Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5874
2026-09-08
Bestuursrecht; Belastingrecht
25/893
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
IB/PVV. Inkomen uit sparen en beleggen. Rechtsherstel.
Citeert (6)
- ECLI:NL:RBGEL:2025:1368 Rechtbank Gelderland 20-02-2025
- ECLI:NL:HR:2024:705 Hoge Raad 06-06-2024
- ECLI:NL:HR:2024:704 Hoge Raad 06-06-2024
- ECLI:NL:HR:2024:705 Hoge Raad 06-06-2024
- ECLI:NL:HR:2023:785 Hoge Raad 26-05-2023
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.063 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Utrecht
nummer BK-ARN 25/893
uitspraakdatum: 8 september 2026
Uitspraak van de zesde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 februari 2025, nummer ARN 23/4477, ECLI:NL:RBGEL:2025:1368, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (de aanslag IB/PVV 2021) opgelegd.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2021 ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld in vergoeding van de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 26,60 en de Inspecteur opgedragen om het betaalde griffierecht van € 50 aan belanghebbende te vergoeden.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2Vaststaande feiten
2.1.
Belanghebbende heeft, voor zover van belang, in haar aangifte IB/PVV 2021 € 1.534.313 aan bezittingen verantwoord als rendementsgrondslag.
2.2.
De bezittingen bestaan voor € 336.552 uit banksaldi, voor € 707.938 uit beleggingen, voor € 362.823 uit drie vorderingen en voor € 127.000 uit een tweede woning. Twee van de drie vorderingen zien op door belanghebbende aan twee van haar kinderen verstrekte hypothecaire geldleningen voor de aanschaf van een woning en een vordering ziet op [naam3] , een voormalig familielid (de vorderingen). Het rentepercentage over deze vorderingen bedraagt 2,5% per jaar.
2.3.
Belanghebbende heeft in 2021 € 22 aan rente ontvangen over haar banksaldi en € 10.431 aan rente over de vorderingen. Daarnaast heeft zij € 11.004 aan dividend ontvangen.
2.4.
De definitieve aanslag IB/PVV 2021 is vastgesteld met dagtekening 18 oktober 2022. Hierin is een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen opgenomen van € 65.903. Bij het vaststellen van dit inkomen is rechtsherstel toegepast op grond van de Wet rechtsherstel box 3.
2.5.
Belanghebbende heeft met dagtekening 28 november 2022 bezwaar gemaakt tegen voornoemde aanslag. Vanwege het uitblijven van een beslissing heeft zij de Inspecteur in gebreke gesteld.
2.6.
De Inspecteur heeft op 21 maart 2023 het bezwaar ongegrond verklaard.
3Geschil
3.1.
In geschil is of de aanslag IB/PVV 2021 naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de vorderingen terecht als overige bezittingen zijn aangemerkt. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en stelt zich op het standpunt dat de vorderingen als banktegoeden moeten worden aangemerkt. De Inspecteur beantwoordt deze vraag tegenovergesteld en stelt zich op het standpunt dat de vorderingen terecht als overige bezittingen zijn aangemerkt. Voorts is subsidiair in geschil of nader rechtsherstel moet worden geboden. Voorts is in geschil of de Inspecteur het motiveringsbeginsel heeft geschonden en of belanghebbende recht heeft op een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vermindering van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen tot een bedrag van € 46.013, tot vergoeding van een dwangsom, tot schadevergoeding wegens privacyschade, tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht.
3.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4Beoordeling van het geschil
Aanslag IB/PVV 2021
4.1.
Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de vorderingen als banktegoeden moeten worden aangemerkt. Belanghebbende voert hiertoe aan dat de vorderingen kenmerken bezitten van spaartegoed. Zij wijst daarbij op het lage risico, dat sprake is van zekerheid via het gevestigde hypotheekrecht, dat geen winststreven aanwezig is en dat de vorderingen regelmatige rente-inkomsten genereren. Een teleologische lezing van de wet brengt mee dat het rechtsherstel zou moeten aansluiten bij de werkelijke verdeling tussen banktegoeden en overige bezittingen van de individuele belastingplichtige, aldus belanghebbende. Belanghebbende vergelijkt het onderhavige geval voorts met de overgangsregeling voor VvE-reservefondsen die volgens belanghebbende tot 1 januari 2023 als banktegoeden werden aangemerkt en betoogt dat een dergelijke regeling ook voor de vorderingen zou moeten gelden. De Inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd betwist.
