Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:6085
2026-09-22
Civiel recht
200.345.078
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHARL:2026:6085 → ECLI:NL:RBGEL:2024:2867
Inhoudsindicatie
Rekening en verantwoording als gevolmachtigde. Rekening en verantwoording als executeur. De gevolmachtigde heeft in deze hoedanigheid een bedrag van € 180.000 namens erflaatster belegd en is als gevolmachtigde gehouden dit bedrag met inbegrip van de beleggingswinst aan de nalatenschap terug te geven.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.586 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.345.078
zaaknummer rechtbank Gelderland 426753
arrest van 22 september 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: [appellant]
advocaat: mr. M.D. Winter
tegen
1 [geïntimeerde1] en
2. [geïntimeerde2]
die beiden wonen in [woonplaats]
en bij de rechtbank optraden als eisers
hierna: [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]
advocaat: mr. S.H.J. Buitenkamp
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna: de rechtbank) op 15 mei 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
het (tussen)arrest van 8 oktober 2024
de akte overlegging producties van [appellant] van 11 november 2024 (5-11)
de akte overlegging producties van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] van 19 november 2024 (27-30)
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen
de memorie van grieven
de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep tevens vermeerdering van eis
de akte overlegging productie van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] van 13 januari 2026
1.2.
Op 13 april 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal).
1.3.
Met toestemming van het hof hebben [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] op 14 april 2026 een ontbrekende productie (23) alsnog aan het hof toegezonden.
2De kern van de zaak
2.1.
[appellant] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn de kinderen van [erflater] , overleden [in] 1982 en [erflaatster] (hierna: erflaatster). Het gaat in deze zaak om de vraag of [appellant] rekening en verantwoording moet afleggen aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] , of [appellant] inzage aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] moet geven in de (financiële) gegevens van erflaatster en of [appellant] € 225.000,- aan de nalatenschap moet terug betalen.
Feiten
2.2.
Erflaatster heeft op 3 september 2003 haar laatste wil in een testament laten vastleggen door notaris [naam1] in [woonplaats] . Op grond van dit testament zijn haar drie kinderen ( [appellant] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ) erfgenaam, ieder voor een derde deel. [appellant] is door erflaatster tot executeur benoemd.
2.3.
Op 13 oktober 2009 heeft erflaatster met een door notaris [naam1] opgemaakte akte [appellant] gevolmachtigd om haar in alle opzichten te vertegenwoordigen en haar rechten en belangen waar te nemen en uit te oefenen.
2.4.
In september 2009 is bij erflaatster Alzheimer vastgesteld. In oktober 2009 werd geconstateerd dat zij leed aan matig gevorderde tot gevorderde dementie. Omdat zij psychisch achteruitging, is zij in januari 2010 met spoed opgenomen in een verzorgingshuis in [plaats1] . Vanaf april 2010 woonde zij op een gesloten afdeling van een verpleeghuis in [plaats2] .
2.5.
[appellant] heeft in januari 2011 de woning van erflaatster te koop aangeboden en op 5 augustus 2013 verkocht voor € 142.000,-. Het na aftrek van lasten en kosten resterende bedrag van afgerond € 138.916,- heeft [appellant] belegd via de onderneming [bedrijf1] B.V. van haar echtgenoot [naam2] bij het op de Maagdeneilanden gevestigde bedrijf [bedrijf2] .
2.6.
Erflaatster is [in] 2020 in [plaats2] overleden. [appellant] heeft de nalatenschap van erflaatster zuiver aanvaard, [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben beneficiair aanvaard.
De procedure bij de rechtbank
2.7.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben verschillende vorderingen ingesteld bij de rechtbank.
2.8.
[geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [appellant] hebben op de mondelinge behandeling bij de rechtbank met elkaar afspraken gemaakt over een deel van de geschilpunten. Deze afspraken zijn vastgelegd in het proces-verbaal van 3 april 2024:
“(…)
Partijen komen ter gedeeltelijke beëindiging van deze procedure als volgt overeen:
Partijen zullen zo spoedig mogelijk na heden een gezamenlijk verzoek doen aan de kantonrechter tot benoeming van een vereffenaar. Zij zullen in ieder geval notaris [naam3] van [bedrijf3] vragen om als vereffenaar op te treden. Indien [naam3] niet bereid of in staat is om als zodanig op te treden, zullen partijen in overleg een onafhankelijke derde verzoeken zich bereid te verklaren. Partijen gaan ermee akkoord dat hun verzoek zal worden behandeld zonder nadere mondelinge behandeling.
[naam4] en/of [naam2] en/of [bedrijf1] B.V. zullen [bedrijf2] . de opdracht geven om enige uitbetaling tot een bedrag van in totaal € 225.000,00 aan [naam4] en/of [naam2] en/of [bedrijf1] B.V. te doen op de rekening van de vereffenaar. Indien op het moment van uitbetaling door [bedrijf2] nog geen vereffenaar is benoemd, zullen [naam4] en/of [naam2] en/of [bedrijf1] B.V. zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen twee werkdagen het ontvangen bedrag tot een maximum van € 225.000,00 doorstorten op de daartoe door de notaris aangewezen derdengeldenrekening van [het notariskantoor] B.V. te [plaats3] .
