Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5135

2026-08-04 Civiel recht 200.351.841/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.351.841/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Geschil over financiële afwikkeling aanneemovereenkomst ECLI:NL:RBMNE:2024:6621

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (37.304 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden



afdeling civiel recht, handel



zaaknummer gerechtshof: 200.351.841/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad: 570439)





arrest van 4 augustus 2026





in de zaak van






[appellant] B.V.

die gevestigd is in [vestigingsplaats1]
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: [appellant]
advocaat: mr. F. Aartsen




tegen






[geïntimeerde] B.V.

die gevestigd is in [vestigingsplaats2]
en bij de rechtbank optrad als eiseres
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. S.M.I. van Loon






1Het verloop van het geding in hoger beroep


1.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:- de appeldagvaarding van 25 februari 2025


de memorie van grieven


de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel


de memorie van antwoord in incidenteel appel


een brief van mr. Van Loon met daarbij de producties 28 en 29 zijdens [geïntimeerde] .





1.2
Op 29 mei 2026 heeft bij het hof een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgehad. Daarvan is een verslag (proces-verbaal) opgemaakt, dat deel uitmaakt van het procesdossier.



1.3
Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd. Daarna heeft het hof een datum voor arrest bepaald.






2De feiten


2.1

[geïntimeerde] voert een onderneming die gespecialiseerd is de realisatie van (betonnen) bedrijfsvloeren.



2.2

[appellant] voert een onderneming die zich onder meer bezighoudt met de uitvoering van grondwerken en werken op het gebied van wegen- en waterbouw. [appellant] is onderdeel van de [naam1] .



2.3

[appellant] is door supermarktketen [naam2] als aannemer ingeschakeld voor de bouw van een distributiecentrum te [plaats] . Voor het realiseren van de buitenverharding daarvan heeft [appellant] [geïntimeerde] benaderd.



2.4

[geïntimeerde] heeft op 21 november 2018 een offerte uitgebracht voor dit in onderaanneming uit te voeren werk. In die offerte staat dat de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] van toepassing zijn op door haar krachtens overeenkomst uit te voeren werkzaamheden.



2.5
Op 25 februari 2019 heeft [geïntimeerde] een opdrachtbevestiging gestuurd, waarin eveneens is opgenomen dat haar algemene voorwaarden van toepassing zijn.



2.6

[geïntimeerde] is medio april 2019 met haar werkzaamheden aangevangen.



2.7
[appellant] heeft op 29 april 2019 een “overeenkomst van onderaanneming” aan [geïntimeerde] gestuurd. Onder d) staat daarin te lezen:


“Toepasselijke voorwaarden
Op deze overeenkomst zijn de voorwaarden conform CROW van toepassing, middels back tot back constructie. Eventuele door opdrachtnemer van toepassing verklaarde algemene voorwaarden worden hierbij uitdrukkelijk van de hand gewezen.”




2.8

[geïntimeerde] heeft het onder 2.7 genoemde document op enig moment getekend aan [appellant] geretourneerd. In de begeleidende brief van [geïntimeerde] , die als datum 30 april 2019 vermeldt, staat te lezen:


“Wij hebben uw overeenkomst van onderaanneming ontvangen op 29-4-2019, wij zijn onze
werkzaamheden gestart op 15-4-2019, wij verklaren derhalve onze opdracht als leidend.”




2.9

[geïntimeerde] heeft op 27 februari 2020 een factuur voor een bedrag van € 487.107,55 aan [appellant] gestuurd.



2.10
Op 14 mei 2020 heeft [appellant] een bedrag van € 300.000,- aan [geïntimeerde] betaald.



2.11
Nadien zijn partijen met elkaar in overleg getreden over een definitieve afrekening van het project.



2.12
Op 2 februari 2022 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een factuur gestuurd van € 222.303,93.



2.13
Op 12 april 2023 heeft [appellant] een brief aan [geïntimeerde] gestuurd waarin zij aangeeft dat zij ten aanzien van de factuur van 27 februari 2020 zich aanvankelijk op een opschortingsrecht heeft beroepen, maar dat zij dit beroep voor die factuur laat varen. Zij schrijft verder dat zij het restant van de factuur van € 187.107,55 betaalbaar zal stellen.



2.14

[appellant] heeft op 11 mei 2023 een bedrag van € 147.748,45 aan [geïntimeerde] betaald.