4.2.
Artikel 1 van de Wet rechtsherstel box 3 luidt, voor zover hier van belang:
“1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
- banktegoeden: bezittingen als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 die deposito’s als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht zijn of daarmee naar aard en strekking overeenkomende buitenlandse deposito’s;
- (…)
- overige bezittingen: bezittingen als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, anders dan banktegoeden;”
4.3.
Artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) luidt, voor zover hier van belang:
“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder:
(…)
deposito: een tegoed dat wordt gevormd door op een rekening staande gelden of dat tijdelijk uit normale banktransacties voortvloeit, en dat een bank onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden dient terug te betalen, met inbegrip van een termijndeposito en een spaardeposito, met uitzondering van een tegoed waarvan:
a. het bestaan alleen kan worden aangetoond met behulp van een financieel instrument, tenzij het een spaarproduct betreft dat wordt belichaamd in certificaat van deposito dat op naam luidt en dat op 2 juli 2024 bestond in een lidstaat;
b. de hoofdsom niet a pari terugbetaalbaar is;
c. de hoofdsom alleen a pari terugbetaalbaar is uit hoofde van een door de bank of door een derde verstrekte garantie of overeenkomst.”
4.4.
De vorderingen vormen naar het oordeel van het Hof geen deposito zoals bedoeld in artikel 1:1 Wft. De door belanghebbende genoemde kenmerken van de vorderingen voldoen immers niet aan de definitie van deposito in artikel 1:1 Wft. Bij toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 kunnen zij dan ook niet als banktegoed worden aangemerkt, maar moeten zij als overige bezitting in aanmerking worden genomen. Een teleologische lezing van artikel 1 van de Wet rechtsherstel box 3 leidt niet tot een ander oordeel. De wetgever heeft voor de afbakening van banktegoeden bewust willen aansluiten bij de definitie van deposito’s in de zin van artikel 1:1 Wft (Kamerstukken II 2022/23, 36 203, nr. 3, p. 4 en 12). De stelling dat het onderhavige geval vergelijkbaar is met een aandeel in een VvE-reservefonds dat op grond van de met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2023 geldende wettelijke regeling als banktegoed wordt aangemerkt en dat de vorderingen daarom eveneens als banktegoed moeten worden aangemerkt, faalt. Een aandeel in een VvE-reservefonds werd tot 1 januari 2023, en dus ook voor het onderhavige belastingjaar 2021, net als de vorderingen aangemerkt als overige bezitting. Dit is ook bevestigd door de Hoge Raad in zijn arrest van 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705 (r.o. 6.4.2). Een vergelijking van de vorderingen met een aandeel in een VvE-reservefonds, wat daar ook van zij, kan belanghebbende daarom niet baten. Voor zover belanghebbende stelt dat de wetgever ook voor de vorderingen een dergelijke regeling had moeten treffen, geldt dat aan de wetgever een aanzienlijke beoordelingsvrijheid toekomt. Het is de rechter niet toegestaan wetgeving te beoordelen op redelijkheid en billijkheid (artikel 11 van de Wet algemene bepalingen).
4.5.
Naar het oordeel van het Hof levert de omstandigheid dat een vordering zoals de onderhavige niet onder het begrip banktegoed valt in de zin van artikel 1 van de Wet rechtsherstel box 3 bovendien geen verboden discriminatie op zoals bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in samenhang met artikel 14 EVRM, hetgeen belanghebbende ter zitting heeft betoogd. Er is immers geen sprake van een gelijk geval met belastingplichtigen die banktegoed aanhouden. Het Hof wijst in dit verband op het risicoprofiel van de vorderingen, de vrijheid om afspraken te maken over de omvang van de rente, de looptijd van de vorderingen, de aflossingsverplichtingen en het stellen van zekerheden. Deze kenmerken wijken in aanzienlijke mate af van de kenmerken van banktegoed, waarbij geen sprake is van dergelijke onderhandelingsruimte. Dat de Inspecteur de overeengekomen rente voor fiscale doeleinden kan corrigeren naar een zakelijke rente, zoals belanghebbende betoogt, laat onverlet dat partijen de civielrechtelijke vrijheid hebben om de omvang van de rente te bepalen. Gelet hierop, is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Het standpunt van belanghebbende dat zij door de Wet rechtsherstel met terugwerkende kracht in een slechtere positie is gekomen, berust op een onjuist begrip van deze wet. Zonder de Wet rechtsherstel had belanghebbende een hoger bedrag aan IB/PVV moeten betalen over haar vermogen in box 3.
