Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5851
2026-09-08
Civiel recht; Arbeidsrecht
200.372.021
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verworven recht. Is gedurende enige tijd tussen partijen gevolgde gedragslijn een arbeidsvoorwaarde geworden.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBMNE:2025:6433 Rechtbank Midden-Nederland 28-11-2025
- ECLI:NL:HR:2018:976 Hoge Raad 22-06-2018
- ECLI:NL:HR:2022:853 Hoge Raad 10-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (31.584 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.372.021
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland zittingsplaats Utrecht 11842220
arrest van 8 september 2026
in de zaak van
Achmea Interne Diensten N.V.
die is gevestigd in Utrecht
hierna: Achmea
advocaten: mr. D.A. Kuiper en mr. N.G.D. van Doorn
en
[geïntimeerde]
,
die woont in [woonplaats] , Ecuador
hierna: [werknemer]
advocaten: mr. G.H.R. van Eldik en mr. A.B. Abeln.
1De zaak in het kort
1.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of Achmea de met [werknemer] afgesproken internationale werkregeling, op basis waarvan [werknemer] vanaf juli 2020 zijn werkzaamheden voor Achmea grotendeels vanuit Ecuador verricht, dient te continueren op de wijze waarop daar tot op heden uitvoering aan is gegeven. In dat verband moet de vraag beantwoord worden of sprake is van een arbeidsvoorwaarde en als die vraag bevestigend beantwoord wordt, dan rijst de vraag of Achmea gerechtigd is die arbeidsvoorwaarde eenzijdig te wijzigen. Daarnaast houdt partijen verdeeld wie van hen de proceskosten van de procedures bij de kantonrechter en het hof moet betalen.
1.2.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de afspraak over thuiswerken vanuit Ecuador als arbeidsvoorwaarde deel is gaan uitmaken van de arbeidsovereenkomst van partijen en dat onvoldoende is gebleken van voldoende zwaarwegende belangen aan de zijde van Achmea die een wijziging van de huidige werkwijze rechtvaardigen. De kantonrechter heeft – conform het primaire verzoek van [werknemer] – voor recht verklaard dat Achmea de internationale werkregeling met [werknemer] dient te continueren op de wijze waarop daar tot op heden uitvoering is gegeven, met veroordeling van Achmea in de proceskosten.
1.3.
De bedoeling van het hoger beroep van Achmea is dat het hof het toegewezen verzoek, maar ook de overige verzoeken van [werknemer] , alle neerkomend op het mogen blijven werken vanuit Ecuador, alsnog afwijst omdat geen sprake is van een arbeidsvoorwaarde. Voor zover daarvan volgens het hof wel sprake is, verzoekt Achmea het hof primair te oordelen dat Achmea gerechtigd is die arbeidsvoorwaarde eenzijdig te wijzigen en subsidiair te bepalen dat zij [werknemer] een redelijk voorstel tot wijziging van deze arbeidsvoorwaarde heeft gedaan en dat [werknemer] dit had moeten aanvaarden. De bedoeling van het hoger beroep van [werknemer] is dat Achmea wordt veroordeeld tot betaling van de werkelijke proceskosten van beide procedures.
1.4.
Het hof komt tot het oordeel dat geen sprake is van een (de arbeidsovereenkomst aanvullende) arbeidsvoorwaarde dan wel verworven recht en dat Achmea niet gehouden is de internationale werkregeling te continueren, dit met veroordeling van [werknemer] in de proceskosten van beide procedures. Het hof zal, na een beschrijving van de procedure in hoger beroep (onder 2) en een weergave van de vaststaande feiten (onder 3), dit oordeel toelichten (onder 4).
2De procedure in hoger beroep
2.1.
Beide partijen hebben zoals hiervoor weergegeven hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht (hierna: de kantonrechter) op 28 november 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Naast de processtukken van de procedure bij de kantonrechter zijn de volgende schriftelijke stukken bij het hof ingediend:
het beroepschrift van de kant van Achmea met producties, ontvangen op de griffie van het hof op 27 februari 2026
het verweerschrift tevens beroepschrift in incidenteel appel van de kant van [werknemer]
nadere productie van de kant van Achmea (productie 14 vernummerd tot 15)
nadere producties van de kant van [werknemer] (producties 24 tot en met 30).
2.2.
Op 24 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Het hof heeft bij die gelegenheid kenbaar gemaakt dat een “spoorwissel” (op grond van artikel 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) zal moeten plaatsvinden omdat het – zowel in eerst aanleg als in hoger beroep – een ‘geding’ betreft dat niet valt onder de reikwijdte van artikel 7:686a lid 2 Burgerlijk Wetboek zodat de procedure in eerste aanleg niet met een verzoekschrift ingeleid had moeten worden maar met een dagvaarding. Het hof heeft daarbij, alvorens deze spoorwissel toe te passen, partijen aan het begin van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld op het voornemen van het hof te reageren. Daarbij is aangegeven dat het hof het voornemen heeft het gesignaleerde probleem praktisch op te lossen door de ingediende processtukken in de verzoekschriftprocedure te beschouwen als ingediend in de dagvaardingsprocedure. Nadat partijen zich met de spoorwissel akkoord hadden verklaard, heeft het hof op die wijze beslist in die zin dat de verzoekschriftprocedure (zaaknummer 200.365.682) in de stand waarin zij zich bevond wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure (nieuw zaaknummer 200.372.021). Het is om die reden dat het hof in plaats van een beschikking, een arrest wijst.
2.3.
Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt (het proces-verbaal) dat aan het dossier is toegevoegd, net als de spreekaantekeningen van de advocaten van partijen en een aanvullende productie van de kant van [werknemer] (opgave van advocaatkosten).
2.4.
Partijen hebben het hof gevraagd arrest te wijzen.
3De feiten
3.1.
De kantonrechter heeft in de beschikking van 28 november 2025 in 3.1. tot en met 3.7 de feiten vastgesteld. Tegen die vaststelling zijn geen grieven (bezwaren) aangevoerd. Het hof gaat uit van deze feiten. Voor de leesbaarheid van dit arrest zet het hof hierna de belangrijkste feiten op een rij.
3.2.
Achmea is een dochtermaatschappij van Achmea BV, een verzekeringsgroep met ruim 17.000 medewerkers in Nederland en zo’n 5.000 buiten Europa. Zij is onder verschillende merken actief waaronder Zilveren Kruis. [werknemer] is op 26 februari 2018 bij Achmea in dienst getreden in de functie van Specialist I op de afdeling Info Management Architectuur & Analyse met als standplaats Zwolle. In die functie maakt hij onderdeel uit van het Mendiz Practice Team van Zilveren Kruis. Eind 2018 is het kantoor Zwolle gesloten en is de standplaats van [werknemer] gewijzigd in Apeldoorn.
3.3.
