Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:4983
2026-07-30
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.347.485
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verrekening vermogen op grond van partnerschapsvoorwaarden. Uitleg partnerschapsbepaling van wat tot de finale verrekening behoort en wat daar niet toe behoort, aan de hand van bedoeling van partijen, hun gedragingen en wat zij van elkaar mochten verwachten. Waarde panden schattenderwijs vastgesteld, nu geen van partijen taxatierapporten in het geding heeft gebracht. Verrekenvordering vastgesteld. Ook berekend wat een ieder verkrijgt uit de eenvoudige gemeenschappen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2011:BU6591 Hoge Raad 02-12-2011
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.764 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.347.485/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, 556989)
beschikking van 30 juli 2026
inzake
[verzoeker] (de man)
die woont in [woonplaats1]advocaat: mr. F. Ettaia
en
[verweerster] (de vrouw)
die woont in [gemeentenaam] , [woonplaats2] (Spanje)
advocaat: mr. T.J. Backx
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Voor het verloop van het geding verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 12 mei 2026. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de aktes van beide partijen van 30 juni 2026 met een verrekenstaat en nadere producties en de antwoordaktes van 15 juli 2026 met producties.
2Het oordeel van het hof
procesrechtelijk
2.1.
Op grond van artikel 347 lid 1 Rv moeten in hoger beroep alle verzoeken en de gronden waarop zij berusten in één schriftelijk stuk worden geconcentreerd. Volgens de man breidt de vrouw het debat met haar aktes uit. Het hof volgt de man in zijn bezwaar niet. Wat de vrouw stelt ligt in het verlengde van het debat van partijen en de aangevoerde grieven. Ook wettelijke rente is door de vrouw in haar eerste schriftelijke stuk reeds verzocht. Het hof zal dus op het oorspronkelijke verzoek van de vrouw beslissen.
tussenbeschikking en akten
2.2.
Bij de tussenbeschikking van 12 mei 2026 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld een verrekenstaat in het geding te brengen met daarin ieders te verrekenen vermogen en het hof te informeren over de uitkomst van de berekening. Verder heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunt ten aanzien van de verrekenstaat van de ander en de berekening van de variabele vergoeding aan het hof kenbaar te maken. Daartoe is iedere verdere beslissing aangehouden.
2.3.
Bij akte en antwoordakte concludeert de man dat hij nog aan de vrouw moet voldoen € 126.751. De vrouw concludeert bij antwoordakte dat de man binnen twee weken na de eindbeschikking € 845.178,22 aan haar moet voldoen, ter vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2025 tot aan de dag dat geheel is betaald. Beiden hebben een verrekenstaat/verrekenstaten in het geding gebracht.
uitgangspunten
2.4.
Het hof zal afzonderlijk beslissen ter zake van het te verrekenen vermogen op grond van de partnerschapsvoorwaarden en de financiële gevolgen van de door partijen zelf al tot stand gebrachte verdeling van de eenvoudige gemeenschappen. De redenen daarvoor zijn:
1. omdat de eenvoudige gemeenschappen al zijn verdeeld (de woning in Nederland is aan de man toegedeeld en geleverd en de woning in Spanje is aan (een) derde(n) verkocht en geleverd) waarvan de opbrengst tussen partijen is verdeeld, en
2. het hof niet bekend is met de waarde op de peildatum voor de verrekening van deze eenvoudige gemeenschappen (woningen en schulden en vergoedingsvorderingen).
Samen vormt dat de reden om de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen en de uitkomst daarvan niet in de verrekenstaat op/mee te nemen.
verrekening vermogen op grond van partnerschapsvoorwaarden
2.5.