4.6.
Het primaire standpunt faalt derhalve.
4.7.
Belanghebbende betoogt subsidiair dat nader rechtsherstel moet worden geboden. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 en ECLI:NL:HR:2024:705 (de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 2024), geoordeeld dat ook toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 kan leiden tot schending van de door artikel 1 EP in samenhang met artikel 14 EVRM gewaarborgde rechten. Een dergelijke schending doet zich voor indien de belastingplichtige geconfronteerd wordt met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement. In deze arresten zijn tevens regels geformuleerd over de vaststelling van de hoogte van het werkelijke rendement.
4.8.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende aannemelijk maakt dat zij wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement.
4.9.
Zoals hiervoor is overwogen, dienen de vorderingen bij toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 als overige bezittingen te worden aangemerkt. Voor zover belanghebbende derhalve bedoelt te stellen dat nader rechtsherstel moet worden geboden door de vorderingen alsnog aan te merken als banktegoeden, faalt deze stelling. Voor nader rechtsherstel is slechts plaats indien belanghebbende voldoet aan haar bewijslast zoals bedoeld in 4.8. Voor zover belanghebbende betoogt dat nader rechtsherstel moet worden geboden door belast te worden over het werkelijke rendement, heeft te gelden dat zij daartoe geen bewijs heeft geleverd. Zij heeft immers geen enkel inzicht verschaft in de waardeontwikkeling van haar beleggingsportefeuille. Belanghebbende heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij over haar gehele vermogen wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement. Naar het oordeel van het Hof is de aanslag IB/PVV 2021 naar het juiste bedrag vastgesteld. 4.10. Het subsidiaire standpunt faalt.
Motiveringsbeginsel
4.11.
Belanghebbende heeft verder betoogd dat het motiveringsbeginsel door de Inspecteur is geschonden. Hiertoe voert zij aan dat de uitspraak op bezwaar overwegend uit standaardtekst bestaat en dat de Inspecteur niet specifiek is in gegaan op haar klacht over de omstandigheid dat de vorderingen als overige bezittingen zijn aangemerkt en niet als banktegoeden. De Inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.
4.12.
Naar het oordeel van het Hof is geen sprake van een dergelijke schending. Anders dan belanghebbende stelt, is in de uitspraak op bezwaar voldoende onderbouwd waarom de aanslag IB/PVV 2021 is gehandhaafd. In de uitspraak op bezwaar staan de grieven uit het bezwaarschrift van belanghebbende vermeld. De Inspecteur is in de uitspraak op bezwaar vervolgens gemotiveerd ingegaan op deze aangevoerde grieven. Dat de Inspecteur niet is ingegaan op belanghebbendes klacht over de omstandigheid dat de vorderingen als overige bezittingen zijn aangemerkt en niet als banktegoeden, is het Hof niet gebleken. In de uitspraak op bezwaar staat ten aanzien van deze klacht expliciet vermeld dat de wetgever heeft beslist op welke wijze rechtsherstel wordt geboden.
Dwangsom
4.13.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aangetekende ingebrekestelling reeds op 6 februari 2023 is verzonden, zodat de Inspecteur met zijn uitspraak op bezwaar van 21 maart 2023 niet tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan. De Inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.
4.14.
Naar het oordeel van het Hof moet voor de beslistermijn van twee weken voor het doen van uitspraak op bezwaar uitgegaan worden van de ingebrekestelling van 7 maart 2023. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij op 6 februari 2023 een ingebrekestelling heeft verzonden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat uit het ter zitting bij de Rechtbank getoonde verzendbewijs niet is gebleken dat dit bewijs betrekking heeft op de gestelde ingebrekestelling van 6 februari 2023. Belanghebbende heeft dit in hoger beroep niet weersproken. Het daarnaast overleggen van ingevulde dwangsomformulieren voor de jaren 2017 en 2021, is onvoldoende voor het oordeel dat deze bij brief van 6 februari 2023 zijn verzonden.