2.15
Op 22 december 2023 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een creditfactuur gestuurd voor een bedrag van € 43.547,37. De creditfactuur vermeldt: “cf. ons overzicht per e-mail verzonden aan dhr. [naam4] op 17-02-2023”.






3De vorderingen van [geïntimeerde] in eerste aanleg en de beslissing van de rechtbank


3.1

[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank gevorderd dat [appellant] zal worden veroordeeld tot betaling van diverse bedragen aan hoofdsom en rente, alsmede tot betaling van buitengerechtelijke kosten en van de proceskosten.



3.2
De rechtbank heeft bij vonnis van 4 december 2024 (hierna ook: het vonnis) [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen:


€ 39.359,10, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 9 december 2023 tot aan de dag van volledige betaling;


de wettelijke handelsrente over € 147.748,45 vanaf 28 maart 2020 tot 11 mei 2023;


€ 145.501,11, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 4 maart 2022 tot aan de dag van volledige betaling;


€ 2.623,60 aan buitengerechtelijke incassokosten.


Ook heeft de rechtbank [appellant] in de proceskosten veroordeeld.






4De vorderingen van [geïntimeerde] en de grieven van partijen


4.1

[appellant] heeft in hoger beroep vernietiging van het vonnis gevorderd en dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst en [geïntimeerde] veroordeelt tot terugbetaling van wat [appellant] op grond van het vonnis heeft voldaan, een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten in beide instanties.



4.2
In incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] gevorderd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis deels zal vernietigen en voor het overige zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] tot betaling (na aftrek van hetgeen op basis van het vonnis al door [appellant] is voldaan) van:


de hoofdsom ter zake de factuur van 27 februari 2020 ad € 39.359,10;


primair de contractuele rente van 1,5% per maand over de hoofdsom van € 39.359,10, te rekenen vanaf 28 maart 2020 tot aan de dag der algehele betaling, subsidiair de



wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de hoofdsom van € 39.359,10, te
rekenen vanaf 28 maart 2020 tot aan de dag der algehele betaling;

 primair de contractuele rente van 1,5% per maand over het bedrag van € 147.748,45

vanaf 28 maart 2020 t/m 11 mei 2023, subsidiair de wettelijke handelsrente over het
bedrag van € 147.748,45 vanaf 28 maart 2020 t/m 11 mei 2023;



de hoofdsom ter zake de factuur van 2 februari 2022 ad € 178.756,56;


primair de contractuele rente van 1,5% per maand over de hoofdsom van € 178.756,56



vanaf 4 maart 2022 tot aan de dag der algehele betaling, subsidiair de wettelijke
handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 4 maart 2022 tot aan de dag der algehele
betaling;



de buitengerechtelijke incassokosten ad € 3.604,32 conform de Wet Incassokosten over het aan [geïntimeerde] in hoofdsom toekomende bedrag;


de kosten van het geding in beide instanties, met wettelijke rente.





4.3

[appellant] heeft het vonnis bestreden met een tiental grieven, die tot de door haar gewenste beslissing van het hof zouden moeten leiden. Door [geïntimeerde] zijn vier grieven tegen het vonnis geformuleerd.



4.4
Het hof zal hierna de grieven van partijen zo veel mogelijk thematisch en gebundeld behandelen. De beslissing zal zijn dat zowel het principaal als het incidenteel appel ten dele slaagt. Die beslissing wordt hierna toegelicht.






5De beoordeling



Feitenvaststelling




5.1
Met haar eerste grief keert [appellant] zich tegen de wijze waarop de rechtbank de feiten heeft vastgesteld. Met [geïntimeerde] is het hof het eens dat de aard van een dergelijke grief meebrengt dat door de appellant duidelijk dient te worden aangegeven op het punt van welke specifieke feiten en vaststellingen gegriefd wordt, en dat de grief van [appellant] aan dit vereiste niet voldoet. Voor het overige geldt dat het hof als appelrechter zelf de feiten opnieuw vaststelt, zodat in zoverre bij de behandeling van daartegen gerichte grieven geen belang bestaat. Inhoudelijke bezwaren en stellingen over de waardering en interpretatie van de relevante feiten komen waar nodig hierna aan de orde. Voor zover het hof die bezwaren en stellingen niet specifiek behandelt, worden die bezwaren geacht te zijn verworpen of voor de beoordeling niet relevant geacht.



Algemene voorwaarden [geïntimeerde] van toepassing?