Het hof heeft in de tussenbeschikking van 12 mei 2026 geoordeeld dat op grond van de uitleg van artikel 6 lid 6 derde opsommingsteken van de partnerschapsvoorwaarden duidelijk was dat, gelet op de bedoeling van partijen, hun gedragingen en wat zij van elkaar mochten verwachten, de aandelen in [naam1] B.V. niet buiten de finale verrekening vallen (r.o. 2.7). Ook heeft het hof geoordeeld dat de tandartspraktijk en haar deelnemingen ( [tandartspraktijk1] B.V., [tandartspraktijk2] B.V. en [tandartspraktijk3] B.V.) uitgezonderd zijn van de verrekening (r.o. 2.7). Het pand [naam2] met een waardevermeerdering van € 117.250 moet aan de zijde van de man in de verrekening worden betrokken (r.o. 2.8) en de parkeerplaats [naam3] met een waarde van € 24.000 (r.o. 2.9). Geconcludeerd is dat ieders grief (grief 7 van de man en grief 5 van de vrouw) voor een deel slaagt en voor een deel faalt, dat grief 6 van de man faalt en bespreking van grieven 2, 3 en 7 van de vrouw achterwege kan blijven. Kortom, slechts de aandelen in [naam1] B.V., waartoe de man indirect is gerechtigd, behoren tot de verrekening. De tandartspraktijk en haar andere deelnemingen zijn van verrekening uitgezonderd. De vrouw gaat in haar aktes dus uit van een onjuist uitgangspunt.
2.6.
Onder r.o. 2.11 heeft het hof geoordeeld dat zowel de lening van partijen bij [naam4] BV (krachtens overeenkomst) als de rekening-courantschuld (krachtens verrekening) voor rekening van partijen komt, ieder voor de helft en dat dit betekent dat grief 5 van de man slaagt en grief 4 van de vrouw faalt.
2.7.
In geschil is voor welk bedrag de waarde van de aandelen in [naam1] B.V. in de verrekening meedoet. De man heeft een rapport van Santax (productie 224) in het geding gebracht. Vanaf pagina 7 wordt de waarde van de deelneming [naam1] B.V. per 31 december 2022 met de volgende cijfers onderbouwd:
“Ten aanzien van de panden in [naam1] B.v. heeft de man aangegeven dat de gehanteerde waarden van al het OG in verhuurde staat per 31 december 2022 € 2.481.000 bedraagt.
De boekwaarde per 31-12-2022 van deze panden is € 2.275.304.
Derhalve is de meerwaarde (€ 2.481.000 -/- € 2.275.304 =) € 205.696 waarbij nog rekening moet worden gehouden met een VPB latentie over de meerwaarde.
Er is gerekend met een nominale VPB latentie van 19% tot € 200.000 en 25,% over het meerdere, conform de heer [naam5] .
De VPB latentie bedraagt € 39.470, zijnde € 200.000 x 19% + 5.696 x 25,8%.
De waarde (inclusief meerwaarde OG) van de deelneming [naam1] B.V. per 31.12.2022 geeft derhalve de volgende uitkomst:
(…)
Eigen Vermogen waarde aandelen [naam1] B.V. per ultimo 2022 845.477
Meerwaarde panden (€ 2.481.000 - € 2.275.304) 205.696
VPB over meerwaarde panden (tarief 2023) - 39.470 _______
1.011.703
________
Te verrekenen waarde
1.011.703
Af: inkomstenbelasting Box 2 (tarief 2023) -272.148
________
Netto in privé te verrekenen waarde 739.555”
2.8.
De vrouw is het daar niet mee eens. Dat het eigen vermogen van [naam1] B.V. op de balans van [naam4] B.V. € 845.477 is, is tussen partijen niet in geschil. Het geschil betreft de omvang van de stille reserve. Waar de man uitgaat van een werkelijke waarde van € 2.481.000 en dus van een stille reserve van € 205.696, gaat de vrouw uit van een werkelijke waarde € 2.810.000 en dus van een stille reserve van € 534.696. De man heeft de appartementen niet laten taxeren en ook is hij uitgegaan van een waarde in verhuurde staat. Ook daar is de vrouw het niet mee eens. Het hof moet volgens de vrouw dan ook uitgaan van € 2.810.000, subsidiair van de WOZ-waarden van de panden per 1 januari 2023 van € 2.771.000.
2.9.
Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt vormt dus het eigen vermogen van [naam1] B.V. van € 845.477 eind 2022. Omdat geen van partijen taxatierapporten per peildatum heeft ingebracht berekent het hof de stille reserve in de verhuurde panden schattenderwijs op € 370.196, te weten het gemiddelde van € 205.696 en € 534.696. Verder houdt het hof rekening met de latente VPB over de meerwaarde van de panden volgens het tarief in 2023, zijnde € 81.910 (19% over € 200.000 = € 38.000 en 25,8% over € 170.196 = € 43.910),
De te verrekenen waarde wordt aldus € 1.133.763, minus inkomstenbelasting Box 2 tarief 2023, zijnde € 304.982 (26,9% x € 1.133.763). Het hof berekent dus de te verrekenen waarde van de aandelen in [naam1] B.V. op € 828.781 (€ 1.133.763 -/- € 304.982).
recapitulerend
2.10.
