Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5133

2026-08-05 Strafrecht 21-002077-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
21-002077-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Man veroordeeld voor doodslag op zijn partner. Vrijspraak voor moord, wegens ontbreken voorbedachten rade. Sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Anders dan de rechtbank legt het hof een lagere gevangenisstraf op (vier jaar in plaats van zes jaar) en een tbs-maatregel met dwangverpleging.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (50.678 tekens)
Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002077-25
Uitspraakdatum: 5 augustus 2026
TEGENSPRAAK



Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 23 april 2025 met parketnummer 05-181217-24 in de strafzaak tegen:



[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in [locatie P.I.] te [plaats]





Hoger beroep


Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem.





Onderzoek van de zaak


Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 juli 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.



Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.P.F. Tummers, advocaat te Nijmegen , en mr. B. Pernot, advocaat van de benadeelde partijen en de nabestaanden, hebben aangevoerd.





Omvang hoger beroep


Verdachte is door rechtbank vrijgesproken van wat aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.






Het vonnis


De rechtbank heeft verdachte ter zake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes (6) jaren en heeft aan hem opgelegd de maatregel dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd (hierna ook: TBS met dwangverpleging). Ook zijn de vorderingen van de benadeelde partijen (deels) toegewezen.



Het hof zal aan verdachte een andere straf opleggen. Het hof zal daarom het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen en opnieuw rechtdoen.





Tenlastelegging


Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:



1.hij op of omstreeks 2 juni 2024 te [plaats] , [benadeelde partij 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met twee messen, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen (met kracht) in de borst en/of de rug, althans in het (boven)lichaam van [benadeelde partij 1] te steken en/of te snijden.



Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.





Vrijspraak moord


Aan verdachte is onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegd de moord op [benadeelde partij 1] .



Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat op grond van het procesdossier en de verklaringen van verdachte ter terechtzitting van de rechtbank en het hof, niet kan worden vastgesteld dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.
Het hof zal om die reden verdachte van de impliciet primair tenlastegelegde moord vrijspreken.





Bewezenverklaring


Het hof acht op grond van de inhoud van de hierna te melden wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:


1.hij op of omstreeks 2 juni 2024 te [plaats] , [benadeelde partij 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met twee messen, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen (met kracht) in de borst en/of de rug, althans in het (boven)lichaam van [benadeelde partij 1] te steken en/of te snijden.


Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.



Het hof volstaat ten aanzien van het bewezenverklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof heeft daarbij gelet op de inhoud van de verklaringen van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, alsmede op de procespositie van de verdediging, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat in hoger beroep de door de rechtbank gehanteerde bewezenverklaring en bewijsvoering niet door de verdediging zijn bestreden en dat slechts een strafmaatverweer is gevoerd.




Gebezigde bewijsmiddelen:


 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik het feit heb bekend. Ik heb [benadeelde partij 1] gedood met een mes.

 Uit de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de politie [locatie] , genummerd ON5R024060, opgemaakt door [naam] , brigadier van politie, gesloten op 30 juli 2024:

o een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [naam] en [naam] , respectievelijk aspirant en hoofdagent van politie, gesloten op 2 juni 2024 (pagina’s 76 en verder);
o een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [naam] en [naam] , respectievelijk brigadier en aspirant van politie, gesloten op 2 juni 2024 (pagina’s 94 en verder).


 Als schriftelijk bescheid, een definitief deskundigenrapport forensische pathologie, genummerd 2024.2474, gedateerd 10 juni 2024, opgemaakt door dr. [naam] , forensisch patholoog Eurofins TMFI.




Strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar.



Het onder 1 impliciet subsidiair bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.






Strafbaarheid van verdachte



Rapportage

Over verdachte is een Pro Justitia rapport opgemaakt, gedateerd 5 december 2024, opgemaakt door dr. [naam] , psychiater, drs. [naam] , GZ-psycholoog en [naam] , forensische milieuonderzoeker.



De deskundigen hebben geconcludeerd dat er bij betrokkene sprake is van schizofrenie, een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline trekken en een stoornis in het gebruik van stimulantia, ernstig, in kortdurende remissie in een gereguleerde omgeving.



