gulden (€ 17.243,-), met een jaarlijkse samengestelde “klimming” van 3%.
3.6.
Op de polis is verder clausule 699 vermeld. Deze clausule luidt als volgt:
“In de polis zal worden aangetekend dat drie jaar na ingang, of eerder bij arbeidsongeschiktheid, een inkomenstoets zal plaatsvinden om na te gaan of de huidige rentebedragen overeenstemmen met maximaal 80% van het netto winstaandeel van betrokkene over de afgelopen twee jaar. Als de verzekerde jaarrente meer bedraagt dan voorgenoemde 80% (voor rubriek B rekeninghoudend met de W.A.Z.) dient de rente voor rubriek A te worden verlaagd tot deze 80% en de rente voor rubriek B tot deze 80% minus de W.A.Z.
Aanpassing van de eventueel te verlagen verzekerde bedragen zal na toetsing van het inkomen geschieden of, bij arbeidsongeschiktheid, per schadedatum. Na aanpassing zal eventueel teveel betaalde premie door de maatschappij worden gerestitueerd.”
3.7.
In de toepasselijke polisvoorwaarden AOV Garant Plus (tekst zoals die gold ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid) wordt onder meer bepaald:
“Artikel 2 Strekking van de verzekering
Deze verzekering verleent een periodieke uitkering bij derving van
inkomen door verzekerde tengevolge van zijn arbeidsongeschiktheid.
Artikel 28 Optie met betrekking tot verhoging
verzekerde jaarrente
Elk jaar kan verzekeringnemer voor de hoofdpremievervaldag
(optiedatum) verzoeken de verzekerde jaarrente van Rubriek A en/of
B te verhogen. De verhoging kan tot maximaal 15% van de
verzekerde jaarrente plaatsvinden zonder medische acceptatie.
Voor deze verhogingen gelden de volgende voorwaarden;
a. de verzekerde Jaarrente In combinatie met enige andere voorziening
terzake van inkomstenderving als gevolg van arbeidsongeschiktheid
mag niet meer bedragen dan 80% van het jaarinkomen.
Onder het jaarinkomen wordt verstaan de Inkomsten van verzekerde
uit arbeid en/of winst uit onderneming in de zin van de Wet op de
Inkomstenbelasting; (…)
Artikel 31 Verplichtingen bij andere risicowijziging(en)
(…)
2. Verzekeringnemer respectievelijk verzekerde is verplicht op straffe
van verlies van het recht op uitkering de maatschappij onmiddellijk
kennis te geven, wanneer:
(…)
c. verzekeringnemer geen of minder verzekerbaar belang heeft bij
hetgeen verzekerd is. Beoordeling hiervan vindt plaats op basis van
artikel 2 van deze Bijzondere Voorwaarden.”
3.8.
In een brief van 29 juni 2006 (aan [naam2] ) heeft [naam1] , met verwijzing naar clausule 699, [appellant] verzocht de financiële stukken te verstrekken over de afgelopen drie jaar (2003, 2004 en 2005), om “vast te stellen of de verzekerde bedragen in overeenstemming zijn met de nettowinst c.q. het inkomen van verzekerde”. [appellant] stuurde vervolgens de gevraagde financiële stukken over de jaren 2003, 2004 en 2005.
3.9.
In het jaar 2006 heeft [naam1] op basis van deze stukken een inkomenstoets uitgevoerd. De inkomenstoets was voor [naam1] in 2007 aanleiding de verzekerde bedragen te verlagen tot 80% van het gemiddelde inkomen van [appellant] over de jaren 2003-2005. Naar verhouding was dat een grote verlaging. Het hof is niet bekend met de verzekerde bedragen in de jaren 2007 en 2008, maar in het jaar 2009 waren de bedragen voor het eerstejaarsrisico en het na-eerstejaarsrisico allebei € 19.669,-. Met de verzekerde bedragen heeft [naam1] ook de premie verlaagd. Na deze aanpassing heeft [naam1] het in de voorafgaande jaren te veel aan premie betaalde bedrag aan [appellant] terugbetaald. [appellant] noch zijn assurantietussenpersoon hebben tegen de aanpassing van het verzekerde bedrag geprotesteerd. Evenmin hebben zij bezwaar gemaakt tegen of vragen gesteld over de vaststelling van het verzekerde bedrag. [appellant] heeft de door [naam1] gerestitueerde premie behouden. Ook is [appellant] sindsdien de lagere premie gaan betalen. De arbeidsongeschiktheidsverzekering maakte overigens onderdeel uit van een grotere bedrijfspolis met meer dekkingen, waarvan de totaal premie regelmatig veranderde, bijvoorbeeld als de gebruikte bedrijfswagen wijzigde.