Mr. Buitenkamp trekt vordering V in.
Mr. [naam5] tekent namens [naam4] , die mondeling akkoord heeft gegeven op de totstandkoming van deze regeling en ondertekening door haar advocaat.
(…)”
2.9.
Op de vorderingen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] waarover partijen op de mondelinge behandeling bij de rechtbank geen afspraken hebben gemaakt, heeft de rechtbank beslist in het vonnis van 15 mei 2024. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om binnen zes maanden na het wijzen van dit vonnis aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] rekening en verantwoording af te leggen over het beheer dat zij gevoerd heeft over de financiën en het vermogen van erflaatster:
als gevolmachtigde van erflaatster over de periode tussen 1 januari 2011 en [datum] 2020 en
als executeur van de nalatenschap over de periode vanaf [datum] 2020 tot en met 17 december 2021.
De procedure bij het hof
2.10.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het hof. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen en dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in de kosten van de procedures bij de rechtbank en bij het hof worden veroordeeld.
2.11.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] vragen het hof om de vorderingen van [appellant] in hoger beroep af te wijzen met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedures bij de rechtbank en het hof. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld bij het hof. Zij willen dat [appellant] inzage geeft in (financiële) gegevens, dat [appellant] rekening en verantwoording aan hen aflegt en dat [appellant] € 225.000,- aan de nalatenschap van erflaatster betaalt.
2.12.
Het hof zal beslissen dat [appellant] rekening en verantwoording moet afleggen, dat [appellant] inzage moet geven in (financiële) gegevens en dat [appellant] € 225.000,- aan de nalatenschap moet betalen. Ook moet [appellant] de kosten van de procedure bij het hof aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] vergoeden. Het hof licht deze beslissingen hierna toe.
3De toelichting op de beslissing van het hof
Rekening en verantwoording als gevolmachtigde
3.1.
Erflaatster heeft aan [appellant] een volmacht gegeven. Partijen zijn het er over eens dat [appellant] als gevolmachtigde tijdens leven rekening en verantwoording moest afleggen aan erflaatster. [appellant] vindt alleen dat zij niet verplicht kan worden om – na het overlijden van erflaatster – aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] rekening en verantwoording af te leggen. Het hof volgt [appellant] hierin niet en legt dat hierna uit.
In de maand dat erflaatster de volmacht aan [appellant] gaf, werd bij erflaatster de ziekte van Alzheimer vastgesteld. In januari 2010 is erflaatster met spoed opgenomen in een verzorgingshuis, omdat erflaatster psychisch achteruitging. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben aangevoerd dat, gezien de slechte psychische gezondheid van erflaatster, erflaatster in ieder geval vanaf januari 2010 niet in staat was om aan [appellant] te vragen om rekening en verantwoording af te leggen. Dit is door [appellant] niet (voldoende) weersproken. [appellant] heeft dus geen rekening en verantwoording afgelegd aan erflaatster over de periode van haar volmacht. Het recht van erflaatster om rekening en verantwoording aan [appellant] te vragen, is blijven bestaan en is met het overlijden van erflaatster overgegaan op de erfgenamen. De erfgenamen van erflaatster kunnen daarom alsnog rekening en verantwoording van [appellant] vragen. Dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] tijdens het leven van erflaatster geen rekening en verantwoording aan [appellant] hebben gevraagd, is – anders dan [appellant] heeft gesteld – niet van belang. Het recht om rekening en verantwoording aan [appellant] te vragen, is pas na het overlijden van erflaatster overgegaan op de erfgenamen.
3.2.
[appellant] stelt ook dat zij geen rekening en verantwoording kán afleggen, omdat zij over die periode niet over bankafschriften beschikt of kan beschikken. De bank heeft verklaard dat de bankafschriften maximaal teruggaan tot 1 mei 2016, aldus [appellant] . Het hof is van oordeel dat dit voor rekening en risico van [appellant] komt. [appellant] wist of had kunnen weten dat zij als gevolmachtigde de verplichting heeft om rekening en verantwoording af te leggen. Op haar rust(te) dan ook de taak om op zodanige wijze een administratie bij te houden dat zij rekening en verantwoording kan afleggen. Het hof is dus – net als de rechtbank – van oordeel dat [appellant] als gevolmachtigde van erflaatster rekening en verantwoording moet afleggen. Het hof moet vervolgens oordelen met ingang van welke datum [appellant] rekening en verantwoording moet afleggen.
