Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5942

2026-09-15 Civiel recht 200.361.210
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.361.210
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Art. 6:271; art. 6:272 BW; art. 6:270 BW. Aannemer die ten onrechte overeenkomst met opdrachtgever heeft beëindigd, waardoor overeenkomst op vordering van opdrachtgever is ontbonden, voordat enige bouwwerkzaamheden zijn verricht, heeft geen recht op vergoeding van bestelde materialen en gemaakte uren.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.989 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Arnhem



afdeling civiel recht



zaaknummer gerechtshof 200.361.210
zaaknummer rechtbank Gelderland 11342187




arrest van 15 september 2026




in de zaak van






1Webuco B.V. (Webuco)

2. Webuco Holding B.V. Webuco Holding)
die zijn gevestigd in Beunigen

3. [appellant] )

die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. P.L.M.F. Roosendaal

[appellant] , Webuco en Webuco Holding worden hierna gezamenlijk Webuco c.s. genoemd



en





1 [geïntimeerde1]


2. [geïntimeerde2]

die wonen in [woonplaats2]
advocaat: mr. M. Evadgian
en [geïntimeerde2] worden gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd






1Het verloop van de procedure in hoger beroep


1.1.
Webuco c.s. hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, (hierna: de kantonrechter) op 30 mei 2025 tussen partijen heeft uitgesproken en het herstelvonnis van 25 juli 2025 waarin de verzoeken tot verbetering van het vonnis van 30 mei 2025 zijn afgewezen. [geïntimeerden] hebben voorwaardelijk hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 30 mei 2025. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep


de memorie van grieven


de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep


de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep


het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 12 augustus 2026 is gehouden.








2De kern van de zaak


2.1.
Het hof gaat uit van de feiten door de kantonrechter vastgesteld in rov. 2.1 tot en met 2.11 van het bestreden eindvonnis. Voor zover relevant en aangevuld met enkele feiten komen die op het volgende neer. [geïntimeerden] hebben met Webuco een overeenkomst gesloten om, onder andere, een aanbouw te realiseren (hierna: de overeenkomst) en [geïntimeerde1] heeft € 7.393,38 aanbetaald. Webuco heeft op 24 augustus 2024 in een e-mail aan [geïntimeerden] meegedeeld de overeenkomst te beëindigen. Op dat moment stelt Webuco wel al tijd besteed te hebben en materialen besteld te hebben. Vaststaat dat er geen bouwwerkzaamheden door Webuco verricht zijn en [geïntimeerden] ook geen bouwmaterialen hebben ontvangen van Webuco. [geïntimeerden] hebben bij de kantonrechter onder andere de ontbinding van de overeenkomst gevorderd en terugbetaling van de aanbetaling, met wettelijke rente met proceskosten en beslagkosten.



2.2.
De kantonrechter heeft de overeenkomst ontbonden en Webuco veroordeeld om aan [geïntimeerden] € 7.393,38 te betalen met wettelijke rente vanaf 24 augustus 2024 tot 16 december 2024. Webuco is verder veroordeeld om beslagkosten en de proceskosten van [geïntimeerden] te betalen. De vorderingen tegen Webuco Holding en [appellant] zijn afgewezen. Bij herstelvonnis zijn verzoeken tot herstel van [geïntimeerden] en Webuco c.s. afgewezen.



2.3.
Webuco c.s. willen in hoger beroep dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. [geïntimeerden] willen in hun voorwaardelijk hoger beroep dat als zij in het hoger beroep van Webuco veroordeeld zouden worden om een vergoeding aan Webuco te betalen, de overeenkomst alsnog op grond van bedrog en dwaling wordt vernietigd.



2.4.
Het hof zal het vonnis bekrachtigen en licht dat hierna toe.





3De toelichting op de beslissing van het hof




[geïntimeerden] hoeven Webuco niet te betalen voor bestelde zaken of gewerkte uren




3.1.
Webuco vindt dat zij betaald moet worden voor bestelde zaken, waaronder twee kozijnen en een deur, en al verrichte werkzaamheden, zoals opgenomen in een eindafrekening.



3.2.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat Webuco met zijn mail van 24 augustus 2024 in de nakoming van de overeenkomst toerekenbaar is tekortgeschoten en in verzuim is komen te verkeren. De kantonrechter heeft dan ook de vordering tot ontbinding van de overeenkomst van [geïntimeerden] toegewezen. Webuco heeft in hoger beroep tegen die beslissing en deze oordelen geen klacht gericht. De advocaat van Webuco heeft dat tijdens de mondelinge behandeling bevestigd. Dit betekent dat in hoger beroep het hof ervan heeft uit te gaan dat de overeenkomst op goede gronden door [geïntimeerden] is ontbonden. De ontbinding heeft tot gevolg dat partijen van hun verbintenissen onder deze overeenkomst zijn bevrijd en dat een verbintenis tot ongedaanmaking ontstaat voor reeds door partijen ontvangen prestaties (artikel 6:271 BW). Als de aard van de prestatie uitsluit dat zij ongedaan gemaakt wordt, treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ten belope van de waarde op het tijdstip van ontvangst (6:272 BW).