3.10.
Op 1 juni 2010 heeft [appellant] zich arbeidsongeschikt gemeld en sindsdien ontvangt hij op basis van de verzekering maandelijks een uitkering.
3.11.
Vanaf december 2010 (dus ná het intreden van de arbeidsongeschiktheid) wordt door ASR een toelichting op de polis vermeld met de volgende inhoud:
“Wij adviseren u om elk jaar na te gaan of het verzekerd bedrag nog voldoet aan uw verzekeringsbehoefte. De verzekerde bedragen voor uw arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (eventueel ook bij andere verzekeraars) mogen gezamenlijk niet meer zijn dan 80% van uw gemiddelde inkomen over de afgelopen drie kalenderjaren. Is het verzekerd bedrag hoger? Dan kunt u met uw adviseur bekijken of u het verzekerd bedrag verlaagt tot maximaal 80% van uw inkomen. Bij een uitkering passen wij het verzekerd bedrag in ieder geval aan naar 80% van uw inkomen. Is het verzekerd bedrag lager? Dan kunt u met uw adviseur bekijken of u het verzekerd bedrag verhoogt tot maximaal 80% van uw inkomen.”
3.12.
Op 29 januari 2011 heeft [appellant] een brief aan ASR geschreven die er, samengevat, op neerkomt dat hij financieel niet uitkomt, dat loonheffing niet correct wordt ingehouden en hij premievrijstelling wenst.
3.13.
In een brief van 26 april 2017 heeft [appellant] , bij monde van zijn advocaat, zich (onder meer) op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van de (geïndexeerde) verzekerde bedragen per 31 januari 2005. Volgens [appellant] heeft [naam1] voor haar berekening ten onrechte refertejaren gebruikt en heeft zij miskend dat sprake is van een sommenverzekering. In een brief van 14 april 2022 heeft de advocaat van [appellant] zijn stellingen verduidelijkt.
Uitleg
3.14.
[appellant] beklaagt zich erover dat in 2006 een inkomenstoets heeft plaatsgevonden op basis van de refertejaren 2003, 2004 en 2005 en vervolgens de verzekerde som is verlaagd. Volgens hem biedt clausule 699 slechts de eenmalige bevoegdheid “drie jaar na ingang, of eerder bij arbeidsongeschiktheid”, dus hier in 2004, het inkomen te toetsen op basis van “de afgelopen twee jaar” (dus hier: 2002 en 2003). In latere inkomenstoetsen voorziet de polis niet. [appellant] ziet daarom de verzekering (in beginsel) als sommenverzekering waarbij het inkomen bij aangaan van de verzekering, verhoogd met jaarlijkse indexaties, is verzekerd, met dien verstande dat (bij wijze van uitzondering) eenmalig (na drie jaar) kan worden getoetst of het verzekerde bedrag meer is dan 80% van het inkomen en dan zo nodig kan worden aangepast. Nu dat hier niet is gebeurd, moet volgens [appellant] worden voorbijgegaan aan de inkomenstoets in 2006 en worden uitgegaan van de (geïndexeerde) verzekerde bedragen per 31 januari 2005. In deze procedure vordert [appellant] een verklaring voor recht om dit bevestigd te krijgen.
3.15.
