Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5330
2026-08-18
Civiel recht
200.354.783
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Huurrecht. Kort geding. Geen sprake van medehuurderschap. Geen recht op parkeerplek naast het gehuurde, ook niet vanwege handicap.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2010:BM2337 Hoge Raad 09-07-2010
- ECLI:NL:HR:2022:853 Hoge Raad 10-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.988 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.783
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort, 11575424
arrest in kort geding van 18 augustus 2026
in de zaak van
1 [appellant1] ; en
2. [appellant2]
samen: [appellanten]
die wonen in [woonplaats]
advocaat: mr. M. Goedhart
en
Emmagroep B.V. (Emmagroep)
die is gevestigd in Amsterdam
advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
[appellanten] en Emmagroep hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het kortgedingvonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort (hierna: de kantonrechter) op 14 april 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
de nadere stukken van [appellanten] (producties 9 tot en met 13), door het hof ontvangen op 2 juni 2026 om 01:19u.
Voor de volledigheid merkt het hof op dat de nadere stukken die het hof op 2 juni 2026 om 11.37u van [appellanten] heeft ontvangen (producties 14 tot en met 18), zijn geweigerd en geen onderdeel uitmaken van het procesdossier.
1.2.
Op 2 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Het hof heeft daarvan een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
2De kern van de zaak en de beslissing van het hof
2.1.
[appellant1] huurt een woning van Emmagroep. Volgens haar komt Emmagroep diverse verplichtingen als verhuurder niet na. Daarom is zij een kort geding gestart.
2.2.
[appellanten] heeft de kantonrechter gevraagd – kort gezegd – om Emmagroep te veroordelen om 1) maatregelen te treffen zodanig dat zij de woning met de auto kan bereiken en zij twee auto’s binnen 30 meter van de woning kan parkeren, 2) de tuin rondom de woning in oorspronkelijke staat te herstellen, en 3) contracten tot levering van gas, water en elektriciteit voor de woning af te sluiten, alles op straffe van een dwangsom.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen. [appellanten] is het daar niet mee eens. De bedoeling van haar hoger beroep is dat haar vorderingen, zoals gewijzigd in hoger beroep, alsnog worden toegewezen. Ook Emmagroep heeft hoger beroep in gesteld. De bedoeling van haar hoger beroep is dat het hof de zaak niet inhoudelijk beoordeelt, omdat het spoedeisend belang ontbreekt.
2.4.
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep van [appellanten] en van Emmagroep niet slaagt. Het bestreden vonnis van de kantonrechter blijft dus in stand (in juridische termen: wordt bekrachtigd). Dit legt het hof hierna uit. Omdat in dit kort geding geen plaats is voor uitgebreide bewijslevering, oordeelt het hof op basis van de vraag of partijen hun standpunten aannemelijk hebben gemaakt.
3De achtergrond van de zaak
3.1.
De voorzieningenrechter heeft de feiten weergegeven in rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.5 van het bestreden vonnis. Partijen hebben daar geen bezwaren tegen gericht, zodat het hof naar deze rechtsoverwegingen verwijst. Kort gezegd speelt het volgende.
3.2.
[appellant1] huurt de woning in kwestie sinds 15 augustus 2018. De huurovereenkomst is oorspronkelijk aangegaan tussen [appellant1] en [kerkelijke instelling] . Op 30 oktober 2020 is de eigendom van de woning overgedragen aan Emmagroep, die vanaf die datum ook als verhuurder heeft te gelden.
3.3.
De woning is gelegen op een perceel van 28.166 m2. Op dit perceel staat ook een klooster waar 12 zusters wonen en een door Stichting Beweging 3.0 gehuurd woonzorgcentrum voor 70 mensen met een zorgbehoefte. Op een foto van bovenaf ziet een en ander er als volgt uit, waarbij de rode stip de locatie van de woning weergeeft:
3.4. (
De beheerder van) Emmagroep heeft [appellant1] op 19 februari 2025 geïnformeerd over de herinrichting van de achtertuin van het woonzorgcentrum. De werkzaamheden aan de tuin zijn op 24 februari 2025 gestart.
3.5.
[appellant1] heeft twee auto’s: een personenauto en een (gehandicapten)bus van/voor haar moeder, [appellant2] , die met haar in de woning woont. De herinrichting van genoemde tuin heeft tot gevolg dat [appellant1] haar auto’s niet meer achter het woonzorgcentrum kan parkeren. Emmagroep heeft aangeboden een parkeerplaats voor [appellant1] te reserveren aan de voorzijde van het woonzorgcentrum. [appellant1] heeft hier bezwaar tegen gemaakt en aangegeven dat haar moeder en zijzelf gehandicapt zijn en niet in staat zijn om van die plek naar de woning te lopen. Partijen hebben veelvuldig gecorrespondeerd over – onder andere – de parkeerplaats en de tuin maar zijn niet tot een oplossing gekomen.
4De toelichting op de beslissing van het hof
Karakter kort geding en spoedeisend belang
4.1.
Voor toewijzing van een vordering in kort geding moet het in hoge mate waarschijnlijk zijn dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal
worden toegewezen. Daarnaast moet het hof beoordelen of de partij die de voorlopige voorziening vraagt daar ook in hoger beroep (nog) een spoedeisend belang bij heeft.
4.2.
In dit geval volgt uit de aard van de vordering en de ingenomen stellingen dat [appellanten] ook in hoger beroep nog een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorzieningen heeft. [appellanten] stelt immers dat haar handicap en die van haar moeder het noodzakelijk maken dat zij op korte afstand van de woning kan parkeren. Als zij niet dichtbij kan parkeren, kan zij niet over de woning beschikken, aldus [appellanten] Gelet hierop heeft [appellanten] een voldoende spoedeisend belang bij behandeling van deze zaak in kort geding. Voor zover Emmagroep meent dat deze zaak zich daarvoor niet leent omdat er een uitgebreid feitenonderzoek dient plaats te vinden, verwijst het hof naar wat het daarover in r.o. 2.4 hiervoor heeft overwogen.