5.2
Door de rechtbank is geoordeeld dat de aanneemovereenkomst van partijen niet wordt beheerst door de algemene voorwaarden van één der partijen. [appellant] heeft tegen dit oordeel niet gegriefd, zodat de eventuele toepasselijkheid van haar eigen algemene voorwaarden in hoger beroep geen discussiepunt meer is. [geïntimeerde] heeft in haar incidenteel hoger beroep op dit punt wel een grief geformuleerd. Zij vindt dat de rechtbank heeft miskend dat partijen wel degelijk de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden zijn overeenkomen.



5.3
Het hof is het met die opvatting van [geïntimeerde] niet eens. Aan haar beslissing heeft de rechtbank onder meer ten grondslag gelegd dat blijkens de door partijen tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg gegeven toelichting de opdracht (pas) na het starten van de werkzaamheden mondeling werd afgesproken. Tegen die vaststelling – die het hof aldus begrijpt dat partijen pas werkenderwijs mondeling tot overeenstemming over de opdracht zijn gekomen – is [geïntimeerde] in hoger beroep niet opgekomen. In de toelichting op haar eerste grief betoogt [geïntimeerde] echter dat partijen nádat zij (aldus) mondeling overeenstemming hadden bereikt over de essentialia van de overeenkomst, “nader (hebben) onderhandeld over de nadere voorwaarden van hun contract.” [geïntimeerde] verwijst in dit kader naar haar opdrachtbevestiging van 25 februari 2019 en het daarin van toepassing verklaren van haar eigen algemene voorwaarden. Nu [geïntimeerde] volgens haar eigen stellingen (niet eerder dan) op 15 april 2019 met haar werkzaamheden is gestart (en de mondelinge overeenstemming dus pas daarna door partijen kan zijn bereikt), vermag het hof zonder nadere toelichting, die door [geïntimeerde] niet gegeven is, niet in te zien dat de betreffende opdrachtbevestiging zou kunnen dienen ter feitelijke onderbouwing van haar stelling dat partijen, nadat zij al mondeling overeenstemming hadden bereikt over de essentialia van de overeenkomst, “nader (hebben) onderhandeld over de nadere voorwaarden van hun contract.” Uit hetgeen door [geïntimeerde] verder in de toelichting op haar eerste grief wordt betoogd, valt een dergelijk door partijen nader onderhandelen of overleggen op het punt van de algemene voorwaarden evenmin af te leiden. Ook de hiervoor onder 2.7 genoemde “overeenkomst van onderaanneming” van [appellant] en de reactie daarop van [geïntimeerde] bevatten geen aanwijzingen dat partijen op dit punt nog nadere afspraken met elkaar hebben willen maken, laat staan gemaakt hebben. Dat [appellant] naar aanleiding van de brief van [geïntimeerde] met datum 30 april 2019 – welke brief volgens [appellant] overigens pas 26 juni 2019 verzonden is – alsnog zou hebben ingestemd met de toepassing van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] , valt gelet op de eerdere afwijzing van die voorwaarden door [appellant] en het ontbreken van een nadere toelichting en onderbouwing niet in te zien. Nu [geïntimeerde] in hoger beroep evenmin andere feiten heeft aangedragen die haar stelling kunnen onderbouwen, gaat het hof aan het betoog van [geïntimeerde] op dit punt voorbij en zal het bij de verdere beoordeling van het geschil net als de rechtbank tot uitgangspunt nemen dat de overeenkomst van partijen niet wordt beheerst door de algemene voorwaarden van één der partijen. Grief 1 in het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] faalt derhalve. Hetzelfde geldt voor haar grief 2 voor zover deze ziet op de beslissing in het vonnis omtrent de toewijsbaarheid van de gevorderde contractuele vertragingsrente, die immers haar basis vindt in diezelfde, niet toepasselijke algemene voorwaarden.



Factuur d.d. 27 februari 2020





5.4
Naar het hof uit de in hoger beroep door [appellant] ingenomen stellingen begrijpt, komt zij met haar tweede grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij wettelijke handelsrente verschuldigd is ter zake van de factuur van [geïntimeerde] van 27 februari 2020.