3.3.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de rekening en verantwoording over de periode vanaf 1 januari 2011 moet worden gegeven, omdat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] de bij- en afboekingen van de bankrekening(en) van erflaatster tot en met 2010 hebben kunnen zien en dat dit geen aanleiding gaf voor op- of aanmerkingen. Maar [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] willen dat [appellant] vanaf een eerdere datum rekening en verantwoording moet afleggen, namelijk vanaf 13 oktober 2009 (de datum van de volmacht) of vanaf april 2010 (opname gesloten afdeling). [geïntimeerde1] heeft gesteld dat – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – hij geen bankafschriften over het jaar 2010 heeft ontvangen. Dit is door [appellant] niet weersproken. Het hof is van oordeel dat [appellant] vanaf 13 oktober 2009 rekening en verantwoording moet afleggen, omdat erflaatster op die datum een volmacht aan [appellant] heeft gegeven.
3.4.
Het hof zal onderdeel 5.1. van het vonnis van de rechtbank vernietigen, voor zover daar als ingangsdatum 1 januari 2011 is bepaald en in plaats daarvan bepalen dat [appellant] vanaf 13 oktober 2009 tot [datum] 2020 als gevolmachtigde rekening en verantwoording aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] moet afleggen.
Rekening en verantwoording als executeur
3.5.
De verplichting van [appellant] om als executeur over de periode [datum] 2020 tot en met 17 december 2021 rekening en verantwoording af te leggen, is tussen partijen niet in geschil. Wel voert [appellant] aan dat zij al aan haar verplichting heeft voldaan, zodat om die reden de veroordeling in hoger beroep niet in stand hoeft te blijven. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] betwisten dat [appellant] rekening en verantwoording heeft afgelegd. Het hof stelt voorop dat [appellant] op grond van de wet de verplichting heeft om rekening en verantwoording af te leggen en dat [appellant] – in het licht van de betwisting van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] – haar stelling dat zij hieraan heeft voldaan onvoldoende heeft toegelicht of onderbouwd. Het hof zal dat onderdeel van het vonnis van de rechtbank in stand laten (bekrachtigen). De vordering van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] om [appellant] te veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording zal worden afgewezen, omdat de rechtbank dit al heeft beslist en het hof deze beslissing in stand zal laten. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben er geen belang bij dat die vordering nogmaals wordt toegewezen.
Inzage gegevens
3.6.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] willen dat [appellant] de bankafschriften van alle banken waar erflaatster een rekeningnummer had aan hen overlegt, vanaf zeven jaar vóór het overlijden van erflaatster.
[appellant] is als gevolmachtigde verplicht om deze bankafschriften in het kader van haar rekening en verantwoording aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te verschaffen. Maar op de mondelinge behandeling heeft [geïntimeerde1] aan het hof verteld dat hij via de notaris de bankafschriften betreffende de jaren 2015 tot 2021 heeft ontvangen. Om die reden hebben [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] slechts belang bij deze vordering voor zover die ziet op de periode van [datum] 2013 tot 1 januari 2015. Het hof zal de vordering voor dit deel toewijzen.
3.7.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] willen dat [appellant] een overzicht geeft van alle giften die erflaatster heeft gedaan. Ook willen zij van [appellant] een overzicht van alle vermogensbestanddelen om de omvang van de nalatenschap te bepalen. [appellant] is als executeur niet verplicht opgave te doen van de giften die erflaatster heeft gedaan. Zij is als executeur wel verplicht een boedelbeschrijving te maken (artikel 4:146 lid 2 BW) en aan erfgenamen alle door dezen gewenste inlichtingen te geven over de uitvoering van haar taak. Dat een boedelbeschrijving is gemaakt, is niet gebleken. [appellant] moet [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] wel inlichtingen geven over de goederen en schulden die tot de nalatenschap behoren. Het hof zal [appellant] dan ook veroordelen aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] een overzicht te geven van de vermogensbestanddelen die van belang zijn om de omvang van de nalatenschap te bepalen.
3.8.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] willen dat [appellant] inzage geeft in alle informatie over de verkoop van de woning, waaronder de taxatierapporten en de koopovereenkomst. Het hof overweegt dat – zoals ook in het vonnis van de rechtbank staat – er geen taxatierapport is. Tot inzage hiervan kan [appellant] niet worden veroordeeld. Wel zal het hof [appellant] veroordelen om in verband met haar taak tot het afleggen van rekening en verantwoording als gevolmachtigde inzage te geven in alle informatie over de verkoop die zij heeft, waaronder in ieder geval de koopovereenkomst.
3.9.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] willen alle informatie over de investering/ belegging bij [bedrijf2] van [appellant] ontvangen. Het hof overweegt dat [appellant] al informatie en stukken heeft gegeven aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . Het hof kan niet beoordelen of dit alle informatie en alle stukken zijn. Als [appellant] meer informatie of stukken heeft of zal verkrijgen, moet zij die aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] geven. Op de mondelinge behandeling heeft [appellant] aan het hof verteld dat zij regelmatig contact heeft met [bedrijf2] . Ook die informatie moet [appellant] met [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] delen. Het hof zal [appellant] hiertoe veroordelen.