In de zomer van 2019 blijken de partner en kinderen van [werknemer] niet goed te kunnen wennen in Nederland en gaan om die reden in januari 2020 terug naar Ecuador waar zij tot 2006 hebben gewoond. In juli 2020 vertrekt ook [werknemer] naar Ecuador op basis van met Achmea gemaakte afspraken over thuiswerken vanuit Ecuador voor de duur van 12 maanden. De afspraken zijn neergelegd in een door Achmea opgesteld document van één pagina, gedateerd 26 maart 2020. In dit document staat dat [werknemer] met zijn leidinggevende afspraken heeft gemaakt over het thuiswerken vanuit Ecuador tijdens het verblijf van [werknemer] aldaar, waarbij expliciet is vermeld dat de in het document opgenomen afspraken betrekking hebben op een periode van 12 maanden te rekenen vanaf het eerste vertrek van [werknemer] naar Ecuador. In het document staat dat [werknemer] zo mogelijk in juni vertrekt voor een periode van 2 maanden, dat hij in oktober nogmaals vertrekt voor een periode van ongeveer 3 maanden en dat hij de overige maanden vanuit Nederland werkt. In het document staat verder dat [werknemer] en zijn leidinggevende maandelijks de voortgang zullen bespreken en dat als blijkt dat werken vanuit Ecuador ondanks de afspraken op één of andere wijze toch niet voor alle partijen een werkbare situatie is, dan in gezamenlijkheid naar een passende oplossing zal worden gezocht. In de laatste alinea van het document is opgenomen dat veranderingen in wetgeving, cao of personeelsregelingen van Achmea ook voor hem zullen gelden.
3.4.
In de periode 2020-2021 is sprake van internationale reisrestricties als gevolg van COVID-19.
3.5.
In april 2024 worden de werknemers van Achmea op de hoogte gebracht van een binnen Achmea geldend beleid voor workations, neergelegd in de Beleidslijn pilot ‘workation’ Achmea.
3.6.
Op 5 december 2024 laat Achmea [werknemer] weten dat zij niet langer wil meewerken aan het werken in Ecuador en dat zijn verblijf daar moet worden afgebouwd. In mei 2025 doet Achmea een voorstel voor een overgangsregeling die onder meer inhoudt dat [werknemer] vanaf 1 februari 2027 zijn werkzaamheden weer in Nederland zal moeten verrichten. [werknemer] wijst op 6 juni 2025 het voorstel af, waarna hij in augustus 2025 het geschil tussen partijen, zoals in de kern samengevat in 1.1., aan de kantonrechter voorlegt, die beslist zoals in 1.2. is weergegeven. [werknemer] is tot op heden nog werkzaam in Ecuador. Hij is vanaf eind 2021 gemiddeld 7 weken per jaar fysiek aanwezig geweest in Nederland.
4De beoordeling
rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Het hof stelt vast dat deze arbeidsovereenkomst internationale aspecten heeft aangezien [werknemer] vanaf juli 2020 de overeengekomen werkzaamheden grotendeels vanuit Ecuador verricht en hij daar momenteel ook woont. De regels inzake de internationale bevoegdheid van de rechter zijn neergelegd in de Brussel-1-bis Verordening. Op grond van artikel 21 van deze Verordening is de Nederlandse rechter bevoegd om van een door de werknemer tegen zijn werkgever gestarte procedure kennis te nemen onder meer omdat Achmea in Nederland is gevestigd.
4.2.
Vervolgens dient te worden beoordeeld welk recht van toepassing is op de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomsten. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de Rome-I-Verordening, nu het geschil aan de Nederlandse rechter is voorgelegd. Artikel 8 lid 1 van deze Verordening stelt de rechtskeuze voorop, nu niet is gesteld of gebleken dat het recht van Ecuador gunstiger dwingender bepalingen heeft. Het hof zal daarom, net als impliciet partijen en de kantonrechter, uitgaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht.
toelichting op de beslissing van het hof
4.3.
[werknemer] stelt zich op het standpunt dat de afspraak die partijen in maart 2020 hebben gemaakt over het mogen werken vanuit Ecuador nog steeds geldt omdat Achmea de internationale werkregeling jarenlang heeft voortgezet waardoor er een verworven recht is ontstaan. Volgens [werknemer] blijkt nergens uit dat de afspraak over de internationale werkregeling tijdelijk van aard is. Hij stelt dat Achmea in elk geval bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat voortzetting van de regeling ook in de toekomst mogelijk zou zijn. Achmea heeft betwist dat het thuiswerken vanuit Ecuador een arbeidsvoorwaarde of verworven recht is geworden, zodat zij met een beroep op haar instructierecht van [werknemer] kan verlangen dat hij zijn werkzaamheden permanent vanuit Nederland gaat verrichten.
4.4.
Het hof wijst erop dat nu [werknemer] aan zijn vorderingen de stelling ten grondslag legt dat sprake is van een verworven recht om in Ecuador te mogen blijven werken, op hem de stelplicht en omdat Achmea deze stelling betwist, ook de bewijslast van deze stelling rust.
toetsingskader verworven recht
4.5.
Allereerst het bij de beoordeling van de vorderingen van [werknemer] te hanteren toetsingskader. De vraag wanneer een door de werkgever jegens de werknemer gedurende een bepaalde tijd gevolgde gedragslijn voortvloeit dat sprake is van een tussen partijen geldende (de arbeidsovereenkomst aanvullende) arbeidsvoorwaarde, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op de zin die partijen aan elkaars gedragingen (en in verband daarmee staande verklaringen) hebben toegekend en in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen. In dit verband komt betekenis toe aan gezichtspunten als (i) de inhoud van de gedragslijn, (ii) de aard van de arbeidsovereenkomst en de positie die de werkgever en de werknemer jegens elkaar innemen, (iii) de lengte van de periode gedurende welke de werkgever de desbetreffende gedragslijn heeft gevolgd, (iv) hetgeen de werkgever en de werknemer in verband met deze gedragslijn jegens elkaar hebben verklaard of juist niet hebben verklaard, (v) de aard van de voor- en nadelen die voor de werkgever en de werknemer uit de gedragslijn voortvloeien, en (vi) de aard en omvang van de kring van werknemers jegens wie de gedragslijn is gevolgd. Het hof zal hierna op deze gezichtspunten ingaan. Daaraan voorafgaand schetst het hof de achtergrond van de in maart 2020 gemaakte afspraken over het werken in Ecuador.
achtergrond totstandkoming afspraken
4.6.
Niet is geschil is dat de hiervoor bedoelde afspraken (zie 3.3.) zijn gemaakt op initiatief van [werknemer] naar aanleiding van spanningen in zijn gezin en daarmee samenhangende gezondheidsproblemen van zijn vrouw die van Ecuadoriaanse herkomst is. [werknemer] en zijn vrouw hadden eerder, van 2006 tot 2012 in Nederland gewoond. Omdat de vrouw van [werknemer] toen niet kon wennen is zij in 2009 met de kinderen (uiteindelijk voor een periode van 1,5 jaar) terug naar Ecuador gegaan. In 2012 is [werknemer] hen achterna gegaan met de bedoeling te emigreren. Het gezin heeft daar toen 6 jaar gewoond. [werknemer] werkte in die periode bij een bank in Ecuador. Om financiële redenen is [werknemer] in 2018 weer in Nederland gaan solliciteren en is hij aangenomen bij Achmea. [werknemer] is hierna meteen – en het gezin in juli 2018 – weer in Nederland komen wonen. In januari 2020 zijn de vrouw en kinderen van [werknemer] terug naar Ecuador gegaan omdat zij in Nederland niet konden wennen. De vrouw van [werknemer] heeft (overigens zonder medeweten van [werknemer] ) diens leidinggevende benaderd met de vraag of [werknemer] de werkzaamheden niet vanuit het buitenland mocht verrichten. Achmea is naar aanleiding daarvan het gesprek aangegaan met [werknemer] en heeft met hem willen meedenken. Dit heeft geresulteerd in de afspraken zoals neergelegd in het document van 26 maart 2020.
inhoud van de gedragslijn
4.7.