De beoordeling
[appellant2] is geen medehuurder
4.3.
[appellanten] maakt bezwaar (in juridische termen: grieft) tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant2] geen medehuurder is. Dat bezwaar slaagt niet.
4.4.
De huurovereenkomst is aangegaan tussen [appellant1] en [kerkelijke instelling] . Daarbij is in het addendum uitdrukkelijk bepaald dat [appellant1] de woonruimte mag delen met haar moeder en dat de huurovereenkomst niet overgedragen kan worden aan de medebewoner. [kerkelijke instelling] kon die afspraak maken: uitgangspunt is namelijk dat het een verhuurder in beginsel vrijstaat om te bepalen met wie zij een huurovereenkomst aangaat, in dit geval dus (alleen) [appellant1] . Gesteld noch gebleken is dat er op dat moment een (wettelijke) verplichting was voor [kerkelijke instelling] om de huurovereenkomst ook met [appellant2] aan te gaan. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat [kerkelijke instelling] daarbij misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden van [appellant1] .
4.5.
[appellanten] doet in dit kader ook een beroep op artikel 7:266 BW, dat – kort gezegd – bepaalt dat een echtgenoot of geregistreerde partner van een huurder van rechtswege medehuurder is. Maar dat artikel mist hier toepassing aangezien [appellant2] de moeder van [appellant1] is, en niet haar echtgeno(o)t(e) of geregistreerde partner.
4.6.
[appellanten] voert ten slotte aan dat zij op 1 oktober 2019 een mail aan [kerkelijke instelling] heeft gestuurd met het verzoek om haar moeder als medehuurder te accepteren. Nu daar niets meer op is gehoord en [kerkelijke instelling] hier niet tegen heeft geprotesteerd, mocht [appellanten] ervanuit gaan dat [appellant2] als medehuurder was geaccepteerd, aldus [appellanten] Dat gaat niet op. Vaststaat dat vanuit [kerkelijke instelling] op dit verzoek geen reactie is gekomen. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om aan te kunnen nemen dat daaraan de conclusie verbonden mocht worden dat [kerkelijke instelling] c.q. Emmagroep (stilzwijgend) met medehuurderschap van [appellant2] hebben ingestemd. Het enkele gegeven dat [appellant2] de huur betaalt en Emmagroep haar daarvoor een machtiging stuurt, wat Emmagroep overigens betwist, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Het staat een huurder immers vrij om de door haar verschuldigde huurtermijnen door iemand anders te laten voldoen. Dat op zichzelf doet geen rechtsbetrekking tussen de persoon die betaalt en de verhuurder ontstaan.
Voor zover [appellant1] zich beroept op artikel 7:267 BW, is van belang dat dat artikel voorschrijft dat de huurder en de persoon die als medehuurder wil worden aangemerkt zich tot de verhuurder kunnen wenden met een verzoek daarmee in te stemmen. Voor zover de verhuurder daar niet of afwijzend op reageert, kunnen de huurder en de andere persoon zich gezamenlijk tot de rechter wenden met een verzoek om te bepalen dat die betreffende persoon medehuurder zal zijn. Dat laatste heeft [appellanten] niet gedaan en een dergelijk verzoek ligt ook in deze procedure niet voor. Dit betekent dat niet kan worden aangenomen dat sprake is van medehuurderschap, niet op een contractuele basis (wegens (stilzwijgende) instemming door Emmagroep) en ook niet op grond van een rechterlijk oordeel ingevolge artikel 7:267 BW. [appellant1] c.s heeft haar subsidiaire standpunt dat Emmagroep anderszins (wettelijke) verplichtingen heeft richting [appellant2] als bewoner verder onvoldoende concreet gemaakt, zodat het hof daaraan voorbij gaat.
4.7.
De conclusie is dan ook dat alleen [appellant1] kan worden aangemerkt als huurder, en [appellant2] niet. De vorderingen, voor zover gevraagd door [appellant2] , zijn daarom niet toewijsbaar. Opmerking verdient nog dat het betoog van Emmagroep dat [appellant2] niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat zij geen huurder is, niet opgaat. Voor niet-ontvankelijkverklaring is slechts plaats als het hof op processuele gronden niet zou toekomen aan behandeling van de vordering.
[appellant1] kan geen aanspraak maken op een parkeerplaats naast de woning
4.8.
[appellanten] stelt zich kort gezegd op het standpunt dat zij recht heeft op toegang met haar auto’s tot vlak bij de woning en op twee parkeerplekken binnen 30 meter afstand van de woning.
4.9.
Het hof stelt voorop dat de huurovereenkomst niets vermeldt over toegang tot de woning via een met de auto begaanbare weg en/of een (invalide)parkeerplaats. Daarin kan dan ook geen grondslag worden gevonden om Emmagroep te verplichten om daar zorg voor te dragen.
4.10.
[appellant1] voert echter aan dat zij altijd al naast de woning parkeerde en dat Emmagroep dit nu niet eenzijdig kan wijzigen. Het hof kan [appellant1] hier niet in volgen. Voor een beter begrip van de standpunten van partijen, volgt hieronder een plattegrond waarop met kleur de verschillende locaties van parkeerplekken (door de tijd) zijn aangegeven.