3.10.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben het hof verzocht om een dwangsom te verbinden aan de verplichtingen van [appellant] . [appellant] heeft tegen deze vordering geen verweer gevoerd. Het hof ziet, gezien het feit dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] al lang wachten op informatie van [appellant] , aanleiding om een dwangsom aan [appellant] op te leggen. Het hof zal de dwangsom vaststellen op € 100,- per dag met een maximum van € 50.000,-.
Betaling van € 225.000
3.11.
[appellant] heeft geld van erflaatster via de onderneming van haar echtgenoot aan [bedrijf2] overgeboekt. [appellant] heeft op de mondelinge behandeling aan het hof verteld dat zij € 180.000,- van erflaatster aan [bedrijf2] heeft betaald. Dit bedrag heeft gerendeerd, zodat [bedrijf2] € 225.000,- aan de nalatenschap moet betalen, aldus [appellant] . [bedrijf2] heeft dit bedrag alleen nog niet betaald. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] willen dat [appellant] wordt veroordeeld om het bedrag van € 225.000,- aan de nalatenschap terug te betalen. [appellant] voert aan dat deze vordering niet aan het hof kan worden voorgelegd, omdat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] deze vordering al bij de rechtbank hebben ingetrokken.
3.12.
Het hof overweegt dat partijen bij de rechtbank hebben afgesproken dat [appellant] aan [bedrijf2] de opdracht zou geven om het bedrag van € 225.000,- ten behoeve van de nalatenschap te laten uitbetalen. Bij het maken van deze afspraak hebben [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hun vordering om [appellant] te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 225.000,- ingetrokken. Anders dan [appellant] aanvoert, kunnen [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] deze vordering wel in deze procedure aan het hof voorleggen. Het hoger beroep heeft namelijk ook een herkansingsfunctie. Daarbij vindt het hof het van belang dat [appellant] geen uitvoering heeft gegeven aan haar deel van de afspraken. Omdat het hof [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] om de hiervoor genoemde redenen zal ontvangen in deze vordering, hoeven de standpunten over dwaling en bedrog niet te worden besproken.
Het hof zal [appellant] veroordelen tot betaling van het bedrag van € 225.000,- aan de nalatenschap binnen een termijn van twee weken na betekening aan haar van dit arrest. [appellant] erkent dat het bedrag van € 225.000,- tot de nalatenschap van erflaatster behoort. Ondanks meerdere toezeggingen heeft [appellant] het bedrag nog niet terugbetaald aan de nalatenschap. [appellant] voert aan dat ze wacht op terugbetaling door [bedrijf2] . Het hof is echter van oordeel dat dit haar niet ontslaat van haar verplichting om het bedrag terug te betalen. [appellant] heeft in haar hoedanigheid van gevolmachtigde een bedrag van € 180.000,- (kennelijk) namens erflaatster belegd en is als gevolmachtigde gehouden dit bedrag met inbegrip van de beleggingswinst aan de nalatenschap terug te geven. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben gevorderd dat de betaling plaatsvindt op de derdengeldenrekening van [het notariskantoor] in [plaats3] . Hiertegen heeft [appellant] geen verweer gevoerd, zodat het hof dat zal beslissen.
De conclusie
3.13
Het principaal hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] slaagt grotendeels. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3.14
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4De beslissing
Het hof:
4.1.
vernietigt onderdeel 5.1., eerste opsommingsteken, van het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 15 mei 2024, en veroordeelt [appellant] om binnen zes maanden na het wijzen van dit arrest rekening en verantwoording af te leggen over het beheer dat zij heeft gevoerd over de financiën en het vermogen van erflaatster als gevolmachtigde van erflaatster over de periode tussen 13 oktober 2009 en [datum] 2020 en bekrachtigt onderdeel 5.1. voor het overige;
4.2.
vernietigt onderdeel 5.4. van het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 15 mei 2024, en veroordeelt [appellant] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de volgende gegevens aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te overleggen:
a. a) de bankafschriften van alle bankrekeningnummers van erflaatster over de periode van [datum] 2013 tot 1 januari 2015
b) alle informatie over de verkoop van de woning van erflaatster die [appellant] heeft, waaronder in ieder geval de koopovereenkomst
c) een overzicht van de vermogensbestanddelen die van belang zijn om de omvang van de nalatenschap vast te stellen
d) alle informatie die [appellant] heeft en nog zal verkrijgen over de investering/ belegging bij [bedrijf2] ;
4.3.
als [appellant] de in 4.2 genoemde informatie niet of niet geheel overlegt, verbeurt [appellant] een dwangsom van € 100,- per dag dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van in totaal € 50.000,-;
4.4.
veroordeelt [appellant] het bedrag van € 225.000,- aan de erfgenamen van erflaatster te betalen door dit bedrag over te maken op de derdengeldenrekening van [het notariskantoor] in [plaats3] ;
4.5.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]
in het principaal hoger beroep:
€ 349 aan griffierecht
€ 3.870 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] (3 procespunten x het toepasselijke tarief 2)
in het incidenteel hoger beroep:
€ 7.056 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] (1/2/ x 3 procespunten x het toepasselijke tarief 6)
en bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen veertien dagen na vandaag;
4.6.