In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat [werknemer] de overeengekomen werkzaamheden verricht vanuit Zwolle. Later is de standplaats gewijzigd in Apeldoorn. In maart 2020 hebben partijen afspraken gemaakt, die – zoals hiervoor meermaals weergegeven – zijn vastgelegd in het door Achmea opgestelde document gedateerd 26 maart 2020.
4.8.
Uit het feit dat in het document van 26 maart 2020 expliciet een periode van twaalf maanden is opgenomen en niets is opgenomen over de periode daarna volgt dat sprake was van een open einde. Partijen zijn het daar ook over eens, het ging om een proefperiode met een open einde.
4.9.
[werknemer] is in juli 2020 naar Ecuador vertrokken. De afspraak, zoals vastgelegd in het document van 26 maart 2020, was dat hij na ongeveer twee maanden zou terugkomen, dus in september 2020 en dat hij daarna vanaf oktober 2020 nog drie maanden vanuit Ecuador zou werken. Als gevolg van de reisbeperkingen door COVID-19 is hij, in afwijking van die afspraken, pas in oktober 2021 voor het eerst naar Nederland teruggekomen. Daarna is stilzwijgend een gedragslijn ontstaan waarbij [werknemer] in de jaren 2022, 2023 en 2024 zeven weken vanuit Nederland heeft gewerkt. In december 2024 krijgt [werknemer] te horen dat de regeling afgebouwd gaat worden. Naar het oordeel van het hof is, ook gelet op wat hierna wordt overwogen, geen sprake van een eenduidige gedragslijn vanaf juli 2020 en evenmin van een zodanig lange periode dat daaruit blijkt of bij [werknemer] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontstaan dat sprake was van een permanente situatie. De oorspronkelijk overeengekomen regeling is nooit uitgevoerd en feitelijk zijn er, mede veroorzaakt door COVID-19, twee jaren geweest waarin [werknemer] vanuit Ecuador heeft gewerkt toen Achmea aangaf de regeling te willen beëindigen.
wat werkgever en werknemer over gedragslijn jegens elkaar hebben verklaard
4.10.
Over wat er is besproken rond de gemaakte afspraken in 2020 lopen de lezingen van partijen uiteen. Volgens [werknemer] was het van begin af aan de bedoeling van beide partijen een permanente situatie te creëren. [werknemer] stelt dat weliswaar niet met zoveel woorden is gesproken over een “permanente” regeling, maar in elk geval is nooit gezegd dat het ging om een tijdelijke afspraak. Achmea heeft dit gemotiveerd weersproken Volgens Achmea is het steeds de bedoeling geweest dat het om een tijdelijke situatie zou gaan, zoals ook blijkt uit de laatste alinea van het document waarin staat dat veranderingen in wetgeving, cao en personeelsregelingen ook voor [werknemer] gelden. Achmea kende (en kent) geen regeling voor werknemers die langdurig vanuit het buitenland werken, wilde geen structurele afwijking creëren en wilde [werknemer] tijdelijk ontlasten. Bovendien is volgens Achmea bij het maken van de afspraken aan [werknemer] duidelijk gemaakt dat deze geen permanent karakter zouden hebben.
4.11.
Het hof stelt vast dat er weinig (andere) schriftelijke stukken zijn rond de totstandkoming van de afspraken van maart 2020 en dat ook niet is gebleken van een duidelijke/formele evaluatie van de afspraken. Ter onderbouwing van zijn stelling dat het om een permanente regeling ging verwijst [werknemer] onder meer naar:
een e-mail van zijn leidinggevende van 20 maart 2020 waarin hij aan [werknemer] schrijft dat hij een medewerker van HR heeft aangegeven dat [werknemer] de voorkeur heeft zich in Ecuador te vestigen.
het antwoord van zijn leidinggevende tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter dat hij [werknemer] niet expliciet heeft gezegd dat het werken in Ecuador niet permanent is.
een werkbriefje van zijn leidinggevende waarin staat dat zij er afgezien van het tijdsverschil niets van merken dat [werknemer] aan het andere kant van de wereld aan het werk is, wat zijn leidinggevende ook tijdens zijn speech ter gelegenheid van de kerstborrel in 2022 heeft uitgesproken.
e 360 graden feedback reviews 2025 waaruit positieve feedback van zijn collega’s blijkt.
de mededeling van zijn leidinggevende tijdens de kerstborrel in 2023 dat [werknemer] niet meer terug hoeft te komen naar Nederland, op welke uitlating hij volgens [werknemer] later terugkomt in die zin dat hij na het overlijden van zijn ouders eens per twee jaar naar Nederland zal moeten komen.
de afspraak die hij met zijn leidinggevende heeft gemaakt dat hij nog maar 1 keer per jaar voor een periode van 6 tot 8 weken terug hoefde te komen naar Nederland, aan welke afspraak partijen zich zonder uitzondering vanaf oktober 2021 houden.
g. de e-mail van [werknemer] aan [naam] d.d. 19 februari 2020 waarin hij een vraag stelt over hoe hij praktisch moet handelen als in geval van emigratie door de Sociale Verzekeringsbank een uitspraak wordt gedaan over het verzekerd zijn voor de sociale verzekeringen.
4.12.
Het hof kan uit deze stukken niet afleiden dat een permanente situatie is beoogd, zoals [werknemer] stelt. Het document van 26 maart 2020 biedt zoals hiervoor overwogen geen aanknopingspunt voor de stelling dat [werknemer] hieruit heeft mogen opmaken dat de daarin gemaakte afspraken zagen op een permanente situatie. Dat de leidinggevende tijdens de kerstborrel in 2023 tegen [werknemer] heeft gezegd dat hij niet meer naar Nederland hoeft te komen heeft Achmea gemotiveerd weersproken. Zij heeft daartoe een verklaring van de leidinggevende ingebracht waarin hij verklaart dat hij [werknemer] op geen enkel moment heeft toegezegd dat hij zijn werkzaamheden permanent vanuit Ecuador kon blijven verrichten. Hetzelfde geldt voor het feit dat collega’s tevreden waren over het werk en de samenwerking met [werknemer] . Dat in maart 2020 is afgesproken dat maandelijks de voortgang zal worden besproken wijst op zichzelf evenmin op een permanente afspraak. De hiervoor onder a bedoelde e-mail legt bij de beoordeling geen gewicht in de schaal, nu zich bij de stukken ook een e-mail van [werknemer] bevindt waarin hij in 2020 aan Achmea schrijft dat hij afziet van emigratie. [werknemer] is ook niet geëmigreerd: hij was ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep nog steeds ingeschreven in Nederland en de sociale premies zijn steeds afgedragen in Nederland. In dat verband komt evenmin waarde toe aan de e-mail onder f. Het hof ziet niet in dat uit het feit dat Achmea in de persoon van [naam] iets heeft uitgezocht of ergens over heeft meegedacht zou blijken dat sprake is van een permanente afspraak dan wel, zoals [werknemer] stelt, gesprekken zijn gevoerd in de geest van een permanente regeling.
4.13.
Uit wat partijen over en weer over de gedragslijn hebben gesteld en verklaard blijkt dat in de periode 2020-2024 niet expliciet met [werknemer] is besproken dat hij niet altijd voor Achmea vanuit Ecuador kan blijven werken en dat de regeling niet structureel is geëvalueerd. Dat maakt echter nog niet dat daarmee vast staat dat sprake was van een permanente afspraak of dat [werknemer] daarop (na verloop van tijd) gerechtvaardigd mocht vertrouwen. Daarvoor is meer nodig.
aard van voor- en nadelen van gedragslijn voor werkgever en werknemer gedragslijn
4.14.