Voorts rapporteren zij dat er weinig twijfel over kan zijn dat betrokkene tijdens het tenlastegelegde een ernstig psychotisch toestandsbeeld vertoonde. Dit ernstige psychotische toestandsbeeld zal aan de ene kant zijn voortgekomen uit de chronisch aanwezige psychotische kenmerken ten gevolge van zijn schizofrenie, maar zal aan de andere kant aanzienlijk verergerd zijn door het gebruik van stimulantia als cocaïne en speed (amfetamines), het sinds enige dagen niet meer innemen van zijn anti-psychotische medicatie (olanzapine), het in een keer staken van de inname van zijn benzodiazepines en de in algemene zin toegenomen stress vanwege het verbreken en de spanningen in de relatie met zijn ex-partner en daarmee ook de zoektocht naar nieuwe huisvesting.



Alles overziend zijn de rapporteurs van mening dat het psychotische toestandsbeeld tijdens het tenlastegelegde sterk doorgewerkt heeft in het tenlastegelegde en dat dit psychotische toestandsbeeld zeker niet alleen toegeschreven kan worden aan het gebruik van middelen en het (bewust) niet meer innemen van zijn anti-psychotische medicatie. De rapporteurs zijn er echter ook niet van overtuigd dat betrokkene zodanig onder invloed van zijn psychose stond dat hem geen enkele andere mogelijkheid overbleef dan zijn ex-partner zodanig te verwonden dat hij daaraan zou komen te overlijden. Ondanks inconsistente verklaringen van betrokkene hierover hebben de rapporteurs niet de overtuiging dat hij vanuit zijn psychose de opdracht kreeg om zijn ex-partner het tenlastegelegde aan te doen of dat hij vanuit zijn psychose zijn ex-partner volledig voor iemand anders aanzag. Betrokkene heeft op de momenten dat zijn psychotische toestandsbeeld het meest stabiel was, verteld dat hij zijn ex-partner als zodanig herkende en ook niet de intentie had om hem van het leven te beroven. De woede die hij jegens zijn ex-partner voelde opkomen, is deels begrijpelijk vanuit de complexe afhankelijkheidsrelatie die hij met hem had en deels vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis. De wijze waarop en de mate van die woede lijken echter vooral samen te hangen met zijn psychotische toestandsbeeld. De rapporteurs geven de rechtbank daarom in overweging om betrokkene het tenlastegelegde in sterk verminderde mate toe te rekenen, indien het tenlastegelegde bewezen wordt verklaard.



De kans op recidive op geweld wordt als hoog ingeschat zonder passende begeleiding.
Er is sprake van een ernstige psychiatrische stoornis (schizofrenie), een persoonlijkheids-stoornis en een stoornis in middelengebruik. Betrokkene is niet in staat zijn leven zelf richting te geven en heeft hiervoor anderen nodig.



Voor de combinatie van schizofrenie, persoonlijkheidsstoornis, verslaving en een aantal psychosociale problemen bij betrokkene, zoals huisvesting, dagbesteding en sociale (beschermende) contacten is een langdurige klinisch forensische behandeling geïndiceerd met daarna een zeer langdurig en voldoende beveiligd resocialisatietraject.
Betrokkene zal medicamenteus op de meest optimale medicatie moeten worden ingesteld voor zijn schizofrenie en continu moeten worden gemotiveerd en erop worden gewezen om deze medicatie te blijven innemen. Daarnaast zal door middel van een gestructureerde vorm van (klinische) psychotherapie de persoonlijkheidsstoornis van betrokkene dienen te worden behandeld en zal hij een intensieve klinische behandeling voor zijn verslaving met veel aandacht voor terugvalpreventie moeten volgen.
Het besef en inzicht in zijn problematiek zijn bij betrokkene minimaal, ondanks zijn
hooggemiddelde intelligentie. Betrokkene zal ten gevolge van de combinatie van stoornissen levenslang een blijvende kwetsbaarheid houden. Dit betekent dat betrokkene zeer langdurig in een voldoende beveiligde omgeving zal moeten verblijven van waaruit direct kan worden ingegrepen, indien hij weer een terugval in middelengebruik heeft.



Gezien de combinatie van stoornissen en problemen bij betrokkene, zoals boven beschreven, en het hoge recidivegevaar heeft betrokkene een vorm van beveiliging nodig, waarbij betrokkene gedurende zijn gehele behandeltraject in het kader van bescherming van de maatschappij snel in zorg en beveiliging opgeschaald kan worden, indien hij weer terugvalt in alcohol- en/of drugsgebruik of ander gevaarlijk, recidive bevorderend of crimineel gedrag vertoont. Vanwege de ernst van het tenlastegelegde en de daarbij te verwachten straf zien de rapporteurs maar één modaliteit hoe bovenstaande in een strafrechtelijk kader vormgegeven zou kunnen worden, namelijk door middel van een TBS met dwangverpleging (het hof begrijpt: terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege).