ASR bestrijdt die uitleg. Zij legt de verzekering zo uit dat de verzekering nooit meer dekt dan 80% van het inkomen, met dien verstande dat clausule 699 meebrengt dat dit bij een startende ondernemer gedurende drie jaar niet wordt getoetst. Vanaf drie jaar kan dit echter worden getoetst en worden de verzekerde bedragen daarmee in overeenstemming gebracht. ASR wijst erop dat al uit de brochure (bladzijdes 5 en 7) en het aanvraagformulier blijkt dat zij nooit meer dekking wenst te verlenen dan 80% van het inkomen. Ook wijst ASR op de artikelen 2, 28a en 31 lid 2 onder c van de polisvoorwaarden. ASR erkent dat de toelichting die in december 2010 op de polis is geplaatst (zie rechtsoverweging 3.11) nog niet gold toen [appellant] arbeidsongeschikt raakte, maar volgens ASR geeft die toelichting niettemin steun aan haar opvatting dat de polis altijd al in die zin moet worden uitgelegd. Verder ziet ASR steun voor haar uitleg in het gegeven dat [appellant] (bijgestaan door zijn assurantietussenpersoon) zonder bezwaar heeft meegewerkt aan de inkomenstoets in 2006, dat hij in 2007 niet heeft geprotesteerd toen zijn jaarrente naar beneden werd bijgesteld en de premie navenant werd verlaagd en hij de gerestitueerde teveel betaalde premie heeft behouden. Ten slotte maakt het voor de uitleg niet uit of hier sprake is van een sommenverzekering, wat niet zo is, of een schadeverzekering, aldus ASR.
3.16.
Voor de uitleg van een verzekeringsovereenkomst geldt in het algemeen de zogenoemde Haviltex-maatstaf. De uitleg van een bepaling in polisvoorwaarden als de onderhavige, waarover tussen partijen niet onderhandeld pleegt te worden, is met name afhankelijk van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en in het licht van de in voorkomend geval bij de polisvoorwaarden behorende toelichting.
Voor de toepassing van de Haviltex-maatstaf kan van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van partijen kan worden verwacht.
In dit geval heeft [appellant] onweersproken aangevoerd dat hij in deze optreedt als consument. Verder staat vast dat hij bij het invullen van het aanvraagformulier werd bijgestaan door een assurantietussenpersoon, [naam2] . Over de precieze opdracht aan en rol van deze assurantietussenpersoon is verder weinig gebleken. Door ASR is overigens wel betoogd dat kennis van die tussenpersoon aan [appellant] moet worden toegerekend, maar is niet betoogd dat vanwege de betrokkenheid van de assurantietussenpersoon hier geen sprake is van een consumentenovereenkomst. Het hof ziet ook geen aanknopingspunt daar anders over te denken. Dit brengt mee dat voldaan moet zijn aan de eis dat voor [appellant] bij de totstandkoming van de overeenkomst in de omstandigheden van het geval duidelijk en begrijpelijk moet zijn geweest dat de bepalingen waarop ASR zich beroept de betekenis hebben die zij stelt en dat bij twijfel over de betekenis daarvan de voor [appellant] gunstigste uitleg (artikel 6:238 lid 2 BW) prevaleert. [appellant] heeft zich op deze zogenoemde contra proferentem-regel beroepen.
3.17.
Het hof ziet in de tekst van clausule 699 (zie r.o. 3.6) geen aanknopingspunten om die anders uit te leggen dan dat de verzekeraar drie jaar na het aangaan van de verzekering (of eerder bij arbeidsongeschiktheid) een inkomenscheck mag doen, op basis van de twee jaar daarvoor, om na te gaan of de verzekerde som meer bedraagt dan 80% van het inkomen, en, als dat het geval blijkt te zijn, de verzekerde jaarrente te verlagen naar 80% van het inkomen. De tekst van de bepaling is hierover op zich duidelijk.
3.18.
ASR heeft onvoldoende aangevoerd om de clausule gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en gelet op een eventuele toelichting daarop uit te leggen op de door haar gestelde wijze.
ASR wijst op de brochure waar [appellant] kennis van heeft genomen. ASR betoogt dat uit die brochure (zie rechtsoverweging 3.4) blijkt dat de bedoeling van de verzekering is om nooit meer dan 80% van het inkomen te dekken. Dit heeft zich echter niet vertaald in een regeling in de polis(voorwaarden) waaruit dit blijkt en waarbij gedurende de looptijd van de verzekering de verzekerde som periodiek wordt getoetst aan het inkomen. In clausule 699 is immers slechts een eenmalige toetsing aan het inkomen opgenomen. Dat [appellant] op basis van opmerkingen in de brochure de clausule toch ruimer had moeten opvatten, in die zin dat vanaf drie jaar gedurende de gehele looptijd een periodieke toetsing aan het inkomen moet of kan plaatsvinden, kan niet worden aangenomen Dit geldt temeer, nu de opmerkingen in de brochure over 80% van het inkomen niet zo eenduidig zijn als ASR doet voorkomen. [appellant] heeft er terecht op gewezen dat in de brochure (en ook in het aanvraagformulier) telkens wordt gesproken over “huidige inkomen” zonder dat wordt uitgelegd wat daaronder moet worden verstaan. Volgens [appellant] kan dat ook worden opgevat als het inkomen van dat moment.