5.5

[appellant] stelt in dat kader onder meer dat de opgetreden vertraging in de betaling van de factuur haar niet kan toegerekend. Uit de door de wetgever in art. 6:74 BW gekozen formulering (‘tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend’) volgt dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de niet-toerekenbaarheid van een tekortkoming rust op de partij die zich met een beroep op overmacht tegen een wanprestatievordering verweert. Aldus is het aan de schuldenaar (in dit geval [appellant] ) om feiten en omstandigheden aan te voeren (en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen) die meebrengen dat de tekortkoming (in dit geval het door [appellant] niet in acht nemen van een overeengekomen uiterste datum voor betaling van de hiervoor genoemde factuur) niet te wijten is aan zijn schuld, terwijl die tekortkoming ook niet krachtens wet, rechtshandeling of verkeersopvattingen voor zijn rekening komt (art. 6:75 BW). Een behoorlijk uitgewerkt betoog van deze strekking valt in de randnummers 35 en 36 van de memorie van grieven (waar enkel terloops het aspect van de toerekenbaarheid wordt genoemd) of elders in dit processtuk niet te lezen, waardoor deze stelling als niet feitelijk onderbouwd door het hof wordt verworpen.



5.6
Eenzelfde lot treft hetgeen door [appellant] in de toelichting op grief 2 wordt gesteld in relatie tot de volgens [appellant] aan haar toekomende mogelijkheid om op te schorten. Ook ingeval door een schuldenaar een beroep op opschorting wordt gedaan, draagt deze de stelplicht en bewijslast van het bestaan van zijn opschortingsrecht en dus van het voldaan zijn aan de voorwaarden van art. 6:52 BW of artikel 6:252 BW. Tot die voorwaarden behoort onder meer het bestaan van een opeisbare vordering van de schuldenaar ( [appellant] ) op de schuldeiser ( [geïntimeerde] ). Dat [appellant] ten tijde van de ontvangst van deze factuur een dergelijke opeisbare vordering op [geïntimeerde] had respectievelijk welke omvang deze dan wel zou hebben, blijkt echter niet uit de enkele stelling van [appellant] dat er naar haar opvatting minderwerk te verrekenen viel, zodat ook niet valt vast te stellen of en in hoeverre (ook) aan de verdere voorwaarden voor opschorting (niet-nakoming door [geïntimeerde] , voldoende samenhang, proportionaliteit) op de voet van één van beide wetsbepalingen is voldaan. Daar komt nog bij dat [geïntimeerde] heeft aangegeven dat, voor zover al door [appellant] zou zijn opgeschort, dit voor haar niet kenbaar was en [appellant] dit laatste niet gemotiveerd heeft weersproken. Dit een en ander betekent dat [appellant] ook voor wat betreft haar beroep op opschorting niet aan haar stelplicht heeft voldaan, zodat ook dit verweer door het hof ter zijde wordt geschoven.



5.7
Dat en waarom [appellant] aan [geïntimeerde] geen wettelijke (handels)rente verschuldigd zou zijn omdat “ [geïntimeerde] geacht moet worden zelf in verzuim te zijn geweest met verrekening van het onbetwiste minderwerk” wordt door [appellant] evenmin toegelicht of onderbouwd, zodat ook deze stelling tot niets kan leiden. Grief 2 zijdens [appellant] faalt vanwege dit alles.



5.8
In incidenteel appel komt [geïntimeerde] met haar grief 2 mede op tegen de door de rechtbank vastgestelde aanvangsdatum voor het gaan lopen van de wettelijke handelsrente in relatie tot de factuur van 27 februari 2020. Gegeven het bepaalde in artikel 6:119a lid 2 onder a BW acht het hof hetgeen [geïntimeerde] daarover in de toelichting op deze grief opmerkt juist, zodat deze grief in zoverre slaagt.



5.9
Hetgeen partijen verder over de rente met betrekking tot de genoemde factuur nog naar voren hebben gebracht, behoeft gezien het voorgaande geen behandeling meer.



Factuur d.d. 2 februari 2022





5.10
Dan komt het hof toe aan hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd in relatie tot de verschuldigdheid van de factuur van 2 februari 2022. Naar het hof uit de stellingen van partijen en de daarop ter zitting in hoger beroep gegeven toelichting opmaakt, heeft hun discussie daarover op de volgende, hierna door het hof te behandelen punten betrekking:

a. aantal m² minder gerealiseerde terreinverharding en verrekenprijs
b. aantal m³ meerverbruik beton
c. extra fases goot en aanbrengen goot/meerwerk goten
d. meerwerk palen Vroom, meerwerk 347 palen
e. werkzaamheden bakkerij, wapening
f. door [appellant] geleverde arbeid en hulpmiddelen

