Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5124

2026-08-04 Civiel recht 200.358.783
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.358.783
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; PS-Updates.nl 2026-0367

Inhoudsindicatie

Kop-staart aanrijding. Bewijslast op achteroprijder? Invloed proces-verbaal en schade aanrijdingsformulier

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.649 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Arnhem



afdeling civiel recht



zaaknummer gerechtshof 200.358.783
zaaknummer rechtbank 11467736




arrest van 4 augustus 2026




in de zaak van






[appellante] ,

die woont in [woonplaats1] , België
advocaat: mr. M. van Bladel-Oltean



en





[geïntimeerde]

die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. R.A. van Seumeren







1Het verloop van de procedure in hoger beroep


1.1.

[appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de kantonrechter), op 2 april 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep


de memorie van grieven


de memorie van antwoord


het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 17 juni 2026 is gehouden




Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.







2De kern van de zaak


2.1.
Op 13 augustus 2022 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen twee personenauto’s. De auto van [appellante] is total loss geraakt. Zij heeft vergoeding van haar schade, bestaande uit schade aan het voertuig en de expertisekosten, gevorderd. [geïntimeerde] heeft geweigerd die schade te vergoeden, waarna [appellante] hem heeft gedagvaard voor de kantonrechter. Die heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.



2.2.
Het hof laat het vonnis van de kantonrechter in stand en licht dat hierna toe.






3De toelichting op de beslissing van het hof


3.1.
Het hof is op grond van art. 4 van de Verordening 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 (Brussel I-bis) bevoegd om van het geschil kennis te nemen.



3.2.
Op 13 augustus 2022 reed de echtgenoot van [appellante] , [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot] ), op de Rijksweg A2 komende uit de richting Amsterdam en gaande in de richting Utrecht. Ter hoogte van het tankstation Breukelen/Maarssen is hij van achteren aangereden door [geïntimeerde] . Daarbij is de auto van [appellante] total loss geraakt.



3.3.

Van het ongeval is door de politie een proces-verbaal opgemaakt. Daarin is onder meer opgenomen:

Locatie


(…)


Hectometer: 52,5 R


(…)


Toedracht


1: [geïntimeerde] , NL kenteken […]


2: [appellante] , Belgisch kenteken […]


(…)


Voor 1 reed 2 in dezelfde richting. Doordat 2 hard inremde om vermoedelijk de afrit te nemen, reed 1 in op het voertuig van 2.


Op dat moment was 1 niet in staat zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg was te overzien en waarover deze vrij was.


Hierdoor reed 1 tegen 2.


(…)


Voorlopige selectietest(en) ‘rijden onder invloed’ uitgevoerd? JA, alleen niet helder gekregen wie er gereden heeft bij beiden voertuigen. Beiden inzittenden van 1 waren onder invloed van alcohol.





3.4.

[echtgenoot] en [geïntimeerde] hebben na het ongeval een Schade Aanrijdingsformulier (SAF) ingevuld. Op de door hen gezamenlijk ingevulde en ondertekende voorkant is onder meer een tekening opgenomen:







[geïntimeerde] heeft op de voorkant van het SAF vermeld: “hij remde plotseling waardoor ik hem niet meer kon ontwijken”.




3.5.

[appellante] heeft gesteld dat [geïntimeerde] onvoldoende afstand heeft gehouden en art. 19 RVV 1990 heeft overtreden. [geïntimeerde] heeft de toedracht die door [appellante] is gesteld betwist. Hij heeft aangevoerd dat [echtgenoot] plotseling sterk remde om de afrit naar het tankstation nog te halen. Daardoor kon hij de auto van [appellante] niet meer ontwijken.



3.6.

[appellante] ziet eraan voorbij dat het enkele feit dat een achteropaanrijding plaatsvindt, niet steeds het gevolg hoeft te zijn van een overtreding van de in art. 19 RVV 1990 neergelegde regel. Indien immers een voor een auto rijdend voertuig een volkomen onverwachte manoeuvre uitvoert of een niet te verwachten beweging maakt (zoals plotseling sterk remmen) kan dat worden beschouwd als de oorzaak van de aanrijding.



3.7.
Anders dan [appellante] heeft aangevoerd rust op [geïntimeerde] dus niet zonder meer de bewijslast van zijn stelling dat hij wél voldoende afstand heeft gehouden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ligt de bewijslast bij degene die zich op de rechtsgevolgen van bepaalde feiten beroept. Dat is niet anders bij aanrijdingen zoals hier aan de orde. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen of van deze hoofdregel kan of moet worden afgeweken.



3.8.
Uit de door [echtgenoot] en [geïntimeerde] opgemaakte tekening blijkt dat de aanrijding plaatsvond vlak voor het verdrijvingsvlak dat de uitrit naar het tankstation scheidt van de hoofdrijbaan. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat [echtgenoot] sterk remde, alvorens de afrit te nemen. [echtgenoot] heeft ook verklaard dat hij op de hoofdrijbaan heeft geremd, maar dat was volgens hem gelijkmatig en niet sterk. Dat is door [geïntimeerde] gemotiveerd bestreden. Deze omstandigheden rechtvaardigen geen afwijking van de hoofdregel dat op [appellante] de bewijslast rust van de feiten waaruit de rechtsgevolgen voortvloeien.



3.9.

[appellante] heeft verder gesteld dat [echtgenoot] de Nederlandse taal niet machtig is en hulp heeft gehad bij het invullen van het SAF. Aanvankelijk heeft zij gesteld dat die werd gegeven door medewerkers van het takelbedrijf, maar op de zitting zou de politie hem hebben geholpen. Hem was de strekking van het SAF niet duidelijk. Wat hier ook van zij: op de voorzijde is door de betrokkenen samen een tekening gemaakt en is het formulier ingevuld en voor akkoord ondertekend door [echtgenoot] en [geïntimeerde] . Dat alles is door [appellante] niet bestreden. Daarbij komt dat het formulier aansluit bij het proces-verbaal van de politie. Het hof ziet niet in waarom daar geen waarde aan zou kunnen worden toegekend.



3.10.

[appellante] heeft voorts aangevoerd dat [geïntimeerde] onder invloed van alcohol heeft verkeerd. Zij beroept zich op de hiervoor onder 3.3 geciteerde passage uit het proces-verbaal van de politie. Deze passage is onvoldoende duidelijk om vast te stellen dat sprake is van overtreding van art. 8 WVW, zoals [appellante] betoogt. Het enkele feit dat vermeld wordt dat sprake is van “onder invloed van alcohol” is niet voldoende om daaruit zo’n conclusie te trekken, omdat geen vervolgonderzoek is uitgevoerd en de uitslag (P, A of F) niet is vermeld. [appellante] vermeldt verder ook niets over concrete omstandigheden die daar verder zicht op zouden geven.



3.11.

[appellante] heeft nog een bewijsaanbod gedaan, maar dat is zo algemeen dat het hof daaraan voorbij gaat. Van haar had in hoger beroep mogen worden verwacht dat zij dit behoorlijk zou specificeren. Dat heeft zij nagelaten.





De conclusie





3.12.
Uit het bovenstaande volgt dat de bezwaren van [appellante] tegen het vonnis van de kantonrechter niet slagen. Omdat [appellante] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.






4De beslissing


Het hof:



4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 2 april 2025;



4.2.

veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 362,- aan griffierecht
€ 1.824,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief I)




4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag.



Dit arrest is gewezen door mrs. J. Sap, G.J. Meijer en J.C.J. Dute, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.






HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1065.


HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.