Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5721
2026-09-01
Civiel recht
200352.724/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Grensgeschil tussen twee eigenaren van aangrenzende agrarische percelen. Omvang rechtsstrijd in hoger beroep.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHARL:2025:1671 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-03-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.124 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.724/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 9090612
arrest van 1 september 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
bij de kantonrechter: gedaagde
hierna: [appellant]
advocaat: mr. N. Wouters te Groningen
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
bij de kantonrechter: eiser
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. J.B.M. Nijhuis te Enspijk
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, (hierna: de kantonrechter) op 18 juli 2023 en 1 oktober 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van 20 december 2024;
het herstelexploot van 14 maart 2025;
het aan [geïntimeerde] op 1 april 2025 verleende verstek dat op 30 september 2025 is gezuiverd;
de memorie van grieven van 10 juni 2025;
de memorie van antwoord van 9 december 2025;
het regiegesprek dat op 3 februari 2026 heeft plaatsgevonden naar aanleiding van onduidelijkheden rond de memorie van antwoord en de toezending door [geïntimeerde] van een separaat ingesteld hoger beroep dat nooit is aangebracht;
het tussenarrest van 17 februari 2026 waarbij een enkelvoudige mondelinge behandeling is bepaald. Op verzoek van [geïntimeerde] is dit omgezet in een mondelinge behandeling ten overstaan van de meervoudige kamer;
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 1 mei 2026 heeft plaatsgevonden, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd. Voorafgaand aan deze mondelinge behandeling had [geïntimeerde] op 16 april 2026 een aantal producties (waaronder spreekaantekeningen voor de komende zitting en foto’s) in het geding gebracht. De foto’s zijn ook op een usb-stick nagezonden.
Na afloop van de mondelinge behandeling – nadat het hof al een datum voor het te wijzen arrest had bepaald – heeft [geïntimeerde] het hof gewraakt.
De beslissing van de wrakingskamer van 2 juli 2026 waarbij de wraking is afgewezen.
Daarna heeft het hof een nieuwe datum voor het te wijzen arrest bepaald.
2De kern van de zaak
2.1
Twee eigenaren van aangrenzende percelen landbouwgrond hebben een geschil over de loop van een greppel c.q. sloot op of nabij de kadastrale grens en over de vraag wie daarin wijzigingen heeft (laten) aanbrengen. Ook hebben zij een geschil over wie rotzooi in de boomwal op het perceel van [geïntimeerde] heeft achtergelaten. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om de greppel op de kadastrale grens te herstellen, de gegraven sloot te dempen en de rotzooi uit de boomwal op te ruimen. Verder is het hem verboden om het perceel van [geïntimeerde] te betreden of te gebruiken.
2.2
[appellant] heeft uiteindelijk zijn hoger beroep beperkt tot het oordeel over de boomwal en de daaraan parallel gegraven sloot. Het hof acht niet aangetoond dat die sloot in opdracht van [appellant] is gewijzigd en dat hij het hem verweten afval in de boomwal heeft achtergelaten. [geïntimeerde] is het ook op een aantal punten niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Volgens hem liep de eigendomsgrens dan wel de kadastrale grens anders dan door het kadaster is aangegeven en heeft de kantonrechter zijn schadevergoedingsvorderingen ten onrechte afgewezen. De bezwaren van [geïntimeerde] zijn niet op de juiste wijze aan het hof voorgelegd zodat het hof daarover niet kan oordelen. Het hof zal die beslissingen hierna toelichten, nadat eerst de relevante feiten zijn weergegeven.
3De feiten
3.1
[geïntimeerde] heeft een agrarisch bedrijf in [woonplaats2] in de [streek] . Hij is eigenaar van een perceel weiland in [woonplaats1] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats1] , [sectie] nr. 229. [appellant] is (onder meer) eigenaar van het noordelijk daarvan gelegen perceel nr. 230 waarop ook zijn (woon)boerderij staat. Het hof zal verder spreken van perceel 229 en perceel 230. De ligging van de percelen blijkt uit de hierna weergegeven uitsnede uit de kadastrale kaart.
3.2
Ongeveer ter hoogte van de verspringing in de noordgrens van perceel 229 bevindt zich een boomwal. Die loopt van dat punt tot de oostelijke grens van perceel 230. Enige meters ten westen van de boomwal heeft [appellant] een hooikiep, die in gebruik is als caravanstalling.
3.3
[geïntimeerde] heeft perceel 229 tegen vergoeding aan derden in gebruik gegeven. In 2014 heeft [geïntimeerde] het perceel verpacht aan [naam] , een agrariër die in de buurt een boerderij heeft.
3.4
Tussen [geïntimeerde] en [appellant] bestond een geschil van mening over de loop van de erfgrens, met name over de vraag van wie de boomwal was. [appellant] heeft in 2018 het kadaster de erfgrens laten reconstrueren. Daaruit bleek dat de boomwal tot het perceel van [geïntimeerde] behoorde. Daar heeft [appellant] zich bij neergelegd. [appellant] heeft na deze reconstructie ook het dak van de hooikiep, dat overstak op het perceel 229, laten inkorten.