3.3.
Vaststaat dat Webuco nog geen bouwwerkzaamheden voor [geïntimeerden] heeft verricht en dat [geïntimeerde1] geen door Webuco bestelde zaken heeft ontvangen. Er is dan ook geen prestatie die [geïntimeerden] hebben ontvangen die ongedaan moet worden gemaakt. Webuco vindt dat unfair, omdat zij stelt zaken te hebben besteld en tijd te hebben besteed toen de overeenkomst nog niet ontbonden was en zij met de bestelde zaken niets kan. Dat zij voor niets gewerkt heeft en nu met bepaalde bestelde zaken blijft zitten is echter het gevolg van de onterechte beëindiging van de overeenkomst door Webuco zelf op 24 augustus 2024, waardoor Webuco (en niet [geïntimeerden] ) toerekenbaar tekort is geschoten. Zou Webuco niet toerekenbaar tekort geschoten zijn, dan zou zij de aanbouw hebben kunnen bouwen met gebruik van de bestelde materialen en zou zij daar ook voor betaald zijn. Als Webuco meent dat het enkele besteden van tijd en bestellen van materiaal in dit geval al heeft te gelden als een prestatie richting [geïntimeerden] , dan volgt het hof haar daarin niet. De te leveren prestatie bestond uit het bouwen van een aanbouw en van die prestatie heeft Webuco nog niets geleverd. Aan bewijslevering komt het hof niet toe, omdat dit niet tot een ander resultaat kan leiden.


3.4.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] gezegd dat Webuco de overeenkomst wel moest beëindigen vanwege verzekeringsfraude door [geïntimeerden] , waarin een factuur van Webuco een rol zou spelen. Maar zoals hiervoor al is opgemerkt, is geen grief aangevoerd tegen de ontbinding en is dat ter zitting van het hof bevestigd. Deze stelling kan daarom tot niets leiden en is bovendien gemotiveerd weersproken door [geïntimeerden]



3.5.
Webuco wijst ook (terloops) op artikel 6:270 BW. Dat artikel bepaalt dat een gedeeltelijke ontbinding een evenredige vermindering van wederzijdse prestaties inhoudt. In dit geval is echter geen sprake van een gedeeltelijke ontbinding, maar van een volledige ontbinding. Dat in dit geval alleen een gedeeltelijke ontbinding gerechtvaardigd zou zijn, is niet aan de orde gesteld en overigens ook niet voldoende toegelicht. En ook bij een gedeeltelijke ontbinding zou de vraag rijzen welk deel van de prestatie reeds verricht is.



Proceskosten





3.6.
Webuco Holding en [appellant] klagen dat [geïntimeerden] in hun proceskosten hadden moeten worden veroordeeld, omdat de vorderingen van [geïntimeerden] tegen deze partijen zijn afgewezen. Het hof is het daarmee eens. Webuco c.s. hebben echter gezamenlijk griffierecht betaald, gelijkluidende conclusies genomen en met dezelfde advocaat geprocedeerd als Webuco. Aan het verweer tegen de slecht onderbouwde vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid zijn slechts enkele summiere passages gewijd. Het hof begroot de proceskosten van Webuco Holding en [appellant] wat betreft salaris advocaat daarom op nihil, terwijl voor het griffierecht geen afzonderlijke kosten zijn gemaakt. Het eindresultaat is dus materieel hetzelfde als het vonnis van de kantonrechter en [appellant] en Webuco Holding hebben daarom bij hun klacht over de proceskosten onvoldoende belang. Het hof zal het vonnis van 30 mei 2025 bekrachtigen. Tegen het vonnis waarin de verzoeken tot verbetering zijn afgewezen staat geen hoger beroep open. In hun hoger beroep daartegen zijn Webuco c.s. niet-ontvankelijk.



De conclusie





3.7.
Het hoger beroep van Webuco c.s. slaagt niet. De voorwaarde voor het incidenteel hoger beroep is niet vervuld en dit hoeft dus niet behandeld te worden. Omdat Webuco c.s. volledig in het ongelijk worden gesteld, moeten zij de proceskosten van [geïntimeerden] in hoger beroep betalen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.



3.8.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).





4De beslissing


Het hof:



4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, van 30 mei 2025 en verklaart Webuco c.s. niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het vonnis van 25 juli 2025;



4.2.

veroordeelt Webuco c.s. tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] :
€ 362 aan griffierecht
€ 1.824 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] (2 procespunten x tarief I);




4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;



4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;



4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.


Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A van Dam, L. Janse en V. van der Kuil en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.



















HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.