a. aantal m² minder gerealiseerde terreinverharding en verrekenprijs



5.11
Met haar derde grief in incidenteel appel komt [geïntimeerde] ertegen op dat de rechtbank blijkens het vonnis niet van de opgave van [geïntimeerde] van het aantal m² minder gerealiseerde terreinverharding is uitgegaan, maar van de opgave van [appellant] . In dit kader heeft de rechtbank onder meer betekenis toegekend aan het gegeven dat [geïntimeerde] in haar e-mailbericht van 2 februari 2022 heeft aangegeven: “Jullie opgave klopt, we hebben nog 32m² verschil. Verwerkt in de bijlage.” en is de rechtbank voorbijgegaan aan de stelling dat die uitlating niet meer dan een ongelukkige “slip of the pen” zou zijn geweest. Deze stelling heeft [geïntimeerde] in hoger beroep herhaald, maar niet onderbouwd. [appellant] heeft van haar kant aangegeven de uitlating van [geïntimeerde] aldus te hebben begrepen dat de juistheid van de opgave van [appellant] door [geïntimeerde] werd onderschreven en zij vindt dat [geïntimeerde] daarvan – zeker zo veel jaren na dato – niet meer kan terugkomen. Het hof volgt [appellant] daarin. Zo op dit punt al niet van een bindende contractuele afspraak tussen partijen zou kunnen worden gesproken, heeft op zijn minst te gelden dat [geïntimeerde] met deze uitlating bij [appellant] de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat dit geen punt van discussie tussen partijen meer was. [geïntimeerde] kon daar in de gegeven omstandigheden niet op terugkomen. Daarbij komt nog dat [geïntimeerde] ter zitting in hoger beroep – in reactie op vragen van het hof in relatie tot het in randnummer 76 van haar memorie gevoerde betoog omtrent het bij de vaststelling van het aantal m² minder gerealiseerde terreinverharding al of niet mogen meerekenen van de goten – niet aannemelijk heeft weten te maken dat de in dat randnummer uiteengezette eigen berekeningswijze vooraf met [appellant] is gedeeld of dat deze anderszins ten tijde van het aangaan van de overeenkomst bij [appellant] bekend was. In de enkele, niet onderbouwde en door [appellant] betwiste, stelling ter zitting dat “iedereen zo werkt in de branche” ziet het hof geen aanleiding om over het voorgaande anders te denken, ook omdat [geïntimeerde] daarbij heeft aangegeven dat [appellant] actief is op een ander terrein en dat [appellant] zodoende wellicht niet met het bedoelde gebruik in de branche bekend was. Dit één en ander brengt mee dat het hof op het punt van het aantal m² minder gerealiseerde terreinverharding tot hetzelfde oordeel komt als de rechtbank. Bij deze stand behoeft het in hoger beroep door [geïntimeerde] overgelegde rapport van Coenradie geen behandeling meer, net zo min als de discussie die door partijen over de inhoudelijke merites van dit rapport is gevoerd.



5.12
Ook voor zover [geïntimeerde] met haar derde grief opkomt tegen hetgeen de rechtbank omtrent de door haar gehanteerde verrekenprijs per minder gerealiseerde m² terreinverharding heeft overwogen, treft deze geen doel. Ten eerste omdat niet valt in te zien waarom niet uitgegaan zou moeten worden van de in de initiële offerte van 21 november 2018 door [geïntimeerde] aan [appellant] genoemde prijs van € 75,90 per m², maar van een louter interne kostencalculatie van [geïntimeerde] . Niet blijkt dat [geïntimeerde] na de initiële offerte – in het kader van de contractsvorming – nog een andere prijs per m² heeft genoemd of dat [geïntimeerde] gemeld heeft dat verrekend zou worden op basis van een nadere kostencalculatie, en [appellant] heeft in de gegeven omstandigheden er in redelijkheid dan ook op mogen vertrouwen dat een verrekenprijs gold van € 75,90 per m². Ten tweede omdat [geïntimeerde] er in hoger beroep opnieuw - naar haar zeggen uit concurrentieoverwegingen - voor gekozen heeft de kostenprijscalculatie waaruit volgens haar zou volgen dat de verrekenprijs € 72,57 per m² bedroeg, niet in het geding te brengen net zo min als enig ander bewijsstuk waaruit de juistheid van het door haar gehanteerde bedrag per m² blijkt. Ook gelet daarop alsmede nu [geïntimeerde] in reactie op vragen van het hof niet duidelijk heeft kunnen maken om welke reden haar verrekenprijs bij minder m² minder gerealiseerde terreinverharding lager zou moeten uitvallen dan het in de offerte genoemde bedrag per m², gaat het hof net als de rechtbank van een verrekenprijs van € 75,90 per m² uit.