3.5
Op of nabij de erfgrens ligt een greppel dan wel (zwet)sloot. Tot ongeveer de boomwal, ter hoogte van de hooikiep, spreken partijen meestal over greppel. Nabij de boomwal spreken partijen over sloot. [naam] heeft werkzaamheden verricht aan de greppel die niet meer kaarsrecht loopt en enigszins meandert op het perceel van [geïntimeerde] . Ook is door [naam] een sloot, zuidelijk van de boomwal, gegraven (dus op perceel 229), in de tijd dat [appellant] meende eigenaar van de boomwal te zijn. Het hof zal hierna de greppel/zwetsloot waar het gaat om het deel vanaf de weg tot aan de boomwal aanduiden als de greppel en de door [naam] uitgegraven sloot zuidelijk van de boomwal, aanduiden als sloot.
3.6
[geïntimeerde] heeft in 2019 het kadaster opdracht gegeven tot een grensreconstructie. Die had behalve op de grens met kavel 230, ook betrekking op de zuidelijke grens van zijn perceel, omdat hij ook in conflict verkeerde met de eigenaar van het kadastrale perceel 227. Dat geschil heeft geleid tot een arrest van dit hof, gewezen op 18 maart 2025.
3.7
[appellant] heeft in 2014 een tweetal bomen uit de boomwal gerooid. Ook heeft hij, voor de reconstructie door het kadaster in 2018, enige kruiwagens paardenmest gestort op de boomwal.
3.8
Na het vonnis van de kantonrechter heeft [appellant] het zich op de boomwal bevindende afval verwijderd.
De procedure bij de kantonrechter
3.9
[geïntimeerde] heeft in de inleidende dagvaarding gesteld – opgesteld door zijn eerste advocaat – dat [naam] de greppel (het deel in de nabijheid van de hooikiep) heeft verlegd en de sloot heeft gegraven in opdracht dan wel op verzoek van [appellant] en heeft gevorderd dat [appellant] de greppel in de oorspronkelijke toestand terugbrengt en de sloot dempt, dan wel dat [geïntimeerde] dat op [appellant] kosten mag doen. Verder heeft [geïntimeerde] een verbod tot betreding van het perceel door [appellant] gevorderd en de verwijdering van gestorte paardenmest, takken en andere voorwerpen uit de boomwal. gevorderd en een verbod voor [appellant] om hout te stropen uit de boomwal, alles op verbeurte van een (hoge) dwangsom. Daarnaast had [geïntimeerde] een vergoeding van door hem gemaakte (reis)kosten gevorderd tot een bedrag van € 16.386,51.
3.10
[appellant] had een vordering in reconventie ingesteld die ziet op het eerste stuk van de greppel (door hem aangeduid als zwetsloot) gerekend vanaf de weg aan de linkerzijde van de hiervoor weergegeven kadastrale kaart. Hij vordert herstel van de zwetsloot, die volgens hem door [naam] , in opdracht van [geïntimeerde] , was gedempt, ook op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3.11
Nadat de kantonrechter in het tussenvonnis van 18 mei 2021 had geconstateerd dat de zaak tot de competentie van de rechtbank behoort, hebben partijen aangegeven de zaak op grond van artikel 96 Rv aan de kantonrechter voor te leggen, met behoud van het recht van hoger beroep.
3.12
In het tussenvonnis van 18 juli 2023 heeft de kantonrechter voorshands aangenomen dat de zaken (afval en mest) die zich op de houtwal bevinden daar door [appellant] zijn gestort en hem tot het leveren van tegenbewijs toegelaten. [appellant] heeft afgezien van het laten van horen van getuigen en heeft een akte genomen. [geïntimeerde] was op dat moment van advocaat gewisseld. Bij eindvonnis heeft de kantonrechter [appellant] niet in het opgedragen tegenbewijs geslaagd geacht.
3.13
De kantonrechter heeft [appellant] in het eindvonnis veroordeeld tot ontruiming van het perceel 229 met al het zijne en de zijnen met medeneming van de afval, takken, paardenmest en andere roerende zaken, en hem verboden verder gebruik te maken van het perceel 229 en hout te stropen; verder heeft de kantonrechter [appellant] veroordeeld in de kosten van het in de oude toestand (zoals door [geïntimeerde] in de inleidende dagvaarding omschreven) terugbrengen van greppel en sloot, en het opruimen van de houtwal, voor zover [appellant] dat zelf niet doet. [appellant] is in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld. De overige vorderingen van [geïntimeerde] heeft de kantonrechter afgewezen.
3.14
De reconventionele vordering van [appellant] is eveneens toegewezen, onder veroordeling van [geïntimeerde] in de daarop gevallen kosten.