Aanvullende rapportage

Op 9 februari 2026 hebben psycholoog [naam] en psychiater [naam] in opdracht van de raadsheer-commissaris aanvullend gerapporteerd. Ten behoeve van deze rapportage is opnieuw uitgebreid onderzoek verricht naar de persoon van verdachte. De deskundigen rapporteren dat met het nieuwe onderzoek de eerdere diagnostische en differentiaal diagnostische overwegingen nog volledig worden ondersteund.



Wat betreft de diagnostiek en de relatie met het tenlastegelegde is er volgens de rapporteurs geen aanleiding om de bevindingen en de conclusies te herzien.



Rapporteurs menen dat het psychotische toestandsbeeld tijdens het tenlastegelegde sterk doorgewerkt heeft in het tenlastegelegde en dat dit psychotische toestandsbeeld zeker niet alleen toegeschreven kan worden aan het gebruik van middelen en het (bewust) niet innemen van zijn anti-psychotische medicatie. De rapporteurs zijn er echter ook niet van overtuigd dat betrokkene zodanig onder invloed van zijn psychose stond dat hem geen enkele andere mogelijkheid overbleef dan zijn ex-partner zodanig te verwonden dat hij daaraan kwam te overlijden.



De woede die betrokkene jegens zijn ex-partner voelde opkomen is deels begrijpelijk vanuit de complexe afhankelijkheidsrelatie die hij met hem had en deels vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline trekken. De wijze waarop en de mate van die woede lijken echter vooral samen te hangen met zijn psychotische toestandsbeeld. Volgens de rapporteurs had betrokkene echter nog wel enig besef van het wederrechtelijke van zijn handelen en werd zijn denken niet volledig beheerst door zijn psychotische stoornis (pagina 51).



Ten aanzien van het recidiverisico en daarmee samenhangend het strafrechtelijk juridische kader hebben de rapporteurs het recidiverisico iets bijgesteld, namelijk van hoog naar matig tot hoog. Mede op grond daarvan geven zij afhankelijk van de gevangenisstraf die betrokkene wordt opgelegd het advies om een terbeschikkingstelling met voorwaarden te overwegen met een daarbij aansluitende gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM), waarbij op bovengenoemde gronden de voorkeur van de rapporteurs blijft uitgaan naar een TBS met dwangverpleging (het hof begrijpt: terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege).




Verhoor raadsheer-commissaris

Op verzoek van de verdediging zijn [naam] en [naam] voornoemd door de raadsheer-commissaris op 5 november 2025 als getuige gehoord. Op de navolgende vraag van de raadsman antwoordde [naam] als volgt (hierna: cursief)




4. Kunt u aangeven waarom er in deze casus niet tot de conclusie van gehele ontoerekeningsvatbaarheid bent (het hof leest: is) gekomen?





Er spelen een aantal stoornissen. Een stoornis in middelengebruik en schizofrenie en een persoonlijkheidsstoornis en die beïnvloeden elkaar allemaal. Hoe wij vanuit ons psychiatrisch paradigma kijken is anders dan hoe vanuit de wet ernaar kijken. We hebben aangegeven dat er een hele ingewikkelde relatie was tussen de verdachte en het slachtoffer.


Het was geen evenwichtig gelijkwaardige relatie.


Het gaat erom in hoeverre de stoornis doorwerkt in het tenlastegelegde. Wij denken niet dat meneer zo beheerst werd door zijn stoornis dat er helemaal geen vrije wil meer was. We denken wel dat hij ernstig beperkt werd, maar niet volledig. Meneer heeft duidelijk gezegd dat er veel woede speelde gezien de moeizame relatie die ze hadden met elkaar en die woede heeft ook een rol gespeeld in de agressie die volgde. Op momenten dat wij hem op zijn beste situatie hebben gesproken, heeft hij verklaard dat er niet een stem was die hem zei wat hij moest doen, ten tijde van het plegen van het delict. Bij het handelen van meneer was er ook een functionele component die voortkwam uit die relatie. Zijn handelen werd niet volledig bepaald door zijn psychose. Iemand die helemaal psychotisch is kan helemaal geen keuzevrijheid hebben, maar meneer heeft in dit geval niet volledig de realiteitstoets verdrongen. Hij wist wie het was en dat het zijn partner was en er speelden problemen in de relatie.