Het hof komt tot de volgende opstelling van ieders te verrekenen vermogen per 16 februari 2023.
2.11.
Aan de zijde van de man zijn dat de volgende goederen:
- de aandelen in [naam1] B.V. met een waarde van € 828.781 (zie r.o. 2.9)
- de saldi bankrekeningen € 2.096,72
- het pand [naam2] € 117.250
- de parkeerplaats [naam3] € 24.000,
en de volgende schulden:
- aandeel van de man in de lening van [naam4] B.V. € 145.000
- aandeel van de man in de schuld in rekening-courant € 86.291,40,
Totaal € 740.836,32.
2.12.
Aan de zijde van de vrouw is dat:
- het saldo van haar bankrekening € 16.670,72,
en de schulden:
- aandeel van de vrouw in de lening [naam4] B.V. € 145.000
- aandeel van de vrouw in de schuld in rekening-courant € 86.291,40,
Totaal € 214.620,68 in debet.
2.13.
Uit hoofde van verrekening moet de man € 477.728,50 aan de vrouw voldoen. Na voormelde uitkering is het resultaat van ieders vermogen in het kader van de verrekening van de partnerschapsvoorwaarden (artikel 6 sub 6) gelijk aan de helft van de gezamenlijke vermogens.
wettelijke rente
2.14.
Met de aard van dit beding en deze maatstaven strookt het om wat betreft het tijdstip van ontstaan van de vordering uit de finale verrekenplicht, zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de oorspronkelijke partijbedoeling. Mede gelet op artikel 1:141 lid 2 BW moet daarom worden aangenomen dat deze vordering in beginsel ontstaat op het in artikel 1:142 lid 1, aanhef en onder b, BW vermelde tijdstip waarop (behoudens andersluidende afspraken) ook de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen worden bepaald, namelijk het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding. Gezien artikel 6:38 BW is deze vordering opeisbaar geworden op het moment van haar ontstaan. Daaraan doet niet af dat de omvang van de vordering op dat moment nog niet bekend is, nu een vordering ook opeisbaar kan zijn indien haar omvang nog niet is vastgesteld (HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6591, r.o. 3.5.2.). De man is dan ook aan de vrouw wettelijke rente verschuldigd vanaf zoals zij heeft verzocht 13 februari 2025 totdat geheel is betaald.
eenvoudige gemeenschappen
2.15.
Ter zake van de eenvoudige gemeenschappen en eventuele vergoedingsrechten heeft het hof het volgende in de tussenbeschikking van 12 mei 2026 geoordeeld. Voor wat betreft de waarde van de woning in [woonplaats1] is het hof op grond van het rapport van 23 augustus 2024 uitgegaan van een waarde van € 1.800.000 (r.o. 2.12), heeft voorts geoordeeld dat de man zijn vergoedingsrechten in verband met vermogensverschuivingen ook in hoger beroep niet inzichtelijk heeft gemaakt (2.13), dat de vrouw haar vergoedingsrecht van € 97.531,23 heeft aangetoond (r.o. 2.13) en de man zijn medewerking moet verlenen aan uitbetaling van de gelden die nu nog in depot staan (r.o. 2.14). Tot slot is geoordeeld dat voor wat betreft de woning in Spanje niet langer in geschil is dat de privéinvestering van de man van € 100.000 verrekend had moeten worden met de gelden in depot van de woning (r.o. 2.15), aan de man ter zake van deze privéinvestering een variabele vergoeding toekomt en hij het hof moet informeren over de uitkomst daarvan (het uit het vermogen van de man voldane bedrag van € 100.000, de waarde van de woning op het tijdstip van voldoening en de verkoopsom) r.o. 2.16).
Deze onderdelen hebben ertoe geleid dat grieven 1, 2 en 3 van de man falen, zijn grief 4 geen inhoudelijke bespreking (meer) behoeft, grief 1 van de vrouw slaagt, haar grief 4 faalt en het hof niet toekomt aan beoordeling van de voorwaardelijke grief 6 van de vrouw.