Ook als de verdere inhoud en context van de polisvoorwaarden als geheel mede in beschouwing worden genomen, leidt dat niet tot de door ASR bepleite uitleg. Uit het samenstel van de artikelen 2, 28a en 31 van de polisvoorwaarden blijkt onvoldoende duidelijk dat het de bedoeling van de verzekering is om nooit meer dan 80% van het actuele inkomen (dan wel een gemiddeld inkomen van de afgelopen twee of drie jaar) te dekken. Artikel 31 spreekt over een meldingsplicht als “verzekeringnemer geen of minder verzekerbaar belang heeft bij hetgeen verzekerd is”, zonder duidelijk te maken dat “het verzekerbaar belang bij hetgeen verzekerd is” (in de visie van ASR) is gekoppeld aan het actuele inkomen. In de polisvoorwaarden staat geen enkele bepaling die er concreet op neerkomt dat een verzekeringnemer periodiek moet nagaan of het verzekerd bedrag meer is dan 80% van zijn actuele inkomen en, zo ja, dat hij dit dan moet melden en hoe vaak dan, waarna de omvang van de dekking zal worden teruggebracht. Niet voor niets is in december 2010 een toelichting op de polis gekomen (zie rechtsoverweging 3.11), waarmee is getracht dit wel duidelijk te maken. Vaststaat dat die toelichting nog niet gold op het moment dat [appellant] vanwege arbeidsongeschiktheid in juni 2010 aanspraak maakte op dekking en voor [appellant] dus niet kenbaar was. Het hof ziet niet in hoe die toelichting, hoewel niet van toepassing, toch een voor ASR positieve rol kan spelen bij de uitleg van de polis.
3.19.
Verder ziet ASR steun voor haar uitleg in het gegeven dat [appellant] (bijgestaan door zijn assurantietussenpersoon) zonder bezwaar heeft meegewerkt aan de inkomenstoets in 2006, dat [appellant] in 2007 niet heeft geprotesteerd toen het verzekerd bedrag naar beneden werd bijgesteld en de premie navenant werd verlaagd en dat hij de gerestitueerde teveel betaalde premie heeft behouden.
3.20.
Voor het hof leggen die omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal om tot een andere uitleg te komen. Als gezegd draait het bij de uitleg van bepalingen in een verzekeringsovereenkomst om objectieve factoren. Die leiden allen tot de uitleg van [appellant] . Het niet protesteren in 2006 en 2007 kan evenzeer met onoplettendheid samenhangen en legt als subjectieve factor onvoldoende gewicht in de schaal om te kunnen komen tot de door ASR bepleite uitleg. Voor zover er ruimte voor enige twijfel zou zijn, zou toepassing van de contra proferentem-regel ook leiden tot de uitleg van [appellant] .
3.21.
De conclusie is dat het hof zal uitgaan van de door [appellant] gestelde uitleg.
Geen wijzigingsovereenkomst
3.22.
Het hof leest in de hiervoor genoemde stellingen van ASR (zie 3.19) niet een (subsidiair) beroep op de rechtsgrond dat, als ASR niet gevolgd wordt in haar uitleg, ASR op grond van deze feiten er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat in 2007 tussen haar en [appellant] een wijziging van de verzekeringsovereenkomst is overeengekomen waarbij een verlaagde verzekerde som is overeengekomen met een verlaagde premie en dat [appellant] daarom aan de verlaagde jaarrente gebonden is. Voor zover die rechtsgrond wel had moeten worden ingelezen of aangevuld, ontbreken voldoende feitelijke bouwstenen ter onderbouwing daarvan. Met name ontbreekt elke feitelijke informatie over de communicatie tussen partijen in 2007. Zo ontbreekt de berekening van de door ASR aangepaste jaarrente en hoe de beslissing daarover is gecommuniceerd met [appellant] en/of diens assurantietussenpersoon. Ook ontbreekt een polisaanhangsel uit 2007 en is daarmee onbekend wat daarin is vermeld over een lagere jaarrente. Onder die omstandigheden is te weinig feitelijke informatie voorhanden om te kunnen concluderen dat het niet reageren van [appellant] op de verlaagde jaarrente en het gaan betalen van de lagere premie (en gerestitueerd krijgen van teveel betaalde premie) in de gegeven omstandigheden door ASR gerechtvaardigd mocht worden opgevat als aanvaarding door [appellant] van een aanbod tot verlaging van de verzekerde som, temeer nu ASR gelet op het voorgaande wist of had moeten weten dat haar aanbod daartoe geen steun vond in de polis(voorwaarden) en [appellant] in deze optreedt als consument.