4.15.
Op grond van artikel 4:17, lid 1, in verbinding met lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen (vgl. HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:785, BNB 2023/102). Gelet op de ontvangst van de ingebrekestelling per e-mail op 7 maart 2023, is 22 maart 2023 de eerste dag waarover de Inspecteur de dwangsom verschuldigd is. Met het doen van uitspraak op bezwaar op 21 maart 2023, heeft de Inspecteur derhalve tijdig beslist op het bezwaar van belanghebbende. Hij heeft dan ook geen dwangsom verbeurd.
Privacyschade
4.16.
Belanghebbende verzoekt het Hof om vergoeding van schade wegens privacyschending, omdat de Inspecteur zonder opdracht of noodzaak onderzoek heeft gedaan naar de belastingaangifte van de gemachtigde, haar andere kind en van [naam3] , ter onderbouwing van het verweer over reële rentepercentages.
4.17.
Indien het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, kan het op grond van artikel 8:73, lid 1, Awb (tekst 2013), in samenhang met artikel 8:108, lid 1, Awb (tekst 2013), indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van belanghebbende de Inspecteur veroordelen tot vergoeding van schade die zij lijdt.
4.18.
Zoals de slotsom hierna onder 4.19 luidt, is het hoger beroep ongegrond. Reeds daarom wijst het Hof het verzoek van belanghebbende af. Het Hof voegt hieraan ten overvloede toe dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt welke schade zij precies heeft geleden, of hoe hoog de geleden schade was. In dit verband wijst het Hof op de wettelijke geheimhoudingsplicht van de Inspecteur (artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen).
Vergoeding van immateriële schade
4.19.
Belanghebbende heeft haar verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn eerst in hoger beroep gedaan. Daarom heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van de uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). De totale duur van de procedure van bezwaar, beroep en hoger beroep, gerekend vanaf de datum van indiening van het bezwaarschrift op 29 november 2022 tot de datum waarop het Hof uitspraak doet – 8 september 2026 -, bedraagt minder dan vier jaar. De redelijke termijn van vier jaar voor behandeling van de procedure is dus niet overschreden. Het Hof wijst het verzoek dan ook af.
Slotsom
4.20.
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
5. Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. van der Weijden, voorzitter, mr. A. van Dongen en mr. T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van mr. J. Azmi Shenouda als griffier.
De beslissing is op 8 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
J. Azmi Shenouda M.J.M. van der Weijden
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
locatie Utrecht
nummer BK-ARN 25/893
uitspraakdatum: 8 september 2026
Uitspraak van de zesde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 februari 2025, nummer ARN 23/4477, ECLI:NL:RBGEL:2025:1368, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (de aanslag IB/PVV 2021) opgelegd.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2021 ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld in vergoeding van de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 26,60 en de Inspecteur opgedragen om het betaalde griffierecht van € 50 aan belanghebbende te vergoeden.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2Vaststaande feiten
2.1.
Belanghebbende heeft, voor zover van belang, in haar aangifte IB/PVV 2021 € 1.534.313 aan bezittingen verantwoord als rendementsgrondslag.
2.2.
De bezittingen bestaan voor € 336.552 uit banksaldi, voor € 707.938 uit beleggingen, voor € 362.823 uit drie vorderingen en voor € 127.000 uit een tweede woning. Twee van de drie vorderingen zien op door belanghebbende aan twee van haar kinderen verstrekte hypothecaire geldleningen voor de aanschaf van een woning en een vordering ziet op [naam3] , een voormalig familielid (de vorderingen). Het rentepercentage over deze vorderingen bedraagt 2,5% per jaar.
2.3.
Belanghebbende heeft in 2021 € 22 aan rente ontvangen over haar banksaldi en € 10.431 aan rente over de vorderingen. Daarnaast heeft zij € 11.004 aan dividend ontvangen.
2.4.
De definitieve aanslag IB/PVV 2021 is vastgesteld met dagtekening 18 oktober 2022. Hierin is een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen opgenomen van € 65.903. Bij het vaststellen van dit inkomen is rechtsherstel toegepast op grond van de Wet rechtsherstel box 3.
2.5.
Belanghebbende heeft met dagtekening 28 november 2022 bezwaar gemaakt tegen voornoemde aanslag. Vanwege het uitblijven van een beslissing heeft zij de Inspecteur in gebreke gesteld.
