Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5639

2026-09-01 Civiel recht 200.333.617
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-09-01
Publicatiedatum
2026-09-01
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.333.617
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Burengeschil. Geen verplichting tot verwijderen asfalt. Inhoud van vast te leggen recht van erfdienstbaarheid.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.099 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Arnhem, afdeling civiel



zaaknummer gerechtshof 200.333.617
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 395045)




arrest van 1 september 2026




in de zaak van





[appellant]


die woont in [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. J.T. Fuller



tegen





[geïntimeerde]


die woont in [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam]
hierna: [geïntimeerde]
(proces-)advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker






1Het verloop van de procedure in hoger beroep


1.1.
Het hof verwijst naar het tussenarrest van 18 november 2025 (hierna: het tussenarrest).



1.2.
Het verdere procesverloop in hoger beroep blijkt uit:


de akte van [geïntimeerde] , met productie


de akte van [appellant] , met productie


de antwoordakte van [geïntimeerde]


de antwoordakte van [appellant] .





1.2.
Hierna heeft het hof opnieuw een datum voor arrest bepaald.






2De verdere beoordeling van de zaak


Waar gaat de zaak over?



2.1.

[geïntimeerde] en [appellant] zijn buren. Om met een voertuig vanuit zijn woning van en naar de openbare weg te gaan, maakt [appellant] gebruik van een pad van circa 35 meter lang dat loopt over het perceel van [geïntimeerde] . Dit pad loopt door over het perceel van [appellant] . Door verjaring is een erfdienstbaarheid van weg ontstaan, die [appellant] mag uitoefenen. Op het perceel van [appellant] is het pad geasfalteerd, en dit asfalt loopt nog 5 meter door op het perceel van [geïntimeerde] . [appellant] heeft de gehele strook asfalt, zowel het deel gelegen op zijn eigen perceel als het deel gelegen op het perceel van [geïntimeerde] , laten vernieuwen. Partijen verschillen van mening over de vraag of [appellant] daartoe gerechtigd was, en over de vraag of het recht van erfdienstbaarheid moet worden vastgelegd en ingeschreven.



Het tussenarrest





2.2.
In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat als vaststaand moet worden aangenomen dat vernieuwing van de toplaag van de asfaltstrook redelijkerwijs noodzakelijk was. Naar het oordeel van het hof was [appellant] bevoegd om daartoe over te gaan. [appellant] vordering op dat punt (namelijk: een verklaring voor recht) heeft het hof dan ook toewijsbaar geoordeeld, met dien verstande dat [geïntimeerde] als gevolg van de eerder gesloten vaststellingsovereenkomst op haar beurt niet verplicht is het asfalt te respecteren. Met andere woorden: als zij het deel van het asfalt dat op haar perceel ligt alsnog wil laten bestraten met straatklinkers, staat dat haar vrij.



2.3.
Ten aanzien van de vordering van [appellant] om [geïntimeerde] te veroordelen mee te werken aan vastlegging en inschrijving van het recht van erfdienstbaarheid, heeft het hof – alvorens daartoe over te gaan – partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de inhoud van dit recht. Over de te maken kosten voor vastlegging en inschrijving van de erfdienstbaarheid heeft het hof overwogen dat beide partijen belang hebben bij het verkrijgen van duidelijkheid over de inhoud van het recht van erfdienstbaarheid en bij het inschrijven van een akte die die inhoud vastlegt. De vordering van [appellant] op dit punt oordeelde het hof dan ook in zoverre toewijsbaar, dat [geïntimeerde] de helft van de nog te maken kosten zal moeten betalen.



2.4.
Wat er na het tussenarrest nog voorligt aan het hof om te beslissen, is de omschrijving van het vast te leggen en in te schrijven recht van erfdienstbaarheid.



De verdere beoordeling – de inhoud van de op te stellen en in te schrijven akte





Partijen bij de akte





2.5.
Deze procedure speelt tussen [appellant] en [geïntimeerde] . Het hof kan dan ook alleen aan deze twee partijen verplichtingen opleggen. In zoverre gaat het hof voorbij aan het verzoek van [appellant] om in ieder geval ook [appellant] Beheer B.V. en [naam2] partij te maken bij de nog op te stellen akte. Mochten [appellant] en [geïntimeerde] het daarover in de toekomst eens worden, dan kunnen zij uiteraard afwijken van de uitspraak van het hof door ook andere aanwonenden toe te laten als partij bij de vastlegging van gebruiksrechten. Het hof staat daar dus buiten.



