Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5770

2026-09-07 Civiel recht; Arbeidsrecht 200.367.289/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-09-07
Publicatiedatum
2026-09-07
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.367.289/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1449; AR-Updates.nl 2026-1449

Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht, Wwz. Vraag of werknemer of werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en de criteria daarvoor. Beroep van de werkgever op verrekening met gebruiksvergoeding voor ter beschikking gestelde woning gaat om verschillende redenen niet op.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.102 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Leeuwarden



afdeling civiel recht



zaaknummer gerechtshof 200.367.289
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 11948332




beschikking van 7 september 2026




in de zaak van





Wereldrestaurant [plaats1] B.V. (Wereldrestaurant)
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
advocaat: mr. D.Y. Li



en





[verweerder] ( [verweerder] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. R.M. van der Horn






1Het verloop van de procedure in hoger beroep


Wereldrestaurant heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, op 6 januari 2026 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:



het beroepschrift


het verweerschrift


de nagekomen productie van Wereldrestaurant


het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 31 juli 2026 is gehouden.







2De kern van de zaak


2.1.
Partijen verschillen van mening over de vraag wie de arbeidsovereenkomst tussen hen heeft opgezegd. Volgens [verweerder] is dat Wereldrestaurant. De kantonrechter heeft hem daarin gevolgd en heeft op verzoek van [verweerder] de opzegging door Wereldrestaurant vernietigd en Wereldrestaurant onder meer veroordeeld tot doorbetaling van het loon vanaf 1 september 2025, naast betaling van achterstallig salaris, en tot het inschakelen van de bedrijfsarts.



2.2.

Wereldrestaurant is het daarmee niet eens. Volgens haar heeft [verweerder] een einde aan de arbeidsovereenkomst gemaakt en heeft hij geen recht op loon. Bovendien heeft de kantonrechter volgens Wereldrestaurant ten onrechte haar beroep afgewezen op verrekening met een gebruiksvergoeding voor de aan [verweerder] ter beschikking gestelde woonruimte.
De bedoeling van het hoger beroep is – zo begrijpt het hof – dat de toegewezen verzoeken van [verweerder] alsnog worden afgewezen.




2.3.
Het hof zal het hoger beroep verwerpen en licht dat hierna toe, nadat eerst de feiten zijn vastgesteld voor zover die in hoger beroep van belang zijn.






3De toelichting op de beslissing van het hof



de feiten




3.1.


[verweerder] is op 19 november 2019 als specialiteitenkok Aziatische keuken in dienst getreden bij Wereldrestaurant. Op de arbeidsovereenkomst, die voor Wereldrestaurant is ondertekend door [naam1] , is de cao Horeca van toepassing verklaard. [naam1] runt nog steeds het restaurant maar zijn dochter is nu bestuurder.
Wereldrestaurant betaalt aan [verweerder] loon op basis van functiegroep 5 van de cao.




3.2.
In de arbeidsovereenkomst staat niets over huisvesting en de kosten daarvan. Vanaf indiensttreding woont [verweerder] in een pand dat eigendom is van de schoondochter van [naam1] , die ook de salarisadministratie voor Wereldrestaurant doet. In het pand wonen ook andere werknemers van Wereldrestaurant. Na enige tijd zijn ook de vrouw van [verweerder] en hun dochter bij [verweerder] in komen wonen en daar is vervolgens ook de jongste dochter geboren.



3.3.
Rond 21 augustus 2025 ontstond bij [verweerder] de verdenking dat de jongste dochter zou zijn misbruikt door een medebewoner die ook zijn collega is. [verweerder] heeft daarna verlof opgenomen. Op 25 augustus 2025 heeft Veilig Thuis [plaats2] een melding ontvangen over zorgen van seksueel misbruik van het meisje.



3.4.
Op 31 augustus 2025 heeft [naam1] een bezoek gebracht aan [verweerder] en volgens de vertaalde bandopname van dat gesprek het volgende meegedeeld. [naam1] heeft iemand nodig voor het werk en hij moet daarover die avond beslissen en als [verweerder] niet komt, moet hij iemand anders aannemen en dat kan niet voor korte tijd. [naam1] weet hoe zwaar het is om met je hele gezin te verhuizen en soms vind je niets. [verweerder] moet die avond voor 10 uur bellen, dan kan [naam1] de andere kandidaat antwoorden. Als de plek eenmaal bezet is dan heeft [verweerder] geen plek meer. Zo gaat dat nu eenmaal in de horeca, aldus [naam1] .