De deskundige maakt bij het voorlezen de volgende opmerking:


Ik benadruk hier voor de duidelijkheid dat een psychose niet per definitie betekent dat iemand geen enkele keuzevrijheid meer heeft. Dat kan wel, maar dat hangt van het geval af Soms is de relatie met het delict niet zo direct. In het geval van [verdachte] heb ik wel een relatie met het delict vastgesteld maar niet zodanig dat er geen keuzevrijheid meer overbleef.





Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte voorafgaand, tijdens het plegen van het feit en ook daarna psychotisch was. Ter onderbouwing van die stelling heeft de raadsman gewezen op het telefoongesprek tussen het slachtoffer en de huisartsenpost kort voor het incident, waarbij naar de overtuiging van de raadsman het slachtoffer als deskundige moet worden aangemerkt vanwege zijn professionele achtergrond en zijn jarenlange relatie met verdachte. Verder heeft de raadsman gewezen op de bevindingen van verbalisanten die verdachte na zijn aanhouding transporteerden naar het politiebureau en ook naar de bevindingen van de hulpofficier van justitie.
Volgens de raadsman kan het niet anders zijn dan dat verdachte op het moment van het incident handelde vanuit een zeer sterke psychose die zijn wil volledig bepaalde en dat er sprake is (geweest) van een volledige ontoerekeningsvatbaarheid.




Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte, gelet op hetgeen de deskundigen hebben gerapporteerd, sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Het oordeel van het hof

Al hetgeen door de raadsman ter zitting is aangevoerd ter onderbouwing van de stelling dat verdachte vooraf, ten tijde en na van het plegen van het feit psychotisch was en daarom volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard, was ook bekend bij de rapporteurs en is ook in hun bevindingen meegenomen. Dat heeft desondanks niet geleid tot de conclusie die de raadsman voorstaat. Ook op de expliciete vraag van de raadsman bij de raadsheer-commissaris (zie hierboven) heeft psychiater [naam] geantwoord dat verdachtes handelen niet volledig werd bepaald door de psychose.



Het hof overweegt met betrekking tot het standpunt van de raadsman dat niet ter discussie staat dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit in een psychotische toestand verkeerde. Of dat tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid heeft geleid is een andere, opvolgende vraag waarop het antwoord van de deskundigen bij herhaling ontkennend is. Uit de omstandigheid dat verdachte zijn antipsychotica (medicatie) niet heeft ingenomen kan naar het oordeel van het hof ook niet de conclusie worden getrokken dat hij daardoor ontoerekeningsvatbaar was. In zoverre worden de verweren van de raadsman verworpen.



Het recidivegevaar wordt door de deskundigen in het aanvullend rapport naar beneden bijgesteld naar matig tot hoog maar is ten volle aanwezig. De onderliggende problematiek van verdachte vergt een langdurige behandeling. Een zorgmachtiging, zoals door de raadsman voorgesteld, is in de ogen van de rapporteurs volstrekt onvoldoende om de ernstige en complexe problematiek van verdachte te behandelen en het recidiverisico voldoende te kunnen reduceren.



Hoewel de rapporteurs het recidiverisico iets hebben bijgesteld en op grond daarvan en afhankelijk van de op te leggen gevangenisstraf het advies van terbeschikkingstelling met voorwaarden in overweging geven, geven zij nog steeds de voorkeur aan een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.



Het hof neemt de bevindingen, conclusies en het advies van de deskundigen over en maakt die tot de zijne.
Verdachte lijdt onder meer aan schizofrenie en een ernstige persoonlijkheidsstoornis die langdurige behandeling vergen. Uit de aanvullende rapportage blijkt dat verdachte een minder realistisch beeld heeft van zijn problematiek dan de rapporteurs. Nu verdachte al bijna twee jaar is gedetineerd, sinds aanvang detentie geen drugs meer gebruikt en zijn medicatie inneemt, meent hij dat er geen recidivegevaar meer aanwezig is en dat hij nooit meer in een psychose kan geraken. Uit het aanvullende rapport blijkt dat verdachte zelf vindt dat zijn psychische problemen wel meevallen.
Hoewel ook de rapporteurs zien dat het sinds de detentie iets beter gaat met verdachte in de zin dat hij in motivationele zin iets actiever lijkt en minder psychotisch is, constateren zij ook dat het verdachte nog niet lukt om adequaat met zijn toekomst aan de slag te gaan en dat verdachte ook nog niet psychosevrij is.



Het hof zal de door de raadsman gedane verzoeken om via de advocaat-generaal of ambtshalve een zorgmachtiging voor te bereiden of af te geven dan ook afwijzen.