Met het oog op de herinrichting van de tuin heeft Emmagroep [appellant1] aangeboden dat zij kan parkeren op de groen gearceerde plek aan de voorkant van het woonzorgcentrum. Volgens [appellanten] is deze plek, gelet op haar handicap, te ver weg gelegen van de woning. Vaststaat dat [appellant1] haar auto’s voor de herinrichting van de tuin mocht parkeren in de parkeervakken die in de afbeelding geel zijn gearceerd en dat ook deed. Op enig moment is [appellant1] dichter bij de woning gaan parkeren, namelijk voor de kapel (de blauw gearceerde plek), in de hoek/knik van het woonzorgcentrum. Nog weer later is [appellant1] haar auto’s op het gras naast haar woning gaan parkeren (op het kaartje hierboven is de woning met een kruis weergegeven). [appellant1] heeft haar stelling dat zij daar (dus naast de woning) altijd al parkeerde onvoldoende aannemelijk gemaakt, zeker in het licht van de e-mails die vanuit of namens verhuurder in 2022 en 2023 aan [appellant1] zijn gestuurd. Daarin wordt [appellant1] namelijk aangesproken op het parkeren van haar auto op de blauwe plek in de afbeelding hierboven en wordt zij verzocht te parkeren op de gele plek in de afbeelding hierboven. Dat zij vanaf aanvang van de huurovereenkomst parkeerde naast de woning (op de plek van het kruis) volgt daar niet uit.
4.11.
Maar zelfs als het zo zou zijn dat [appellant1] vanaf het begin van de huurovereenkomst naast haar woning geparkeerd zou hebben, is dat op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van een “verworven recht” en dat [appellanten] op die basis nu richting Emmagroep aanspraak kan maken op (een) parkeerplek(ken) direct naast de woning, althans dat Emmagroep hier niet eenzijdig een wijziging in kan aanbrengen. Daarvoor moet er sprake zijn van bijkomende omstandigheden en die zijn gesteld noch gebleken.
4.12.
[appellanten] stelt verder dat er in dezen een verplichting op Emmagroep rust om de nodige voorzieningen te treffen vanwege haar handicap, waardoor zij naar eigen zeggen maximaal 30 meter kan lopen en die maakt dat Emmagroep gehouden was om bij de herinrichting van de tuin rekening te houden met haar parkeerbehoefte. Uit geldende wetgeving vloeit volgens [appellanten] voort dat Emmagroep vanwege die handicap verplicht is om de benodigde voorzieningen te treffen, meer in het bijzonder dus het faciliteren van toegang met een auto tot dichtbij de woning en aldaar (een) parkeerplek(ken) voor haar auto(’s). Los van de vraag of [appellant1] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij gehandicapt is zodanig dat deze handicap het voor haar onmogelijk maakt om meer dan 30 meter naar de woning te lopen, wat Emmagroep gemotiveerd heeft betwist (onder meer door middel van beeldmateriaal van juni 2025), kan de wetgeving die [appellant1] in dit kader heeft aangehaald haar niet baten.
4.13.
Het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (hierna: het VN-verdrag), meer in het bijzonder artikel 19 waarnaar [appellanten] verwijst, waarborgt het recht van personen met een handicap op zelfstandig wonen en het deel uitmaken van de maatschappij. Dit verdrag bevat echter verplichtingen voor de overheid van verdragsluitende staten. Het bevat geen directe verplichtingen voor een particuliere partij als Emmagroep.
4.14.
[appellanten] wijst verder op de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (hierna: WGBH/CZ). Deze wet verbiedt in artikel 6b direct en indirect onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte bij het aanbieden van woonruimte ter bewoning en bij het sluiten, uitvoeren, wijzigen of beëindigen van een overeenkomst betreffende het huren, kopen of bewonen van woonruimte voor eigen gebruik. In artikel 1a WGBH/CZ is vermeld dat sprake is van direct onderscheid als een persoon op grond van handicap of chronische ziekte op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld. Van indirect onderscheid is sprake als een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een handicap of chronische ziekte in vergelijking met andere personen bijzonder treft.
Onder verwijzing naar artikel 2 WGBH/CZ betoogt [appellanten] verder dat het de verplichting van Emmagroep is om de toegang tot de woning niet in voor [appellanten] nadeliger toestand te brengen dan deze was en dat Emmagroep de verantwoordelijkheid heeft om voorzieningen te treffen die voor [appellanten] nodig zijn om van de woning gebruik te kunnen maken.
4.15.
Het beroep op de WGBH/CZ gaat niet op. Ten eerste heeft [appellanten] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij altijd al naast de woning parkeerde. In zoverre kan dan ook niet gezegd worden dat Emmagroep [appellanten] door de herinrichting van de tuin in een substantieel nadeliger positie heeft gebracht, dan wel dat er vanaf aanvang van de huurovereenkomst een voorziening was op grond waarvan [appellanten] naast de woning kon parkeren die Emmagroep haar nu heeft ontnomen. Ten tweede is het zo dat Emmagroep niet alleen jegens [appellant1] , maar ook jegens haar andere huurders verplichtingen heeft als verhuurder. Bij het instemmen met herinrichting van de tuin mocht Emmagroep daarbij dan ook die andere belangen meewegen, in het bijzonder die van het woonzorgcentrum waarvoor is aangegeven dat zij behoefte heeft aan een parkachtige, autovrije tuin voor haar bewoners én bezoekers. Daarbij is van belang dat Emmagroep een alternatieve parkeerplek heeft aangeboden aan [appellanten] , namelijk de parkeerplek in het groen op de afbeelding hierboven (zie r.o. 4.10). In de toelichting bij het wetsvoorstel is vermeld dat het in eerste instantie de eigen verantwoordelijkheid van de persoon met een handicap of chronische ziekte is om te bepalen of woonruimte voor hem of haar geschikt is. Naar het voorlopig oordeel van het hof is er dan ook geen grondslag om Emmagroep verantwoordelijk te maken voor de aanleg van een weg naar de woning. Voor zover de parkeerplaats die Emmagroep ter beschikking stelt zich naar mening van [appellanten] op een te grote afstand van de woning bevindt om deze lopend te kunnen bereiken, mag van [appellanten] verwacht worden dat zij voorzieningen treft om die afstand – over een overigens verhard pad – alsnog af te kunnen leggen (bv. met behulp van een rollator, (elektrische) rolstoel of scootmobiel). [appellant1] heeft onvoldoende concreet gemaakt dat er een grondslag is om Emmagroep daar in de gegeven omstandigheden medeverantwoordelijk voor te maken.
