Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5934

2026-09-15 Civiel recht 200.336.499
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.336.499
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Opzegging van een overeenkomst van aanneming (nieuwbouwwoning) In het tussenarrest ECLI:NL:GHARL:2025:4334 heeft het hof bewijsopdrachten verstrekt. In dit arrest de bewijsbeoordeling na getuigenverhoren. Eindafrekening volgens artikel 7:764 lid 2 BW (besparingen).

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.454 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem



zaaknummer gerechtshof: 200.336.499
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 413744)





arrest van 15 september 2026




in de zaak van




Ro-Home Houtbouw B.V.

die is gevestigd in Apeldoorn
en hierna Ro-Home wordt genoemd
zonder advocaat (mr. M. Mos heeft zich op 24 maart 2026 aan de procedure onttrokken)



tegen





[de opdrachtgever]


die woont in [woonplaats]
en hierna [de opdrachtgever] wordt genoemd
advocaat: mr. T.B. van Dreumel.





1Het verloop van de procedure


1.1
In het procesdossier liggen de volgende stukken:


het tussenarrest van 15 juli 2025 (hierna: het tussenarrest) en de daarin genoemde stukken


het proces-verbaal van getuigenverhoor van 9 december 2025


de memorie na bewijslevering van Ro-Home van 10 februari 2026 met productie 26


de memorie na enquête van 10 maart 2026, tevens memorie van bewijslevering van [de opdrachtgever] met productie G.





1.2
Ro-Home heeft vervolgens de gelegenheid gekregen om met een antwoordmemorie te reageren op de memorie die [de opdrachtgever] op 10 maart 2026 had ingebracht, maar zij heeft dat niet gedaan. Haar advocaat heeft zich aan de zaak onttrokken en er heeft zich voor haar geen andere advocaat gemeld, ook niet vier weken later. Daarop heeft het hof bepaald dat het recht van Ro-Home om die antwoordmemorie in te dienen is vervallen en dat het hof een arrest zal wijzen. Dat is dit arrest.




2De kern van deze uitspraak
Het gaat in deze zaak om een afwikkeling van een overeenkomst van aanneming (woning-bouw) die al na betrekkelijk korte tijd door de opdrachtgever [de opdrachtgever] is opgezegd. In het tussenarrest heeft het hof bepaald dat Ro-Home (de aannemer) mag bewijzen dat [de opdrachtgever] meerwerk aan haar heeft opgedragen ten aanzien van de levering van aluminium kozijnen en deuren en dat [de opdrachtgever] mag bewijzen dat Ro-Home na de opzegging heeft kunnen besparen op bij Ecowood bestelde bouwmaterialen. Hieronder legt het hof uit dat Ro-Home niet in haar bewijsopdracht is geslaagd en [de opdrachtgever] wel. De uitkomst van de zaak wordt verder bepaald door wat het hof in het tussenarrest heeft overwogen en die uitkomst is dat [de opdrachtgever] aan Ro-Home een lager bedrag is verschuldigd dan in het vonnis van de rechtbank is bepaald. Dat vonnis wordt gedeeltelijk vernietigd en Ro-Home wordt in de proceskosten van de beide hoger beroepen veroordeeld.



3De motivering van de beslissingen



A. de meerwerkopdracht




3.1
Het hof vindt niet bewezen dat [de opdrachtgever] aan Ro-Home heeft opgedragen om aluminium kozijnen en deuren als meerwerk te leveren. De getuigenverklaringen van [de architect] , [de kennis van de opdrachtgever] , [de directeur van Ro-Home] en [de opdrachtgever] en de e-mailberichten van 12 juli 2022 en 13 februari 2025 zijn daarvoor onvoldoende en ander bewijs van de meerwerk-opdracht ontbreekt eveneens. Het hof legt dit uit, om te beginnen door de inhoud van de nieuwe getuigenverklaringen weer te geven.