4De toelichting op de beslissing van het hof
De vordering in hoger beroep en de omlijning van de rechtsstrijd
4.1
[appellant] vordert in hoger beroep, onder vernietiging van het eindvonnis en het tussenvonnis van 18 juli 2023 voor zover in conventie gewezen, dat het hof alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] afwijst en hem in de kosten van de procedure veroordeelt. [appellant] heeft acht bezwaren (grieven) tegen beide vonnissen geformuleerd, die het hof hierna thematisch zal bespreken. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] de grieven die zien op de vaststelling van perceelsgrenzen en de daarop gerichte veroordeling van [appellant] ingetrokken. Daardoor resteert in hoger beroep alleen het geschil over de vervuiling van de boomwal en het dempen van de daaraan parallel gegraven sloot.
4.2
Ook [geïntimeerde] – die in hoger beroep wederom van advocaat is gewisseld – is het niet eens met het vonnis van de kantonrechter. Hij heeft zelf – ongeveer een jaar na het eindvonnis van de kantonrechter – een appeldagvaarding uitgebracht. In zijn memorie van antwoord verwijst hij naar die dagvaarding zonder deze te overleggen. Deze dagvaarding is nooit aangebracht. Dat is tijdens het regiegesprek aan de orde geweest. [geïntimeerde] heeft geen incidenteel appel ingesteld. Nadien heeft [geïntimeerde] verzocht om alsnog incidenteel appel in te mogen stellen. Dat verzoek is afgewezen omdat dit niet mogelijk is, gelet op het bepaalde in artikel 339 lid 3 Rv dat bepaalt dat incidenteel appel, op straffe van verval, wordt ingesteld bij de memorie van antwoord.
4.3
Omdat er geen incidenteel appel is ingesteld vallen de bezwaren van [geïntimeerde] tegen de vonnissen van de rechtbank – zoals hij die tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verwoord en die zien op het verloop van de erfgrens en de afwijzing van zijn financiële vorderingen – buiten de rechtsstrijd in hoger beroep.
De perceelsgrenzen en de greppel
4.4
De kantonrechter heeft de stellingen van [geïntimeerde] zoals ingenomen in zijn inleidende dagvaarding gevolgd en bepaald dat de juridische grens lag op de plek van de kadastrale grens, zoals aangeduid op de in de inleidende dagvaarding opgenomen foto die ook in het vonnis is opgenomen. De kantonrechter heeft [appellant] veroordeeld om toe te laten dat [geïntimeerde] de erfgrens (de greppel) op die plek in de oude toestand terugbrengt zoals op die foto is opgenomen. De daartegen door [appellant] gerichte grieven zijn ingetrokken. Daarmee staat dit onderdeel van de beslissing van de kantonrechter dus niet meer ter discussie. De ter zitting door [geïntimeerde] ingenomen stellingen dat
het kadaster – dat in de afgelopen jaren viermaal ter plaatste is geweest om de kadastrale grens te reconstrueren – de kadastrale steeds verkeerd heeft aangewezen omdat het kadaster van verkeerde coördinaten zou uitgaan;
dan wel er een feitelijke gebruiksgrens van oudsher was die ten gunste van perceel 229 afweek van de door het kadaster aangewezen grens;
vallen, zoals het hof hiervoor onder 4.3 al heeft uitgelegd, buiten de rechtsstrijd in hoger beroep.
De sloot
4.5
De sloot aan de zuidzijde van de boomwal, geheel gelegen op het perceel 229, is door [naam] rond 2014 gegraven. Volgens [geïntimeerde] zou [appellant] hem daartoe opdracht hebben gegeven. [appellant] heeft dit, ook tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, uitdrukkelijk betwist. Enig bewijs daarvoor is niet voorhanden, terwijl ook niet kan worden ingezien welk belang [appellant] bij het laten graven van deze sloot zou hebben. [geïntimeerde] heeft over de verstandhouding tussen [appellant] en [naam] verschillende standpunten ingenomen. In de inleidende dagvaarding stelt hij dat [naam] en [appellant] ruzie hebben en dat [naam] de ruiten van zijn tractor zou hebben ingegooid en dat [naam] om die reden de sloot niet in oude toestand zou willen herstellen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof stelt hij juist dat [naam] en [appellant] bevriend zouden zijn. [appellant] heeft zowel het een als het ander betwist.
4.6
[geïntimeerde] heeft aangeboden [naam] te laten horen. Het hof gaat aan dit aanbod voorbij als niet terzake doend. Ook als zou komen vast te staan dat [appellant] in 2014 [naam] zou hebben gevraagd die sloot te graven, dan blijf het [naam] die de sloot heeft gegraven, in zijn hoedanigheid van pachter van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] wil die sloot nu weer dempen en egaliseren. Waarom de kosten daarvan voor rekening zouden moeten komen van [appellant] , heeft [geïntimeerde] onvoldoende toegelicht.
4.7
Dit betekent dat de grief tegen de veroordeling van [appellant] om de sloot in oude toestand te herstellen c.q. de kosten daarvan te betalen terecht is voorgedragen en het hof deze vordering van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen.
