Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5771
2026-09-08
Civiel recht
200.342.120/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om een nieuwe mondelinge behandeling na enquête.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.953 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.342.120
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 489948
arrest van 8 september 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank eiser was
advocaat: mr. W.F. Wienen
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
en bij de rechtbank gedaagde was
advocaat: mr. C.D.R. Schoonderbeek
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Eerder is in deze zaak op 22 juli 2025 een tussenarrest gewezen. In dat tussenarrest is aan [appellant] een bewijsopdracht gegeven. Ter uitvoering van die opdracht heeft [appellant] getuigen gehoord in een enquête. [geïntimeerde] heeft afgezien van een tegenenquête. Nadat de enquête was gesloten heeft eerst [appellant] een memorie na enquête genomen en daarna [geïntimeerde] een antwoord memorie na enquête. Vervolgens is de zaak geplaatst op de rol voor fourneren voor arrest. [appellant] heeft gefourneerd en verzocht om een meervoudige mondelinge behandeling. Op dat verzoek is gereageerd door [geïntimeerde] . Vervolgens heeft het hof arrest bepaald voor het geven van een beslissing op het verzoek om een mondelinge behandeling.
2Het verzoek van [appellant] en de reactie daarop van [geïntimeerde]
2.1
[appellant] voert voor zijn verzoek aan dat al hetgeen na het tussenarrest is gebeurd, nog geen onderwerp is geweest van een mondelinge behandeling en wil daarmee de mogelijkheid krijgen om zijn standpunten na enquête ook mondeling nog toe te lichten dan wel te bepleiten, mede gelet op wat [geïntimeerde] in haar antwoord memorie van enquête heeft aangevoerd, zodat gewaarborgd is dat wat hij wat hij feitelijk en/of juridisch van belang vindt meegewogen wordt in een arrest.
2.2
[geïntimeerde] heeft zich tegen toewijzing van dat verzoek verweerd.
3De beoordeling
3.1
Artikel 87 lid 1 Rv bepaalt dat de rechter, op verzoek van partijen of een van hen dan wel ambtshalve, in alle gevallen en in elke stand van het geding een mondelinge behandeling kan bevelen. Art. 87 lid 8 Rv bepaalt dat indien geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, de rechter voordat hij over de zaak beslist aan partijen desverlangd de gelegenheid biedt hun standpunt mondeling uiteen te zetten. Ingevolge art. 353 lid 1 Rv is art. 87 Rv ook van toepassing in hoger beroep.
3.2
In deze zaak heeft in hoger beroep op 1 april 2025 al een mondelinge behandeling plaatsgevonden, vastgelegd in een proces-verbaal. Het verhandelde op die zitting heeft het hof meegewogen in zijn tussenarrest van 22 juli 2025 , resulterend in de aan [appellant] gegeven bewijsopdracht.
3.3
[appellant] is in de gelegenheid geweest om tijdens het getuigenverhoor als getuige te verklaren over de feiten en omstandigheden die volgens hem van belang zijn voor zijn bewijslevering. Vervolgens heeft hij in zijn memorie na enquête de gelegenheid gekregen om gemotiveerd zijn mening te geven over vraag of hij geslaagd is in zijn bewijslevering.
3.4
Uit de wet noch de jurisprudentie valt af te leiden dat een partij in beginsel recht heeft op nog een tweede mondelinge behandeling in dezelfde instantie. [appellant] stelt dat op zichzelf ook niet. Hij heeft alleen benoemd dat er na het tussenarrest veel is gebeurd en dat [geïntimeerde] in haar memorie van antwoord na enquête een verkeerde voorstelling van zaken geeft waarop hij nog niet heeft kunnen reageren, en dat hij daarom een gelegenheid wil krijgen om zijn standpunten na enquête nog eens mondeling toe te lichten. Een nadere concretisering van de omstandigheden waar hij daarbij op doelt heeft hij verder niet gegeven. [appellant] heeft daarmee voor zijn verzoek onvoldoende concrete omstandigheden aangevoerd die reden zouden kunnen zijn voor eventueel een nieuwe mondelinge behandeling.
Daarbij geldt dat het hof er in zijn volgende arrest al rekening mee dient te houden dat [appellant] niet heeft kunnen reageren op de memorie van [geïntimeerde] . Verder heeft [appellant] in zijn memorie na enquête al de gelegenheid gehad om in te gaan op in zijn ogen nieuwe aspecten van de zaak die tijdens de enquête aan het licht zijn gekomen en het belang daarvan voor de verdere beoordeling. In aanmerking nemend dat een tweede mondelinge behandeling zal leiden tot een aanmerkelijke vertraging in de verdere afdoening van deze zaak en de nodige extra kosten en tijdsbeslag met zich zullen brengen, is het hof van oordeel dat een tweede mondelinge behandeling in dit geval in strijd zou komen met een goede procesorde.
3.5
Het hof wijst het verzoek af en zal de zaak verwijzen naar de rol voor arrest. Een beslissing over de proceskosten van dit verzoek zal worden aangehouden tot de eindbeslissing.
4De beslissing
Het hof:
- wijst af het verzoek van [appellant] om in deze zaak opnieuw een mondelinge behandeling te bepalen;
- verwijst de zaak naar de rolzitting van 17 november 2026 voor uitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, C. Coster en T.K. Lekkerkerker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
8 september 2026.