4.16.
Ten slotte noemt [appellant1] nog de Wet goed verhuurderschap (hierna: Wgv). Deze wet bevat basisregels voor verhuurders en verhuurbemiddelaars om huurders beter te beschermen tegen onder meer discriminatie en intimidatie. Dat er door Emmagroep een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt op basis van de (gestelde) handicap van [appellanten] (artikel 2 Wgv) heeft zij onvoldoende concreet gemaakt. Dat Emmagroep akkoord is gegaan met herinrichting van de tuin, is – gelet op wat het hof daarover in r.o. 4.15 heeft overwogen) – verder onvoldoende om aan te nemen dat zij zich niet als goed verhuurder heeft gedragen en/of dat zij onrechtmatige hinder toebrengt aan en/of inbreuk maakt op de rechten van [appellanten] Zeker niet nu Emmagroep een alternatief heeft aangeboden.
4.17.
Gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen, kan niet gezegd worden dat Emmagroep tekort is geschoten in haar verplichting om de woning aan [appellant1] ter beschikking te stellen (artikel 7:203 BW). Ook het beroep van [appellanten] op artikel 5:57 BW gericht op de aanleg van een noodweg gaat niet op, alleen al omdat [appellanten] geen eigenaar is van het erf waarop de woning staat. Het is aan Emmagroep om te waarborgen dat hulpdiensten in geval van nood de woningen op haar erf kunnen bereiken. Emmagroep heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof toegelicht dat daarin is voorzien en het hof ziet in het dossier zoals dat voorligt geen aanleiding om daaraan te twijfelen.
4.18.
Al met al heeft [appellanten] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij op grond van de huurovereenkomst recht heeft op toegang met haar auto tot haar woning en/of op (twee) parkeerplaats(en) binnen 30 meter van de woning of dat er anderszins een verplichting op Emmagroep rust om daarin te voorzien. Deze vordering zal het hof dus afwijzen.
Emmagroep hoeft de tuin rond het gehuurde niet in oorspronkelijke staat te herstellen
4.19.
[appellanten] wil dat de tuin in oorspronkelijke staat wordt hersteld. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant1] toegelicht dat het haar er in feite om te doen is dat in ieder geval de beplanting die is aangebracht aan de kant van het huis die grenst aan de nieuw ingerichte tuin wordt verwijderd. Dit omdat zij dan via de tuin weer richting de woning kan komen, zo begrijpt het hof. Maar nu [appellanten] haar auto niet meer aan de achterkant van het woonzorgcentrum kan parkeren (de gele en/of blauwe plek in de afbeelding in r.o. 4.10) en dus ook niet meer via die kant met haar auto richting de woning kan komen, mist zij in zoverre belang bij die vordering.
4.20.
Daarbij komt dat partijen het er verder over eens zijn dat er in de huurovereenkomst niets is bepaald over de tuin. Er zijn ook onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat partijen anderszins iets hebben afgesproken over huur en gebruik van de (gezamenlijke) tuin. [appellanten] heeft ook geen bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de kantonrechter dat er geen sprake is geweest van een afgeschermd deel rondom de woning bestemd voor exclusief gebruik door [appellant1] . Daarmee strekt dit oordeel ook het hof tot uitgangspunt en is er geen grondslag om Emmagroep te verplichten om de herinrichting van de tuin terug te draaien. De vordering van [appellanten] op dit punt is dan ook niet toewijsbaar, nog los van het gegeven dat de vordering zoals [appellanten] die aan het hof heeft voorgelegd onvoldoende bepaald is (want tot waar strekt dan bijvoorbeeld de verplichting om de tuin te herstellen).
[appellant1] heeft geen belang bij haar vordering ten aanzien van de nutsvoorzieningen
4.21.
Vaststaat dat er op dit moment wordt voorzien in levering van gas, water en elektriciteit aan de woning. Om die reden heeft [appellanten] op dit moment geen belang bij haar vordering. Daarbij herhaalt het hof de ook tijdens de mondelinge behandeling bij het hof door Emmagroep gedane toezegging dat zij ervoor zorg zal dragen dat de woning niet wordt afgesloten van deze voorzieningen totdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de tussen hen spelende geschillen en/of daarover in een bodemprocedure is beslist. Ook deze vordering zal dus worden afgewezen.
4.22.
Het voorgaande betekent dat de door [appellanten] gevorderde voorzieningen niet toewijsbaar zijn. Daarmee is er ook geen aanleiding om anders te oordelen over de proceskostenveroordeling bij de kantonrechter.
4.23.
Voor de volledigheid overweegt het hof nog dat het voorbij gaat aan het (nader) bewijsaanbod van [appellanten] Door de aard van het kort geding is in deze procedure in het algemeen geen plaats voor uitgebreide bewijslevering. Er zijn geen redenen om van dat uitgangspunt af te wijken. Ook is er geen aanleiding voor het hof om in te gaan op de door [appellanten] gestelde gebreken aan de woning, nu [appellanten] aan die stellingen geen rechtsgevolgen en vorderingen heeft verbonden.
De conclusie
4.24.
Het (principaal) hoger beroep van [appellanten] slaagt niet. Omdat [appellanten] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
4.25.
Ook het (incidenteel) hoger beroep van Emmagroep slaagt niet. Om die reden zal het hof Emmagroep tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Die kosten worden aan de kant van [appellanten] begroot op nihil.
4.26.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
5De beslissing
Het hof:
5.1.
bekrachtigt het kort geding vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort, van 14 april 2025;
5.2.
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van Emmagroep in het principaal hoger beroep:
€ 827,- aan griffierecht
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van Emmagroep (2 procespunten x het toepasselijke tarief II van € 1.290,-);
5.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
5.4.
veroordeelt Emmagroep tot betaling van de proceskosten van [appellanten] in het incidenteel hoger beroep, begroot op nihil;
5.5.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.W.J.M. Kemperink, B.J. Engberts en M.F.A. Evers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.