De boomwal
4.8
[appellant] betwist dat hij, behalve paardenmest in de periode voor 2018, andere voorwerpen c.q. afval in de boomwal heeft achtergelaten. In 2014 heeft hij twee bomen uit de boomwal omgezaagd. Op dat moment dacht hij dat de boomwal zijn eigendom was. Hij betwist dat hij nadien andere bomen dan wel struiken uit de boomwal heeft omgezaagd/verwijderd.
4.9
Het hof oordeelt dat onvoldoende bewijs aanwezig is dat [appellant] andere voorwerpen op de boomwal heeft gedumpt dan de paardenmest die hij heeft erkend. De kantonrechter kon uit deze gedeeltelijke erkenning nog wel een vermoeden putten dat hij de rest van de door [geïntimeerde] in zijn inleidende dagvaarding genoemde voorwerpen daar had gedumpt en [appellant] met tegenbewijs belasten. Voor zover [appellant] klaagt dat de kantonrechter daarmee de bewijslast onjuist heeft verdeeld, missen zijn grieven doel; bij een rechterlijk vermoeden is geen sprake van het wijzigen van de bewijslastverdeling. Voor zover [appellant] erover klaagt dat hij niet in het hem opgedragen tegenbewijs is geslaagd, zijn zijn grieven wel terecht voorgedragen. [appellant] hoefde bij het leveren van tegenbewijs slechts aannemelijk te maken dat er gerede twijfel was of hij die andere voorwerpen wel had gedumpt. Het leveren van tegenbewijs houdt niet in dat hij moet aantonen dat hij dat afval niet heeft gedumpt dan wel dat hij moet aantonen wie dat wel heeft gedumpt. Met de door hem overgelegde verklaring van [naam] en zijn eigen verklaringen dat hij het niet heeft gedumpt en de niet weerlegde stellingen dat het gedumpte prikkeldraad en palen en de andere genoemde voorwerpen aan de zijde van perceel 229 van de boomwal lagen en niet aan de zijde van perceel 230, heeft hij voldoende twijfel gezaaid dat hij niet voor die dumpingen verantwoordelijk was. Vast staat overigens dat de op de boomwal aanwezige voorwerpen inmiddels door [appellant] zijn verwijderd zodat het belang van deze kwestie niet heel groot meer is. [geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof voor het eerst aangevoerd dat ook in de bodem van de boomwal nog afval (puin en glas) zit waarvoor hij [appellant] verantwoordelijk houdt. Nog los van het punt dat dit te laat is aangevoerd, ontbreekt voor deze stelling elk bewijs, zodat het hof aan die stelling verder voorbij gaat.
4.10
De slotsom op dit punt is dat de grief slaagt die is gericht tegen de veroordeling van [appellant] in het eindvonnis om de boomwal op te ruimen.
De conclusie
4.11
Het hoger beroep slaagt deels. Het hof zal het eindvonnis, voor zover het betreft de veroordelingen onder 3.3 en 3.4 betreft vernietigen en de vorderingen die [geïntimeerde] bij de kantonrechter op dit onderdeel had ingesteld, slechts beperkt toewijzen zoals hierna volgt. De grieven gericht tegen het tussenvonnis, voor zover gehandhaafd, gaan niet op.
4.12
Gelet op deze uitkomst, waarbij per saldo de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie slechts deels zijn toegewezen en de grieven, voor zover door [appellant] gehandhaafd, ook slechts deels slagen, zal het hof de kosten van de procedure in conventie bij de kantonrechter compenseren in die zin dat beide partijen de eigen kosten moeten dragen. Eenzelfde compensatie zal het hof ook in hoger beroep uitspreken. Dit betekent dat het hof ook de onder 3.5. en 3.6 uitgesproken proceskosten- en rentevergoeding in conventie zal vernietigen.
4.13
Het vonnis dat in reconventie is gewezen ligt niet ter beoordeling voor. Weliswaar verzoekt [geïntimeerde] het hof om dit vonnis te vernietigen, maar hij heeft daarvoor geen grieven aangedragen en, zoals hiervoor vermeld, geen incidenteel appel ingesteld, zodat het vonnis in reconventie buiten de rechtsstrijd in hoger beroep valt.
5De beslissing
Het hof:
5.1
bekrachtigt het tussenvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 18 juli 2023 en het eindvonnis van 1 oktober 2024 voor zover in conventie gewezen, wat betreft de veroordelingen onder 3.1 en 3.2.
5.2
vernietigt dit eindvonnis, voor zover in conventie gewezen, voor het overige, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellant] zich te onthouden van het betreden van het perceel 229 en van het hakken van bomen op dit perceel en het dumpen van mest op dit perceel;
5.3
bepaalt dat beide partijen de eigen kosten van de procedure in conventie bij de kantonrechter moeten betalen evenals van de procedure in hoger beroep;
5.4
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M. Aksu en D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
1 september 2026.