Vast staat dat [werknemer] een persoonlijk belang had en heeft bij werken vanuit Ecuador en dat zijn verzoek daartoe samenhing met persoonlijke keuzes van [werknemer] . Als de huidige gedragslijn niet gecontinueerd kan worden dan zal hij moeten kiezen tussen het vinden van een andere baan in Ecuador met een navenant lager salaris dan hij thans ontvangt en het blijven werken bij Achmea. Als hij kiest voor het blijven werken bij Achmea zal hij, nu zijn gezin niet terug wil naar Nederland, afgezien van vakantieperioden gescheiden zijn van zijn gezin. Hoewel het hof begrijpt dat [werknemer] groot belang heeft bij voortzetting van zijn werk vanuit Ecuador, staan de belangen van Achmea daar tegenover. Achmea heeft in dat verband het volgende aangevoerd. Achmea ontvangt sinds de pandemie steeds vaker verzoeken van werknemers om tijdelijk vanuit een bestemming in het buitenland de werkzaamheden te mogen verrichten. Achmea heeft nieuw beleid ontwikkeld dat er in de kern op neer komt dat structureel werken vanuit het buitenland niet is toegestaan. Toch krijgt zij nog herhaaldelijk verzoeken om al dan niet in verband met persoonlijke omstandigheden af te wijken van dit beleid. Achmea wijst deze verzoeken af maar wijst op het risico van precedentwerking als zou worden geoordeeld dat [werknemer] vanuit Ecuador mag blijven werken.
4.15.
Naast dit nadelige effect wijst Achmea ook op diverse andere organisatorische, beleidsmatige, arbeidsrechtelijke en praktische nadelen. Achmea heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling toegelicht dat tijdens de Coronapandemie is gebleken dat aanwezigheid op kantoor essentieel is voor de teamdynamiek, de onderlinge samenwerking en de verbinding met het bedrijf en dat daarom regels zijn opgesteld over hybride werken waar strikt de hand aan wordt gehouden. Hoewel het team van [werknemer] meer zelfsturend is dan andere teams, geldt ook voor dit team dat alleen door regelmatig aanwezig te zijn, de verbinding met het bedrijf kan worden behouden. In het team wordt gemiddeld 1 a 2 dagen per week op kantoor gewerkt, waarbij het vooral van belang is dat het mogelijk moet zijn op locatie in gesprek te gaan met de afnemende afdeling. De voormalig leidinggevende van [werknemer] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling uitgelegd dat het team interne klanten heeft en dat vooral aan het begin van een project, bij het maken van een nieuw computerprogramma, fysiek contact mogelijk moet zijn met gebruikers. Het is volgens hem belangrijk om te weten om wat voor mensen het gaat die met het programma moeten gaan werken. Daarvoor is nodig dat je regelmatig bij elkaar komt. [werknemer] heeft weliswaar gesteld dat de taken in het team zijn verdeeld en dat een collega bij ‘de entree’ van het traject betrokken is waarna hij het oppakt, maar dat neemt niet weg dat Achmea zich ook hier moet aanpassen aan de wensen van [werknemer] . Achmea heeft er ook op gewezen dat het werken van [werknemer] vanuit het buitenland veel vraagt van collega’s waar het gaat om het verplaatsen van vergaderingen naar tijden die [werknemer] – vanwege het tijdsverschil van zeven uur – beter passen. [werknemer] kan ook de meeste fysieke werkoverleggen niet bijwonen, hetgeen volgens Achmea onwenselijk is.
4.16.
Het hof oordeelt dat de door Achmea geschetste nadelen van het feit dat [werknemer] permanent tot aan zijn pensioen, over naar schatting zo’n tien jaar, vanuit Ecuador zou werken aanzienlijk zijn en weegt die nadelen zwaarder dan het, door zijn individuele persoonlijke situatie ingegeven, belang van [werknemer] . Het hof kent daarbij ook betekenis toe aan de vrijheid die een onderneming in beginsel heeft haar organisatie in te richten zoals zij dat wenst. Die vrijheid is niet onbegrensd. Zo moeten onder meer het arbeidsrecht en concrete afspraken met werknemers gerespecteerd te worden. Dat sprake is van een schending van het arbeidsrecht dan wel dat een concrete met [werknemer] gemaakte afspraak niet is nagekomen, is niet komen vast te staan.
aard en omvang kring van werknemers jegens wij de gedragslijn is gevolgd
4.17.
[werknemer] is nagenoeg de enige persoon binnen Achmea is die zijn werkzaamheden langdurig vanuit het buitenland verricht. Er is slechts één andere werknemer die zijn werkzaamheden vanuit België verricht vanwege een medische aandoening. Omdat [werknemer] om andere dan medische redenen vanuit Ecuador wil werken maakt dat de door Achmea gevolgde gedragslijn ten opzichte van [werknemer] , niet jegens anderen is gevolgd.
slotsom ten aanzien van verworven recht/arbeidsvoorwaarde
4.18.
Met [werknemer] is het hof van oordeel dat het op de weg van Achmea, een grote organisatie met een professionele HR-afdeling, had gelegen duidelijker aan te geven, zowel mondeling als schriftelijk, dat sprake was van een tijdelijke situatie. Bij de hiervoor beschreven stand van zaken kan het hof echter de stap naar de conclusie dat daarmee sprake is van een arbeidsvoorwaarde, inhoudende dat [werknemer] tot zijn pensioen vanuit Ecuador voor Achmea mag blijven werken, niet zetten. Het hof is voorts van oordeel dat onvoldoende feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan [werknemer] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij zijn werkzaamheden voor Achmea permanent vanuit Ecuador mocht verrichten. Dat sprake is van een verworven recht dan wel arbeidsvoorwaarde is aldus niet komen vast te staan. Dit oordeel brengt mee dat het hof niet toekomt aan de vraag of Achmea gerechtigd was dit verworven recht te wijzigen.
gevolgen voor vorderingen van [werknemer]
4.19.
Uit het voorgaande volgt dat de beschikking van de kantonrechter zal worden vernietigd en dat de vorderingen van [werknemer] alsnog zullen worden afgewezen. Het staat Achmea daarmee met een beroep op haar instructierecht vrij van [werknemer] te verlangen dat hij zijn werkzaamheden weer vanaf enig moment vanuit Nederland zal verrichten. Goed werkgeverschap, noch artikel 10 GW, 8 EVRM of 6:248 BW staan daaraan in de weg. Het hof verwijst naar wat hiervoor is overwogen, onder meer naar de vrijheid die een ondernemer heeft om zijn onderneming naar eigen inzichten in te richten. Gelet op de ingrijpende beslissing van het hof met zware consequenties voor [werknemer] gaat het hof ervan uit dat partijen in goed overleg tot een overgangsregeling komen.
de slotsom
4.20.
Het hoger beroep van Achmea slaagt. Omdat [werknemer] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
4.21.
De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
5De beslissing
Het hof:
5.1.
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 28 november 2025 en wijst alsnog de vorderingen (voorheen aangeduid als verzoeken) van [werknemer] af:
5.2.
veroordeelt [werknemer] tot betaling van de volgende proceskosten van Achmea:
tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
€ 814 aan salaris van de advocaat van Achmea
en tot betaling van de volgende proceskosten van Achmea in hoger beroep:
€ 851 aan griffierecht
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van Achmea (2 procespunten x het toepasselijke tarief € 1.290)
5.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag.