Vgl. Hoge Raad 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337 r.o. 4.1.2.
Zie Kamerstukken II 2006-2007, 30859, nr. 3 (memorie van toelichting), p. 10.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.783
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort, 11575424
arrest in kort geding van 18 augustus 2026
in de zaak van
1 [appellant1] ; en
2. [appellant2]
samen: [appellanten]
die wonen in [woonplaats]
advocaat: mr. M. Goedhart
en
Emmagroep B.V. (Emmagroep)
die is gevestigd in Amsterdam
advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
[appellanten] en Emmagroep hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het kortgedingvonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort (hierna: de kantonrechter) op 14 april 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
de nadere stukken van [appellanten] (producties 9 tot en met 13), door het hof ontvangen op 2 juni 2026 om 01:19u.
Voor de volledigheid merkt het hof op dat de nadere stukken die het hof op 2 juni 2026 om 11.37u van [appellanten] heeft ontvangen (producties 14 tot en met 18), zijn geweigerd en geen onderdeel uitmaken van het procesdossier.
1.2.
Op 2 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Het hof heeft daarvan een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
2De kern van de zaak en de beslissing van het hof
2.1.
[appellant1] huurt een woning van Emmagroep. Volgens haar komt Emmagroep diverse verplichtingen als verhuurder niet na. Daarom is zij een kort geding gestart.
2.2.
[appellanten] heeft de kantonrechter gevraagd – kort gezegd – om Emmagroep te veroordelen om 1) maatregelen te treffen zodanig dat zij de woning met de auto kan bereiken en zij twee auto’s binnen 30 meter van de woning kan parkeren, 2) de tuin rondom de woning in oorspronkelijke staat te herstellen, en 3) contracten tot levering van gas, water en elektriciteit voor de woning af te sluiten, alles op straffe van een dwangsom.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen. [appellanten] is het daar niet mee eens. De bedoeling van haar hoger beroep is dat haar vorderingen, zoals gewijzigd in hoger beroep, alsnog worden toegewezen. Ook Emmagroep heeft hoger beroep in gesteld. De bedoeling van haar hoger beroep is dat het hof de zaak niet inhoudelijk beoordeelt, omdat het spoedeisend belang ontbreekt.
2.4.
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep van [appellanten] en van Emmagroep niet slaagt. Het bestreden vonnis van de kantonrechter blijft dus in stand (in juridische termen: wordt bekrachtigd). Dit legt het hof hierna uit. Omdat in dit kort geding geen plaats is voor uitgebreide bewijslevering, oordeelt het hof op basis van de vraag of partijen hun standpunten aannemelijk hebben gemaakt.
3De achtergrond van de zaak
3.1.
De voorzieningenrechter heeft de feiten weergegeven in rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.5 van het bestreden vonnis. Partijen hebben daar geen bezwaren tegen gericht, zodat het hof naar deze rechtsoverwegingen verwijst. Kort gezegd speelt het volgende.
3.2.
[appellant1] huurt de woning in kwestie sinds 15 augustus 2018. De huurovereenkomst is oorspronkelijk aangegaan tussen [appellant1] en [kerkelijke instelling] . Op 30 oktober 2020 is de eigendom van de woning overgedragen aan Emmagroep, die vanaf die datum ook als verhuurder heeft te gelden.
3.3.
De woning is gelegen op een perceel van 28.166 m2. Op dit perceel staat ook een klooster waar 12 zusters wonen en een door Stichting Beweging 3.0 gehuurd woonzorgcentrum voor 70 mensen met een zorgbehoefte. Op een foto van bovenaf ziet een en ander er als volgt uit, waarbij de rode stip de locatie van de woning weergeeft:
3.4. (
De beheerder van) Emmagroep heeft [appellant1] op 19 februari 2025 geïnformeerd over de herinrichting van de achtertuin van het woonzorgcentrum. De werkzaamheden aan de tuin zijn op 24 februari 2025 gestart.
3.5.
[appellant1] heeft twee auto’s: een personenauto en een (gehandicapten)bus van/voor haar moeder, [appellant2] , die met haar in de woning woont. De herinrichting van genoemde tuin heeft tot gevolg dat [appellant1] haar auto’s niet meer achter het woonzorgcentrum kan parkeren. Emmagroep heeft aangeboden een parkeerplaats voor [appellant1] te reserveren aan de voorzijde van het woonzorgcentrum. [appellant1] heeft hier bezwaar tegen gemaakt en aangegeven dat haar moeder en zijzelf gehandicapt zijn en niet in staat zijn om van die plek naar de woning te lopen. Partijen hebben veelvuldig gecorrespondeerd over – onder andere – de parkeerplaats en de tuin maar zijn niet tot een oplossing gekomen.
4De toelichting op de beslissing van het hof
Karakter kort geding en spoedeisend belang
4.1.
Voor toewijzing van een vordering in kort geding moet het in hoge mate waarschijnlijk zijn dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal
worden toegewezen. Daarnaast moet het hof beoordelen of de partij die de voorlopige voorziening vraagt daar ook in hoger beroep (nog) een spoedeisend belang bij heeft.
4.2.
In dit geval volgt uit de aard van de vordering en de ingenomen stellingen dat [appellanten] ook in hoger beroep nog een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorzieningen heeft. [appellanten] stelt immers dat haar handicap en die van haar moeder het noodzakelijk maken dat zij op korte afstand van de woning kan parkeren. Als zij niet dichtbij kan parkeren, kan zij niet over de woning beschikken, aldus [appellanten] Gelet hierop heeft [appellanten] een voldoende spoedeisend belang bij behandeling van deze zaak in kort geding. Voor zover Emmagroep meent dat deze zaak zich daarvoor niet leent omdat er een uitgebreid feitenonderzoek dient plaats te vinden, verwijst het hof naar wat het daarover in r.o. 2.4 hiervoor heeft overwogen.
De beoordeling
[appellant2] is geen medehuurder
4.3.