5.13
Grief 3 zijdens [geïntimeerde] faalt vanwege het voorgaande.



b. aantal m³ meerverbruik beton




5.14
Met haar vierde grief komt [appellant] op tegen het vonnis voor zover daarin [geïntimeerde] is gevolgd omtrent het aantal m³ aan meerverbruik beton. Deze grief faalt. [geïntimeerde] heeft in haar memorie en ter zitting bij het hof duidelijk uiteengezet dat en hoe zij in haar eigen administratie precies bijhoudt hoeveel beton door haar bij haar werkzaamheden wordt verbruikt, dat het additioneel in rekening brengen van m³ aan meerverbruik beton logisch kan worden verklaard (want ermee verband houdt dat het eerder bij [appellant] in rekening gebrachte betonverbruik als te doen gebruikelijk “modelmatig” was gefactureerd en dat de eindfactuur uitgaat van het werkelijk verbruik en dat die eindfactuur in zoverre dus een correctie vormt op het eerder gefactureerde aantal m³) en ook onderbouwd uiteengezet waarom zij niet eerder van dit relatief beperkte aantal m³ aan meerverbruik gewag heeft gemaakt. Dit een en ander is door [appellant] ter zitting onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dat [appellant] , mede gezien de verstreken tijd na het uitvoeren van de werkzaamheden het “gevoel had dat het niet klopt” levert geen gegronde reden op om te twijfelen aan de juistheid van het aantal m³ aan meerverbruik beton, dat door [geïntimeerde] aan [appellant] bij de eindafrekening tussen partijen is opgegeven.


c. extra fases goot en aanbrengen goot/meerwerk goten




5.15
Met grief 5 en grief 7 komt [appellant] op tegen hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de door [geïntimeerde] opgevoerde post “extra fases goot” en “aanbrengen goot”. [geïntimeerde] heeft erop gewezen dat zij in deze procedure helemaal geen betaling vordert van die posten. [geïntimeerde] vordert betaling van de factuur van 2 februari 2022 (gevolgd door de creditfactuur van 22 december 2023), dit overeenkomstig de specificatie die is overgelegd als productie 16 bij dagvaarding. De eerder door [geïntimeerde] genoemde posten “extra fases goot” en “aanbrengen goot” keren op die specificatie niet terug en zij zijn dan ook geen onderdeel van het geschil. Anders dan uit rov. 3.17 van het bestreden vonnis lijkt te volgen, vormen deze posten dan ook geen onderdeel van de vordering van [geïntimeerde] zoals die door de rechtbank is toegewezen. De grieven 5 en 7 van [appellant] zijn in zoverre dan ook vergeefs opgeworpen.



5.16
Met grief 5 richt [appellant] zich (mede) tegen de doorbelasting van vier facturen van een onderaannemer van [geïntimeerde] ter zake van de goten. Deze post is wél onderdeel van het met de factuur van 2 februari 2022 aan [appellant] in rekening gebrachte bedrag. Het betreft een post van € 7.000 voor werkzaamheden van de door [geïntimeerde] ingeschakelde onderaannemer [naam3] . [naam3] heeft met vier facturen in totaal ruim € 7.000 aan [geïntimeerde] in rekening gebracht voor onder meer ‘meerwerk’ aan de goten en ‘stagnatiekosten’ (zie productie 21). [appellant] wijst er terecht op dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat en op welke grond die kosten van de door [geïntimeerde] ingeschakelde onderaannemer voor rekening zouden moeten komen van [appellant] . Het algemene betoog van [geïntimeerde] dat het op de bouw “een zooitje was” en dat er vanwege aan [appellant] toe te rekenen omstandigheden sprake was van vertraging en stagnatie, is in dat verband ook onvoldoende. De vraag aan [geïntimeerde] wat de contractuele (of andere juridische) grond is voor de door haar verlangde doorbelasting van kosten aan [appellant] , is ook ter zitting bij het hof onbeantwoord gebleven. Dit betekent dat de grief van [appellant] slaagt voor wat betreft het met de factuur van 2 februari 2022 in rekening gebrachte bedrag van € 7.000 voor kosten van [naam3] .