ECLI:NL:GHARL:2025:1671.
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.724/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 9090612
arrest van 1 september 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
bij de kantonrechter: gedaagde
hierna: [appellant]
advocaat: mr. N. Wouters te Groningen
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
bij de kantonrechter: eiser
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. J.B.M. Nijhuis te Enspijk
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, (hierna: de kantonrechter) op 18 juli 2023 en 1 oktober 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep van 20 december 2024;
het herstelexploot van 14 maart 2025;
het aan [geïntimeerde] op 1 april 2025 verleende verstek dat op 30 september 2025 is gezuiverd;
de memorie van grieven van 10 juni 2025;
de memorie van antwoord van 9 december 2025;
het regiegesprek dat op 3 februari 2026 heeft plaatsgevonden naar aanleiding van onduidelijkheden rond de memorie van antwoord en de toezending door [geïntimeerde] van een separaat ingesteld hoger beroep dat nooit is aangebracht;
het tussenarrest van 17 februari 2026 waarbij een enkelvoudige mondelinge behandeling is bepaald. Op verzoek van [geïntimeerde] is dit omgezet in een mondelinge behandeling ten overstaan van de meervoudige kamer;
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 1 mei 2026 heeft plaatsgevonden, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd. Voorafgaand aan deze mondelinge behandeling had [geïntimeerde] op 16 april 2026 een aantal producties (waaronder spreekaantekeningen voor de komende zitting en foto’s) in het geding gebracht. De foto’s zijn ook op een usb-stick nagezonden.
Na afloop van de mondelinge behandeling – nadat het hof al een datum voor het te wijzen arrest had bepaald – heeft [geïntimeerde] het hof gewraakt.
De beslissing van de wrakingskamer van 2 juli 2026 waarbij de wraking is afgewezen.
Daarna heeft het hof een nieuwe datum voor het te wijzen arrest bepaald.
2De kern van de zaak
2.1
Twee eigenaren van aangrenzende percelen landbouwgrond hebben een geschil over de loop van een greppel c.q. sloot op of nabij de kadastrale grens en over de vraag wie daarin wijzigingen heeft (laten) aanbrengen. Ook hebben zij een geschil over wie rotzooi in de boomwal op het perceel van [geïntimeerde] heeft achtergelaten. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om de greppel op de kadastrale grens te herstellen, de gegraven sloot te dempen en de rotzooi uit de boomwal op te ruimen. Verder is het hem verboden om het perceel van [geïntimeerde] te betreden of te gebruiken.
2.2
[appellant] heeft uiteindelijk zijn hoger beroep beperkt tot het oordeel over de boomwal en de daaraan parallel gegraven sloot. Het hof acht niet aangetoond dat die sloot in opdracht van [appellant] is gewijzigd en dat hij het hem verweten afval in de boomwal heeft achtergelaten. [geïntimeerde] is het ook op een aantal punten niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Volgens hem liep de eigendomsgrens dan wel de kadastrale grens anders dan door het kadaster is aangegeven en heeft de kantonrechter zijn schadevergoedingsvorderingen ten onrechte afgewezen. De bezwaren van [geïntimeerde] zijn niet op de juiste wijze aan het hof voorgelegd zodat het hof daarover niet kan oordelen. Het hof zal die beslissingen hierna toelichten, nadat eerst de relevante feiten zijn weergegeven.
3De feiten
3.1
[geïntimeerde] heeft een agrarisch bedrijf in [woonplaats2] in de [streek] . Hij is eigenaar van een perceel weiland in [woonplaats1] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats1] , [sectie] nr. 229. [appellant] is (onder meer) eigenaar van het noordelijk daarvan gelegen perceel nr. 230 waarop ook zijn (woon)boerderij staat. Het hof zal verder spreken van perceel 229 en perceel 230. De ligging van de percelen blijkt uit de hierna weergegeven uitsnede uit de kadastrale kaart.
3.2
Ongeveer ter hoogte van de verspringing in de noordgrens van perceel 229 bevindt zich een boomwal. Die loopt van dat punt tot de oostelijke grens van perceel 230. Enige meters ten westen van de boomwal heeft [appellant] een hooikiep, die in gebruik is als caravanstalling.
3.3
[geïntimeerde] heeft perceel 229 tegen vergoeding aan derden in gebruik gegeven. In 2014 heeft [geïntimeerde] het perceel verpacht aan [naam] , een agrariër die in de buurt een boerderij heeft.
3.4
Tussen [geïntimeerde] en [appellant] bestond een geschil van mening over de loop van de erfgrens, met name over de vraag van wie de boomwal was. [appellant] heeft in 2018 het kadaster de erfgrens laten reconstrueren. Daaruit bleek dat de boomwal tot het perceel van [geïntimeerde] behoorde. Daar heeft [appellant] zich bij neergelegd. [appellant] heeft na deze reconstructie ook het dak van de hooikiep, dat overstak op het perceel 229, laten inkorten.