[appellanten] maakt bezwaar (in juridische termen: grieft) tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant2] geen medehuurder is. Dat bezwaar slaagt niet.
4.4.
De huurovereenkomst is aangegaan tussen [appellant1] en [kerkelijke instelling] . Daarbij is in het addendum uitdrukkelijk bepaald dat [appellant1] de woonruimte mag delen met haar moeder en dat de huurovereenkomst niet overgedragen kan worden aan de medebewoner. [kerkelijke instelling] kon die afspraak maken: uitgangspunt is namelijk dat het een verhuurder in beginsel vrijstaat om te bepalen met wie zij een huurovereenkomst aangaat, in dit geval dus (alleen) [appellant1] . Gesteld noch gebleken is dat er op dat moment een (wettelijke) verplichting was voor [kerkelijke instelling] om de huurovereenkomst ook met [appellant2] aan te gaan. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat [kerkelijke instelling] daarbij misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden van [appellant1] .
4.5.
[appellanten] doet in dit kader ook een beroep op artikel 7:266 BW, dat – kort gezegd – bepaalt dat een echtgenoot of geregistreerde partner van een huurder van rechtswege medehuurder is. Maar dat artikel mist hier toepassing aangezien [appellant2] de moeder van [appellant1] is, en niet haar echtgeno(o)t(e) of geregistreerde partner.
4.6.
[appellanten] voert ten slotte aan dat zij op 1 oktober 2019 een mail aan [kerkelijke instelling] heeft gestuurd met het verzoek om haar moeder als medehuurder te accepteren. Nu daar niets meer op is gehoord en [kerkelijke instelling] hier niet tegen heeft geprotesteerd, mocht [appellanten] ervanuit gaan dat [appellant2] als medehuurder was geaccepteerd, aldus [appellanten] Dat gaat niet op. Vaststaat dat vanuit [kerkelijke instelling] op dit verzoek geen reactie is gekomen. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om aan te kunnen nemen dat daaraan de conclusie verbonden mocht worden dat [kerkelijke instelling] c.q. Emmagroep (stilzwijgend) met medehuurderschap van [appellant2] hebben ingestemd. Het enkele gegeven dat [appellant2] de huur betaalt en Emmagroep haar daarvoor een machtiging stuurt, wat Emmagroep overigens betwist, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Het staat een huurder immers vrij om de door haar verschuldigde huurtermijnen door iemand anders te laten voldoen. Dat op zichzelf doet geen rechtsbetrekking tussen de persoon die betaalt en de verhuurder ontstaan.
Voor zover [appellant1] zich beroept op artikel 7:267 BW, is van belang dat dat artikel voorschrijft dat de huurder en de persoon die als medehuurder wil worden aangemerkt zich tot de verhuurder kunnen wenden met een verzoek daarmee in te stemmen. Voor zover de verhuurder daar niet of afwijzend op reageert, kunnen de huurder en de andere persoon zich gezamenlijk tot de rechter wenden met een verzoek om te bepalen dat die betreffende persoon medehuurder zal zijn. Dat laatste heeft [appellanten] niet gedaan en een dergelijk verzoek ligt ook in deze procedure niet voor. Dit betekent dat niet kan worden aangenomen dat sprake is van medehuurderschap, niet op een contractuele basis (wegens (stilzwijgende) instemming door Emmagroep) en ook niet op grond van een rechterlijk oordeel ingevolge artikel 7:267 BW. [appellant1] c.s heeft haar subsidiaire standpunt dat Emmagroep anderszins (wettelijke) verplichtingen heeft richting [appellant2] als bewoner verder onvoldoende concreet gemaakt, zodat het hof daaraan voorbij gaat.
4.7.
De conclusie is dan ook dat alleen [appellant1] kan worden aangemerkt als huurder, en [appellant2] niet. De vorderingen, voor zover gevraagd door [appellant2] , zijn daarom niet toewijsbaar. Opmerking verdient nog dat het betoog van Emmagroep dat [appellant2] niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat zij geen huurder is, niet opgaat. Voor niet-ontvankelijkverklaring is slechts plaats als het hof op processuele gronden niet zou toekomen aan behandeling van de vordering.
[appellant1] kan geen aanspraak maken op een parkeerplaats naast de woning
4.8.
[appellanten] stelt zich kort gezegd op het standpunt dat zij recht heeft op toegang met haar auto’s tot vlak bij de woning en op twee parkeerplekken binnen 30 meter afstand van de woning.
4.9.
Het hof stelt voorop dat de huurovereenkomst niets vermeldt over toegang tot de woning via een met de auto begaanbare weg en/of een (invalide)parkeerplaats. Daarin kan dan ook geen grondslag worden gevonden om Emmagroep te verplichten om daar zorg voor te dragen.
4.10.
[appellant1] voert echter aan dat zij altijd al naast de woning parkeerde en dat Emmagroep dit nu niet eenzijdig kan wijzigen. Het hof kan [appellant1] hier niet in volgen. Voor een beter begrip van de standpunten van partijen, volgt hieronder een plattegrond waarop met kleur de verschillende locaties van parkeerplekken (door de tijd) zijn aangegeven.
Met het oog op de herinrichting van de tuin heeft Emmagroep [appellant1] aangeboden dat zij kan parkeren op de groen gearceerde plek aan de voorkant van het woonzorgcentrum. Volgens [appellanten] is deze plek, gelet op haar handicap, te ver weg gelegen van de woning. Vaststaat dat [appellant1] haar auto’s voor de herinrichting van de tuin mocht parkeren in de parkeervakken die in de afbeelding geel zijn gearceerd en dat ook deed. Op enig moment is [appellant1] dichter bij de woning gaan parkeren, namelijk voor de kapel (de blauw gearceerde plek), in de hoek/knik van het woonzorgcentrum. Nog weer later is [appellant1] haar auto’s op het gras naast haar woning gaan parkeren (op het kaartje hierboven is de woning met een kruis weergegeven). [appellant1] heeft haar stelling dat zij daar (dus naast de woning) altijd al parkeerde onvoldoende aannemelijk gemaakt, zeker in het licht van de e-mails die vanuit of namens verhuurder in 2022 en 2023 aan [appellant1] zijn gestuurd. Daarin wordt [appellant1] namelijk aangesproken op het parkeren van haar auto op de blauwe plek in de afbeelding hierboven en wordt zij verzocht te parkeren op de gele plek in de afbeelding hierboven. Dat zij vanaf aanvang van de huurovereenkomst parkeerde naast de woning (op de plek van het kruis) volgt daar niet uit.