2.16.
De woning in Nederland is aan de man toegedeeld en ook notarieel geleverd. De waarde per peildatum is vastgesteld op € 1.800.000, de hypothecaire geldleningen bedroegen toen € 905.088 en € 58.460, zodat resteert € 836.452. Daarop strekt in mindering het vergoedingsrecht van de vrouw van € 97.531,23 (zie r.o. 2.13 van de tussenbeschikking van 12 mei 2026) en niet een variabele vergoeding zoals de vrouw die voorstaat van € 102.000. Omdat de man zijn vergoedingsrechten in verband met de woning in Nederland niet heeft aangetoond, komt het hof niet toe aan het toerekenen van een voorwaardelijk verzochte variabele vergoeding van de vrouw. Alsdan resteert € 738.920,77, aldus € 369.460,38 per persoon. De vrouw is nog € 12.675,85 aan de man verschuldigd van door haar te vergoeden aflossingen hypotheek. Zij heeft dus recht op € 356.784,53. Nu zij reeds € 300.000 heeft ontvangen, moet de man nog aan haar vergoeden € 56.784,53 + € 97.531,23 = € 154.315,76. Het bedrag bij de notaris in depot bedraagt € 161.278. Daarvan komt € 154.315,76 toe aan de vrouw. Het restbedrag in depot van € 6.962,24 komt aan de man toe. Het hof zal zoals de vrouw heeft verzocht bepalen dat partijen gerechtigd zijn tot de renteopbrengsten over het depotbedrag in de verhouding 40% man en 60% vrouw en dat de man de kosten van de depotovereenkomst en de administratiekosten van de notaris moet dragen overeenkomstig artikel 7 van de depotovereenkomst (door de vrouw in het geding gebracht als productie HB2). Bij gebreke van een definitieve notariële afrekening kan het hof geen beslissing nemen op het verzoek van de man om de notariële kosten door partijen bij helfte te laten dragen. De man stelt dat de afrekening die partijen hebben ontvangen niet juist is. Zonder eindafrekening valt dat voor het hof niet te controleren.
2.17.
De verkoopopbrengst van de woning in Spanje is na verkoop en levering van de woning aan (een) derde(n) reeds feitelijk verdeeld. De verkoopopbrengst van de woning bedroeg € 680.000. Op de verkoopopbrengst zijn toen de volgende kosten in mindering gebracht: de hypothecaire aflossing van € 319.988,38, de kosten notaris van € 1.200, de gemeentelijke belastingen en de openstaande lasten van € 800 en de makelaarskosten van € 29.039. De netto verkoopopbrengst bedroeg € 328.972,62. De man is te laat met het verzoeken van een correctie op die verdeling ter zake van de kosten van de Spaanse belasting en de kosten Aliaga. Die correctie past het hof daarom niet toe. De man heeft nog wel recht op een variabele vergoeding, zie de tussenbeschikking van 12 mei 2026, r.o. 2.16. Het hof stelt de variabele vergoeding vast (afrondend) op € 130.000. De vrouw is dan ook nog € 65.000 aan de man verschuldigd (de som: € 328.972,62 -/- € 130.000 = € 198,972,62 / 2 = € 99.486,31 + € 130.000 = € 229.486,31) (controlesom: € 328.972,62 / 2 = € 164.486,31 + € 65.000).
conclusie
2.18.
Het hof zal beslissen zoals hiervoor is overwogen en het meer of anders verzochte afwijzen. Het hof zal de kosten van de procedure compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten moet dragen.
3De beslissing
Het hof:
3.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 19 juli 2024 voor zover deze aan het hof voorligt en beslist aanvullend:
in het kader van verrekening
3.2.
bepaalt dat de man binnen 14 dagen na heden € 477.728,50 aan de vrouw moet voldoen (r.o. 2.13), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2025 tot de dag der algehele voldoening (r.o. 2.14),
in het kader van verdeling van de eenvoudige gemeenschappen
3.3.
verklaart voor recht dat uit het depot bij de notaris aan de vrouw toekomt € 154.315,76 en aan de man € 6.962,24 en bepaalt dat partijen gerechtigd zijn tot de renteopbrengsten over het depotbedrag in de verhouding 40% man en 60% vrouw en dat de man de kosten van de depotovereenkomst en de administratiekosten van de notaris moet dragen overeenkomstig artikel 7 van de depotovereenkomst (r.o. 2.16),
3.4.