Verjaring?
3.23.
Het voorgaande betekent dat de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht in beginsel toewijsbaar is. Hij zou daar echter geen belang bij hebben als klopt wat ASR stelt, namelijk dat zijn vorderingen uit de verzekeringsovereenkomst zijn verjaard. Het hof begrijpt dat zo dat alle aanspraken van [appellant] voor zover gebaseerd op hogere verzekerde sommen dan zoals die in 2007 zijn vastgesteld, zijn verjaard drie jaar na 2010. ASR stelt zich op het standpunt dat op dat moment het verzekerde risico (de arbeidsongeschiktheid) zich heeft verwezenlijk en de verplichting tot het doen van een uitkering onder de verzekering opeisbaar is geworden en [appellant] daarmee bekend was. De driejaarstermijn van artikel 7:942 lid 1 BW is daarmee volgens ASR gaan lopen. Binnen die drie jaar heeft [appellant] geen aanspraak gemaakt op vergoeding van hogere verzekerde sommen dan die door ASR werden gehanteerd en uitbetaald, zo begrijpt het hof ASR. Aldus ontbreekt een tijdige stuiting.
3.24.
Volgens [appellant] worden de uitkeringen op grond van de polis maandelijks opeisbaar en betekent dat in dit geval dat alleen de termijnen van voor 26 april 2014 zijn verjaard, omdat hij via de brief van zijn advocaat van 26 april 2017 (zie rechtsoverweging 3.13) aanspraak heeft gemaakt op de hogere verzekerde bedragen.
3.25.
Artikel 7: 942 lid 1 BW bepaalt dat een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. Het hof volgt [appellant] in zijn opvatting dat bij een arbeidsongeschiktheidsverzekering met maandelijkse uitkeringstermijnen sprake is van op zichzelf staande, losse vorderingen op de verzekeraar. Voor elke opeisbare maandtermijn geldt dan een zelfstandige verjaringstermijn van drie jaar. Deze opvatting is in lijn met die van het Kifid en sluit aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad over de verjaring van vorderingen uit onverschuldigde betaling. Die laatste uitspraak dateert van na het door ASR aangehaalde arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 september 2020 , waarin nog van een andere opvatting werd uitgegaan.
3.26.
Het beroep op verjaring slaagt dus alleen voor zover het de maandelijkse termijnen van vóór 26 april 2014 betreft.
Geen schending klachtplicht
3.27.
ASR stelt dat [appellant] niet tijdig heeft geklaagd over het opvragen van de inkomensgegevens in 2006 en het daarmee samenhangend verlagen van de verzekerde som in 2007. [appellant] heeft daar voor het eerst over geklaagd in de brief van zijn advocaat van 26 april 2017. Als aangenomen moet worden dat ASR in 2006 de inkomensgegevens te laat opvroeg, dan wist [appellant] dat toen al en had hij daar toen bezwaar tegen moeten maken. De kennis van de assurantietussenpersoon moet daarbij aan [appellant] worden toegerekend, aldus ASR. Er zijn volgens ASR geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit kan volgen dat [appellant] meer dan een paar maanden nodig had om te onderzoeken of de verzekerde bedragen in 2007 terecht werden verlaagd. Door vervolgens te wachten met klagen tot 2017 heeft ASR naar haar zeggen nadeel ondervonden, aangezien de correspondentie in het dossier “niet meer integraal raadpleegbaar is” en bij de behandeling van het dossier betrokken personen niet langer in dienst zijn. Ook beschikt zij niet meer over de inkomensgegevens over de jaren 2003 tot en met 2005. Zij kan daarom geen reconstructie meer maken van de inkomenstoets zoals [naam1] die in 2006 heeft uitgevoerd. ASR is daarmee geschaad in haar belangen. [appellant] bestrijdt dat hij de klachtplicht heeft geschonden.