4.11.
Maar zelfs als het zo zou zijn dat [appellant1] vanaf het begin van de huurovereenkomst naast haar woning geparkeerd zou hebben, is dat op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van een “verworven recht” en dat [appellanten] op die basis nu richting Emmagroep aanspraak kan maken op (een) parkeerplek(ken) direct naast de woning, althans dat Emmagroep hier niet eenzijdig een wijziging in kan aanbrengen. Daarvoor moet er sprake zijn van bijkomende omstandigheden en die zijn gesteld noch gebleken.
4.12.
[appellanten] stelt verder dat er in dezen een verplichting op Emmagroep rust om de nodige voorzieningen te treffen vanwege haar handicap, waardoor zij naar eigen zeggen maximaal 30 meter kan lopen en die maakt dat Emmagroep gehouden was om bij de herinrichting van de tuin rekening te houden met haar parkeerbehoefte. Uit geldende wetgeving vloeit volgens [appellanten] voort dat Emmagroep vanwege die handicap verplicht is om de benodigde voorzieningen te treffen, meer in het bijzonder dus het faciliteren van toegang met een auto tot dichtbij de woning en aldaar (een) parkeerplek(ken) voor haar auto(’s). Los van de vraag of [appellant1] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij gehandicapt is zodanig dat deze handicap het voor haar onmogelijk maakt om meer dan 30 meter naar de woning te lopen, wat Emmagroep gemotiveerd heeft betwist (onder meer door middel van beeldmateriaal van juni 2025), kan de wetgeving die [appellant1] in dit kader heeft aangehaald haar niet baten.
4.13.
Het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (hierna: het VN-verdrag), meer in het bijzonder artikel 19 waarnaar [appellanten] verwijst, waarborgt het recht van personen met een handicap op zelfstandig wonen en het deel uitmaken van de maatschappij. Dit verdrag bevat echter verplichtingen voor de overheid van verdragsluitende staten. Het bevat geen directe verplichtingen voor een particuliere partij als Emmagroep.
4.14.
[appellanten] wijst verder op de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (hierna: WGBH/CZ). Deze wet verbiedt in artikel 6b direct en indirect onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte bij het aanbieden van woonruimte ter bewoning en bij het sluiten, uitvoeren, wijzigen of beëindigen van een overeenkomst betreffende het huren, kopen of bewonen van woonruimte voor eigen gebruik. In artikel 1a WGBH/CZ is vermeld dat sprake is van direct onderscheid als een persoon op grond van handicap of chronische ziekte op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld. Van indirect onderscheid is sprake als een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een handicap of chronische ziekte in vergelijking met andere personen bijzonder treft.
Onder verwijzing naar artikel 2 WGBH/CZ betoogt [appellanten] verder dat het de verplichting van Emmagroep is om de toegang tot de woning niet in voor [appellanten] nadeliger toestand te brengen dan deze was en dat Emmagroep de verantwoordelijkheid heeft om voorzieningen te treffen die voor [appellanten] nodig zijn om van de woning gebruik te kunnen maken.
4.15.
Het beroep op de WGBH/CZ gaat niet op. Ten eerste heeft [appellanten] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij altijd al naast de woning parkeerde. In zoverre kan dan ook niet gezegd worden dat Emmagroep [appellanten] door de herinrichting van de tuin in een substantieel nadeliger positie heeft gebracht, dan wel dat er vanaf aanvang van de huurovereenkomst een voorziening was op grond waarvan [appellanten] naast de woning kon parkeren die Emmagroep haar nu heeft ontnomen. Ten tweede is het zo dat Emmagroep niet alleen jegens [appellant1] , maar ook jegens haar andere huurders verplichtingen heeft als verhuurder. Bij het instemmen met herinrichting van de tuin mocht Emmagroep daarbij dan ook die andere belangen meewegen, in het bijzonder die van het woonzorgcentrum waarvoor is aangegeven dat zij behoefte heeft aan een parkachtige, autovrije tuin voor haar bewoners én bezoekers. Daarbij is van belang dat Emmagroep een alternatieve parkeerplek heeft aangeboden aan [appellanten] , namelijk de parkeerplek in het groen op de afbeelding hierboven (zie r.o. 4.10). In de toelichting bij het wetsvoorstel is vermeld dat het in eerste instantie de eigen verantwoordelijkheid van de persoon met een handicap of chronische ziekte is om te bepalen of woonruimte voor hem of haar geschikt is. Naar het voorlopig oordeel van het hof is er dan ook geen grondslag om Emmagroep verantwoordelijk te maken voor de aanleg van een weg naar de woning. Voor zover de parkeerplaats die Emmagroep ter beschikking stelt zich naar mening van [appellanten] op een te grote afstand van de woning bevindt om deze lopend te kunnen bereiken, mag van [appellanten] verwacht worden dat zij voorzieningen treft om die afstand – over een overigens verhard pad – alsnog af te kunnen leggen (bv. met behulp van een rollator, (elektrische) rolstoel of scootmobiel). [appellant1] heeft onvoldoende concreet gemaakt dat er een grondslag is om Emmagroep daar in de gegeven omstandigheden medeverantwoordelijk voor te maken.
4.16.