Verdachte is aldus, met inachtneming van het vorenstaande, strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.



Zoals hierna zal blijken acht het hof, gelet op het vorenstaande, terbeschikkingstelling met dwangverpleging dan ook de enige passende maatregel en het hof zal deze maatregel aan verdachte opleggen.





Oplegging van straf en maatregel


Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft op 2 juni in [plaats] zijn (ex-)partner [benadeelde partij 1] doodgestoken. Hij is daartoe het slachtoffer, die voor verdachte zijn huis uit was gevlucht, met twee messen op straat achterna gerend en heeft hem meerdere keren in de rug en de borststreek gestoken, waardoor het slachtoffer is overleden. Het incident, waarvan ook een jong kind ooggetuige is geweest, vond plaats op klaarlichte dag en eindigde in de voortuin van de buren. Daarmee is het leven van het slachtoffer op gruwelijke wijze tot een einde gekomen. De dood van het slachtoffer en de wijze waarop hij is gedood hebben enorme impact gehad op de familie en de omgeving van het slachtoffer, zoals ook bleek uit de slachtofferverklaring die de zus van het slachtoffer, [benadeelde partij 5] , ter terechtzitting heeft voorgelezen.



Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats. Het hof houdt bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf, mede gelet op de inhoud van het tweede onderzoek naar en de getuigenverklaringen van de deskundigen over (het onderzoek naar) de toerekeningsvatbaarheid van verdachte, echter in verdergaande mate rekening met de sterk verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte dan de rechtbank. De rechtbank heeft een gevangenisstraf opgelegd van zes jaren en die straf is in hoger beroep ook door de advocaat-generaal gevorderd, maar naar het oordeel van het hof komt daarin de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte onvoldoende tot uitdrukking. Om die reden zal het hof de op te leggen gevangenisstraf bepalen op vier jaren.



Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.




Oplegging en duur van de maatregel van TBS




Zoals hiervoor overwogen neemt het hof het advies van de deskundigen om de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen over. Het hof zal deze maatregel dan ook opleggen.



De maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op de bewezenverklaarde doodslag staat een gevangenisstraf van vier jaren of meer en is een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. De maatregel is om die reden niet beperkt tot een periode van maximaal vier jaren.

De vorderingen van de benadeelde partijen




De vorderingen van de benadeelde partijen zijn in hoger beroep gehandhaafd. Namens de benadeelde partijen heeft mr. B. Pernot, advocaat te [plaats] , de vorderingen toegelicht. Verdachte heeft geen verweer gevoerd en bij monde van zijn raadsman laten weten dat hij zich refereert aan het oordeel van het hof.





Vordering van de (erven van de) benadeelde partij [benadeelde partij 2]


De benadeelde partij [benadeelde partij 2] , vader van het slachtoffer, heeft op 16 juli 2024 een vordering tot schadevergoeding van € 17.500,00 aan affectieschade ingediend. De benadeelde partij is op 4 januari 2025 overleden. Op grond van staande jurisprudentie staat dit overlijden niet in de weg aan toewijzing van de vordering. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. Namens de erven van de benadeelde partij is in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.



Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Gelet op het bepaalde in het Besluit affectieschade heeft een ouder van een meerderjarig uitwonend kind die door een misdrijf om het leven is gekomen recht op het gevorderde bedrag van € 17.500,- aan affectieschade. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum.



Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen.





Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4]




De broer van het slachtoffer, [benadeelde partij 3] en zijn echtgenote, [benadeelde partij 4] , hebben gezamenlijk een vordering tot schadevergoeding van € 99,50 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 74,50. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Voorts is verzocht om voor een hoger bedrag de schadevergoedingsmaatregel op te leggen omdat de daadwerkelijk geleden schade van
€ 115,56 hoger is dan het in eerste aanleg gevorderde bedrag. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding en het verzoek met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregel.



Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Gelet op de nadere onderbouwing van de vordering acht het hof het thans redelijk en billijk om naast de gevorderde € 74,50 ook de gevorderde € 25,00 voor reiskosten en praktische zaken voor de uitvaart toe te wijzen. Die kosten zijn nader gespecificeerd en houden in voldoende mate verband met de kosten van lijkbezorging. Verdachte moet de gehele schade van € 99,50 vergoeden. De vordering zal daarom worden toegewezen.