de getuigenverklaringen





3.2
De getuige [de architect] is architect van beroep. Hij werd door Ro-Home betrokken bij het bouwproject dat Ro-Home voor [de opdrachtgever] had willen uitvoeren. Het hof noemt hem hieronder de architect. Hij heeft in een e-mail van 13 februari 2025 aan Ro-Home een verklaring gestuurd (productie 25 in hoger beroep) en als getuige op de zitting het volgende verklaard.Hij kent [de directeur van Ro-Home] - dat is de directeur/eigenaar van Ro-Home die hieronder de directeur zal worden genoemd - al ongeveer 10 jaar en werkt geregeld met hem samen. Hij heeft over het bouwproject meerdere gesprekken met de directeur en [de opdrachtgever] gevoerd. Bij de derde bijeenkomst, die in een wegrestaurant plaatsvond, waren [de opdrachtgever] , de directeur en de heer [de kennis van de opdrachtgever] aanwezig. [de kennis van de opdrachtgever] is een goede kennis van [de opdrachtgever] en wordt hieronder de kennis genoemd. [de opdrachtgever] heeft tijdens die bijeenkomst gezegd dat hij aluminium kozijnen mooi zou vinden en dat hij aluminium kozijnen wilde, en ook dat hij liever schuifpuien wilde dan openslaande deuren. Voor zover deze getuige bekend is over prijzen toen niet gesproken. Tot zover de verklaring van de architect.Het hof merkt op dat deze verklaring overeenkomt met wat de architect in zijn e-mail van 13 februari 2025 heeft geschreven en geen aanvullende informatie over het bestaan van een meerwerkopdracht bevat.



3.3
De kennis heeft ook als getuige op de verhoorzitting een verklaring afgelegd. Hij herinnert zich bij een gesprek in een wegrestaurant te zijn geweest waaraan ook de architect deelnam. Bij die gelegenheid is niet over de prijs van de kozijnen gesproken. Eerder hadden [de opdrachtgever] en de directeur het daar wel over gehad, bij een of meer gesprekken bij [de opdrachtgever] thuis waarbij de kennis ook aanwezig was. Bij die eerdere gesprekken was het plan dat [de opdrachtgever] zelf houten kozijnen bij zijn zwager zou bestellen. Als hij alsnog voor aluminium kozijnen zou kiezen, zou hij de afspraak met zijn zwager moeten afzeggen. [de opdrachtgever] zei dat hij wilde weten hoe duur dat zou zijn, voordat hij een keuze wilde maken, aldus de verklaring van de kennis.



3.4
Ook de directeur heeft als getuige op de zitting een verklaring afgelegd. [de opdrachtgever] was eerst van plan om pvc kozijnen bij zijn zwager te laten maken, maar bij het gesprek in het wegrestaurant (waar ook de architect bij was) heeft hij gezegd voor aluminium kozijnen te kiezen. Hij gaf Ro-Home opdracht om die snel te bestellen. Ro-Home heeft de prijs daarvoor mondeling (telefonisch) aan [de opdrachtgever] opgegeven, ook in een WhatsAppbericht. Of dit al bij het gesprek in het wegrestaurant was gebeurd, weet de directeur niet. Evenmin weet hij of [de opdrachtgever] die prijs kende op het moment waarop hij opdracht gaf om (snel) kozijnen te bestellen.



3.5

[de opdrachtgever] heeft als getuige verklaard dat het gesprek in het wegrestaurant (ook) over aluminiumkozijnen ging, maar dat ‘ze’ (Ro-Home en/of de architect, zo begrijpt het hof) nog geen prijs konden geven. Pas later ontving hij prijsopgaven. Mar toen zorgde de financiering voor problemen. Hij heeft de opdracht beëindigd zonder een keuze te maken voor kozijnen van een bepaald materiaal, zo begrijpt het hof de verklaring van [de opdrachtgever] .