verklaart de veroordelingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Hamer, J.H. Lieber en P.G. Knoppers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.345.078
zaaknummer rechtbank Gelderland 426753
arrest van 22 september 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: [appellant]
advocaat: mr. M.D. Winter
tegen
1 [geïntimeerde1] en
2. [geïntimeerde2]
die beiden wonen in [woonplaats]
en bij de rechtbank optraden als eisers
hierna: [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]
advocaat: mr. S.H.J. Buitenkamp
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna: de rechtbank) op 15 mei 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
het (tussen)arrest van 8 oktober 2024
de akte overlegging producties van [appellant] van 11 november 2024 (5-11)
de akte overlegging producties van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] van 19 november 2024 (27-30)
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen
de memorie van grieven
de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep tevens vermeerdering van eis
de akte overlegging productie van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] van 13 januari 2026
1.2.
Op 13 april 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal).
1.3.
Met toestemming van het hof hebben [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] op 14 april 2026 een ontbrekende productie (23) alsnog aan het hof toegezonden.
2De kern van de zaak
2.1.
[appellant] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn de kinderen van [erflater] , overleden [in] 1982 en [erflaatster] (hierna: erflaatster). Het gaat in deze zaak om de vraag of [appellant] rekening en verantwoording moet afleggen aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] , of [appellant] inzage aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] moet geven in de (financiële) gegevens van erflaatster en of [appellant] € 225.000,- aan de nalatenschap moet terug betalen.
Feiten
2.2.
Erflaatster heeft op 3 september 2003 haar laatste wil in een testament laten vastleggen door notaris [naam1] in [woonplaats] . Op grond van dit testament zijn haar drie kinderen ( [appellant] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ) erfgenaam, ieder voor een derde deel. [appellant] is door erflaatster tot executeur benoemd.
2.3.
Op 13 oktober 2009 heeft erflaatster met een door notaris [naam1] opgemaakte akte [appellant] gevolmachtigd om haar in alle opzichten te vertegenwoordigen en haar rechten en belangen waar te nemen en uit te oefenen.
2.4.
In september 2009 is bij erflaatster Alzheimer vastgesteld. In oktober 2009 werd geconstateerd dat zij leed aan matig gevorderde tot gevorderde dementie. Omdat zij psychisch achteruitging, is zij in januari 2010 met spoed opgenomen in een verzorgingshuis in [plaats1] . Vanaf april 2010 woonde zij op een gesloten afdeling van een verpleeghuis in [plaats2] .
2.5.
[appellant] heeft in januari 2011 de woning van erflaatster te koop aangeboden en op 5 augustus 2013 verkocht voor € 142.000,-. Het na aftrek van lasten en kosten resterende bedrag van afgerond € 138.916,- heeft [appellant] belegd via de onderneming [bedrijf1] B.V. van haar echtgenoot [naam2] bij het op de Maagdeneilanden gevestigde bedrijf [bedrijf2] .
2.6.
Erflaatster is [in] 2020 in [plaats2] overleden. [appellant] heeft de nalatenschap van erflaatster zuiver aanvaard, [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben beneficiair aanvaard.
De procedure bij de rechtbank
2.7.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben verschillende vorderingen ingesteld bij de rechtbank.
2.8.
[geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [appellant] hebben op de mondelinge behandeling bij de rechtbank met elkaar afspraken gemaakt over een deel van de geschilpunten. Deze afspraken zijn vastgelegd in het proces-verbaal van 3 april 2024:
“(…)
Partijen komen ter gedeeltelijke beëindiging van deze procedure als volgt overeen:
Partijen zullen zo spoedig mogelijk na heden een gezamenlijk verzoek doen aan de kantonrechter tot benoeming van een vereffenaar. Zij zullen in ieder geval notaris [naam3] van [bedrijf3] vragen om als vereffenaar op te treden. Indien [naam3] niet bereid of in staat is om als zodanig op te treden, zullen partijen in overleg een onafhankelijke derde verzoeken zich bereid te verklaren. Partijen gaan ermee akkoord dat hun verzoek zal worden behandeld zonder nadere mondelinge behandeling.
[naam4] en/of [naam2] en/of [bedrijf1] B.V. zullen [bedrijf2] . de opdracht geven om enige uitbetaling tot een bedrag van in totaal € 225.000,00 aan [naam4] en/of [naam2] en/of [bedrijf1] B.V. te doen op de rekening van de vereffenaar. Indien op het moment van uitbetaling door [bedrijf2] nog geen vereffenaar is benoemd, zullen [naam4] en/of [naam2] en/of [bedrijf1] B.V. zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen twee werkdagen het ontvangen bedrag tot een maximum van € 225.000,00 doorstorten op de daartoe door de notaris aangewezen derdengeldenrekening van [het notariskantoor] B.V. te [plaats3] .