Het hof stelt met betrekking tot het verzoek om een hogere schadevergoedingsmaatregel op te leggen voorop dat een vordering tot schadevergoeding van een benadeelde partij niet kan worden verhoogd in de hoger beroepsfase. Op grond van het derde lid van artikel 421 van het Wetboek van Strafvordering kan de benadeelde partij zich in hoger beroep voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering, voor zover die vordering door de rechtbank niet is toegewezen. Volgens vaste jurisprudentie moet de in deze wetsbepaling opgenomen beperking zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die in eerste aanleg niet zijn opgevoerd, en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg wel opgevoerde schadeposten mag verhogen.



De strafrechter kan ambtshalve, los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering, de in artikel 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde schadevergoedingsmaatregel opleggen als en voor zover de verdachte tegenover het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Het hof kan aldus de schadevergoedingsmaatregel ook voor een hoger bedrag opleggen dan het bedrag van de vordering van de benadeelde partij. Het hof is echter van oordeel dat van deze mogelijkheid, gelet op het vooropgestelde uitgangspunt, slechts in uitzonderlijke gevallen gebruik moet worden gemaakt en dat van een zodanig geval in deze zaak geen sprake is.



Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de schadevergoedingsmaatregel opleggen voor het toe te wijzen bedrag en niet, zoals door de advocaat is verzocht, voor het volgens hem daadwerkelijk geleden (hogere) schadebedrag van € 115,56.





Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]



Standpunt en vordering

De benadeelde partij heeft in de hoedanigheid van erfgenaam van het slachtoffer en ‘pro se’ twee vorderingen tot schadevergoeding van in totaal € 25.572,88 ingediend:
1. € 3.904,88 als erfgenaam voor:


1.1.
kleding (€ 75,-);


1.2.

kosten lijkbezorging (€ 3.829,88);
2. € 21.668,- ‘pro se’ voor:



2.1.
medische kosten shockschade (€ 1.000,-);


2.2.
reis- en parkeerkosten shockschade (€ 150,-);


2.3.
immateriële schade/shockschade (€ 20.000,-);


2.4.
kosten lijkbezorging (€ 518,-, waarvan € 25,- voor reiskosten en praktische zaken voor de uitvaart).


De rechtbank heeft de vorderingen voor een deel toegewezen tot een totaalbedrag van € 4.397,88 en dit als volgt gemotiveerd:

De rechtbank is van oordeel dat de vordering ten aanzien van de schadeposten die zien op de kosten van lijkbezorging, pro se (€ 493,-) en in de hoedanigheid van erfgenaam (€ 3.829,88), en de schadepost die ziet op kleding (€ 75,-) genoegzaam is onderbouwd. Verdachte is jegens de benadeelde partij in hoedanigheid van erfgenaam aansprakelijk voor schade veroorzaakt bij de overledene. Op die grond zullen de hiervoor genoemde posten van € 3.829,88 en € 75,- worden toegewezen. De schadepost ten bedrage van € 493,- zal als kosten van lijkbezorging pro se (artikel 6:108 lid 2 BW) eveneens worden toegewezen.


De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de schadepost ‘reiskosten in verband met het bijwonen van de uitvaart’ afwijzen. Namens de benadeelde partij is niet onderbouwd gesteld wat de reiskosten voor het bijwonen van de uitvaart waren. Het deel van de vordering dat ziet op kosten voor het regelen van praktische zaken, zal de rechtbank ook afwijzen, nu dit geen kosten van lijkbezorging betreffen en een andere grondslag voor toewijzing is gesteld noch gebleken.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot vergoeding van het smartengeld en de schadeposten die zien op de medische kosten en de reis- en parkeerkosten, aangezien deze schadeposten volgens de verklaring van de benadeelde partij toekomstige kosten betreffen en om die reden nog niet zijn onderbouwd.




De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Met betrekking tot de posten 2.2. en 2.4. heeft de benadeelde partij verzocht een hogere schadevergoedingsmaatregel op te leggen omdat de kosten feitelijk hoger zijn dan in eerste aanleg gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding en het verzoek met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregel.




Beoordeling

Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Omdat het hof niet kan vaststellen dat de gehele door de benadeelde partij gevorderde schade rechtstreeks is veroorzaakt door het handelen van verdachte, wijst het hof slechts een deel hiervan toe.



Het hof overweegt hiertoe nog het volgende:




Schadeposten 1.1. en 1.2.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vordering ten aanzien van de schadeposten 1.1. en 1.2. die zien op de kosten van lijkbezorging in de hoedanigheid van erfgenaam (€ 3.829,88), en de schadepost die ziet op kleding (€ 75,-) genoegzaam zijn onderbouwd. Verdachte is jegens de benadeelde partij in hoedanigheid van erfgenaam aansprakelijk voor schade veroorzaakt bij de overledene. Op die grond zullen de hiervoor genoemde posten van € 3.829,88 en € 75,- worden toegewezen.