5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af wat verder of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.C.J. van Bavel, A.E. Hillen en R.J.A. Dil, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
RB Midden-Nederland 28 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6433
HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976 (FNV/Pontmeyer) r.o. 4.3.3 e.v.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.372.021
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland zittingsplaats Utrecht 11842220
arrest van 8 september 2026
in de zaak van
Achmea Interne Diensten N.V.
die is gevestigd in Utrecht
hierna: Achmea
advocaten: mr. D.A. Kuiper en mr. N.G.D. van Doorn
en
[geïntimeerde]
,
die woont in [woonplaats] , Ecuador
hierna: [werknemer]
advocaten: mr. G.H.R. van Eldik en mr. A.B. Abeln.
1De zaak in het kort
1.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of Achmea de met [werknemer] afgesproken internationale werkregeling, op basis waarvan [werknemer] vanaf juli 2020 zijn werkzaamheden voor Achmea grotendeels vanuit Ecuador verricht, dient te continueren op de wijze waarop daar tot op heden uitvoering aan is gegeven. In dat verband moet de vraag beantwoord worden of sprake is van een arbeidsvoorwaarde en als die vraag bevestigend beantwoord wordt, dan rijst de vraag of Achmea gerechtigd is die arbeidsvoorwaarde eenzijdig te wijzigen. Daarnaast houdt partijen verdeeld wie van hen de proceskosten van de procedures bij de kantonrechter en het hof moet betalen.
1.2.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de afspraak over thuiswerken vanuit Ecuador als arbeidsvoorwaarde deel is gaan uitmaken van de arbeidsovereenkomst van partijen en dat onvoldoende is gebleken van voldoende zwaarwegende belangen aan de zijde van Achmea die een wijziging van de huidige werkwijze rechtvaardigen. De kantonrechter heeft – conform het primaire verzoek van [werknemer] – voor recht verklaard dat Achmea de internationale werkregeling met [werknemer] dient te continueren op de wijze waarop daar tot op heden uitvoering is gegeven, met veroordeling van Achmea in de proceskosten.
1.3.
De bedoeling van het hoger beroep van Achmea is dat het hof het toegewezen verzoek, maar ook de overige verzoeken van [werknemer] , alle neerkomend op het mogen blijven werken vanuit Ecuador, alsnog afwijst omdat geen sprake is van een arbeidsvoorwaarde. Voor zover daarvan volgens het hof wel sprake is, verzoekt Achmea het hof primair te oordelen dat Achmea gerechtigd is die arbeidsvoorwaarde eenzijdig te wijzigen en subsidiair te bepalen dat zij [werknemer] een redelijk voorstel tot wijziging van deze arbeidsvoorwaarde heeft gedaan en dat [werknemer] dit had moeten aanvaarden. De bedoeling van het hoger beroep van [werknemer] is dat Achmea wordt veroordeeld tot betaling van de werkelijke proceskosten van beide procedures.
1.4.
Het hof komt tot het oordeel dat geen sprake is van een (de arbeidsovereenkomst aanvullende) arbeidsvoorwaarde dan wel verworven recht en dat Achmea niet gehouden is de internationale werkregeling te continueren, dit met veroordeling van [werknemer] in de proceskosten van beide procedures. Het hof zal, na een beschrijving van de procedure in hoger beroep (onder 2) en een weergave van de vaststaande feiten (onder 3), dit oordeel toelichten (onder 4).
2De procedure in hoger beroep
2.1.
Beide partijen hebben zoals hiervoor weergegeven hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht (hierna: de kantonrechter) op 28 november 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Naast de processtukken van de procedure bij de kantonrechter zijn de volgende schriftelijke stukken bij het hof ingediend:
het beroepschrift van de kant van Achmea met producties, ontvangen op de griffie van het hof op 27 februari 2026
het verweerschrift tevens beroepschrift in incidenteel appel van de kant van [werknemer]
nadere productie van de kant van Achmea (productie 14 vernummerd tot 15)
nadere producties van de kant van [werknemer] (producties 24 tot en met 30).
2.2.
Op 24 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Het hof heeft bij die gelegenheid kenbaar gemaakt dat een “spoorwissel” (op grond van artikel 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) zal moeten plaatsvinden omdat het – zowel in eerst aanleg als in hoger beroep – een ‘geding’ betreft dat niet valt onder de reikwijdte van artikel 7:686a lid 2 Burgerlijk Wetboek zodat de procedure in eerste aanleg niet met een verzoekschrift ingeleid had moeten worden maar met een dagvaarding. Het hof heeft daarbij, alvorens deze spoorwissel toe te passen, partijen aan het begin van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld op het voornemen van het hof te reageren. Daarbij is aangegeven dat het hof het voornemen heeft het gesignaleerde probleem praktisch op te lossen door de ingediende processtukken in de verzoekschriftprocedure te beschouwen als ingediend in de dagvaardingsprocedure. Nadat partijen zich met de spoorwissel akkoord hadden verklaard, heeft het hof op die wijze beslist in die zin dat de verzoekschriftprocedure (zaaknummer 200.365.682) in de stand waarin zij zich bevond wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure (nieuw zaaknummer 200.372.021). Het is om die reden dat het hof in plaats van een beschikking, een arrest wijst.
2.3.
Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt (het proces-verbaal) dat aan het dossier is toegevoegd, net als de spreekaantekeningen van de advocaten van partijen en een aanvullende productie van de kant van [werknemer] (opgave van advocaatkosten).
2.4.
Partijen hebben het hof gevraagd arrest te wijzen.
3De feiten
3.1.
De kantonrechter heeft in de beschikking van 28 november 2025 in 3.1. tot en met 3.7 de feiten vastgesteld. Tegen die vaststelling zijn geen grieven (bezwaren) aangevoerd. Het hof gaat uit van deze feiten. Voor de leesbaarheid van dit arrest zet het hof hierna de belangrijkste feiten op een rij.
3.2.
Achmea is een dochtermaatschappij van Achmea BV, een verzekeringsgroep met ruim 17.000 medewerkers in Nederland en zo’n 5.000 buiten Europa. Zij is onder verschillende merken actief waaronder Zilveren Kruis. [werknemer] is op 26 februari 2018 bij Achmea in dienst getreden in de functie van Specialist I op de afdeling Info Management Architectuur & Analyse met als standplaats Zwolle. In die functie maakt hij onderdeel uit van het Mendiz Practice Team van Zilveren Kruis. Eind 2018 is het kantoor Zwolle gesloten en is de standplaats van [werknemer] gewijzigd in Apeldoorn.
3.3.
In de zomer van 2019 blijken de partner en kinderen van [werknemer] niet goed te kunnen wennen in Nederland en gaan om die reden in januari 2020 terug naar Ecuador waar zij tot 2006 hebben gewoond. In juli 2020 vertrekt ook [werknemer] naar Ecuador op basis van met Achmea gemaakte afspraken over thuiswerken vanuit Ecuador voor de duur van 12 maanden. De afspraken zijn neergelegd in een door Achmea opgesteld document van één pagina, gedateerd 26 maart 2020. In dit document staat dat [werknemer] met zijn leidinggevende afspraken heeft gemaakt over het thuiswerken vanuit Ecuador tijdens het verblijf van [werknemer] aldaar, waarbij expliciet is vermeld dat de in het document opgenomen afspraken betrekking hebben op een periode van 12 maanden te rekenen vanaf het eerste vertrek van [werknemer] naar Ecuador. In het document staat dat [werknemer] zo mogelijk in juni vertrekt voor een periode van 2 maanden, dat hij in oktober nogmaals vertrekt voor een periode van ongeveer 3 maanden en dat hij de overige maanden vanuit Nederland werkt. In het document staat verder dat [werknemer] en zijn leidinggevende maandelijks de voortgang zullen bespreken en dat als blijkt dat werken vanuit Ecuador ondanks de afspraken op één of andere wijze toch niet voor alle partijen een werkbare situatie is, dan in gezamenlijkheid naar een passende oplossing zal worden gezocht. In de laatste alinea van het document is opgenomen dat veranderingen in wetgeving, cao of personeelsregelingen van Achmea ook voor hem zullen gelden.