3.5.

[verweerder] heeft die avond rond 8 uur een whatsappbericht naar [naam1] gestuurd waarin staat dat hij vanwege de problemen thuis geen manier ziet om te komen werken en om verder verlof vraagt. Daarop is geen reactie gekomen. [verweerder] is niet gaan werken.



3.6.

Op 4 september 2025 is [naam1] in de woning aanwezig geweest en hij heeft [verweerder] toen meegedeeld dat hij geen werk meer had.
De woning is diezelfde dag ’s middags op last van de brandweer gesloten wegens brandonveiligheid. [verweerder] en zijn gezin zijn door de gemeente elders ondergebracht.




3.7.
De schoondochter van [naam1] heeft omstreeks 24 september 2025 per telefoon contact gezocht met [verweerder] en heeft gevraagd haar terug te bellen om een afspraak te maken. [verweerder] heeft niet teruggebeld. Over september 2025 is geen loon aan [verweerder] betaald.



3.8.

[verweerder] heeft een WW-uitkering aangevraagd en op 8 oktober aan Wereldrestaurant gemaild: “Ik ben [verweerder] , een voormalig werknemer die per 31 augustus 2025 uit dienst is getreden.” In deze e-mail heeft hij aangegeven dat bij het UWV geregistreerd stond dat er in september 2025 nog inkomsten waren ontvangen, terwijl hij niets heeft ontvangen.



3.9.
Op 8 oktober 2025 heeft Wereldrestaurant per mail gereageerd met de boodschap dat [verweerder] op zijn verzoek uit dienst is gemeld per 31 augustus 2025 en hierbij een nieuwe loonstrook van augustus ontvangt. Diezelfde dag schrijft [verweerder] terug dat zijn ontslag het gevolg is van dwang en dreigementen van [naam1] en derhalve onwettig is. Op 23 oktober 2025 schrijft [verweerder] dat Wereldrestaurant steeds stelt dat hij per 31 augustus 2025 ontslagen zou zijn, maar dat hijzelf nooit een schriftelijke ontslagaanvraag heeft ingediend. Hij vraagt op welke gronden Wereldrestaurant zijn arbeidsovereenkomst eenzijdig heeft beëindigd.



de bezwaren van Wereldrestaurant tegen de beslissing van de kantonrechter





3.10.

Wereldrestaurant vindt dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat zij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in plaats van [verweerder] . Zij meent ook dat zij ten onrechte is veroordeeld tot loondoorbetaling na 31 augustus 2025, primair omdat de arbeidsovereenkomst was geëindigd en subsidiair omdat [verweerder] niet beschikbaar was, de beschuldiging tegen de collega niet in de risicosfeer van Wereldrestaurant ligt en [verweerder] zich op onjuiste wijze heeft ziek gemeld. Verder is haar ten onrechte opgelegd dat zij een bedrijfsarts moet inschakelen en is ten onrechte haar beroep op verrekening met een gebruiksvergoeding voor de woning gepasseerd.
Het hof zal deze bezwaren themagewijs behandelen en stelt vast dat Wereldrestaurant géén bezwaar heeft gemaakt tegen de veroordeling tot betaling van achterstallig salaris en ook niet tegen de hoogte van het door te betalen loon.




niet [verweerder] maar Wereldrestaurant heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd





3.11.
Volgens vaste jurisprudentie is voor het aannemen van een opzegging door een werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige wilsuiting nodig, die is gericht op de definitieve beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor hem kan hebben, zoals het verloren gaan van de mogelijkheid zich op ontslagbescherming te beroepen en het mogelijk verlies van aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving, met name een werkloosheidsuitkering. In verband met die ernstige gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Onder omstandigheden moet de werkgever zich er met redelijke zorgvuldigheid van vergewissen dat de werknemer inderdaad beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft beoogd.



3.12.
Volgens eveneens vaste jurisprudentie zijn de in de vorige overweging genoemde ernstige gevolgen niet aan de orde bij het antwoord op de vraag of een door de werkgever afgelegde verklaring strekt tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Als de werknemer die verklaring heeft opgevat als gericht op beëindiging van de arbeidsovereenkomst, maar de werkgever stelt dat die verklaring niet die strekking had, is er daarom geen reden die verklaring anders te beoordelen dan aan de hand van de maatstaf van de artikelen 3:33 en 3:35 BW. De Hoge Raad maakte duidelijk dat een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werkgever niet is vereist.



3.13.