bepaalt dat de vrouw binnen 14 dagen na heden € 65.000 aan de man moet voldoen (r.o. 2.17),
3.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt, en
3.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, J.H. Lieber en L. Hamer, bijgestaan door mr. G.J. Heuvelink als griffier, en is op 30 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.347.485/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, 556989)
beschikking van 30 juli 2026
inzake
[verzoeker] (de man)
die woont in [woonplaats1]advocaat: mr. F. Ettaia
en
[verweerster] (de vrouw)
die woont in [gemeentenaam] , [woonplaats2] (Spanje)
advocaat: mr. T.J. Backx
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Voor het verloop van het geding verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 12 mei 2026. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de aktes van beide partijen van 30 juni 2026 met een verrekenstaat en nadere producties en de antwoordaktes van 15 juli 2026 met producties.
2Het oordeel van het hof
procesrechtelijk
2.1.
Op grond van artikel 347 lid 1 Rv moeten in hoger beroep alle verzoeken en de gronden waarop zij berusten in één schriftelijk stuk worden geconcentreerd. Volgens de man breidt de vrouw het debat met haar aktes uit. Het hof volgt de man in zijn bezwaar niet. Wat de vrouw stelt ligt in het verlengde van het debat van partijen en de aangevoerde grieven. Ook wettelijke rente is door de vrouw in haar eerste schriftelijke stuk reeds verzocht. Het hof zal dus op het oorspronkelijke verzoek van de vrouw beslissen.
tussenbeschikking en akten
2.2.
Bij de tussenbeschikking van 12 mei 2026 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld een verrekenstaat in het geding te brengen met daarin ieders te verrekenen vermogen en het hof te informeren over de uitkomst van de berekening. Verder heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunt ten aanzien van de verrekenstaat van de ander en de berekening van de variabele vergoeding aan het hof kenbaar te maken. Daartoe is iedere verdere beslissing aangehouden.
2.3.
Bij akte en antwoordakte concludeert de man dat hij nog aan de vrouw moet voldoen € 126.751. De vrouw concludeert bij antwoordakte dat de man binnen twee weken na de eindbeschikking € 845.178,22 aan haar moet voldoen, ter vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2025 tot aan de dag dat geheel is betaald. Beiden hebben een verrekenstaat/verrekenstaten in het geding gebracht.
uitgangspunten
2.4.
Het hof zal afzonderlijk beslissen ter zake van het te verrekenen vermogen op grond van de partnerschapsvoorwaarden en de financiële gevolgen van de door partijen zelf al tot stand gebrachte verdeling van de eenvoudige gemeenschappen. De redenen daarvoor zijn:
1. omdat de eenvoudige gemeenschappen al zijn verdeeld (de woning in Nederland is aan de man toegedeeld en geleverd en de woning in Spanje is aan (een) derde(n) verkocht en geleverd) waarvan de opbrengst tussen partijen is verdeeld, en
2. het hof niet bekend is met de waarde op de peildatum voor de verrekening van deze eenvoudige gemeenschappen (woningen en schulden en vergoedingsvorderingen).
Samen vormt dat de reden om de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen en de uitkomst daarvan niet in de verrekenstaat op/mee te nemen.
verrekening vermogen op grond van partnerschapsvoorwaarden
2.5.
Het hof heeft in de tussenbeschikking van 12 mei 2026 geoordeeld dat op grond van de uitleg van artikel 6 lid 6 derde opsommingsteken van de partnerschapsvoorwaarden duidelijk was dat, gelet op de bedoeling van partijen, hun gedragingen en wat zij van elkaar mochten verwachten, de aandelen in [naam1] B.V. niet buiten de finale verrekening vallen (r.o. 2.7). Ook heeft het hof geoordeeld dat de tandartspraktijk en haar deelnemingen ( [tandartspraktijk1] B.V., [tandartspraktijk2] B.V. en [tandartspraktijk3] B.V.) uitgezonderd zijn van de verrekening (r.o. 2.7). Het pand [naam2] met een waardevermeerdering van € 117.250 moet aan de zijde van de man in de verrekening worden betrokken (r.o. 2.8) en de parkeerplaats [naam3] met een waarde van € 24.000 (r.o. 2.9). Geconcludeerd is dat ieders grief (grief 7 van de man en grief 5 van de vrouw) voor een deel slaagt en voor een deel faalt, dat grief 6 van de man faalt en bespreking van grieven 2, 3 en 7 van de vrouw achterwege kan blijven. Kortom, slechts de aandelen in [naam1] B.V., waartoe de man indirect is gerechtigd, behoren tot de verrekening. De tandartspraktijk en haar andere deelnemingen zijn van verrekening uitgezonderd. De vrouw gaat in haar aktes dus uit van een onjuist uitgangspunt.