Schadeposten 2.4.

Met betrekking tot de post kosten lijkbezorging (2.4) die de benadeelde partij pro se vordert, is het hof van oordeel dat, gelet op de nadere onderbouwing van de vordering, het thans redelijk en billijk is om naast de gevorderde € 493,- ook de gevorderde € 25,- voor reiskosten en praktische zaken voor de uitvaart toe te wijzen. Die kosten zijn nader gespecificeerd en houden in voldoende mate verband met de kosten van lijkbezorging. Verdachte moet in zoverre de gehele schade van € 518,- vergoeden.





Schadeposten 2.3.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade van € 20.000,-, die de benadeelde partij heeft gevorderd aan smartengeld ter zake van shockschade (2.3), overweegt het hof het volgende.



In zijn arrest van 28 juni 2022 heeft de Hoge Raad met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij, voor zover die ziet op shockschade, tot uitgangspunt genomen dat:

(r.o. 3.4) …(i)emand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, (…) – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig (kan) handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel zoals hierna onder 3.7 nader omschreven.




Vervolgens heeft de Hoge Raad gezichtspunten benoemd (r.o. 3.5), die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer). In de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding uit hoofde van shockschade zijn deze gezichtspunten benoemd en is op elk van die gezichtspunten ingegaan.



Met betrekking tot de wijze waarop het secundaire slachtoffer is geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan, heeft mr. Pernot aangevoerd dat op de dag van het gepleegde feit de politie de benadeelde partij thuis heeft bezocht en haar heeft meegedeeld dat haar broer was overleden ten gevolge van een steekpartij. Later heeft de benadeelde partij het stoffelijk overschot van haar broer gezien in het mortuarium. Daarbij heeft zij plekken in zijn gelaat en afweerletsel aan zijn handen gezien. Verder heeft hij aangevoerd dat de benadeelde partij nog dagelijks herbelevingen heeft van de momenten vanaf dat de politie kwam aanrijden tot aan het moment dat ze vertelden dat haar broer was overleden. Ze voelt dan weer de paniek. Ook schrikt ze nog regelmatig wakker omdat ze nachtmerries heeft van deze momenten of schrikt ze van een politiewagen die door de straat rijdt en stopt voor haar woning. Hiervoor heeft de benadeelde partij inmiddels EMDR. Ook heeft zij herbelevingen en nachtmerries over de confrontatie met het levenloze lichaam van haar broer in het mortuarium. Ook dit wordt meegenomen in de EMDR-sessies. Ook de zittingen en de confrontatie met verdachte worden als traumatisch ervaren. Hiervoor wordt de benadeelde partij eveneens bij de psycholoog behandeld. Verder wordt de benadeelde partij iedere dag nog wakker met een shockmoment dat haar broer er niet meer is.



Het hof benadrukt dat niet ter discussie staat dat het overlijden van het slachtoffer hevige emoties heeft teweeggebracht bij de benadeelde partij. Het slachtoffer was haar (grote) broer, met wie zij een goede band had en het slachtoffer lijdt zonder enige twijfel onder de gedachte dat hij door een zeer ernstig en gewelddadig misdrijf om het leven is gekomen. Uit de toelichting van mr. Pernot maar ook uit de slachtofferverklaringen, die door de benadeelde partij ter terechtzitting van de rechtbank en het hof zijn afgelegd, blijkt dat de dood van haar broer grote impact op haar heeft gehad en dat zij herbelevingen en nachtmerries heeft.



Desondanks is het hof van oordeel dat op grond van de door mr. Pernot aangevoerde omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, mede gelet op de door de Hoge Raad in een later arrest geformuleerd standpunt, in dit concrete geval niet tot toewijzing van de gevorderde schokschade gekomen kan worden. In zijn arrest van 23 april 2024 heeft de Hoge Raad met betrekking tot schokschade immers het volgende overwogen:


3.8.1 (…)

Bij schokschade in strafzaken gaat het om schade die het gevolg is van de hevige emotionele schok die is teweeggebracht door het – jegens een ander gepleegde – strafbare feit, waarbij slechts een rol kunnen spelen de omstandigheden waaronder dit feit en de confrontatie met dit feit of de gevolgen daarvan hebben plaatsgevonden. Gedragingen van de verdachte in de periode nadat dit feit is gepleegd die losstaan van het plegen van dit feit en deze confrontatie, kunnen niet worden aangemerkt als omstandigheden die relevant zijn voor het (als gevolg daarvan) ontstaan van schokschade.