Wereldrestaurant betwist dat zij de arbeidsovereenkomst met [verweerder] heeft opgezegd.
Er was geen duidelijke ondubbelzinnige wilsverklaring van haar kant maar aan [verweerder] werd een keuze voorgelegd. [verweerder] moet formeel niet bij [naam1] zijn voor een verlofaanvraag en heeft bovendien de reactie erop niet afgewacht.
Het hof verwerpt dit standpunt. Uit de hiervoor vermelde vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat Wereldrestaurant een onjuist criterium aanlegt bij de uitleg van haar verklaringen en gedragingen die [verweerder] als opzegging door Wereldrestaurant heeft verstaan. Uitgaande van de juiste maatstaf, namelijk waar [verweerder] op grond van de uitlatingen van [naam1] gerechtvaardigd op mocht vertrouwen, kon [verweerder] ervan uitgaan dat hij was ontslagen. De keuze die [verweerder] kreeg was immers de keus tussen werken en zijn baan behouden, of niet komen werken en dan zijn baan kwijt zijn. Dat komt dus neer op ontslag door de werkgever bij niet verschijnen, ongeacht de reden voor niet verschijnen. En als het al zo zou zijn dat een verlofaanvraag bij een ander dan [naam1] ingediend moest worden, dan nog was die aanvraag een antwoord op de keuze die [naam1] aan [verweerder] had voorgehouden. Door daar niet op te reageren heeft Wereldrestaurant niets aan haar eerder voorgelegde ‘keuzemogelijkheid’ afgedaan. Op 4 september 2025 heeft [naam1] bovendien de gevolgen ervan aan [verweerder] bevestigd, namelijk dat hij zijn werk kwijt was.
Hier komt nog bij dat, zoals [verweerder] in hoger beroep heeft aangevoerd, ontslag door de werkgever bevestiging vond in het uitblijven van salarisbetaling over september. Daaraan doet niet af dat [verweerder] niet heeft gereageerd op de uitnodiging van 24 september 2025 van de schoondochter van [naam1] om een afspraak te maken, nu niet duidelijk was wat het doel daarvan was.




3.14.

Wereldrestaurant onderbouwt haar stelling dat niettemin [verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd door te wijzen op de tekst in zijn mail van 8 oktober 2025 waarin hij zich als voormalig, uit dienst getreden werknemer presenteert (zie 3.8), het feit dat hij na 31 augustus 2025 niet op het werk is verschenen en dat hij WW heeft aangevraagd. Wereldrestaurant ziet dit als ondubbelzinnig op ontslagneming gericht gedrag van [verweerder] .
Het hof volgt Wereldrestaurant hierin niet. De uitlating van 8 oktober en het aanvragen van WW zijn evengoed verklaarbaar vanuit de veronderstelling van [verweerder] dat hij door Wereldrestaurant was ontslagen, terwijl zijn eerdere niet-verschijning op het werk een reactie is op omstandigheden, die de werkgever bekend zijn en ook maken dat [verweerder] het niet kon opbrengen met de bewuste collega te moeten samenwerken. Juist daarom vroeg hij verlenging van zijn verlof aan. Van een ondubbelzinnige wilsuiting die op vrijwillige ontslagneming door [verweerder] zelf wijst, is geen sprake. Daar komt nog bij dat Wereldrestaurant ook niet concreet heeft onderzocht of dit de wens van [verweerder] was. Tijdens de zitting bij het hof heeft Wereldrestaurant (voor het eerst) gewezen op de poging van de schoondochter van [naam1] om met [verweerder] contact op te nemen, eind september 2025. Buiten discussie is dat [verweerder] daarop niet heeft gereageerd. Volgens Wereldrestaurant bevestigt dit laatste dat [verweerder] al zelf ontslag had genomen, maar daarin volgt het hof Wereldrestaurant niet. Onduidelijk is gebleven wat de bedoeling was van het opnemen van contact. Volgens Wereldrestaurant verkeerde zij toen nog in de veronderstelling dat [verweerder] gewoon in dienst was en wilde zij als goed werkgever horen hoe het met haar werknemer ging. Dat laat zich echter niet rijmen met het feit dat [verweerder] ook over de maand september al geen loon had ontvangen. Blijkbaar is het ook bij die enkele contactpoging gebleven, wat ook vragen oproept. Een duidelijke uitleg van dit (laat aan de orde gestelde en ongerijmde) standpunt is er niet gekomen. Dat [verweerder] zelf ontslag heeft genomen is er in elk geval niet mee onderbouwd.