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.342.120
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 489948
arrest van 8 september 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank eiser was
advocaat: mr. W.F. Wienen
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
en bij de rechtbank gedaagde was
advocaat: mr. C.D.R. Schoonderbeek
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Eerder is in deze zaak op 22 juli 2025 een tussenarrest gewezen. In dat tussenarrest is aan [appellant] een bewijsopdracht gegeven. Ter uitvoering van die opdracht heeft [appellant] getuigen gehoord in een enquête. [geïntimeerde] heeft afgezien van een tegenenquête. Nadat de enquête was gesloten heeft eerst [appellant] een memorie na enquête genomen en daarna [geïntimeerde] een antwoord memorie na enquête. Vervolgens is de zaak geplaatst op de rol voor fourneren voor arrest. [appellant] heeft gefourneerd en verzocht om een meervoudige mondelinge behandeling. Op dat verzoek is gereageerd door [geïntimeerde] . Vervolgens heeft het hof arrest bepaald voor het geven van een beslissing op het verzoek om een mondelinge behandeling.
2Het verzoek van [appellant] en de reactie daarop van [geïntimeerde]
2.1
[appellant] voert voor zijn verzoek aan dat al hetgeen na het tussenarrest is gebeurd, nog geen onderwerp is geweest van een mondelinge behandeling en wil daarmee de mogelijkheid krijgen om zijn standpunten na enquête ook mondeling nog toe te lichten dan wel te bepleiten, mede gelet op wat [geïntimeerde] in haar antwoord memorie van enquête heeft aangevoerd, zodat gewaarborgd is dat wat hij wat hij feitelijk en/of juridisch van belang vindt meegewogen wordt in een arrest.
2.2
[geïntimeerde] heeft zich tegen toewijzing van dat verzoek verweerd.
3De beoordeling
3.1
Artikel 87 lid 1 Rv bepaalt dat de rechter, op verzoek van partijen of een van hen dan wel ambtshalve, in alle gevallen en in elke stand van het geding een mondelinge behandeling kan bevelen. Art. 87 lid 8 Rv bepaalt dat indien geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, de rechter voordat hij over de zaak beslist aan partijen desverlangd de gelegenheid biedt hun standpunt mondeling uiteen te zetten. Ingevolge art. 353 lid 1 Rv is art. 87 Rv ook van toepassing in hoger beroep.
3.2
In deze zaak heeft in hoger beroep op 1 april 2025 al een mondelinge behandeling plaatsgevonden, vastgelegd in een proces-verbaal. Het verhandelde op die zitting heeft het hof meegewogen in zijn tussenarrest van 22 juli 2025 , resulterend in de aan [appellant] gegeven bewijsopdracht.
3.3
[appellant] is in de gelegenheid geweest om tijdens het getuigenverhoor als getuige te verklaren over de feiten en omstandigheden die volgens hem van belang zijn voor zijn bewijslevering. Vervolgens heeft hij in zijn memorie na enquête de gelegenheid gekregen om gemotiveerd zijn mening te geven over vraag of hij geslaagd is in zijn bewijslevering.
3.4
Uit de wet noch de jurisprudentie valt af te leiden dat een partij in beginsel recht heeft op nog een tweede mondelinge behandeling in dezelfde instantie. [appellant] stelt dat op zichzelf ook niet. Hij heeft alleen benoemd dat er na het tussenarrest veel is gebeurd en dat [geïntimeerde] in haar memorie van antwoord na enquête een verkeerde voorstelling van zaken geeft waarop hij nog niet heeft kunnen reageren, en dat hij daarom een gelegenheid wil krijgen om zijn standpunten na enquête nog eens mondeling toe te lichten. Een nadere concretisering van de omstandigheden waar hij daarbij op doelt heeft hij verder niet gegeven. [appellant] heeft daarmee voor zijn verzoek onvoldoende concrete omstandigheden aangevoerd die reden zouden kunnen zijn voor eventueel een nieuwe mondelinge behandeling.
Daarbij geldt dat het hof er in zijn volgende arrest al rekening mee dient te houden dat [appellant] niet heeft kunnen reageren op de memorie van [geïntimeerde] . Verder heeft [appellant] in zijn memorie na enquête al de gelegenheid gehad om in te gaan op in zijn ogen nieuwe aspecten van de zaak die tijdens de enquête aan het licht zijn gekomen en het belang daarvan voor de verdere beoordeling. In aanmerking nemend dat een tweede mondelinge behandeling zal leiden tot een aanmerkelijke vertraging in de verdere afdoening van deze zaak en de nodige extra kosten en tijdsbeslag met zich zullen brengen, is het hof van oordeel dat een tweede mondelinge behandeling in dit geval in strijd zou komen met een goede procesorde.
3.5
Het hof wijst het verzoek af en zal de zaak verwijzen naar de rol voor arrest. Een beslissing over de proceskosten van dit verzoek zal worden aangehouden tot de eindbeslissing.
4De beslissing
Het hof:
- wijst af het verzoek van [appellant] om in deze zaak opnieuw een mondelinge behandeling te bepalen;
- verwijst de zaak naar de rolzitting van 17 november 2026 voor uitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, C. Coster en T.K. Lekkerkerker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
8 september 2026.