de bewijsbeoordeling





3.6
In § 5 van haar laatste memorie schrijft Ro-Home dat [de opdrachtgever] al vóór de bijeen-komst in het wegrestaurant die de directeur in zijn verklaring bedoelt op de hoogte was van de prijsverschillen tussen kozijnen van kunststof, hout en aluminium. In de getuigen-verklaringen van de architect, de kennis en met name ook [de opdrachtgever] leest het hof echter het tegendeel: daaruit volgt juist dat de kosten ten tijde van die bijeenkomsten nog niet bekend waren. Ro-Home legt bij haar laatste memorie een emailbericht van [de opdrachtgever] van 11 mei 2022 over waarin [de opdrachtgever] schrijft dat hij voor zijn hypotheekaanvraag een sluitende bouw-begroting nodig had. Het hof leest daarin niet dat [de opdrachtgever] prijzen van aluminium kozijnen kende. In het mailbericht van 26 mei 2022 dat als onderdeel van productie 5 bij dagvaarding in eerste aanleg is overgelegd, heeft Ro-Home een prijs voor kunststofkozijnen opgegeven, maar daarin ziet het hof geen prijsinformatie over aluminium materialen. Dit kan alleen kloppen met de bewering van de directeur dat [de opdrachtgever] al tijdens de bijeenkomst in het wegrestaurant de prijzen van de aluminium materialen wist als die bijeenkomst op 26 mei 2022 of later plaatsvond – dit terwijl [de opdrachtgever] de overeenkomst op 1 juni 2022, dat is slechts een week na die datum heeft beëindigd omdat de financiering niet rond kwam. Dat die bijeenkomst in die week plaatsvond, blijkt echter niet.



3.7
In de andere processtukken ziet het hof evenmin voldoende steun voor de totstand-koming van de meerwerkopdracht. De door Ro-Home als productie 25 overgelegde verklaring van de architect houdt geen bijzonderheden in die niet ook in zijn getuigenverklaring zijn opgenomen. Ro-Home heeft verder nog gewezen op een e-mail van [de opdrachtgever] van 12 juni 2022 die door Ro-Home in hoger beroep als productie 14 is overgelegd. In deze email geeft [de opdrachtgever] voorwaardelijk toestemming ‘om de kozijnen te verkopen’ waarop in het mailbericht volgt: ‘maar dan moeten we wel eerst afspraken maken over de verdere afwikkeling van de aanneemovereenkomst.’ Volgens [de opdrachtgever] is hiermee bedoeld dat Ro-Home de kozijnen mocht verkopen als zij die inderdaad had besteld. [de opdrachtgever] heeft ook in dit verband toegelicht dat Ro-Home hem eerder had laten weten dat zij de kozijnen had besteld en had gevraagd om toestemming tot verkoop. Anders dan Ro-Home stelt, kan in deze e-mail naar het oordeel van het hof niet worden gelezen dat [de opdrachtgever] daarin heeft erkend dat de kozijnen daadwerkelijk zijn besteld. Mogelijk ging hij ervan uit dat Ro-Home hem hierover juist had voorgelicht. Nog minder volgt uit het emailbericht dat aan de bestelling een meerwerkopdracht ten grondslag lag. Dat [de opdrachtgever] en/of Ro-Home wegens sterke prijsstijgingen van bouwmaterialen de nodige bestellingen snel wilden plaatsen is aannemelijk, maar niet dat [de opdrachtgever] voor aluminium kozijnen durfde te kiezen terwijl de hoogte van de totale bouwkosten nog onbekend was en de nodige lening daarvoor nog niet kon worden aangevraagd. Het ligt onder die omstandigheden eerder voor de hand dat [de opdrachtgever] die keuze wilde uitstellen en daarom geen meerwerk wilde opdragen.



3.8
In de memorie na enquête stelt Ro-Home dat zij erop mocht vertrouwen dat [de opdrachtgever] haar het meerwerk opdroeg. Als zij daarmee heeft bedoeld dat dit vertrouwen los van wat hierboven is besproken, dus zelfstandig een reden is dat er een meerwerk-overeenkomst tot stand is gekomen, is zij daarmee te laat en gaat het hof daarom aan deze nieuwe grondslag voorbij (de twee conclusieregel). Bovendien is niet gebleken dat Ro-Home erop heeft mogen vertrouwen dat die meerwerk-overeenkomst er was. Al met al is niet gebleken dat [de opdrachtgever] bij wijze van meerwerk aan Ro-Home heeft opgedragen om aluminium kozijnen te gebruiken.