3.15.
Het hof is het, kortom, geheel eens met het oordeel van de kantonrechter op dit onderdeel.



Wereldrestaurant is terecht veroordeeld tot loondoorbetaling vanaf 1 september 2025





3.16.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt, dat [verweerder] in dienst is gebleven en daarom (in beginsel) recht heeft op doorbetaling van zijn loon. Het hof oordeelt dat ook het subsidiaire bezwaar van Wereldrestaurant daartegen niet opgaat. Juist is dat [verweerder] niet beschikbaar was voor werk. Maar ten eerste had hij verlof gevraagd waarop [naam1] niet inhoudelijk heeft gereageerd. [naam1] heeft [verweerder] ook niet verwezen naar een ander die daarover kon beslissen. En ten tweede had Wereldrestaurant in redelijkheid niet mogen verlangen dat [verweerder] aan het werk ging samen met de collega die hij verdacht van het misbruiken van zijn dochtertje, zonder dat Wereldrestaurant de moeite nam om te onderzoeken onder welke voorwaarden dat van [verweerder] verlangd kon worden.
Wereldrestaurant voert aan dat een en ander in de privésfeer van [verweerder] lag en niet in haar risicosfeer, maar zij ziet dan over het hoofd dat er wel degelijk overlapping is omdat zowel [verweerder] als de door hem beschuldigde in dezelfde omgeving moeten werken (en tot 5 september 2025 in hetzelfde voor personeel bestemde pand woonden). Na 31 augustus 2025 kan [verweerder] bovendien niet worden tegengeworpen dat hij zich niet beschikbaar hield voor werk omdat hij ervan uitging dat hij was ontslagen en dacht dat hij een WW-uitkering moest aanvragen.
De kantonrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat het voor rekening van Wereldrestaurant komt dat [verweerder] vanaf 1 september 2025 niet voor haar heeft gewerkt.




Wereldrestaurant is ook terecht veroordeeld tot het inschakelen van een bedrijfsarts





3.17.

De kantonrechter heeft Wereldrestaurant opgedragen een bedrijfsarts in te schakelen omdat [verweerder] in zijn verzoekschrift had gesteld dat hij psychisch ontregeld is geraakt en zich ook belemmerd voelt weer aan het werk te gaan door de aanwezigheid van de medewerker tegen wie hij aangifte heeft gedaan.
Wereldrestaurant vindt dit een onjuist oordeel, omdat [verweerder] zich niet op de juiste wijze heeft ziekgemeld en zij mocht menen dat sprake was van een beëindigd dienstverband en niet van arbeidsongeschiktheid.
Zij heeft nog toegevoegd dat uit navraag bij de politie blijkt dat [verweerder] geen aangifte tegen zijn collega heeft gedaan.




3.18.

Het hof zal ook op dit punt de beslissing van de kantonrechter in stand laten. Gegeven het oordeel dat het dienstverband doorloopt, dient Wereldrestaurant de mededeling van [verweerder] in de procedure op te vatten als ziekmelding die zij moet voorleggen aan de bedrijfsarts.
Ter zitting bij het hof is gebleken dat [verweerder] inmiddels wel de bedrijfsarts heeft bezocht, maar dat er (nog) geen advies ligt. Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat [verweerder] op dit moment moet werken, wil hij aanspraak hebben op loon. Dat [verweerder] zijn aangifte bij de politie niet heeft doorgezet omdat er volgens de politie te weinig bewijs was voor een strafzaak, doet daaraan niet af.

Wereldrestaurant heeft geen recht op verrekening van loon met een gebruiksvergoeding





3.19.
Wereldrestaurant wil het door haar te betalen loon verrekenen met een redelijke gebruiksvergoeding voor de woning. Volgens Wereldrestaurant gaat het om een personeelswoning. Het gebruik van de woning, alléén door [verweerder] , is afgesproken in het kader van zijn dienstverband. Hoewel daar geen betalingsafspraak over is gemaakt vindt zij het redelijk dat daarvoor een vergoeding wordt berekend. Dat geldt al helemaal sinds zijn hele gezin daar woont. Zonder betaling wordt [verweerder] ongerechtvaardigd verrijkt. Ook op grond van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid zou een bedrag van € 500 per maand voor alleen [verweerder] en € 1.000 per maand vanaf de intrek van zijn gezin in mindering moeten komen op zijn loonvordering. Die bedragen zijn volgens Wereldrestaurant marktconform.