2.6.
De Inspecteur heeft op 21 maart 2023 het bezwaar ongegrond verklaard.
3Geschil
3.1.
In geschil is of de aanslag IB/PVV 2021 naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de vorderingen terecht als overige bezittingen zijn aangemerkt. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en stelt zich op het standpunt dat de vorderingen als banktegoeden moeten worden aangemerkt. De Inspecteur beantwoordt deze vraag tegenovergesteld en stelt zich op het standpunt dat de vorderingen terecht als overige bezittingen zijn aangemerkt. Voorts is subsidiair in geschil of nader rechtsherstel moet worden geboden. Voorts is in geschil of de Inspecteur het motiveringsbeginsel heeft geschonden en of belanghebbende recht heeft op een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vermindering van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen tot een bedrag van € 46.013, tot vergoeding van een dwangsom, tot schadevergoeding wegens privacyschade, tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht.
3.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4Beoordeling van het geschil
Aanslag IB/PVV 2021
4.1.
Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de vorderingen als banktegoeden moeten worden aangemerkt. Belanghebbende voert hiertoe aan dat de vorderingen kenmerken bezitten van spaartegoed. Zij wijst daarbij op het lage risico, dat sprake is van zekerheid via het gevestigde hypotheekrecht, dat geen winststreven aanwezig is en dat de vorderingen regelmatige rente-inkomsten genereren. Een teleologische lezing van de wet brengt mee dat het rechtsherstel zou moeten aansluiten bij de werkelijke verdeling tussen banktegoeden en overige bezittingen van de individuele belastingplichtige, aldus belanghebbende. Belanghebbende vergelijkt het onderhavige geval voorts met de overgangsregeling voor VvE-reservefondsen die volgens belanghebbende tot 1 januari 2023 als banktegoeden werden aangemerkt en betoogt dat een dergelijke regeling ook voor de vorderingen zou moeten gelden. De Inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd betwist.
4.2.
Artikel 1 van de Wet rechtsherstel box 3 luidt, voor zover hier van belang:
“1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
- banktegoeden: bezittingen als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 die deposito’s als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht zijn of daarmee naar aard en strekking overeenkomende buitenlandse deposito’s;
- (…)
- overige bezittingen: bezittingen als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, anders dan banktegoeden;”
4.3.
Artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) luidt, voor zover hier van belang:
“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder:
(…)
deposito: een tegoed dat wordt gevormd door op een rekening staande gelden of dat tijdelijk uit normale banktransacties voortvloeit, en dat een bank onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden dient terug te betalen, met inbegrip van een termijndeposito en een spaardeposito, met uitzondering van een tegoed waarvan:
a. het bestaan alleen kan worden aangetoond met behulp van een financieel instrument, tenzij het een spaarproduct betreft dat wordt belichaamd in certificaat van deposito dat op naam luidt en dat op 2 juli 2024 bestond in een lidstaat;
b. de hoofdsom niet a pari terugbetaalbaar is;
c. de hoofdsom alleen a pari terugbetaalbaar is uit hoofde van een door de bank of door een derde verstrekte garantie of overeenkomst.”
4.4.
De vorderingen vormen naar het oordeel van het Hof geen deposito zoals bedoeld in artikel 1:1 Wft. De door belanghebbende genoemde kenmerken van de vorderingen voldoen immers niet aan de definitie van deposito in artikel 1:1 Wft. Bij toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 kunnen zij dan ook niet als banktegoed worden aangemerkt, maar moeten zij als overige bezitting in aanmerking worden genomen. Een teleologische lezing van artikel 1 van de Wet rechtsherstel box 3 leidt niet tot een ander oordeel. De wetgever heeft voor de afbakening van banktegoeden bewust willen aansluiten bij de definitie van deposito’s in de zin van artikel 1:1 Wft (Kamerstukken II 2022/23, 36 203, nr. 3, p. 4 en 12). De stelling dat het onderhavige geval vergelijkbaar is met een aandeel in een VvE-reservefonds dat op grond van de met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2023 geldende wettelijke regeling als banktegoed wordt aangemerkt en dat de vorderingen daarom eveneens als banktegoed moeten worden aangemerkt, faalt. Een aandeel in een VvE-reservefonds werd tot 1 januari 2023, en dus ook voor het onderhavige belastingjaar 2021, net als de vorderingen aangemerkt als overige bezitting. Dit is ook bevestigd door de Hoge Raad in zijn arrest van 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705 (r.o. 6.4.2). Een vergelijking van de vorderingen met een aandeel in een VvE-reservefonds, wat daar ook van zij, kan belanghebbende daarom niet baten. Voor zover belanghebbende stelt dat de wetgever ook voor de vorderingen een dergelijke regeling had moeten treffen, geldt dat aan de wetgever een aanzienlijke beoordelingsvrijheid toekomt. Het is de rechter niet toegestaan wetgeving te beoordelen op redelijkheid en billijkheid (artikel 11 van de Wet algemene bepalingen).