Mr. Buitenkamp trekt vordering V in.
Mr. [naam5] tekent namens [naam4] , die mondeling akkoord heeft gegeven op de totstandkoming van deze regeling en ondertekening door haar advocaat.
(…)”
2.9.
Op de vorderingen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] waarover partijen op de mondelinge behandeling bij de rechtbank geen afspraken hebben gemaakt, heeft de rechtbank beslist in het vonnis van 15 mei 2024. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om binnen zes maanden na het wijzen van dit vonnis aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] rekening en verantwoording af te leggen over het beheer dat zij gevoerd heeft over de financiën en het vermogen van erflaatster:
als gevolmachtigde van erflaatster over de periode tussen 1 januari 2011 en [datum] 2020 en
als executeur van de nalatenschap over de periode vanaf [datum] 2020 tot en met 17 december 2021.
De procedure bij het hof
2.10.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het hof. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen en dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in de kosten van de procedures bij de rechtbank en bij het hof worden veroordeeld.
2.11.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] vragen het hof om de vorderingen van [appellant] in hoger beroep af te wijzen met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedures bij de rechtbank en het hof. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld bij het hof. Zij willen dat [appellant] inzage geeft in (financiële) gegevens, dat [appellant] rekening en verantwoording aan hen aflegt en dat [appellant] € 225.000,- aan de nalatenschap van erflaatster betaalt.
2.12.
Het hof zal beslissen dat [appellant] rekening en verantwoording moet afleggen, dat [appellant] inzage moet geven in (financiële) gegevens en dat [appellant] € 225.000,- aan de nalatenschap moet betalen. Ook moet [appellant] de kosten van de procedure bij het hof aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] vergoeden. Het hof licht deze beslissingen hierna toe.
3De toelichting op de beslissing van het hof
Rekening en verantwoording als gevolmachtigde
3.1.
Erflaatster heeft aan [appellant] een volmacht gegeven. Partijen zijn het er over eens dat [appellant] als gevolmachtigde tijdens leven rekening en verantwoording moest afleggen aan erflaatster. [appellant] vindt alleen dat zij niet verplicht kan worden om – na het overlijden van erflaatster – aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] rekening en verantwoording af te leggen. Het hof volgt [appellant] hierin niet en legt dat hierna uit.
In de maand dat erflaatster de volmacht aan [appellant] gaf, werd bij erflaatster de ziekte van Alzheimer vastgesteld. In januari 2010 is erflaatster met spoed opgenomen in een verzorgingshuis, omdat erflaatster psychisch achteruitging. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben aangevoerd dat, gezien de slechte psychische gezondheid van erflaatster, erflaatster in ieder geval vanaf januari 2010 niet in staat was om aan [appellant] te vragen om rekening en verantwoording af te leggen. Dit is door [appellant] niet (voldoende) weersproken. [appellant] heeft dus geen rekening en verantwoording afgelegd aan erflaatster over de periode van haar volmacht. Het recht van erflaatster om rekening en verantwoording aan [appellant] te vragen, is blijven bestaan en is met het overlijden van erflaatster overgegaan op de erfgenamen. De erfgenamen van erflaatster kunnen daarom alsnog rekening en verantwoording van [appellant] vragen. Dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] tijdens het leven van erflaatster geen rekening en verantwoording aan [appellant] hebben gevraagd, is – anders dan [appellant] heeft gesteld – niet van belang. Het recht om rekening en verantwoording aan [appellant] te vragen, is pas na het overlijden van erflaatster overgegaan op de erfgenamen.
3.2.
[appellant] stelt ook dat zij geen rekening en verantwoording kán afleggen, omdat zij over die periode niet over bankafschriften beschikt of kan beschikken. De bank heeft verklaard dat de bankafschriften maximaal teruggaan tot 1 mei 2016, aldus [appellant] . Het hof is van oordeel dat dit voor rekening en risico van [appellant] komt. [appellant] wist of had kunnen weten dat zij als gevolmachtigde de verplichting heeft om rekening en verantwoording af te leggen. Op haar rust(te) dan ook de taak om op zodanige wijze een administratie bij te houden dat zij rekening en verantwoording kan afleggen. Het hof is dus – net als de rechtbank – van oordeel dat [appellant] als gevolmachtigde van erflaatster rekening en verantwoording moet afleggen. Het hof moet vervolgens oordelen met ingang van welke datum [appellant] rekening en verantwoording moet afleggen.
3.3.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de rekening en verantwoording over de periode vanaf 1 januari 2011 moet worden gegeven, omdat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] de bij- en afboekingen van de bankrekening(en) van erflaatster tot en met 2010 hebben kunnen zien en dat dit geen aanleiding gaf voor op- of aanmerkingen. Maar [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] willen dat [appellant] vanaf een eerdere datum rekening en verantwoording moet afleggen, namelijk vanaf 13 oktober 2009 (de datum van de volmacht) of vanaf april 2010 (opname gesloten afdeling). [geïntimeerde1] heeft gesteld dat – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – hij geen bankafschriften over het jaar 2010 heeft ontvangen. Dit is door [appellant] niet weersproken. Het hof is van oordeel dat [appellant] vanaf 13 oktober 2009 rekening en verantwoording moet afleggen, omdat erflaatster op die datum een volmacht aan [appellant] heeft gegeven.