B. Ecowood





3.9

[de opdrachtgever] mocht bewijzen dat Ro-Home op de bij Ecowood bestelde bouwmaterialen heeft kunnen besparen. Hij heeft met het oog hierop een legal opinion laten opstellen door een team van Roemeense juristen die aan een advocatenkantoor zijn verbonden. In deze legal opinion wordt de betekenis naar Roemeens recht uitgelegd van het Contract de Furnizare Marfa, dat Ro-Home als productie 12 bij akte van 5 juli 2023 heeft overgelegd (het Goods supply contract no. 002 dated 28.05.2022 - hieronder de Overeenkomst) en van de Factura Proforma nr. 14 van 27.05.2022 van SC Cisco Invest Srl. Zonder een aanvullende firm order (vaste / definitieve bestelling) kunnen uit de raamovereenkomst geen verplichtingen voor Ro-Home voortvloeien en in de Overeenkomst lezen de opstellers van de legal opinion geen firm orders, zo begrijpt het hof de legal opinion. Dat geldt met name voor de artikelen 2.1 en 2.2: die artikelen ‘only establish the general subject matter and list the products to be sold, with indicative values, without establishing a minimum volume obligation or an obligation to purchase the entire list’ want ‘[t]he payment obligation is expressly formulated only for products ordered and delivered under this contract (Article 5.2.1) …’. Het hof begrijpt hieruit dat, ondanks de in artikel 2.2 van de Overeenkomst opgesomde aluminium materialen en isolatiematerialen en de (tot op de cent nauwkeurig bepaalde) prijzen, er geen afname- en betaalverplichtingen voor Ro-Home uit de Overeenkomst voortvloeien omdat er geen firm order (dus: geen bestelling) is geplaatst. In de legal opinion wordt hiervoor nog opgemerkt dat de bouwmaterialen van artikel 2.2 ‘standardized goods’ zijn, aldus § 3, 3e en 4e alinea van het rapport. Ro-Home heeft de gelegenheid om op de inhoud van de legal opinion te reageren niet gebruikt. Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat er door Ro-Home geen concrete bestelling is gedaan bij Ecowood en dat Ro-Home. De pro forma factuur van 27 mei 2022 van Cisco Invest blijkt een offerte te zijn, maar niet de benodigde bestelling. De factuur heeft geen betrekking op een bestaande betalingsverplichting van Ro-Home.



3.10

[de opdrachtgever] heeft naar het oordeel van het hof dan ook bewezen dat Ro-Home voor de in de Overeenkomst en de offerte bedoelde bestellingen bij Ecowood ten tijde van de opzegging van de opdracht niets hoefde te betalen.



recapitulatie





3.11
In rechtsoverweging 3.8 van het tussenarrest heeft het hof overwogen dat Ro-Home tekort is geschoten in haar verplichting om aan [de opdrachtgever] de nodige informatie te verstrekken over de samenstelling van de aanneemsom en de kosten die Ro-Home heeft gemaakt om de bouw te beginnen. Uitsluitend met betrekking tot de bouwmaterialen van Ecowood heeft [de opdrachtgever] van Ro-Home voldoende aanknopingspunten voor bewijslevering gekregen. In dat bewijs is [de opdrachtgever] geslaagd. Bij elkaar genomen blijkt dat Ro-Home alle bouwkosten kon uitsparen, met uitzondering van het honorarium van € 7.865 inclusief btw van de architect (zie rechtsoverweging 3.9 van het tussenarrest).