3.20.

Het hof constateert dat in dit geval geen sprake is van een eigenlijke dienstwoning, nu bewoning geen verplichting is op grond van de arbeidsovereenkomst. Als sprake is van een oneigenlijke dienstwoning, is daarmee nog niet gegeven dat die ter beschikking is gesteld in het kader van een huurovereenkomst nu niet blijkt dat een tegenprestatie is overeengekomen. Anders dan in een zaak waarin [naam2] concludeerde is tussen partijen ook niet afgesproken dat een bedrag voor de huurwaarde in de loonberekening is opgenomen en vastgesteld voor afdracht van loonbelasting. Daarmee is het ook minder vanzelfsprekend dat er, zoals in die zaak, na afloop van de arbeidsovereenkomst en bij voortgezet gebruik van de woning alsnog een redelijke huurprijs vastgesteld zou worden. Maar ook overigens is hier sprake van een ander geval: de arbeidsovereenkomst bestaat nog steeds, ook al wordt op dit moment geen arbeid verricht waarin mogelijk een tegenprestatie voor het gebruik van de woning was begrepen.
Het hof laat dan nog daar dat het gebruik van de woning al op 4 september 2025 tot een einde is gekomen.
Wereldrestaurant heeft niet gesteld en onderbouwd dat nadere afspraken zijn gemaakt toen het gezin van [verweerder] zich bij hem voegde. De slotsom tot zover is dat partijen blijkbaar geen huur of andere gebruiksvergoeding hebben afgesproken waarin een grondslag voor verrekening zou kunnen worden gevonden.




3.21.

Wereldrestaurant heeft de in hoger beroep aangevoerde grondslag van ongerechtvaardigde verrijking evenmin onderbouwd. Met name is niet toegelicht waarom de verrijking ongerechtvaardigd zou zijn, en ook is het nog maar de vraag of zij zelf verarmd is. Ter zitting is immers namens Wereldrestaurant verklaard dat het huis waar [verweerder] met zijn gezin woonde eigendom was van de schoondochter van [naam1] .
Voor een vergoeding op basis van redelijkheid en billijkheid ziet het hof, gelet op wat onder 3.20 al is overwogen, evenmin aanleiding. Het enkele feit dat [verweerder] de woning heeft bewoond die zijn werkgever aan hem ter beschikking heeft gesteld, is daarvoor onvoldoende.




3.22.
Voor een beroep op verrekening als verweer is nodig dat de vordering waarmee verrekend moet worden voldoende materieel en processueel ‘liquide’ is. In dit geval staat de omvang van de gestelde verschuldigde gebruiksvergoeding niet vast én wordt de verschuldigdheid door [verweerder] betwist. De gegrondheid van het beroep op verrekening is ook in hoger beroep niet eenvoudig vast te stellen en dat is reden voor afwijzing ervan. Ten overvloede merkt het hof op dat artikel 7:632 BW in de weg staat aan verrekening van het loon met een achteraf vastgestelde gebruiksvergoeding.



bewijsaanbod wordt gepasseerd





3.23.
Wereldrestaurant heeft geen bewijs aangeboden van concrete feiten of omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden. Daarom passeert het hof het algemeen geformuleerde bewijsaanbod.



de conclusie





3.24.
Omdat geen van de bezwaren van Wereldrestaurant opgaat, zal het hof het hoger beroep verwerpen. Het hof zal Wereldrestaurant veroordelen tot betaling van de proceskosten van [verweerder] bij het hof. Die veroordeling kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).






4De beslissing


Het hof:



4.1.
verwerpt het hoger beroep van Wereldrestaurant tegen de beschikking van de kantonrechter te Groningen van 6 januari 2026;



4.2.

veroordeelt Wereldrestaurant tot betaling van de volgende proceskosten van [verweerder] :
€ 373 aan griffierecht
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van [verweerder] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);




4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;



4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;



4.5.
wijst af wat verder is verzocht.



Deze beschikking is gegeven door mrs. M.E.L. Fikkers, K. Mans en R. Verkijk, is ondertekend door de rolraadsheer en is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2026.




Gepubliceerd onder ECLI:NL:RBNNE:2026:2185.


Zie ECLI:NL:PHR:2020:557 overweging 2.2 en daar vermelde vindplaatsen.


Zie HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387 overweging 3.4 (Grillroom Ramses II) en ECLI:NL:HR:2024:111 overweging 3.1.2.


ECLI:NL:PHR:2011:BQ8111.