2.6.
Onder r.o. 2.11 heeft het hof geoordeeld dat zowel de lening van partijen bij [naam4] BV (krachtens overeenkomst) als de rekening-courantschuld (krachtens verrekening) voor rekening van partijen komt, ieder voor de helft en dat dit betekent dat grief 5 van de man slaagt en grief 4 van de vrouw faalt.
2.7.
In geschil is voor welk bedrag de waarde van de aandelen in [naam1] B.V. in de verrekening meedoet. De man heeft een rapport van Santax (productie 224) in het geding gebracht. Vanaf pagina 7 wordt de waarde van de deelneming [naam1] B.V. per 31 december 2022 met de volgende cijfers onderbouwd:
“Ten aanzien van de panden in [naam1] B.v. heeft de man aangegeven dat de gehanteerde waarden van al het OG in verhuurde staat per 31 december 2022 € 2.481.000 bedraagt.
De boekwaarde per 31-12-2022 van deze panden is € 2.275.304.
Derhalve is de meerwaarde (€ 2.481.000 -/- € 2.275.304 =) € 205.696 waarbij nog rekening moet worden gehouden met een VPB latentie over de meerwaarde.
Er is gerekend met een nominale VPB latentie van 19% tot € 200.000 en 25,% over het meerdere, conform de heer [naam5] .
De VPB latentie bedraagt € 39.470, zijnde € 200.000 x 19% + 5.696 x 25,8%.
De waarde (inclusief meerwaarde OG) van de deelneming [naam1] B.V. per 31.12.2022 geeft derhalve de volgende uitkomst:
(…)
Eigen Vermogen waarde aandelen [naam1] B.V. per ultimo 2022 845.477
Meerwaarde panden (€ 2.481.000 - € 2.275.304) 205.696
VPB over meerwaarde panden (tarief 2023) - 39.470 _______
1.011.703
________
Te verrekenen waarde
1.011.703
Af: inkomstenbelasting Box 2 (tarief 2023) -272.148
________
Netto in privé te verrekenen waarde 739.555”
2.8.
De vrouw is het daar niet mee eens. Dat het eigen vermogen van [naam1] B.V. op de balans van [naam4] B.V. € 845.477 is, is tussen partijen niet in geschil. Het geschil betreft de omvang van de stille reserve. Waar de man uitgaat van een werkelijke waarde van € 2.481.000 en dus van een stille reserve van € 205.696, gaat de vrouw uit van een werkelijke waarde € 2.810.000 en dus van een stille reserve van € 534.696. De man heeft de appartementen niet laten taxeren en ook is hij uitgegaan van een waarde in verhuurde staat. Ook daar is de vrouw het niet mee eens. Het hof moet volgens de vrouw dan ook uitgaan van € 2.810.000, subsidiair van de WOZ-waarden van de panden per 1 januari 2023 van € 2.771.000.
2.9.
Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt vormt dus het eigen vermogen van [naam1] B.V. van € 845.477 eind 2022. Omdat geen van partijen taxatierapporten per peildatum heeft ingebracht berekent het hof de stille reserve in de verhuurde panden schattenderwijs op € 370.196, te weten het gemiddelde van € 205.696 en € 534.696. Verder houdt het hof rekening met de latente VPB over de meerwaarde van de panden volgens het tarief in 2023, zijnde € 81.910 (19% over € 200.000 = € 38.000 en 25,8% over € 170.196 = € 43.910),
De te verrekenen waarde wordt aldus € 1.133.763, minus inkomstenbelasting Box 2 tarief 2023, zijnde € 304.982 (26,9% x € 1.133.763). Het hof berekent dus de te verrekenen waarde van de aandelen in [naam1] B.V. op € 828.781 (€ 1.133.763 -/- € 304.982).
recapitulerend
2.10.