3.4.
Het hof zal onderdeel 5.1. van het vonnis van de rechtbank vernietigen, voor zover daar als ingangsdatum 1 januari 2011 is bepaald en in plaats daarvan bepalen dat [appellant] vanaf 13 oktober 2009 tot [datum] 2020 als gevolmachtigde rekening en verantwoording aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] moet afleggen.
Rekening en verantwoording als executeur
3.5.
De verplichting van [appellant] om als executeur over de periode [datum] 2020 tot en met 17 december 2021 rekening en verantwoording af te leggen, is tussen partijen niet in geschil. Wel voert [appellant] aan dat zij al aan haar verplichting heeft voldaan, zodat om die reden de veroordeling in hoger beroep niet in stand hoeft te blijven. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] betwisten dat [appellant] rekening en verantwoording heeft afgelegd. Het hof stelt voorop dat [appellant] op grond van de wet de verplichting heeft om rekening en verantwoording af te leggen en dat [appellant] – in het licht van de betwisting van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] – haar stelling dat zij hieraan heeft voldaan onvoldoende heeft toegelicht of onderbouwd. Het hof zal dat onderdeel van het vonnis van de rechtbank in stand laten (bekrachtigen). De vordering van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] om [appellant] te veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording zal worden afgewezen, omdat de rechtbank dit al heeft beslist en het hof deze beslissing in stand zal laten. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben er geen belang bij dat die vordering nogmaals wordt toegewezen.
Inzage gegevens
3.6.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] willen dat [appellant] de bankafschriften van alle banken waar erflaatster een rekeningnummer had aan hen overlegt, vanaf zeven jaar vóór het overlijden van erflaatster.
[appellant] is als gevolmachtigde verplicht om deze bankafschriften in het kader van haar rekening en verantwoording aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te verschaffen. Maar op de mondelinge behandeling heeft [geïntimeerde1] aan het hof verteld dat hij via de notaris de bankafschriften betreffende de jaren 2015 tot 2021 heeft ontvangen. Om die reden hebben [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] slechts belang bij deze vordering voor zover die ziet op de periode van [datum] 2013 tot 1 januari 2015. Het hof zal de vordering voor dit deel toewijzen.
3.7.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] willen dat [appellant] een overzicht geeft van alle giften die erflaatster heeft gedaan. Ook willen zij van [appellant] een overzicht van alle vermogensbestanddelen om de omvang van de nalatenschap te bepalen. [appellant] is als executeur niet verplicht opgave te doen van de giften die erflaatster heeft gedaan. Zij is als executeur wel verplicht een boedelbeschrijving te maken (artikel 4:146 lid 2 BW) en aan erfgenamen alle door dezen gewenste inlichtingen te geven over de uitvoering van haar taak. Dat een boedelbeschrijving is gemaakt, is niet gebleken. [appellant] moet [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] wel inlichtingen geven over de goederen en schulden die tot de nalatenschap behoren. Het hof zal [appellant] dan ook veroordelen aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] een overzicht te geven van de vermogensbestanddelen die van belang zijn om de omvang van de nalatenschap te bepalen.
3.8.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] willen dat [appellant] inzage geeft in alle informatie over de verkoop van de woning, waaronder de taxatierapporten en de koopovereenkomst. Het hof overweegt dat – zoals ook in het vonnis van de rechtbank staat – er geen taxatierapport is. Tot inzage hiervan kan [appellant] niet worden veroordeeld. Wel zal het hof [appellant] veroordelen om in verband met haar taak tot het afleggen van rekening en verantwoording als gevolmachtigde inzage te geven in alle informatie over de verkoop die zij heeft, waaronder in ieder geval de koopovereenkomst.
3.9.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] willen alle informatie over de investering/ belegging bij [bedrijf2] van [appellant] ontvangen. Het hof overweegt dat [appellant] al informatie en stukken heeft gegeven aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . Het hof kan niet beoordelen of dit alle informatie en alle stukken zijn. Als [appellant] meer informatie of stukken heeft of zal verkrijgen, moet zij die aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] geven. Op de mondelinge behandeling heeft [appellant] aan het hof verteld dat zij regelmatig contact heeft met [bedrijf2] . Ook die informatie moet [appellant] met [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] delen. Het hof zal [appellant] hiertoe veroordelen.
3.10.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben het hof verzocht om een dwangsom te verbinden aan de verplichtingen van [appellant] . [appellant] heeft tegen deze vordering geen verweer gevoerd. Het hof ziet, gezien het feit dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] al lang wachten op informatie van [appellant] , aanleiding om een dwangsom aan [appellant] op te leggen. Het hof zal de dwangsom vaststellen op € 100,- per dag met een maximum van € 50.000,-.