3.12

Naast de architectkosten is [de opdrachtgever] aan Ro-Home de winstopslag van 3% verschul-digd, alsmede een risico-opslag van 2% en een opslag voor algemene kosten van nog eens 2% over de architectkosten. In rechtsoverweging 3.23 van het tussenarrest is toegelicht dat het hof rekent met een winstopslag van €10.747,57. Het totaalbedrag dat [de opdrachtgever] wegens de opzegging van de opdracht is verschuldigd is daarom inclusief btw € 18.927,17 inclusief btw (dat is € 10.747,57 + 104% van € 7.865). Hiervan heeft hij € 5.900 vooruit betaald, zodat [de opdrachtgever] nog € 13.027,17 moest betalen toen Ro-Home de procedure in eerste aanleg begon.
De rechtbank heeft [de opdrachtgever] veroordeeld om aan Ro-Home € 37.385 (inclusief btw) te betalen. Het verschil met de uitkomst in hoger beroep valt grotendeels toe te schrijven aan de hoogte van de winstopslag, die de rechtbank op 8% van de aanneemsom heeft vastgesteld en die door het hof op 3% is bepaald. Het vonnis van de rechtbank zal daarom worden vernietigd en het hof zal [de opdrachtgever] veroordelen om het lagere bedrag te betalen.




de wettelijke rente





3.13

[de opdrachtgever] is veroordeeld om de wettelijke rente over de hoofdsom te vergoeden. De rechtbank heeft de ingangsdatum van deze rente bepaald op 30 juni 2023 omdat dit de datum is waarop Ro-Home voor het eerst aan [de opdrachtgever] om betaling van de afrekening heeft verzocht. Volgens grief V van Ro-Home had de rechtbank de wettelijke rente eerder moeten laten ingaan omdat zij schade heeft geleden doordat zij bestellingen bij leveranciers heeft geplaatst die zij niet kon betalen omdat [de opdrachtgever] haar daarvoor niet wilde betalen.



3.14
Ook deze grief is ongegrond. De wettelijke rente (art, 6:119 BW) is alleen verschuldigd over de tijd dat [de opdrachtgever] in verzuim was om het bedrag van € 13.349,60 te betalen. Niet gebleken is dat dit bedrag ook al vóór 30 juni 2023 opeisbaar was. De facturen van 3 mei 2022 hebben betrekking op termijnen van de aanneemsom die door de opzegging d.d. 1 juni 2022 niet meer verschuldigd waren. Dat [de opdrachtgever] toen al in verzuim verkeerde inzake de betaling van deze facturen, heeft Ro-Home niet gesteld. Als gevolg van de opzegging moesten partijen met elkaar afrekenen: de aanneemsom werd opeisbaar, verminderd met de besparingen. Ter zake van deze betalingsverplichting heeft Ro-Home [de opdrachtgever] pas na 30 juni 2023 aangemaand. In rechtsoverweging 3.27 van het tussenarrest heeft hof overwogen dat de wettelijke rente over het bedrag dat [de opdrachtgever] als hoofdsom moet betalen zal worden toegekend vanaf 11 juli 2022. Het hof zal hieronder in die zin beslissen.



de vordering tot terugbetaling





3.15

[de opdrachtgever] heeft gevorderd om Ro-Home te veroordelen tot terugbetaling van al wat hij ter uitvoering van het vonnis van de rechtbank teveel heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop die betalingen zijn verricht tot en met de datum van de algehele voldoening. Tegen deze vordering is geen afzonderlijk verweer gevoerd zodat het hof de vordering zal toewijzen.



de proceskosten





3.16
De rechtbank heeft de kosten van de procedure in eerste aanleg over partijen verdeeld (gecompenseerd). [de opdrachtgever] is het met die beslissing niet eens en heeft het hof gevraagd Ro-Home in hoger beroep alsnog in de kosten van de procedure bij de rechtbank te veroordelen. Daaraan heeft [de opdrachtgever] ten grondslag gelegd dat een veel lager bedrag dan door Ro-Home gevorderd is toegewezen en dat dit bedrag in hoger beroep nog verder moet worden verminderd. Het hof laat de beslissing van de rechtbank over de proceskosten in stand en vult haar motivering aan als volgt. Ro-Home heeft zich op goede grond op het standpunt gesteld nog een vordering op [de opdrachtgever] te hebben. [de opdrachtgever] is in de procedure bij de rechtbank daarom aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. De omstandigheid dat die vordering veel lager is dan door Ro-Home gesteld is aanleiding om [de opdrachtgever] desondanks niet in de kosten te veroordelen, maar de kosten over partijen te verdelen. Het hof is het daarom met de proceskostenbeslissing van de rechtbank eens.