Het hof komt tot de volgende opstelling van ieders te verrekenen vermogen per 16 februari 2023.
2.11.
Aan de zijde van de man zijn dat de volgende goederen:
- de aandelen in [naam1] B.V. met een waarde van € 828.781 (zie r.o. 2.9)
- de saldi bankrekeningen € 2.096,72
- het pand [naam2] € 117.250
- de parkeerplaats [naam3] € 24.000,
en de volgende schulden:
- aandeel van de man in de lening van [naam4] B.V. € 145.000
- aandeel van de man in de schuld in rekening-courant € 86.291,40,
Totaal € 740.836,32.
2.12.
Aan de zijde van de vrouw is dat:
- het saldo van haar bankrekening € 16.670,72,
en de schulden:
- aandeel van de vrouw in de lening [naam4] B.V. € 145.000
- aandeel van de vrouw in de schuld in rekening-courant € 86.291,40,
Totaal € 214.620,68 in debet.
2.13.
Uit hoofde van verrekening moet de man € 477.728,50 aan de vrouw voldoen. Na voormelde uitkering is het resultaat van ieders vermogen in het kader van de verrekening van de partnerschapsvoorwaarden (artikel 6 sub 6) gelijk aan de helft van de gezamenlijke vermogens.
wettelijke rente
2.14.
Met de aard van dit beding en deze maatstaven strookt het om wat betreft het tijdstip van ontstaan van de vordering uit de finale verrekenplicht, zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de oorspronkelijke partijbedoeling. Mede gelet op artikel 1:141 lid 2 BW moet daarom worden aangenomen dat deze vordering in beginsel ontstaat op het in artikel 1:142 lid 1, aanhef en onder b, BW vermelde tijdstip waarop (behoudens andersluidende afspraken) ook de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen worden bepaald, namelijk het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding. Gezien artikel 6:38 BW is deze vordering opeisbaar geworden op het moment van haar ontstaan. Daaraan doet niet af dat de omvang van de vordering op dat moment nog niet bekend is, nu een vordering ook opeisbaar kan zijn indien haar omvang nog niet is vastgesteld (HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6591, r.o. 3.5.2.). De man is dan ook aan de vrouw wettelijke rente verschuldigd vanaf zoals zij heeft verzocht 13 februari 2025 totdat geheel is betaald.
eenvoudige gemeenschappen
2.15.
Ter zake van de eenvoudige gemeenschappen en eventuele vergoedingsrechten heeft het hof het volgende in de tussenbeschikking van 12 mei 2026 geoordeeld. Voor wat betreft de waarde van de woning in [woonplaats1] is het hof op grond van het rapport van 23 augustus 2024 uitgegaan van een waarde van € 1.800.000 (r.o. 2.12), heeft voorts geoordeeld dat de man zijn vergoedingsrechten in verband met vermogensverschuivingen ook in hoger beroep niet inzichtelijk heeft gemaakt (2.13), dat de vrouw haar vergoedingsrecht van € 97.531,23 heeft aangetoond (r.o. 2.13) en de man zijn medewerking moet verlenen aan uitbetaling van de gelden die nu nog in depot staan (r.o. 2.14). Tot slot is geoordeeld dat voor wat betreft de woning in Spanje niet langer in geschil is dat de privéinvestering van de man van € 100.000 verrekend had moeten worden met de gelden in depot van de woning (r.o. 2.15), aan de man ter zake van deze privéinvestering een variabele vergoeding toekomt en hij het hof moet informeren over de uitkomst daarvan (het uit het vermogen van de man voldane bedrag van € 100.000, de waarde van de woning op het tijdstip van voldoening en de verkoopsom) r.o. 2.16).
Deze onderdelen hebben ertoe geleid dat grieven 1, 2 en 3 van de man falen, zijn grief 4 geen inhoudelijke bespreking (meer) behoeft, grief 1 van de vrouw slaagt, haar grief 4 faalt en het hof niet toekomt aan beoordeling van de voorwaardelijke grief 6 van de vrouw.
2.16.