3.4.
In de periode 2020-2021 is sprake van internationale reisrestricties als gevolg van COVID-19.
3.5.
In april 2024 worden de werknemers van Achmea op de hoogte gebracht van een binnen Achmea geldend beleid voor workations, neergelegd in de Beleidslijn pilot ‘workation’ Achmea.
3.6.
Op 5 december 2024 laat Achmea [werknemer] weten dat zij niet langer wil meewerken aan het werken in Ecuador en dat zijn verblijf daar moet worden afgebouwd. In mei 2025 doet Achmea een voorstel voor een overgangsregeling die onder meer inhoudt dat [werknemer] vanaf 1 februari 2027 zijn werkzaamheden weer in Nederland zal moeten verrichten. [werknemer] wijst op 6 juni 2025 het voorstel af, waarna hij in augustus 2025 het geschil tussen partijen, zoals in de kern samengevat in 1.1., aan de kantonrechter voorlegt, die beslist zoals in 1.2. is weergegeven. [werknemer] is tot op heden nog werkzaam in Ecuador. Hij is vanaf eind 2021 gemiddeld 7 weken per jaar fysiek aanwezig geweest in Nederland.
4De beoordeling
rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Het hof stelt vast dat deze arbeidsovereenkomst internationale aspecten heeft aangezien [werknemer] vanaf juli 2020 de overeengekomen werkzaamheden grotendeels vanuit Ecuador verricht en hij daar momenteel ook woont. De regels inzake de internationale bevoegdheid van de rechter zijn neergelegd in de Brussel-1-bis Verordening. Op grond van artikel 21 van deze Verordening is de Nederlandse rechter bevoegd om van een door de werknemer tegen zijn werkgever gestarte procedure kennis te nemen onder meer omdat Achmea in Nederland is gevestigd.
4.2.
Vervolgens dient te worden beoordeeld welk recht van toepassing is op de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomsten. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de Rome-I-Verordening, nu het geschil aan de Nederlandse rechter is voorgelegd. Artikel 8 lid 1 van deze Verordening stelt de rechtskeuze voorop, nu niet is gesteld of gebleken dat het recht van Ecuador gunstiger dwingender bepalingen heeft. Het hof zal daarom, net als impliciet partijen en de kantonrechter, uitgaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht.
toelichting op de beslissing van het hof
4.3.
[werknemer] stelt zich op het standpunt dat de afspraak die partijen in maart 2020 hebben gemaakt over het mogen werken vanuit Ecuador nog steeds geldt omdat Achmea de internationale werkregeling jarenlang heeft voortgezet waardoor er een verworven recht is ontstaan. Volgens [werknemer] blijkt nergens uit dat de afspraak over de internationale werkregeling tijdelijk van aard is. Hij stelt dat Achmea in elk geval bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat voortzetting van de regeling ook in de toekomst mogelijk zou zijn. Achmea heeft betwist dat het thuiswerken vanuit Ecuador een arbeidsvoorwaarde of verworven recht is geworden, zodat zij met een beroep op haar instructierecht van [werknemer] kan verlangen dat hij zijn werkzaamheden permanent vanuit Nederland gaat verrichten.
4.4.
Het hof wijst erop dat nu [werknemer] aan zijn vorderingen de stelling ten grondslag legt dat sprake is van een verworven recht om in Ecuador te mogen blijven werken, op hem de stelplicht en omdat Achmea deze stelling betwist, ook de bewijslast van deze stelling rust.
toetsingskader verworven recht
4.5.
Allereerst het bij de beoordeling van de vorderingen van [werknemer] te hanteren toetsingskader. De vraag wanneer een door de werkgever jegens de werknemer gedurende een bepaalde tijd gevolgde gedragslijn voortvloeit dat sprake is van een tussen partijen geldende (de arbeidsovereenkomst aanvullende) arbeidsvoorwaarde, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op de zin die partijen aan elkaars gedragingen (en in verband daarmee staande verklaringen) hebben toegekend en in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen. In dit verband komt betekenis toe aan gezichtspunten als (i) de inhoud van de gedragslijn, (ii) de aard van de arbeidsovereenkomst en de positie die de werkgever en de werknemer jegens elkaar innemen, (iii) de lengte van de periode gedurende welke de werkgever de desbetreffende gedragslijn heeft gevolgd, (iv) hetgeen de werkgever en de werknemer in verband met deze gedragslijn jegens elkaar hebben verklaard of juist niet hebben verklaard, (v) de aard van de voor- en nadelen die voor de werkgever en de werknemer uit de gedragslijn voortvloeien, en (vi) de aard en omvang van de kring van werknemers jegens wie de gedragslijn is gevolgd. Het hof zal hierna op deze gezichtspunten ingaan. Daaraan voorafgaand schetst het hof de achtergrond van de in maart 2020 gemaakte afspraken over het werken in Ecuador.
achtergrond totstandkoming afspraken
4.6.
Niet is geschil is dat de hiervoor bedoelde afspraken (zie 3.3.) zijn gemaakt op initiatief van [werknemer] naar aanleiding van spanningen in zijn gezin en daarmee samenhangende gezondheidsproblemen van zijn vrouw die van Ecuadoriaanse herkomst is. [werknemer] en zijn vrouw hadden eerder, van 2006 tot 2012 in Nederland gewoond. Omdat de vrouw van [werknemer] toen niet kon wennen is zij in 2009 met de kinderen (uiteindelijk voor een periode van 1,5 jaar) terug naar Ecuador gegaan. In 2012 is [werknemer] hen achterna gegaan met de bedoeling te emigreren. Het gezin heeft daar toen 6 jaar gewoond. [werknemer] werkte in die periode bij een bank in Ecuador. Om financiële redenen is [werknemer] in 2018 weer in Nederland gaan solliciteren en is hij aangenomen bij Achmea. [werknemer] is hierna meteen – en het gezin in juli 2018 – weer in Nederland komen wonen. In januari 2020 zijn de vrouw en kinderen van [werknemer] terug naar Ecuador gegaan omdat zij in Nederland niet konden wennen. De vrouw van [werknemer] heeft (overigens zonder medeweten van [werknemer] ) diens leidinggevende benaderd met de vraag of [werknemer] de werkzaamheden niet vanuit het buitenland mocht verrichten. Achmea is naar aanleiding daarvan het gesprek aangegaan met [werknemer] en heeft met hem willen meedenken. Dit heeft geresulteerd in de afspraken zoals neergelegd in het document van 26 maart 2020.
inhoud van de gedragslijn
4.7.
In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat [werknemer] de overeengekomen werkzaamheden verricht vanuit Zwolle. Later is de standplaats gewijzigd in Apeldoorn. In maart 2020 hebben partijen afspraken gemaakt, die – zoals hiervoor meermaals weergegeven – zijn vastgelegd in het door Achmea opgestelde document gedateerd 26 maart 2020.