3.28.
Artikel 6:89 BW ziet op het klagen over een gebrek in een prestatie en vindt toepassing bij alle verbintenissen. De eerste vraag is over welke gebrekkige prestatie en welke verbintenis het hier gaat. Het hof ziet niet in hoe het (zonder rechtsgrond) opvragen van inkomensgegevens in 2006 valt te duiden als een gebrekkige prestatie van ASR. Als dat al anders zou zijn, zou dat overigens niet tot een ander oordeel leiden. Het hof begrijpt ASR verder aldus dat een van haar verbintenissen uit hoofde van de verzekering eruit bestaat dat zij jaarlijks correcte polisaanhangsels moet afgeven, met daarin de vaststelling van correcte verzekerde jaarrentes. Als een niet correcte jaarrente wordt vermeld is dat een gebrekkige prestatie, zo begrijpt het hof. Het hof kan daarin meegaan. Dat dit niet de hoofdverbintenis is, maakt dat niet anders.
3.29.
ASR meent verder dat als vanaf 2007 de jaarrentes niet correct (te laag) in de polisaanhangsels worden vermeld [appellant] (bijgestaan door zijn assurantietussenpersoon) dat in 2007 heeft ontdekt of bij een redelijkerwijs van hem te vergen onderzoek had behoren te ontdekken. Het hof zal veronderstellenderwijs hierin meegaan, hoewel [appellant] dit heeft betwist. Vervolgens is dan de vraag wanneer [appellant] hierover voor het eerst heeft geklaagd. Het standpunt van [appellant] is dat hij in 2011 hierover al heeft geklaagd, onder verwijzing naar zijn brief van 29 januari 2011. Het hof volgt hem daarin niet, nu de brief van 29 januari 2011 niet op die manier kan worden uitgelegd. Deze brief gaat immers over iets anders. Het hof gaat er daarom met ASR van uit dat eerst is geklaagd met de brief van 26 april 2017. De volgende vraag is of daarmee te laat is geklaagd.
3.30.
De beantwoording van de vraag of te laat is geklaagd hangt af van de omstandigheden van het geval. Het ligt daarbij op de weg van ASR feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen, waaruit kan volgen dat het tijdsverloop vanaf 2007 tot aan het moment waarop [appellant] geklaagd heeft (26 april 2017) zo lang is geweest dat niet kan worden gesproken van een tijdige klacht als bedoeld in de art. 6:89 BW. Naar het oordeel van het hof heeft ASR aan deze stelplicht onvoldoende invulling gegeven. ASR heeft enkel verwezen naar door haar gesteld nadeel, bestaande uit het niet meer kunnen beschikken over documenten. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is gevraagd om welke documenten het dan precies gaat. Op die vraag kon ASR geen antwoord geven. Voor zover ASR heeft gezinspeeld op wegraken van stukken door de overgang van de polis van [naam1] naar ASR mist dat een onderbouwing in het licht van de stelling van [appellant] dat die overgang plaatsvond ná zijn klachtbrief in 2017. Wat betreft de inkomensgegevens over 2003 tot en met 2005 valt verder niet in te zien waarom ASR in haar belangen is geschaad door het niet meer kunnen reconstrueren van de inkomsenstoets in 2006. Dit aangezien die inkomenstoets in de uitleg van het hof zonder gevolgen had moeten blijven. Welke betrokken personen niet langer in dienst zijn en tot welk nadeel dat precies heeft geleid heeft ASR verder ook niet toegelicht.
3.31.
Voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft ASR een beroep gedaan op artikel 11 van de polisvoorwaarden, waarin staat dat de vaststelling van de uitkering wordt geacht in overeenstemming te zijn met hoe die moet zijn als niet binnen één jaar daarover is geklaagd. Het hof begrijpt ASR aldus dat zij in dit verband niet langer het oog heeft op haar verbintenis tot het afgeven van een juist polisaanhangsel, maar op haar verbintenis tot het doen van uitkeringen conform de polis. Die verbintenis heeft zij voor het eerst geschonden in 2010, en daarover had dan op grond van genoemde bepaling binnen een jaar geklaagd moeten worden, bij gebreke waarvan de uitkering geacht moet worden in overeenstemming te zijn met de polis, zo begrijp het hof ASR. Volgens [appellant] is een beroep op artikel 11 van de polisvoorwaarden in strijd met dwingend recht.