Inhoud van het recht van erfdienstbaarheid





2.6.
In haar akte na het tussenarrest, heeft [geïntimeerde] voor wat betreft de omschrijving van de erfdienstbaarheid verwezen naar een akte afstand en vestiging erfdienstbaarheid van 2016 waarbij [appellant] , [naam1] ( [adres1] ) en [naam2] ( [adres2] ) partij zijn. De bepalingen van deze akte waarnaar [geïntimeerde] naar het hof begrijpt naar verwijst, luiden als volgt:



“(..)

Ter zake deze erfdienstbaarheid gelden de volgende bepalingen:



a. De erfdienstbaarheid houdt in het recht voor de eigenaar van het heersend erf om over de uitweg te voet of per rijwiel, motorrijwiel, auto of enig ander vervoermiddel, in de ruimste zin des woords, te gaan, zulks niet alleen door de eigenaar van het heersend erf, maar tevens door zijn huisgenoten, leveranciers en andere bezoekers en voor alle vervoer op voorschreven wijze van zaken of goederen, naar en vanaf het heersend erf, en vanaf en naar genoemde weg. De eigenaar van het dienend erf en zijn bezoekers, zullen van de uitweg gebruik kunnen blijven maken.


b. Het is zowel aan de eigenaar van het heersend erf als aan die van het dienend erf en aan alle andere personen die van uitweg gebruik maken, verboden om vervoermiddelen van welke aard ook, of andere zaken of goederen op de uitweg te plaatsen anders dan voor het laden en lossen van goederen, zodat dit gebruik ongehinderd en onverminderd zal kunnen plaats hebben.


c. De uitweg mag zonder toestemming van zowel de eigenaar van het heersend erf als die van het dienend erf, niet worden afgesloten door middel van een hekwerk of op andere wijze.


d. Het onderhoud en zo nodig vernieuwen van de weg en de bestrating -die eigendom zal zijn van de eigenaar van het dienende erf- is voor rekening van:


i. de eigenaar van het dienende erf, voor een aandeel van veertig procent (40%), waarbij de eigenaar van het dienende erf in de rechtsverhouding met een gebruiker van het dienende erf aan die gebruiker de verplichting kan opleggen tot het bijdragen in het onderhoud voor een aandeel van twintig procent (20%) in het totaal;



ii. de eigenaar van het dienende erf, zijnde Partij 1, voor een aandeel van twintig procent (20%) dan wel de eigenaar van het perceel grond kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] ( [provincie] ) [sectie] [nummer] , plaatselijk bekend [adres2] , voor dit aandeel, indien en voor zover deze eigenaar zal participeren in deze akte, in welk geval deze akte zal worden gewijzigd;


iii de eigenaar van het heersende erf [naam2] , voor een aandeel van twintig procent (20%);


iv. de eigenaar van het heersende erf [naam1] , voor een aandeel van twintig procent (20%), met een maximum van drieduizend euro (EUR 3.000,00), prijspeil tweeduizend vijftien en de ontwikkelingen in de wegenbouw volgend. Deze maximering geldt slechts voor de periode dat de eigenaar van het perceel grond kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] ( [provincie] ) [sectie] [nummer] geen partij is bij deze erfdienstbaarheid.



e. Partijen zullen in onderling overleg vaststellen of en wanneer onderhoud en vernieuwing van de weg noodzakelijk dan wel wenselijk is. Zodra Partijen overeenstemming hebben bereikt hierover, zal een offertetraject worden gestart. Partijen stellen bij dezen vast dat onderhoud, waaronder het vernieuwen van de 'toplaag', binnen nu en vijf jaar wordt verwacht. Indien Partijen geen unanimiteit bereiken over bepaalde besluiten inzake onderhoud en/of vernieuwing van de weg, vindt besluitvorming hieromtrent plaats met een meerderheid van tachtig procent (80%) van de stemmen.


f. Uitdrukkelijk wordt bepaald dat verdere verzwaring van de erfdienstbaarheid niet is toegestaan. Het is slechts toegestaan gebruik te maken van de weg zoals hiervoor onder a. omschreven en zoals dit gebruik passend is bij particuliere bewoning. (...)”