Betaling van € 225.000
3.11.
[appellant] heeft geld van erflaatster via de onderneming van haar echtgenoot aan [bedrijf2] overgeboekt. [appellant] heeft op de mondelinge behandeling aan het hof verteld dat zij € 180.000,- van erflaatster aan [bedrijf2] heeft betaald. Dit bedrag heeft gerendeerd, zodat [bedrijf2] € 225.000,- aan de nalatenschap moet betalen, aldus [appellant] . [bedrijf2] heeft dit bedrag alleen nog niet betaald. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] willen dat [appellant] wordt veroordeeld om het bedrag van € 225.000,- aan de nalatenschap terug te betalen. [appellant] voert aan dat deze vordering niet aan het hof kan worden voorgelegd, omdat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] deze vordering al bij de rechtbank hebben ingetrokken.
3.12.
Het hof overweegt dat partijen bij de rechtbank hebben afgesproken dat [appellant] aan [bedrijf2] de opdracht zou geven om het bedrag van € 225.000,- ten behoeve van de nalatenschap te laten uitbetalen. Bij het maken van deze afspraak hebben [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hun vordering om [appellant] te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 225.000,- ingetrokken. Anders dan [appellant] aanvoert, kunnen [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] deze vordering wel in deze procedure aan het hof voorleggen. Het hoger beroep heeft namelijk ook een herkansingsfunctie. Daarbij vindt het hof het van belang dat [appellant] geen uitvoering heeft gegeven aan haar deel van de afspraken. Omdat het hof [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] om de hiervoor genoemde redenen zal ontvangen in deze vordering, hoeven de standpunten over dwaling en bedrog niet te worden besproken.
Het hof zal [appellant] veroordelen tot betaling van het bedrag van € 225.000,- aan de nalatenschap binnen een termijn van twee weken na betekening aan haar van dit arrest. [appellant] erkent dat het bedrag van € 225.000,- tot de nalatenschap van erflaatster behoort. Ondanks meerdere toezeggingen heeft [appellant] het bedrag nog niet terugbetaald aan de nalatenschap. [appellant] voert aan dat ze wacht op terugbetaling door [bedrijf2] . Het hof is echter van oordeel dat dit haar niet ontslaat van haar verplichting om het bedrag terug te betalen. [appellant] heeft in haar hoedanigheid van gevolmachtigde een bedrag van € 180.000,- (kennelijk) namens erflaatster belegd en is als gevolmachtigde gehouden dit bedrag met inbegrip van de beleggingswinst aan de nalatenschap terug te geven. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben gevorderd dat de betaling plaatsvindt op de derdengeldenrekening van [het notariskantoor] in [plaats3] . Hiertegen heeft [appellant] geen verweer gevoerd, zodat het hof dat zal beslissen.
De conclusie
3.13
Het principaal hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] slaagt grotendeels. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
3.14
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4De beslissing
Het hof:
4.1.
vernietigt onderdeel 5.1., eerste opsommingsteken, van het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 15 mei 2024, en veroordeelt [appellant] om binnen zes maanden na het wijzen van dit arrest rekening en verantwoording af te leggen over het beheer dat zij heeft gevoerd over de financiën en het vermogen van erflaatster als gevolmachtigde van erflaatster over de periode tussen 13 oktober 2009 en [datum] 2020 en bekrachtigt onderdeel 5.1. voor het overige;
4.2.
vernietigt onderdeel 5.4. van het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 15 mei 2024, en veroordeelt [appellant] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de volgende gegevens aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te overleggen:
a. a) de bankafschriften van alle bankrekeningnummers van erflaatster over de periode van [datum] 2013 tot 1 januari 2015
b) alle informatie over de verkoop van de woning van erflaatster die [appellant] heeft, waaronder in ieder geval de koopovereenkomst
c) een overzicht van de vermogensbestanddelen die van belang zijn om de omvang van de nalatenschap vast te stellen
d) alle informatie die [appellant] heeft en nog zal verkrijgen over de investering/ belegging bij [bedrijf2] ;
4.3.
als [appellant] de in 4.2 genoemde informatie niet of niet geheel overlegt, verbeurt [appellant] een dwangsom van € 100,- per dag dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van in totaal € 50.000,-;
4.4.
veroordeelt [appellant] het bedrag van € 225.000,- aan de erfgenamen van erflaatster te betalen door dit bedrag over te maken op de derdengeldenrekening van [het notariskantoor] in [plaats3] ;
4.5.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]
in het principaal hoger beroep:
€ 349 aan griffierecht
€ 3.870 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] (3 procespunten x het toepasselijke tarief 2)
in het incidenteel hoger beroep:
€ 7.056 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] (1/2/ x 3 procespunten x het toepasselijke tarief 6)
en bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen veertien dagen na vandaag;
4.6.
verklaart de veroordelingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Hamer, J.H. Lieber en P.G. Knoppers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.