3.32.
Het hof acht het beroep op artikel 11 van de polisvoorwaarden in strijd met de twee-conclusieregel, nu dat eerst op zitting is gedaan. Het beroep houdt geen verdieping in van het bestaande debat over de klachtplicht, maar een verbreding, omdat wordt uitgegaan van een andere verbintenis (prestatie) dan waar het in de stukken over ging en het geheel nieuwe vragen oproept, met name over de geldigheid van de bewuste bepaling, waarover geen debat heeft plaatsgevonden. Ook is niet gedebatteerd over de uitleg van bedoelde bepaling, waaronder de vraag of het hier gaat om een eenmalige vaststelling of een periodiek terugkerende vaststelling. Het hof gaat daarom voorbij aan dit te late beroep op artikel 11 van de polisvoorwaarden.
3.33.
Het beroep op schending van de klachtplicht faalt.
Gevolg
3.34.
Omdat clausule 699 niet (tijdig en correct) is toegepast, de inkomenstoets in 2006 contractuele grondslag miste en in 2007 geen wijzigingsovereenkomst tot stand is gekomen, volgt het hof [appellant] in zijn opvatting dat hij in 2010 nog steeds verzekerd was voor de oorspronkelijk op de polis vermelde jaarrentes (dus van voor het moment van verlaging daarvan in 2007), vermeerderd met de jaarlijkse indexaties van 3%.
ASR heeft nog betoogd dat de door [appellant] voorgestelde uitleg van clausule 699 tot dezelfde uitkomst had geleid. Indien ASR in 2004 het inkomen zou hebben getoetst op basis van de jaren 2002 en 2003, wat volgens [appellant] zou zijn toegestaan, dan zou het verzekerde bedrag ook zijn verlaagd tot de verzekerde som die nu uitgangspunt is, aldus ASR. Het hof volgt deze redenering niet. Het gaat hier immers niet om een vordering tot schadevergoeding op grond van een tekortkoming, waarbij vergeleken moet worden met wat in de hypothetische situatie zonder tekortkoming was gebeurd. Het gaat om een vordering tot nakoming. Los daarvan heeft [appellant] gemotiveerd betwist dat een toets in 2004 over de jaren 2002 en 2003 tot een zelfde uitkomst zou hebben geleid en heeft ASR haar andersluidend standpunt niet voldoende onderbouwd.
Het voorgaande betekent dat de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is, met dien verstande dat de termijnen van vóór 26 april 2014 zijn verjaard.
3.35.
De wettelijke rente is als gevorderd en niet betwist toewijsbaar vanaf het moment van verschuldigdheid van de maandelijkse te laag uitgekeerde uitkering (artikel 6:83 aanhef en onder a BW).
De conclusie
3.36.
Het hoger beroep slaagt. Omdat ASR (grotendeels) in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in zowel het hoger beroep als die bij de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3.37.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4De beslissing
Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 2 april 2025 en beslist
- verklaart voor recht dat ASR is gehouden uit te keren op basis van het oorspronkelijke, niet verlaagde verzekerde bedrag, vermeerderd met indexatie en vermeerderd met wettelijke rente vanaf het moment van verschuldigdheid van de maandelijkse te lage uitkering, met dien verstande dat uitkeringen van voor 26 april 2014 zijn verjaard
4.2.
veroordeelt ASR tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de rechtbank:
o € 320,- aan griffierecht
o € 1.228,- aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 punten x het toepasselijke (oude) tarief II á € 614,- per punt)
en tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep:
o € 362,- aan griffierecht
o € 144,47 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan ASR
o € 2.580,- aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x het toepasselijke (huidige) tarief II á € 1.290,- per punt)
4.3.
bepaalt dat alle genoemde kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, C. Bakker en V. van der Kuil en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
Daarnaast werd een zogenoemde WAZ Garant Plus verzekering afgesloten. Die werd beëindigd in 2004 met de afschaffing van de WAZ (Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen), waarbij de dekking op de AOV garant Plus rubriek B werd verhoogd.
O.a. HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793 en HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601
HR 16 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:83
Zie onder meer Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening 9 april 2020, nr. 2021-0001B
HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:761
Gerechtshof Amsterdam 8 september 2020 ECLI:NL:GHAMS:2020:2444
HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853