d. meerwerk palen Vroom, meerwerk 347 palen




5.17
De derde en zesde grief van [appellant] hebben onder meer betrekking op de post “meerwerk palen Vroom” en op een volgens [appellant] ten onrechte opgevoerde meerprijs van 347 palen voor een verrekenprijs van in totaal € 31.073,85. [geïntimeerde] heeft in reactie op het hierover door [appellant] gestelde uiteengezet dat, anders dan [appellant] betoogt, voor de onderbouwing van de factuur van 2 februari 2022 uitsluitend moet worden gekeken naar het latere overzicht van 17 februari 2023 en dat daaruit kan worden afgeleid dat geen van deze posten aan [appellant] is doorbelast. Nu [appellant] dit betoog niet gemotiveerd heeft weersproken ziet het hof geen reden om op dit punt anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De grieven 3 en 6 falen in zoverre.


e. werkzaamheden bakkerij, minderwerk wapening




5.18
Een deel van de grieven 3 en 6 van [appellant] heeft betrekking op de realisatie van de buitenverharding en hellingbanen met wanden ten behoeve van de bakkerij van het distributiecentrum. Volgens [appellant] betreft het aanvankelijk aan [geïntimeerde] opgedragen werk, dat daarna in onderling overleg uit de opdracht is gehaald maar vervolgens wel door [geïntimeerde] aan [appellant] in rekening is gebracht. Met dit betoog gaat het hof, gegeven de op dit punt door [geïntimeerde] gegeven uitleg, niet mee. Die uitleg komt erop neer dat aan [geïntimeerde] later alsnog is opgedragen ten behoeve van de bakkerij een gedeelte van de vloeren voor haar rekening te nemen en dat het niet door haar gerealiseerde aantal m² vloer voor de bakkerij zowel bij de opstelling van februari 2022 als bij de eindopstelling van het jaar daarop is betrokken en [appellant] daar dus niet voor heeft hoeven betalen. Dit een en ander is door [appellant] niet voldoende gemotiveerd betwist. Aan de aanpalende stelling van [appellant] dat sprake is van minderwerk ter zake van de later (weer) aan [geïntimeerde] opgedragen werkzaamheden bij de bakkerij omdat [appellant] zelf alsnog de wapening voor het betreffende deel van de vloer zou hebben aangeleverd, gaat het hof eveneens voorbij nu zij deze stelling niet van een voldoende concrete en deugdelijke toelichting respectievelijk feitelijke onderbouwing heeft voorzien en [geïntimeerde] de juistheid ervan gemotiveerd heeft betwist. [geïntimeerde] verklaart onder meer dat voor zover [appellant] zelf wapening heeft besteld, dit kennelijk geweest is ten behoeve van de vloerdelen die [appellant] alsnog zelf heeft laten uitvoeren (door een ander dan [geïntimeerde] ). Dit laatste is ook niet voldoende gemotiveerd weersproken. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.


f. door [appellant] geleverde arbeid en hulpmiddelen




5.19
Het hof gaat eveneens voorbij aan de in de toelichting op haar grieven 6 en 7 door [appellant] betrokken stelling dat het factuurbedrag dient te worden gecorrigeerd in verband met door haar aan [geïntimeerde] geleverde arbeid en hulpmiddelen. Dat bij [geïntimeerde] sprake zou zijn geweest van capaciteits- of bezettingsproblemen die haar noopten respectievelijk er toe hebben gebracht om de bijstand van [appellant] in te roepen, is door [geïntimeerde] gemotiveerd betwist, waarbij zij er nog op gewezen heeft dat voor haar verder ook niet duidelijk is wat [appellant] met haar betoog op dit punt in juridische zin beoogt. Het hof sluit zich daarbij aan; ook in reactie op vragen van het hof heeft [appellant] aangegeven zelf niet te weten hoe haar betoog in juridische zin moet worden begrepen en het in haar toelichting op dit punt gelaten bij de opmerking ‘dat [geïntimeerde] het erg druk had, er veel activiteit op de bouw was en dat, toen er problemen waren met de planning, wij op verschillende momenten hebben moeten bijspringen.’ Gelet op het voorgaande en op het gebrek aan concreetheid moet de conclusie luiden dat [appellant] ook op dit punt niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.



Tussenconclusie





5.20
Uit het voorgaande laat zich afleiden dat van de hiervoor onder a. tot en met f. genoemde en door het hof behandelde posten, alleen de grief over post c. van [appellant] deels slaagt (namelijk voor wat betreft de kostenpost ‘meerkosten goten’ van € 7.000).