4.5.
Naar het oordeel van het Hof levert de omstandigheid dat een vordering zoals de onderhavige niet onder het begrip banktegoed valt in de zin van artikel 1 van de Wet rechtsherstel box 3 bovendien geen verboden discriminatie op zoals bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in samenhang met artikel 14 EVRM, hetgeen belanghebbende ter zitting heeft betoogd. Er is immers geen sprake van een gelijk geval met belastingplichtigen die banktegoed aanhouden. Het Hof wijst in dit verband op het risicoprofiel van de vorderingen, de vrijheid om afspraken te maken over de omvang van de rente, de looptijd van de vorderingen, de aflossingsverplichtingen en het stellen van zekerheden. Deze kenmerken wijken in aanzienlijke mate af van de kenmerken van banktegoed, waarbij geen sprake is van dergelijke onderhandelingsruimte. Dat de Inspecteur de overeengekomen rente voor fiscale doeleinden kan corrigeren naar een zakelijke rente, zoals belanghebbende betoogt, laat onverlet dat partijen de civielrechtelijke vrijheid hebben om de omvang van de rente te bepalen. Gelet hierop, is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Het standpunt van belanghebbende dat zij door de Wet rechtsherstel met terugwerkende kracht in een slechtere positie is gekomen, berust op een onjuist begrip van deze wet. Zonder de Wet rechtsherstel had belanghebbende een hoger bedrag aan IB/PVV moeten betalen over haar vermogen in box 3.
4.6.
Het primaire standpunt faalt derhalve.
4.7.
Belanghebbende betoogt subsidiair dat nader rechtsherstel moet worden geboden. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 en ECLI:NL:HR:2024:705 (de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 2024), geoordeeld dat ook toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 kan leiden tot schending van de door artikel 1 EP in samenhang met artikel 14 EVRM gewaarborgde rechten. Een dergelijke schending doet zich voor indien de belastingplichtige geconfronteerd wordt met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement. In deze arresten zijn tevens regels geformuleerd over de vaststelling van de hoogte van het werkelijke rendement.
4.8.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende aannemelijk maakt dat zij wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement.
4.9.
Zoals hiervoor is overwogen, dienen de vorderingen bij toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 als overige bezittingen te worden aangemerkt. Voor zover belanghebbende derhalve bedoelt te stellen dat nader rechtsherstel moet worden geboden door de vorderingen alsnog aan te merken als banktegoeden, faalt deze stelling. Voor nader rechtsherstel is slechts plaats indien belanghebbende voldoet aan haar bewijslast zoals bedoeld in 4.8. Voor zover belanghebbende betoogt dat nader rechtsherstel moet worden geboden door belast te worden over het werkelijke rendement, heeft te gelden dat zij daartoe geen bewijs heeft geleverd. Zij heeft immers geen enkel inzicht verschaft in de waardeontwikkeling van haar beleggingsportefeuille. Belanghebbende heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij over haar gehele vermogen wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement. Naar het oordeel van het Hof is de aanslag IB/PVV 2021 naar het juiste bedrag vastgesteld. 4.10. Het subsidiaire standpunt faalt.
Motiveringsbeginsel
4.11.
Belanghebbende heeft verder betoogd dat het motiveringsbeginsel door de Inspecteur is geschonden. Hiertoe voert zij aan dat de uitspraak op bezwaar overwegend uit standaardtekst bestaat en dat de Inspecteur niet specifiek is in gegaan op haar klacht over de omstandigheid dat de vorderingen als overige bezittingen zijn aangemerkt en niet als banktegoeden. De Inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.