3.5
Op of nabij de erfgrens ligt een greppel dan wel (zwet)sloot. Tot ongeveer de boomwal, ter hoogte van de hooikiep, spreken partijen meestal over greppel. Nabij de boomwal spreken partijen over sloot. [naam] heeft werkzaamheden verricht aan de greppel die niet meer kaarsrecht loopt en enigszins meandert op het perceel van [geïntimeerde] . Ook is door [naam] een sloot, zuidelijk van de boomwal, gegraven (dus op perceel 229), in de tijd dat [appellant] meende eigenaar van de boomwal te zijn. Het hof zal hierna de greppel/zwetsloot waar het gaat om het deel vanaf de weg tot aan de boomwal aanduiden als de greppel en de door [naam] uitgegraven sloot zuidelijk van de boomwal, aanduiden als sloot.
3.6
[geïntimeerde] heeft in 2019 het kadaster opdracht gegeven tot een grensreconstructie. Die had behalve op de grens met kavel 230, ook betrekking op de zuidelijke grens van zijn perceel, omdat hij ook in conflict verkeerde met de eigenaar van het kadastrale perceel 227. Dat geschil heeft geleid tot een arrest van dit hof, gewezen op 18 maart 2025.
3.7
[appellant] heeft in 2014 een tweetal bomen uit de boomwal gerooid. Ook heeft hij, voor de reconstructie door het kadaster in 2018, enige kruiwagens paardenmest gestort op de boomwal.
3.8
Na het vonnis van de kantonrechter heeft [appellant] het zich op de boomwal bevindende afval verwijderd.
De procedure bij de kantonrechter
3.9
[geïntimeerde] heeft in de inleidende dagvaarding gesteld – opgesteld door zijn eerste advocaat – dat [naam] de greppel (het deel in de nabijheid van de hooikiep) heeft verlegd en de sloot heeft gegraven in opdracht dan wel op verzoek van [appellant] en heeft gevorderd dat [appellant] de greppel in de oorspronkelijke toestand terugbrengt en de sloot dempt, dan wel dat [geïntimeerde] dat op [appellant] kosten mag doen. Verder heeft [geïntimeerde] een verbod tot betreding van het perceel door [appellant] gevorderd en de verwijdering van gestorte paardenmest, takken en andere voorwerpen uit de boomwal. gevorderd en een verbod voor [appellant] om hout te stropen uit de boomwal, alles op verbeurte van een (hoge) dwangsom. Daarnaast had [geïntimeerde] een vergoeding van door hem gemaakte (reis)kosten gevorderd tot een bedrag van € 16.386,51.
3.10
[appellant] had een vordering in reconventie ingesteld die ziet op het eerste stuk van de greppel (door hem aangeduid als zwetsloot) gerekend vanaf de weg aan de linkerzijde van de hiervoor weergegeven kadastrale kaart. Hij vordert herstel van de zwetsloot, die volgens hem door [naam] , in opdracht van [geïntimeerde] , was gedempt, ook op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3.11
Nadat de kantonrechter in het tussenvonnis van 18 mei 2021 had geconstateerd dat de zaak tot de competentie van de rechtbank behoort, hebben partijen aangegeven de zaak op grond van artikel 96 Rv aan de kantonrechter voor te leggen, met behoud van het recht van hoger beroep.
3.12
In het tussenvonnis van 18 juli 2023 heeft de kantonrechter voorshands aangenomen dat de zaken (afval en mest) die zich op de houtwal bevinden daar door [appellant] zijn gestort en hem tot het leveren van tegenbewijs toegelaten. [appellant] heeft afgezien van het laten van horen van getuigen en heeft een akte genomen. [geïntimeerde] was op dat moment van advocaat gewisseld. Bij eindvonnis heeft de kantonrechter [appellant] niet in het opgedragen tegenbewijs geslaagd geacht.
3.13
De kantonrechter heeft [appellant] in het eindvonnis veroordeeld tot ontruiming van het perceel 229 met al het zijne en de zijnen met medeneming van de afval, takken, paardenmest en andere roerende zaken, en hem verboden verder gebruik te maken van het perceel 229 en hout te stropen; verder heeft de kantonrechter [appellant] veroordeeld in de kosten van het in de oude toestand (zoals door [geïntimeerde] in de inleidende dagvaarding omschreven) terugbrengen van greppel en sloot, en het opruimen van de houtwal, voor zover [appellant] dat zelf niet doet. [appellant] is in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld. De overige vorderingen van [geïntimeerde] heeft de kantonrechter afgewezen.
3.14
De reconventionele vordering van [appellant] is eveneens toegewezen, onder veroordeling van [geïntimeerde] in de daarop gevallen kosten.