Creditfactuur





5.21
Ter zitting bij het hof is voorts nog door partijen gedebatteerd over de vraag hoe de voorafgaand aan de procedure in eerste aanleg door [geïntimeerde] aan [appellant] gezonden creditfactuur van € 43.547,37 moet worden gezien in relatie tot de berekening die de rechtbank in rov. 3.19 van het vonnis heeft uitgevoerd. Volgens [appellant] is de in rov. 3.19 van het bestreden vonnis opgenomen berekening onjuist. [geïntimeerde] heeft ter zitting terecht opgemerkt dat dit betoog van [appellant] feitelijk een nieuwe grief is en dat die grief tardief is. Het hof merkt op dat het op de weg van [appellant] had gelegen om haar stellingen op dit punt tijdig, bij memorie van grieven, naar voren te brengen. [geïntimeerde] heeft ter zitting bij het hof de rechtsstrijd op dit punt niet aanvaard, en zij heeft overigens ook niet voldoende op het genoemde betoog van [appellant] kunnen reageren. Het betoog van [appellant] op dit punt wordt om die reden gepasseerd.



Buitengerechtelijke kosten





5.22
De vierde en laatste grief van [geïntimeerde] en grief 8 zijdens [appellant] hebben betrekking op het bedrag aan buitengerechtelijke kosten dat door de rechtbank is toegewezen. [geïntimeerde] vindt het bedrag te laag, [appellant] juist te hoog.



5.23
Nu blijkens het voorgaande het met post c. corresponderende bedrag van € 7.000,- niet door [appellant] verschuldigd is, is de door [appellant] verschuldigde hoofdsom lager dan het bedrag aan hoofdsom waarover de rechtbank de buitengerechtelijke kosten heeft berekend. Het hof zal de beslissing van de rechtbank op dit punt vernietigen en in overeenstemming met het voorgaande een lager bedrag aan buitengerechtelijke kosten toewijzen. Daarbij merkt het hof op dat er, anders dan [geïntimeerde] meent, geen reden is om bij de berekening van de buitengerechtelijke kosten mede rekening te houden met het bedrag dat [appellant] al voor aanvang van de procedure had voldaan. Reden daarvoor is reeds dat, zoals [appellant] opmerkt, de communicatie over de openstaande vorderingen van [geïntimeerde] , (ook) van de zijde van [geïntimeerde] niet telkens voldoende duidelijk en transparant is geweest. Dat laatste is ter zitting door [geïntimeerde] overigens ook erkend. Slotsom is dus dat grief 8 zijdens [appellant] (deels) slaagt.






6De slotsom


6.1
De conclusie van het voorgaande is dat de grieven 5 en (gedeeltelijk) 8 in het principaal appel slagen en dat ook grief 2 in het incidenteel appel (gedeeltelijk) doel treft.



6.2
Bij deze uitkomst ziet het hof geen reden om op het punt van de proceskosten in eerste aanleg een andere beslissing te geven dan de rechtbank heeft gedaan en zal het hof de proceskosten van partijen in hoger beroep compenseren op de wijze als in het dictum bepaald.



6.3
Het voorgaande betekent dat ook grief 9 zijdens [appellant] faalt. Haar grief 10 is een veeggrief die het zonder behandeling kan stellen.



6.4
Het bestreden vonnis zal, gelet op het voorgaande, gedeeltelijk worden vernietigd en voor het overige worden bekrachtigd. De vordering van [appellant] tot terugbetaling van hetgeen zij op basis van het vonnis van de rechtbank aan [geïntimeerde] heeft voldaan, zal worden afgewezen. Uit het voorgaande volgt immers dat [appellant] per saldo nog een (aanvullend) bedrag aan [geïntimeerde] dient te voldoen.






7De beslissing


Het hof:



7.1
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, behoudens de veroordelingen onder 4,1, 4.3 en 4.4, vernietigt het vonnis in zoverre en doet opnieuw recht;



7.2

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 39.359,10, te
vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het
toegewezen bedrag, vanaf 28 maart 2020 tot de dag van volledige betaling;




7.3

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 138.501,11, te
vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het
toegewezen bedrag, vanaf 4 maart 2022 tot de dag van volledige betaling;




7.4

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 2.553,60 aan
buitengerechtelijke incassokosten;




7.5
compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat elk der partijen daarvan de eigen kosten draagt;



7.6
verklaart dit arrest wat betreft bovengenoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



7.7
wijst af wat verder is gevorderd.



Dit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, P.S. Bakker en L.A. de Vries en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
4 augustus 2026.





Vgl. HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:357, rov. 3.2.3.