3.17
Het hof veroordeelt Ro-Home in de kosten van de beide hoger beroepen omdat zij in beide hoger beroepen (geheel respectievelijk grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld. Het hof begroot de kosten die [de opdrachtgever] tot vandaag in het principaal hoger beroep heeft gemaakt op € 15.901 (€ 1.780 voor griffierecht en € 14.121 voor salaris van de advocaat conform het liquidatietarief – 3 punten van tarief VI). In het incidenteel hoger beroep rekent het hof niet met een vergoeding voor het bijwonen de het getuigenverhoor, omdat dat in het principaal hoger beroep plaatsvond. De vergoeding voor advocatensalaris in het incidenteel hoger beroep wordt bepaald op € 5.883,75 (de helft van 2½ punt van tarief VI). In beide gevallen (principaal en incidenteel beroep) moet Ro-Home op grond van deze kostenveroordelingen bovendien nakosten van [de opdrachtgever] vergoeden, waaronder de kosten van de deurwaarder wegens het uitreiken van dit arrest aan Ro-Home (de betekening), en de wettelijke rente over de proceskosten als zij te laat betaalt. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.



3.18
In het incidenteel hoger beroep vraagt [de opdrachtgever] om een kostenveroordeling die ook kan worden uitgevoerd als de zaak aan de Hoge Raad wordt voorgelegd (uitvoerbaarheid bij voorraad). Met zijn memorie heeft hij daarom klaarblijkelijk willen bereiken dat ook een proceskostenveroordeling in het principaal hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Het hof wijst deze bijkomende vordering eveneens toe.




4De beslissingen
Het hof, dat beslist in het principaal hoger beroep:

4.1
verklaart het hoger beroep van Ro-Home tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen op 27 september 2023 tussen partijen heeft uitgesproken ongegrond, behoudens voor zover de ingangsdatum van de wettelijke rente daarin onder 5.1 is bepaald op 30 juni 2023, vernietigt deze beslissing in zoverre, enbepaalt de ingangsdatum voor de wettelijke rente op 11 juli 2022;


4.2
veroordeelt Ro-Home in de proceskosten van het hoger beroep, begroot de kosten van [de opdrachtgever] tot vandaag op € 15.901 en bepaalt dat deze vergoeding binnen veertien dagen na de betekening van dit arrest moet zijn betaald, bij gebreke waarvan de vergoeding wordt verhoogd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na die betekening;


4.3

verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer en/of anders gevorderde af;




en in het incidenteel hoger beroep:



4.4
vernietigt het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, op 27 september 2023 tussen partijen heeft uitgesproken voor zover [de opdrachtgever] daarbij onder 5.1 is veroordeeld om aan Ro-Home € 37.385 te betalen, bekrachtigt dat vonnis voor het overige en beslist opnieuw als volgt:


4.5
veroordeelt [de opdrachtgever] tot betaling van € 13.027,17, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2022 tot de dag van de betaling;


4.6
veroordeelt Ro-Home om aan [de opdrachtgever] terug te betalen wat [de opdrachtgever] haar ter uitvoering van de vernietigde veroordeling onder 5.1 van het bestreden vonnis te veel heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop die betalingen zijn verricht tot en met de datum van de algehele voldoening;


4.7
veroordeelt Ro-Home in de proceskosten, begroot de proceskosten van [de opdrachtgever] tot vandaag op € 5.883,75, bepaalt dat deze vergoeding binnen veertien dagen na vandaag moet zijn betaald, bij gebreke waarvan de vergoeding wordt verhoogd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na vandaag en bepaalt dat de nakosten binnen veertien dagen na het maken van die kosten moeten worden betaald en dat bij gebreke daarvan daarna de wettelijke rente daarover zal zijn verschuldigd;


4.8
verklaart de veroordelingen onder 4.6, 4.7 en 4.8 uitvoerbaar bij voorraad;


4.9
wijst het meer en/of anders gevorderde af.



Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, G.D. Hoekstra en P.E. Lucassen, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.