4.12.
Naar het oordeel van het Hof is geen sprake van een dergelijke schending. Anders dan belanghebbende stelt, is in de uitspraak op bezwaar voldoende onderbouwd waarom de aanslag IB/PVV 2021 is gehandhaafd. In de uitspraak op bezwaar staan de grieven uit het bezwaarschrift van belanghebbende vermeld. De Inspecteur is in de uitspraak op bezwaar vervolgens gemotiveerd ingegaan op deze aangevoerde grieven. Dat de Inspecteur niet is ingegaan op belanghebbendes klacht over de omstandigheid dat de vorderingen als overige bezittingen zijn aangemerkt en niet als banktegoeden, is het Hof niet gebleken. In de uitspraak op bezwaar staat ten aanzien van deze klacht expliciet vermeld dat de wetgever heeft beslist op welke wijze rechtsherstel wordt geboden.
Dwangsom
4.13.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aangetekende ingebrekestelling reeds op 6 februari 2023 is verzonden, zodat de Inspecteur met zijn uitspraak op bezwaar van 21 maart 2023 niet tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan. De Inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.
4.14.
Naar het oordeel van het Hof moet voor de beslistermijn van twee weken voor het doen van uitspraak op bezwaar uitgegaan worden van de ingebrekestelling van 7 maart 2023. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij op 6 februari 2023 een ingebrekestelling heeft verzonden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat uit het ter zitting bij de Rechtbank getoonde verzendbewijs niet is gebleken dat dit bewijs betrekking heeft op de gestelde ingebrekestelling van 6 februari 2023. Belanghebbende heeft dit in hoger beroep niet weersproken. Het daarnaast overleggen van ingevulde dwangsomformulieren voor de jaren 2017 en 2021, is onvoldoende voor het oordeel dat deze bij brief van 6 februari 2023 zijn verzonden.
4.15.
Op grond van artikel 4:17, lid 1, in verbinding met lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen (vgl. HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:785, BNB 2023/102). Gelet op de ontvangst van de ingebrekestelling per e-mail op 7 maart 2023, is 22 maart 2023 de eerste dag waarover de Inspecteur de dwangsom verschuldigd is. Met het doen van uitspraak op bezwaar op 21 maart 2023, heeft de Inspecteur derhalve tijdig beslist op het bezwaar van belanghebbende. Hij heeft dan ook geen dwangsom verbeurd.
Privacyschade
4.16.
Belanghebbende verzoekt het Hof om vergoeding van schade wegens privacyschending, omdat de Inspecteur zonder opdracht of noodzaak onderzoek heeft gedaan naar de belastingaangifte van de gemachtigde, haar andere kind en van [naam3] , ter onderbouwing van het verweer over reële rentepercentages.
4.17.
Indien het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, kan het op grond van artikel 8:73, lid 1, Awb (tekst 2013), in samenhang met artikel 8:108, lid 1, Awb (tekst 2013), indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van belanghebbende de Inspecteur veroordelen tot vergoeding van schade die zij lijdt.
4.18.
Zoals de slotsom hierna onder 4.19 luidt, is het hoger beroep ongegrond. Reeds daarom wijst het Hof het verzoek van belanghebbende af. Het Hof voegt hieraan ten overvloede toe dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt welke schade zij precies heeft geleden, of hoe hoog de geleden schade was. In dit verband wijst het Hof op de wettelijke geheimhoudingsplicht van de Inspecteur (artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen).
Vergoeding van immateriële schade
4.19.
Belanghebbende heeft haar verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn eerst in hoger beroep gedaan. Daarom heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van de uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). De totale duur van de procedure van bezwaar, beroep en hoger beroep, gerekend vanaf de datum van indiening van het bezwaarschrift op 29 november 2022 tot de datum waarop het Hof uitspraak doet – 8 september 2026 -, bedraagt minder dan vier jaar. De redelijke termijn van vier jaar voor behandeling van de procedure is dus niet overschreden. Het Hof wijst het verzoek dan ook af.
Slotsom
4.20.
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
5. Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. van der Weijden, voorzitter, mr. A. van Dongen en mr. T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van mr. J. Azmi Shenouda als griffier.
De beslissing is op 8 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
J. Azmi Shenouda M.J.M. van der Weijden
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.