4.8.
Uit het feit dat in het document van 26 maart 2020 expliciet een periode van twaalf maanden is opgenomen en niets is opgenomen over de periode daarna volgt dat sprake was van een open einde. Partijen zijn het daar ook over eens, het ging om een proefperiode met een open einde.
4.9.
[werknemer] is in juli 2020 naar Ecuador vertrokken. De afspraak, zoals vastgelegd in het document van 26 maart 2020, was dat hij na ongeveer twee maanden zou terugkomen, dus in september 2020 en dat hij daarna vanaf oktober 2020 nog drie maanden vanuit Ecuador zou werken. Als gevolg van de reisbeperkingen door COVID-19 is hij, in afwijking van die afspraken, pas in oktober 2021 voor het eerst naar Nederland teruggekomen. Daarna is stilzwijgend een gedragslijn ontstaan waarbij [werknemer] in de jaren 2022, 2023 en 2024 zeven weken vanuit Nederland heeft gewerkt. In december 2024 krijgt [werknemer] te horen dat de regeling afgebouwd gaat worden. Naar het oordeel van het hof is, ook gelet op wat hierna wordt overwogen, geen sprake van een eenduidige gedragslijn vanaf juli 2020 en evenmin van een zodanig lange periode dat daaruit blijkt of bij [werknemer] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontstaan dat sprake was van een permanente situatie. De oorspronkelijk overeengekomen regeling is nooit uitgevoerd en feitelijk zijn er, mede veroorzaakt door COVID-19, twee jaren geweest waarin [werknemer] vanuit Ecuador heeft gewerkt toen Achmea aangaf de regeling te willen beëindigen.
wat werkgever en werknemer over gedragslijn jegens elkaar hebben verklaard
4.10.
Over wat er is besproken rond de gemaakte afspraken in 2020 lopen de lezingen van partijen uiteen. Volgens [werknemer] was het van begin af aan de bedoeling van beide partijen een permanente situatie te creëren. [werknemer] stelt dat weliswaar niet met zoveel woorden is gesproken over een “permanente” regeling, maar in elk geval is nooit gezegd dat het ging om een tijdelijke afspraak. Achmea heeft dit gemotiveerd weersproken Volgens Achmea is het steeds de bedoeling geweest dat het om een tijdelijke situatie zou gaan, zoals ook blijkt uit de laatste alinea van het document waarin staat dat veranderingen in wetgeving, cao en personeelsregelingen ook voor [werknemer] gelden. Achmea kende (en kent) geen regeling voor werknemers die langdurig vanuit het buitenland werken, wilde geen structurele afwijking creëren en wilde [werknemer] tijdelijk ontlasten. Bovendien is volgens Achmea bij het maken van de afspraken aan [werknemer] duidelijk gemaakt dat deze geen permanent karakter zouden hebben.
4.11.
Het hof stelt vast dat er weinig (andere) schriftelijke stukken zijn rond de totstandkoming van de afspraken van maart 2020 en dat ook niet is gebleken van een duidelijke/formele evaluatie van de afspraken. Ter onderbouwing van zijn stelling dat het om een permanente regeling ging verwijst [werknemer] onder meer naar:
een e-mail van zijn leidinggevende van 20 maart 2020 waarin hij aan [werknemer] schrijft dat hij een medewerker van HR heeft aangegeven dat [werknemer] de voorkeur heeft zich in Ecuador te vestigen.
het antwoord van zijn leidinggevende tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter dat hij [werknemer] niet expliciet heeft gezegd dat het werken in Ecuador niet permanent is.
een werkbriefje van zijn leidinggevende waarin staat dat zij er afgezien van het tijdsverschil niets van merken dat [werknemer] aan het andere kant van de wereld aan het werk is, wat zijn leidinggevende ook tijdens zijn speech ter gelegenheid van de kerstborrel in 2022 heeft uitgesproken.
e 360 graden feedback reviews 2025 waaruit positieve feedback van zijn collega’s blijkt.
de mededeling van zijn leidinggevende tijdens de kerstborrel in 2023 dat [werknemer] niet meer terug hoeft te komen naar Nederland, op welke uitlating hij volgens [werknemer] later terugkomt in die zin dat hij na het overlijden van zijn ouders eens per twee jaar naar Nederland zal moeten komen.
de afspraak die hij met zijn leidinggevende heeft gemaakt dat hij nog maar 1 keer per jaar voor een periode van 6 tot 8 weken terug hoefde te komen naar Nederland, aan welke afspraak partijen zich zonder uitzondering vanaf oktober 2021 houden.
g. de e-mail van [werknemer] aan [naam] d.d. 19 februari 2020 waarin hij een vraag stelt over hoe hij praktisch moet handelen als in geval van emigratie door de Sociale Verzekeringsbank een uitspraak wordt gedaan over het verzekerd zijn voor de sociale verzekeringen.
4.12.
Het hof kan uit deze stukken niet afleiden dat een permanente situatie is beoogd, zoals [werknemer] stelt. Het document van 26 maart 2020 biedt zoals hiervoor overwogen geen aanknopingspunt voor de stelling dat [werknemer] hieruit heeft mogen opmaken dat de daarin gemaakte afspraken zagen op een permanente situatie. Dat de leidinggevende tijdens de kerstborrel in 2023 tegen [werknemer] heeft gezegd dat hij niet meer naar Nederland hoeft te komen heeft Achmea gemotiveerd weersproken. Zij heeft daartoe een verklaring van de leidinggevende ingebracht waarin hij verklaart dat hij [werknemer] op geen enkel moment heeft toegezegd dat hij zijn werkzaamheden permanent vanuit Ecuador kon blijven verrichten. Hetzelfde geldt voor het feit dat collega’s tevreden waren over het werk en de samenwerking met [werknemer] . Dat in maart 2020 is afgesproken dat maandelijks de voortgang zal worden besproken wijst op zichzelf evenmin op een permanente afspraak. De hiervoor onder a bedoelde e-mail legt bij de beoordeling geen gewicht in de schaal, nu zich bij de stukken ook een e-mail van [werknemer] bevindt waarin hij in 2020 aan Achmea schrijft dat hij afziet van emigratie. [werknemer] is ook niet geëmigreerd: hij was ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep nog steeds ingeschreven in Nederland en de sociale premies zijn steeds afgedragen in Nederland. In dat verband komt evenmin waarde toe aan de e-mail onder f. Het hof ziet niet in dat uit het feit dat Achmea in de persoon van [naam] iets heeft uitgezocht of ergens over heeft meegedacht zou blijken dat sprake is van een permanente afspraak dan wel, zoals [werknemer] stelt, gesprekken zijn gevoerd in de geest van een permanente regeling.
4.13.
Uit wat partijen over en weer over de gedragslijn hebben gesteld en verklaard blijkt dat in de periode 2020-2024 niet expliciet met [werknemer] is besproken dat hij niet altijd voor Achmea vanuit Ecuador kan blijven werken en dat de regeling niet structureel is geëvalueerd. Dat maakt echter nog niet dat daarmee vast staat dat sprake was van een permanente afspraak of dat [werknemer] daarop (na verloop van tijd) gerechtvaardigd mocht vertrouwen. Daarvoor is meer nodig.
aard van voor- en nadelen van gedragslijn voor werkgever en werknemer gedragslijn
4.14.