2.7.

[appellant] heeft bij zijn akte een concept akte als productie bijgevoegd. [geïntimeerde] maakt bezwaar tegen het door [appellant] op dit punt in de procedure overleggen van deze conceptakte. Dat bezwaar is naar het oordeel van het hof niet gegrond. Het hof heeft partijen zelf gevraagd om zich uit te laten over de inhoud van de vast te leggen erfdienstbaarheid. [geïntimeerde] heeft ook op de conceptakte kunnen reageren. Het overleggen van de conceptakte is dan ook niet in strijd met de goede procesorde en het hof zal de inhoud van deze akte betrekken in zijn beoordeling. De bepalingen over het recht van erfdienstbaarheid die in deze conceptakte zijn opgenomen, luiden als volgt:


“Ter zake deze erfdienstbaarheid gelden de volgende bepalingen:


a. De erfdienstbaarheid houdt in het recht voor de eigenaar van het heersend erf om over de uitweg te voet of per rijwiel, motorrijwiel, auto of enig ander vervoermiddel, in de ruimste zin des woords, te gaan, zulks niet alleen door de eigenaar van het heersend erf, maar tevens door zijn huisgenoten, leveranciers en andere bezoekers en voor alle vervoer op voorschreven wijze van zaken of goederen, naar en vanaf het heersend erf, en vanaf en naar genoemde weg. De eigenaar van het dienend erf en zijn bezoekers, zullen van de uitweg gebruik kunnen blijven maken.


b. Het is zowel aan de eigenaar van het heersend erf als aan die van het dienend erf en aan alle andere personen die van uitweg gebruik maken, verboden om vervoermiddelen van welke aard ook, of andere zaken of goederen op de uitweg te plaatsen anders dan voor het laden en lossen van goederen, zodat dit gebruik ongehinderd en onverminderd zal kunnen plaats hebben.


c. De uitweg mag zonder toestemming van zowel de eigenaar van het heersend erf als die van het dienend erf, niet worden afgesloten door middel van een hekwerk of op andere wijze.


d. Het onderhoud en zo nodig vernieuwen van de weg en de bestrating - die eigendom zal zijn van de eigenaar van het dienende erf - is voor rekening van:


i. de eigenaar van het dienende erf, voor honderd procent (100%);


e. Partijen zullen in onderling overleg vaststellen of en wanneer onderhoud en vernieuwing van de weg noodzakelijk dan wel wenselijk is. Indien in de toekomst meer erven toetreden tot deze vestiging/vastlegging erfdienstbaarheid zal de besluitvorming, indien hierover geen unanimiteit wordt bereikt, over onderhoud en/of vernieuwing vervolgens plaatsvinden op basis van een meerderheid van meer dan zeventig procent (70%) van de stemmen, waarbij ieder heersend en dienend erf één stem mag uitbrengen, welke verhouding derhalve afwijkend kan zijn van de bijdrage in de kosten, tenzij bij toetreding tot erfdienstbaarheid of


wijziging daarvan deze kosten verdeling ook anders wordt vastgesteld.”



2.8.
Uit bovenstaande kan worden opgemaakt, dat bepaling a, b en c van beide akten identiek zijn. In haar eigen akte heeft [geïntimeerde] aangegeven dat zij zich kan vinden in de bepalingen a. t/m c. In haar antwoordakte lijkt [geïntimeerde] hier – zonder nadere toelichting waarom – echter op terug te komen. Het hof zal deze bezwaren hierna langslopen en concluderen waar dat bezwaar toe leidt.



2.9.
Voor wat betreft de bepaling onder a. gaat het hof aan het bezwaar van [geïntimeerde] voorbij. Volgens [geïntimeerde] is de omschrijving te ruim. Dat bezwaar is vooral ingegeven, zo begrijpt het hof, door zorgen over mogelijk bedrijfsmatig gebruik van het recht van overpad door [appellant] en/of zijn persoonlijke vennootschap. Dat bezwaar wordt ondervangen door een toevoeging aan bepaling f, zie r.o. 2.13 hieronder.