4De toelichting op de beslissing van het hof
De vordering in hoger beroep en de omlijning van de rechtsstrijd
4.1
[appellant] vordert in hoger beroep, onder vernietiging van het eindvonnis en het tussenvonnis van 18 juli 2023 voor zover in conventie gewezen, dat het hof alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] afwijst en hem in de kosten van de procedure veroordeelt. [appellant] heeft acht bezwaren (grieven) tegen beide vonnissen geformuleerd, die het hof hierna thematisch zal bespreken. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] de grieven die zien op de vaststelling van perceelsgrenzen en de daarop gerichte veroordeling van [appellant] ingetrokken. Daardoor resteert in hoger beroep alleen het geschil over de vervuiling van de boomwal en het dempen van de daaraan parallel gegraven sloot.
4.2
Ook [geïntimeerde] – die in hoger beroep wederom van advocaat is gewisseld – is het niet eens met het vonnis van de kantonrechter. Hij heeft zelf – ongeveer een jaar na het eindvonnis van de kantonrechter – een appeldagvaarding uitgebracht. In zijn memorie van antwoord verwijst hij naar die dagvaarding zonder deze te overleggen. Deze dagvaarding is nooit aangebracht. Dat is tijdens het regiegesprek aan de orde geweest. [geïntimeerde] heeft geen incidenteel appel ingesteld. Nadien heeft [geïntimeerde] verzocht om alsnog incidenteel appel in te mogen stellen. Dat verzoek is afgewezen omdat dit niet mogelijk is, gelet op het bepaalde in artikel 339 lid 3 Rv dat bepaalt dat incidenteel appel, op straffe van verval, wordt ingesteld bij de memorie van antwoord.
4.3
Omdat er geen incidenteel appel is ingesteld vallen de bezwaren van [geïntimeerde] tegen de vonnissen van de rechtbank – zoals hij die tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verwoord en die zien op het verloop van de erfgrens en de afwijzing van zijn financiële vorderingen – buiten de rechtsstrijd in hoger beroep.
De perceelsgrenzen en de greppel
4.4
De kantonrechter heeft de stellingen van [geïntimeerde] zoals ingenomen in zijn inleidende dagvaarding gevolgd en bepaald dat de juridische grens lag op de plek van de kadastrale grens, zoals aangeduid op de in de inleidende dagvaarding opgenomen foto die ook in het vonnis is opgenomen. De kantonrechter heeft [appellant] veroordeeld om toe te laten dat [geïntimeerde] de erfgrens (de greppel) op die plek in de oude toestand terugbrengt zoals op die foto is opgenomen. De daartegen door [appellant] gerichte grieven zijn ingetrokken. Daarmee staat dit onderdeel van de beslissing van de kantonrechter dus niet meer ter discussie. De ter zitting door [geïntimeerde] ingenomen stellingen dat
het kadaster – dat in de afgelopen jaren viermaal ter plaatste is geweest om de kadastrale grens te reconstrueren – de kadastrale steeds verkeerd heeft aangewezen omdat het kadaster van verkeerde coördinaten zou uitgaan;
dan wel er een feitelijke gebruiksgrens van oudsher was die ten gunste van perceel 229 afweek van de door het kadaster aangewezen grens;
vallen, zoals het hof hiervoor onder 4.3 al heeft uitgelegd, buiten de rechtsstrijd in hoger beroep.
De sloot
4.5
De sloot aan de zuidzijde van de boomwal, geheel gelegen op het perceel 229, is door [naam] rond 2014 gegraven. Volgens [geïntimeerde] zou [appellant] hem daartoe opdracht hebben gegeven. [appellant] heeft dit, ook tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, uitdrukkelijk betwist. Enig bewijs daarvoor is niet voorhanden, terwijl ook niet kan worden ingezien welk belang [appellant] bij het laten graven van deze sloot zou hebben. [geïntimeerde] heeft over de verstandhouding tussen [appellant] en [naam] verschillende standpunten ingenomen. In de inleidende dagvaarding stelt hij dat [naam] en [appellant] ruzie hebben en dat [naam] de ruiten van zijn tractor zou hebben ingegooid en dat [naam] om die reden de sloot niet in oude toestand zou willen herstellen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof stelt hij juist dat [naam] en [appellant] bevriend zouden zijn. [appellant] heeft zowel het een als het ander betwist.
4.6
[geïntimeerde] heeft aangeboden [naam] te laten horen. Het hof gaat aan dit aanbod voorbij als niet terzake doend. Ook als zou komen vast te staan dat [appellant] in 2014 [naam] zou hebben gevraagd die sloot te graven, dan blijf het [naam] die de sloot heeft gegraven, in zijn hoedanigheid van pachter van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] wil die sloot nu weer dempen en egaliseren. Waarom de kosten daarvan voor rekening zouden moeten komen van [appellant] , heeft [geïntimeerde] onvoldoende toegelicht.
4.7
Dit betekent dat de grief tegen de veroordeling van [appellant] om de sloot in oude toestand te herstellen c.q. de kosten daarvan te betalen terecht is voorgedragen en het hof deze vordering van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen.