Ten slotte noemt [appellant1] nog de Wet goed verhuurderschap (hierna: Wgv). Deze wet bevat basisregels voor verhuurders en verhuurbemiddelaars om huurders beter te beschermen tegen onder meer discriminatie en intimidatie. Dat er door Emmagroep een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt op basis van de (gestelde) handicap van [appellanten] (artikel 2 Wgv) heeft zij onvoldoende concreet gemaakt. Dat Emmagroep akkoord is gegaan met herinrichting van de tuin, is – gelet op wat het hof daarover in r.o. 4.15 heeft overwogen) – verder onvoldoende om aan te nemen dat zij zich niet als goed verhuurder heeft gedragen en/of dat zij onrechtmatige hinder toebrengt aan en/of inbreuk maakt op de rechten van [appellanten] Zeker niet nu Emmagroep een alternatief heeft aangeboden.
4.17.
Gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen, kan niet gezegd worden dat Emmagroep tekort is geschoten in haar verplichting om de woning aan [appellant1] ter beschikking te stellen (artikel 7:203 BW). Ook het beroep van [appellanten] op artikel 5:57 BW gericht op de aanleg van een noodweg gaat niet op, alleen al omdat [appellanten] geen eigenaar is van het erf waarop de woning staat. Het is aan Emmagroep om te waarborgen dat hulpdiensten in geval van nood de woningen op haar erf kunnen bereiken. Emmagroep heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof toegelicht dat daarin is voorzien en het hof ziet in het dossier zoals dat voorligt geen aanleiding om daaraan te twijfelen.
4.18.
Al met al heeft [appellanten] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij op grond van de huurovereenkomst recht heeft op toegang met haar auto tot haar woning en/of op (twee) parkeerplaats(en) binnen 30 meter van de woning of dat er anderszins een verplichting op Emmagroep rust om daarin te voorzien. Deze vordering zal het hof dus afwijzen.
Emmagroep hoeft de tuin rond het gehuurde niet in oorspronkelijke staat te herstellen
4.19.
[appellanten] wil dat de tuin in oorspronkelijke staat wordt hersteld. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant1] toegelicht dat het haar er in feite om te doen is dat in ieder geval de beplanting die is aangebracht aan de kant van het huis die grenst aan de nieuw ingerichte tuin wordt verwijderd. Dit omdat zij dan via de tuin weer richting de woning kan komen, zo begrijpt het hof. Maar nu [appellanten] haar auto niet meer aan de achterkant van het woonzorgcentrum kan parkeren (de gele en/of blauwe plek in de afbeelding in r.o. 4.10) en dus ook niet meer via die kant met haar auto richting de woning kan komen, mist zij in zoverre belang bij die vordering.
4.20.
Daarbij komt dat partijen het er verder over eens zijn dat er in de huurovereenkomst niets is bepaald over de tuin. Er zijn ook onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat partijen anderszins iets hebben afgesproken over huur en gebruik van de (gezamenlijke) tuin. [appellanten] heeft ook geen bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de kantonrechter dat er geen sprake is geweest van een afgeschermd deel rondom de woning bestemd voor exclusief gebruik door [appellant1] . Daarmee strekt dit oordeel ook het hof tot uitgangspunt en is er geen grondslag om Emmagroep te verplichten om de herinrichting van de tuin terug te draaien. De vordering van [appellanten] op dit punt is dan ook niet toewijsbaar, nog los van het gegeven dat de vordering zoals [appellanten] die aan het hof heeft voorgelegd onvoldoende bepaald is (want tot waar strekt dan bijvoorbeeld de verplichting om de tuin te herstellen).
[appellant1] heeft geen belang bij haar vordering ten aanzien van de nutsvoorzieningen
4.21.
Vaststaat dat er op dit moment wordt voorzien in levering van gas, water en elektriciteit aan de woning. Om die reden heeft [appellanten] op dit moment geen belang bij haar vordering. Daarbij herhaalt het hof de ook tijdens de mondelinge behandeling bij het hof door Emmagroep gedane toezegging dat zij ervoor zorg zal dragen dat de woning niet wordt afgesloten van deze voorzieningen totdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de tussen hen spelende geschillen en/of daarover in een bodemprocedure is beslist. Ook deze vordering zal dus worden afgewezen.
4.22.
Het voorgaande betekent dat de door [appellanten] gevorderde voorzieningen niet toewijsbaar zijn. Daarmee is er ook geen aanleiding om anders te oordelen over de proceskostenveroordeling bij de kantonrechter.
4.23.
Voor de volledigheid overweegt het hof nog dat het voorbij gaat aan het (nader) bewijsaanbod van [appellanten] Door de aard van het kort geding is in deze procedure in het algemeen geen plaats voor uitgebreide bewijslevering. Er zijn geen redenen om van dat uitgangspunt af te wijken. Ook is er geen aanleiding voor het hof om in te gaan op de door [appellanten] gestelde gebreken aan de woning, nu [appellanten] aan die stellingen geen rechtsgevolgen en vorderingen heeft verbonden.
De conclusie
4.24.
Het (principaal) hoger beroep van [appellanten] slaagt niet. Omdat [appellanten] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
4.25.
Ook het (incidenteel) hoger beroep van Emmagroep slaagt niet. Om die reden zal het hof Emmagroep tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Die kosten worden aan de kant van [appellanten] begroot op nihil.
4.26.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
5De beslissing
Het hof:
5.1.
bekrachtigt het kort geding vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort, van 14 april 2025;
5.2.
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van Emmagroep in het principaal hoger beroep:
€ 827,- aan griffierecht
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van Emmagroep (2 procespunten x het toepasselijke tarief II van € 1.290,-);
5.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
5.4.
veroordeelt Emmagroep tot betaling van de proceskosten van [appellanten] in het incidenteel hoger beroep, begroot op nihil;
5.5.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.W.J.M. Kemperink, B.J. Engberts en M.F.A. Evers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.
Vgl. Hoge Raad 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337 r.o. 4.1.2.
Zie Kamerstukken II 2006-2007, 30859, nr. 3 (memorie van toelichting), p. 10.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.