2.10.
Ten aanzien van bepaling b, geeft [geïntimeerde] in haar antwoordakte aan dat deze bepaling onnodig belastend voor haar is omdat zij de vrijheid wil behouden om auto’s op haar erf te laten parkeren zoals het haar uitkomt, wat volgens haar kan zonder de doorgang te belemmeren. Het hof gaat daaraan voorbij. De tekst van bepaling b. staat er namelijk niet aan in de weg dat [geïntimeerde] auto’s op haar perceel laat parkeren, als dat maar niet op het pad is waar de erfdienstbaarheid op rust. Dat levert geen verdergaande beperking voor [geïntimeerde] op, aangezien op haar als eigenaar van het dienende erf de verplichting rust om [appellant] , als eigenaar van het heersende erf, onbelemmerde doorgang over het pad te verlenen.



2.11.
Voor wat betreft bepaling c, wijst [geïntimeerde] er in haar antwoordakte op dat zij de vrijheid wil behouden om een elektrisch hek te plaatsen, waarbij de toegangscode of handzender in een dergelijk geval aan [appellant] ter hand zal worden gesteld. Als eigenaar van het perceel is [geïntimeerde] in beginsel gerechtigd om haar erf af te sluiten. Dat geldt ook als het erf belast is met een erfdienstbaarheid van weg. De conceptakte beperkt dit wettelijk recht van [geïntimeerde] en bepaalt dat [geïntimeerde] dit alleen mag doen als [appellant] daar in toestemt. Dat een dergelijke beperking onderdeel is geworden van de door verjaring ontstane en nu vast te leggen erfdienstbaarheid is onvoldoende gebleken. Het hof zal deze bepaling dan ook niet overnemen.



2.12.
De bepalingen onder d. en e. in beide hiervoor geciteerde akten komen qua onderwerp overeen: het gaat om afspraken over (de kosten van) onderhoud en vernieuwing. [geïntimeerde] heeft hiervan aangegeven dat deze er wat haar betreft uit moeten. Niet is komen vast te staan dat een regeling over (de kosten van) het onderhoud onderdeel is geworden van de door verjaring ontstane erfdienstbaarheid. Nu partijen het op dit punt niet eens zijn, zal het hof deze bepalingen buiten beschouwing laten. Dat betekent dat partijen ook op dit punt terugvallen op de wettelijke regeling en de afspraken die zij hebben gemaakt in de vaststellingsovereenkomst.



2.13.
Voor wat betreft bepaling f., deze zal het hof overnemen. Daaraan zal het hof toevoegen een uitdrukkelijk verbod voor bedrijfsmatig verkeer ten behoeve van een door [appellant] uitgeoefend bedrijf. Een dergelijk gebruik zou een verdere verzwaring van het recht van erfdienstbaarheid behelzen. [appellant] heeft immers niet gesteld noch is gebleken dat de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid op dit moment ook een dergelijk bedrijfsmatig gebruik omvat.



2.14.
Het hof zal [geïntimeerde] veroordelen om haar medewerking te verlenen aan vastlegging en inschrijving van een akte met inhoud als hiervoor overwogen. Het hof heeft geen reden om te vermoeden dat [geïntimeerde] haar medewerking hier niet aan zal verlenen, maar dat betekent nog niet dat het verzoek van [appellant] om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden zal worden afgewezen. Het hof bepaalt hieronder welke dwangsommen [geïntimeerde] zal kunnen verbeuren.



Kosten van vastlegging en inschrijving





2.15.

[geïntimeerde] wil dat het hof terugkomt van zijn beslissing om haar te veroordelen om de helft van de kosten voor het vastleggen en inschrijven van de erfdienstbaarheid te betalen. Het hof heeft dat echter bindend beslist in het tussenarrest. De rechter mag van een dergelijke beslissing in dezelfde instantie in beginsel niet terugkomen. Dit is anders als de beslissing blijkt te berusten op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Dat sprake is van zo’n onjuiste feitelijke of juridische grondslag heeft [geïntimeerde] niet althans onvoldoende concreet gesteld of aannemelijk gemaakt. Als, zoals hier, een partij slechts verzoekt om terug te komen op een bindende eindbeslissing, zonder daarbij feiten of omstandigheden aan te dragen waaruit kan blijken dat die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, dan hoeft de rechter op zo'n verzoek niet in te gaan. Het hof gaat dus voorbij aan het verzoek van [geïntimeerde] op dit punt.