De boomwal
4.8
[appellant] betwist dat hij, behalve paardenmest in de periode voor 2018, andere voorwerpen c.q. afval in de boomwal heeft achtergelaten. In 2014 heeft hij twee bomen uit de boomwal omgezaagd. Op dat moment dacht hij dat de boomwal zijn eigendom was. Hij betwist dat hij nadien andere bomen dan wel struiken uit de boomwal heeft omgezaagd/verwijderd.
4.9
Het hof oordeelt dat onvoldoende bewijs aanwezig is dat [appellant] andere voorwerpen op de boomwal heeft gedumpt dan de paardenmest die hij heeft erkend. De kantonrechter kon uit deze gedeeltelijke erkenning nog wel een vermoeden putten dat hij de rest van de door [geïntimeerde] in zijn inleidende dagvaarding genoemde voorwerpen daar had gedumpt en [appellant] met tegenbewijs belasten. Voor zover [appellant] klaagt dat de kantonrechter daarmee de bewijslast onjuist heeft verdeeld, missen zijn grieven doel; bij een rechterlijk vermoeden is geen sprake van het wijzigen van de bewijslastverdeling. Voor zover [appellant] erover klaagt dat hij niet in het hem opgedragen tegenbewijs is geslaagd, zijn zijn grieven wel terecht voorgedragen. [appellant] hoefde bij het leveren van tegenbewijs slechts aannemelijk te maken dat er gerede twijfel was of hij die andere voorwerpen wel had gedumpt. Het leveren van tegenbewijs houdt niet in dat hij moet aantonen dat hij dat afval niet heeft gedumpt dan wel dat hij moet aantonen wie dat wel heeft gedumpt. Met de door hem overgelegde verklaring van [naam] en zijn eigen verklaringen dat hij het niet heeft gedumpt en de niet weerlegde stellingen dat het gedumpte prikkeldraad en palen en de andere genoemde voorwerpen aan de zijde van perceel 229 van de boomwal lagen en niet aan de zijde van perceel 230, heeft hij voldoende twijfel gezaaid dat hij niet voor die dumpingen verantwoordelijk was. Vast staat overigens dat de op de boomwal aanwezige voorwerpen inmiddels door [appellant] zijn verwijderd zodat het belang van deze kwestie niet heel groot meer is. [geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof voor het eerst aangevoerd dat ook in de bodem van de boomwal nog afval (puin en glas) zit waarvoor hij [appellant] verantwoordelijk houdt. Nog los van het punt dat dit te laat is aangevoerd, ontbreekt voor deze stelling elk bewijs, zodat het hof aan die stelling verder voorbij gaat.
4.10
De slotsom op dit punt is dat de grief slaagt die is gericht tegen de veroordeling van [appellant] in het eindvonnis om de boomwal op te ruimen.
De conclusie
4.11
Het hoger beroep slaagt deels. Het hof zal het eindvonnis, voor zover het betreft de veroordelingen onder 3.3 en 3.4 betreft vernietigen en de vorderingen die [geïntimeerde] bij de kantonrechter op dit onderdeel had ingesteld, slechts beperkt toewijzen zoals hierna volgt. De grieven gericht tegen het tussenvonnis, voor zover gehandhaafd, gaan niet op.
4.12
Gelet op deze uitkomst, waarbij per saldo de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie slechts deels zijn toegewezen en de grieven, voor zover door [appellant] gehandhaafd, ook slechts deels slagen, zal het hof de kosten van de procedure in conventie bij de kantonrechter compenseren in die zin dat beide partijen de eigen kosten moeten dragen. Eenzelfde compensatie zal het hof ook in hoger beroep uitspreken. Dit betekent dat het hof ook de onder 3.5. en 3.6 uitgesproken proceskosten- en rentevergoeding in conventie zal vernietigen.
4.13
Het vonnis dat in reconventie is gewezen ligt niet ter beoordeling voor. Weliswaar verzoekt [geïntimeerde] het hof om dit vonnis te vernietigen, maar hij heeft daarvoor geen grieven aangedragen en, zoals hiervoor vermeld, geen incidenteel appel ingesteld, zodat het vonnis in reconventie buiten de rechtsstrijd in hoger beroep valt.
5De beslissing
Het hof:
5.1
bekrachtigt het tussenvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 18 juli 2023 en het eindvonnis van 1 oktober 2024 voor zover in conventie gewezen, wat betreft de veroordelingen onder 3.1 en 3.2.
5.2
vernietigt dit eindvonnis, voor zover in conventie gewezen, voor het overige, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellant] zich te onthouden van het betreden van het perceel 229 en van het hakken van bomen op dit perceel en het dumpen van mest op dit perceel;
5.3
bepaalt dat beide partijen de eigen kosten van de procedure in conventie bij de kantonrechter moeten betalen evenals van de procedure in hoger beroep;
5.4
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M. Aksu en D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
1 september 2026.
ECLI:NL:GHARL:2025:1671.