Vast staat dat [werknemer] een persoonlijk belang had en heeft bij werken vanuit Ecuador en dat zijn verzoek daartoe samenhing met persoonlijke keuzes van [werknemer] . Als de huidige gedragslijn niet gecontinueerd kan worden dan zal hij moeten kiezen tussen het vinden van een andere baan in Ecuador met een navenant lager salaris dan hij thans ontvangt en het blijven werken bij Achmea. Als hij kiest voor het blijven werken bij Achmea zal hij, nu zijn gezin niet terug wil naar Nederland, afgezien van vakantieperioden gescheiden zijn van zijn gezin. Hoewel het hof begrijpt dat [werknemer] groot belang heeft bij voortzetting van zijn werk vanuit Ecuador, staan de belangen van Achmea daar tegenover. Achmea heeft in dat verband het volgende aangevoerd. Achmea ontvangt sinds de pandemie steeds vaker verzoeken van werknemers om tijdelijk vanuit een bestemming in het buitenland de werkzaamheden te mogen verrichten. Achmea heeft nieuw beleid ontwikkeld dat er in de kern op neer komt dat structureel werken vanuit het buitenland niet is toegestaan. Toch krijgt zij nog herhaaldelijk verzoeken om al dan niet in verband met persoonlijke omstandigheden af te wijken van dit beleid. Achmea wijst deze verzoeken af maar wijst op het risico van precedentwerking als zou worden geoordeeld dat [werknemer] vanuit Ecuador mag blijven werken.
4.15.
Naast dit nadelige effect wijst Achmea ook op diverse andere organisatorische, beleidsmatige, arbeidsrechtelijke en praktische nadelen. Achmea heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling toegelicht dat tijdens de Coronapandemie is gebleken dat aanwezigheid op kantoor essentieel is voor de teamdynamiek, de onderlinge samenwerking en de verbinding met het bedrijf en dat daarom regels zijn opgesteld over hybride werken waar strikt de hand aan wordt gehouden. Hoewel het team van [werknemer] meer zelfsturend is dan andere teams, geldt ook voor dit team dat alleen door regelmatig aanwezig te zijn, de verbinding met het bedrijf kan worden behouden. In het team wordt gemiddeld 1 a 2 dagen per week op kantoor gewerkt, waarbij het vooral van belang is dat het mogelijk moet zijn op locatie in gesprek te gaan met de afnemende afdeling. De voormalig leidinggevende van [werknemer] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling uitgelegd dat het team interne klanten heeft en dat vooral aan het begin van een project, bij het maken van een nieuw computerprogramma, fysiek contact mogelijk moet zijn met gebruikers. Het is volgens hem belangrijk om te weten om wat voor mensen het gaat die met het programma moeten gaan werken. Daarvoor is nodig dat je regelmatig bij elkaar komt. [werknemer] heeft weliswaar gesteld dat de taken in het team zijn verdeeld en dat een collega bij ‘de entree’ van het traject betrokken is waarna hij het oppakt, maar dat neemt niet weg dat Achmea zich ook hier moet aanpassen aan de wensen van [werknemer] . Achmea heeft er ook op gewezen dat het werken van [werknemer] vanuit het buitenland veel vraagt van collega’s waar het gaat om het verplaatsen van vergaderingen naar tijden die [werknemer] – vanwege het tijdsverschil van zeven uur – beter passen. [werknemer] kan ook de meeste fysieke werkoverleggen niet bijwonen, hetgeen volgens Achmea onwenselijk is.
4.16.
Het hof oordeelt dat de door Achmea geschetste nadelen van het feit dat [werknemer] permanent tot aan zijn pensioen, over naar schatting zo’n tien jaar, vanuit Ecuador zou werken aanzienlijk zijn en weegt die nadelen zwaarder dan het, door zijn individuele persoonlijke situatie ingegeven, belang van [werknemer] . Het hof kent daarbij ook betekenis toe aan de vrijheid die een onderneming in beginsel heeft haar organisatie in te richten zoals zij dat wenst. Die vrijheid is niet onbegrensd. Zo moeten onder meer het arbeidsrecht en concrete afspraken met werknemers gerespecteerd te worden. Dat sprake is van een schending van het arbeidsrecht dan wel dat een concrete met [werknemer] gemaakte afspraak niet is nagekomen, is niet komen vast te staan.
aard en omvang kring van werknemers jegens wij de gedragslijn is gevolgd
4.17.
[werknemer] is nagenoeg de enige persoon binnen Achmea is die zijn werkzaamheden langdurig vanuit het buitenland verricht. Er is slechts één andere werknemer die zijn werkzaamheden vanuit België verricht vanwege een medische aandoening. Omdat [werknemer] om andere dan medische redenen vanuit Ecuador wil werken maakt dat de door Achmea gevolgde gedragslijn ten opzichte van [werknemer] , niet jegens anderen is gevolgd.
slotsom ten aanzien van verworven recht/arbeidsvoorwaarde
4.18.
Met [werknemer] is het hof van oordeel dat het op de weg van Achmea, een grote organisatie met een professionele HR-afdeling, had gelegen duidelijker aan te geven, zowel mondeling als schriftelijk, dat sprake was van een tijdelijke situatie. Bij de hiervoor beschreven stand van zaken kan het hof echter de stap naar de conclusie dat daarmee sprake is van een arbeidsvoorwaarde, inhoudende dat [werknemer] tot zijn pensioen vanuit Ecuador voor Achmea mag blijven werken, niet zetten. Het hof is voorts van oordeel dat onvoldoende feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan [werknemer] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij zijn werkzaamheden voor Achmea permanent vanuit Ecuador mocht verrichten. Dat sprake is van een verworven recht dan wel arbeidsvoorwaarde is aldus niet komen vast te staan. Dit oordeel brengt mee dat het hof niet toekomt aan de vraag of Achmea gerechtigd was dit verworven recht te wijzigen.
gevolgen voor vorderingen van [werknemer]
4.19.
Uit het voorgaande volgt dat de beschikking van de kantonrechter zal worden vernietigd en dat de vorderingen van [werknemer] alsnog zullen worden afgewezen. Het staat Achmea daarmee met een beroep op haar instructierecht vrij van [werknemer] te verlangen dat hij zijn werkzaamheden weer vanaf enig moment vanuit Nederland zal verrichten. Goed werkgeverschap, noch artikel 10 GW, 8 EVRM of 6:248 BW staan daaraan in de weg. Het hof verwijst naar wat hiervoor is overwogen, onder meer naar de vrijheid die een ondernemer heeft om zijn onderneming naar eigen inzichten in te richten. Gelet op de ingrijpende beslissing van het hof met zware consequenties voor [werknemer] gaat het hof ervan uit dat partijen in goed overleg tot een overgangsregeling komen.
de slotsom
4.20.
Het hoger beroep van Achmea slaagt. Omdat [werknemer] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
4.21.
De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
5De beslissing
Het hof:
5.1.
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 28 november 2025 en wijst alsnog de vorderingen (voorheen aangeduid als verzoeken) van [werknemer] af:
5.2.
veroordeelt [werknemer] tot betaling van de volgende proceskosten van Achmea:
tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
€ 814 aan salaris van de advocaat van Achmea
en tot betaling van de volgende proceskosten van Achmea in hoger beroep:
€ 851 aan griffierecht
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van Achmea (2 procespunten x het toepasselijke tarief € 1.290)
5.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag.
5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af wat verder of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.C.J. van Bavel, A.E. Hillen en R.J.A. Dil, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
RB Midden-Nederland 28 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6433
HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976 (FNV/Pontmeyer) r.o. 4.3.3 e.v.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.