Het hof is van oordeel dat de feitelijke confrontatie van de benadeelde partij met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan, beperkt is gebleven tot het gesprek met de politie en het zien van het levenloze lichaam van het slachtoffer in het mortuarium met plekken in het gelaat en letsel aan zijn handen. De herbelevingen en nachtmerries gaan met name over die momenten. Dit zijn niet zodanige omstandigheden dat in voldoende mate is onderbouwd dat zich zodanig schokkende gebeurtenissen hebben voorgedaan, dat er een recht bestaat op vergoeding van shockschade, schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok. Ook het voortdurend besef dat een dierbare is overleden, is, hoe voorstelbaar pijnlijk ook, niet een omstandigheid die het bestaan van schokschade onderbouwt.



Het hof is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de vordering ter zake schokschade onvoldoende is onderbouwd. Het heropenen van het onderzoek ter terechtzitting ten behoeve van nadere bewijsvoering dienaangaande zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Daarom wordt de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre aanbrengen bij de burgerlijke rechter.




Schadeposten 2.1. en 2.2.

Nu het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering ter zake van schokschade, is de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk in de posten ter zake (2.1.) medische kosten shockschade (€ 1.000,-) en 2.2. reis- en parkeerkosten shockschade (€ 150,-), omdat deze posten door de benadeelde partij in het bijzonder zijn opgevoerd ten titel van shockschade en zodoende in onvoldoende mate zijn onderbouwd. Het heropenen van het onderzoek ter terechtzitting ten behoeve van nadere bewijsvoering dienaangaande zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Daarom wordt de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre aanbrengen bij de burgerlijke rechter.




Conclusie

De gevorderde kosten van lijkbezorging (1.2. en 2.4.) van € 3.829,88, respectievelijk € 518,- en de kledingkosten (1.1.) van € 75,- zijn naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd, zodat in totaal een bedrag van € 4.422,88 zal worden toegewezen.



Dat deel zal door de verdachte moeten worden vergoed. De rest van de schade hoeft verdachte niet te vergoeden, omdat de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet kan worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering nog wel indienen bij de burgerlijke rechter.



Met betrekking tot het verzoek om een hogere schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor schadepost 2.4. verwijst het hof kortheidshalve naar hetgeen het hof daarover reeds heeft overwogen en herhaalt het hof zijn oordeel dat van deze mogelijkheid slechts in uitzonderlijke gevallen gebruik moet worden gemaakt en dat van een zodanig geval in deze zaak geen sprake is. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op voor het toe te wijzen bedrag van € 4.422,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum.







Wetsartikelen


De straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.



Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING




Het hof:



Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.



Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:



Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 impliciet primaire tenlastegelegde (moord) heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.



Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde (doodslag) heeft begaan.



Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.



Verklaart het onder 1 impliciet subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.



Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.



Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.




Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.





Wijst af het verzoek tot het voorbereiden of afgeven van een zorgmachtiging.



De vorderingen van de benadeelde partijen





Vordering van de benadeelde partij (de erven van) [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij (de erven van) [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade.


Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd (de erven van) [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 juni 2024.





Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 99,50 (negenennegentig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.


Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 99,50 (negenennegentig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 8 juni 2024.





Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.422,88 (vierduizend vierhonderdtweeëntwintig euro en achtentachtig cent) ter zake van materiële schade.


Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.422,88 (vierduizend vierhonderdtweeëntwintig euro en achtentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 44 (vierenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 13 augustus 2024.



Dit arrest is gewezen door mr. O.G. Schuur, mr. M. van Kuilenburg en mr. J.F.C. Schnitzler, in aanwezigheid van de griffier mr. A.C. Wormgoor en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 5 augustus 2026.






Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 5 augustus 2026.



Tegenwoordig:
mr. O.G. Schuur, voorzitter,
mr. C.C.M. Poland, advocaat-generaal,
mr. A.C. Wormgoor, griffier.



De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De benadeelde partij/nabestaande [benadeelde partij 5] is ter terechtzitting aanwezig.



De voorzitter spreekt het arrest uit.



Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.







Hoge Raad d.d. 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9105


Vgl. HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945 en HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1279


Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793


ECLI:NL:HR:2022:958


ECLI:NL:HR:2024:646