Kosten verwijdering van het asfalt





2.16.

[geïntimeerde] heeft in haar akte aangevoerd dat het voor haar van essentieel belang is dat het asfalt op haar erf wordt verwijderd (a) op kosten van [appellant] en (b) ook op kosten van [appellant] klinkerbestrating wordt aangelegd vanaf het perceel van [geïntimeerde] tot aan de erfgrens van de weg van [appellant] . In het tussenarrest heeft het hof echter al geoordeeld dat [appellant] gerechtigd was om het asfalt te vernieuwen, ook waar het betreft het deel van het pad dat op het perceel van [geïntimeerde] ligt. Voor zover in dat wat [geïntimeerde] aanvoert een tweede verzoek moet worden gelezen om terug te komen op een bindende eindbeslissing, gaat het hof daaraan voorbij. Ook daarvoor geldt dat [geïntimeerde] geen althans onvoldoende concrete feiten of omstandigheden heeft aangedragen waaruit blijkt dat die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag.



Conclusie





2.17.
Het hoger beroep van [appellant] slaagt grotendeels. Omdat [geïntimeerde] overwegend in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.



2.18.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).






3De beslissing


Het hof:



3.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 29 maart 2023 en beslist:



3.2.
verklaart voor recht dat [appellant] bevoegd was het asfalt op de weg te vernieuwen;



3.3.
veroordeelt [geïntimeerde] om uiterlijk 14 dagen na betekening van dit arrest haar medewerking te verlenen aan de notariële vastlegging en inschrijving van het recht van erfdienstbaarheid in de openbare register van het Kadaster, waarbij ter zake deze erfdienstbaarheid de volgende bepalingen zullen worden opgenomen:


“a. De erfdienstbaarheid houdt in het recht voor de eigenaar van het heersend erf om over de uitweg te voet of per rijwiel, motorrijwiel, auto of enig ander vervoermiddel, in de ruimste zin des woords, te gaan, zulks niet alleen door de eigenaar van het heersend erf, maar tevens door zijn huisgenoten, leveranciers en andere bezoekers en voor alle vervoer op voorschreven wijze van zaken of goederen, naar en vanaf het heersend erf, en vanaf en naar genoemde weg. De eigenaar van het dienend erf en zijn bezoekers, zullen van de uitweg gebruik kunnen blijven maken.


b. Het is zowel aan de eigenaar van het heersend erf als aan die van het dienend erf en aan alle andere personen die van uitweg gebruik maken, verboden om vervoermiddelen van welke aard ook, of andere zaken of goederen op de uitweg te plaatsen anders dan voor het laden en lossen van goederen, zodat dit gebruik ongehinderd en onverminderd zal kunnen plaats hebben.


c. Uitdrukkelijk wordt bepaald dat verdere verzwaring van de erfdienstbaarheid niet is toegestaan. Het is slechts toegestaan gebruik te maken van de weg zoals hiervoor onder a. omschreven en zoals dit gebruik passend is bij particuliere bewoning. De erfdienstbaarheid omvat niet gebruik van de met het recht van erfdienstbaarheid belaste weg voor bedrijfsmatig verkeer ten behoeve van een door [appellant] uitgeoefend bedrijf.”


en bepaalt dat [geïntimeerde] voor iedere dag dat zij in gebreke blijft bij het nakomen van deze veroordeling aan [appellant] een dwangsom van € 100,- verbeurt, dit met een maximum van € 25.000,-;




3.4.
veroordeelt [geïntimeerde] in de helft van de nog te maken kosten voor het vastleggen en inschrijven van de erfdienstbaarheid;



3.5.

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de rechtbank:
€ 309,- aan griffierecht;
€ 123,52 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde] ;
€ 1.196,- aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x het toepasselijke tarief € 598,-);



en tot betaling van de volgende proceskosten die [appellant] tot vandaag in hoger beroep heeft gemaakt:
€ 343,- aan griffierecht;
€ 129,14 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde] ;
€ 3.870,- aan salaris van de advocaat van [appellant] (3 procespunten x het toepasselijke tarief van € 1.290,-);




3.6.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;



3.7.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



3.8.
wijst af wat verder is gevorderd.



Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, W.C. Haasnoot en D.W.J.M. Kemperink, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.










HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.