De woning in Nederland is aan de man toegedeeld en ook notarieel geleverd. De waarde per peildatum is vastgesteld op € 1.800.000, de hypothecaire geldleningen bedroegen toen € 905.088 en € 58.460, zodat resteert € 836.452. Daarop strekt in mindering het vergoedingsrecht van de vrouw van € 97.531,23 (zie r.o. 2.13 van de tussenbeschikking van 12 mei 2026) en niet een variabele vergoeding zoals de vrouw die voorstaat van € 102.000. Omdat de man zijn vergoedingsrechten in verband met de woning in Nederland niet heeft aangetoond, komt het hof niet toe aan het toerekenen van een voorwaardelijk verzochte variabele vergoeding van de vrouw. Alsdan resteert € 738.920,77, aldus € 369.460,38 per persoon. De vrouw is nog € 12.675,85 aan de man verschuldigd van door haar te vergoeden aflossingen hypotheek. Zij heeft dus recht op € 356.784,53. Nu zij reeds € 300.000 heeft ontvangen, moet de man nog aan haar vergoeden € 56.784,53 + € 97.531,23 = € 154.315,76. Het bedrag bij de notaris in depot bedraagt € 161.278. Daarvan komt € 154.315,76 toe aan de vrouw. Het restbedrag in depot van € 6.962,24 komt aan de man toe. Het hof zal zoals de vrouw heeft verzocht bepalen dat partijen gerechtigd zijn tot de renteopbrengsten over het depotbedrag in de verhouding 40% man en 60% vrouw en dat de man de kosten van de depotovereenkomst en de administratiekosten van de notaris moet dragen overeenkomstig artikel 7 van de depotovereenkomst (door de vrouw in het geding gebracht als productie HB2). Bij gebreke van een definitieve notariële afrekening kan het hof geen beslissing nemen op het verzoek van de man om de notariële kosten door partijen bij helfte te laten dragen. De man stelt dat de afrekening die partijen hebben ontvangen niet juist is. Zonder eindafrekening valt dat voor het hof niet te controleren.
2.17.
De verkoopopbrengst van de woning in Spanje is na verkoop en levering van de woning aan (een) derde(n) reeds feitelijk verdeeld. De verkoopopbrengst van de woning bedroeg € 680.000. Op de verkoopopbrengst zijn toen de volgende kosten in mindering gebracht: de hypothecaire aflossing van € 319.988,38, de kosten notaris van € 1.200, de gemeentelijke belastingen en de openstaande lasten van € 800 en de makelaarskosten van € 29.039. De netto verkoopopbrengst bedroeg € 328.972,62. De man is te laat met het verzoeken van een correctie op die verdeling ter zake van de kosten van de Spaanse belasting en de kosten Aliaga. Die correctie past het hof daarom niet toe. De man heeft nog wel recht op een variabele vergoeding, zie de tussenbeschikking van 12 mei 2026, r.o. 2.16. Het hof stelt de variabele vergoeding vast (afrondend) op € 130.000. De vrouw is dan ook nog € 65.000 aan de man verschuldigd (de som: € 328.972,62 -/- € 130.000 = € 198,972,62 / 2 = € 99.486,31 + € 130.000 = € 229.486,31) (controlesom: € 328.972,62 / 2 = € 164.486,31 + € 65.000).
conclusie
2.18.
Het hof zal beslissen zoals hiervoor is overwogen en het meer of anders verzochte afwijzen. Het hof zal de kosten van de procedure compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten moet dragen.
3De beslissing
Het hof:
3.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 19 juli 2024 voor zover deze aan het hof voorligt en beslist aanvullend:
in het kader van verrekening
3.2.
bepaalt dat de man binnen 14 dagen na heden € 477.728,50 aan de vrouw moet voldoen (r.o. 2.13), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2025 tot de dag der algehele voldoening (r.o. 2.14),
in het kader van verdeling van de eenvoudige gemeenschappen
3.3.
verklaart voor recht dat uit het depot bij de notaris aan de vrouw toekomt € 154.315,76 en aan de man € 6.962,24 en bepaalt dat partijen gerechtigd zijn tot de renteopbrengsten over het depotbedrag in de verhouding 40% man en 60% vrouw en dat de man de kosten van de depotovereenkomst en de administratiekosten van de notaris moet dragen overeenkomstig artikel 7 van de depotovereenkomst (r.o. 2.16),
3.4.
bepaalt dat de vrouw binnen 14 dagen na heden € 65.000 aan de man moet voldoen (r.o. 2.17),
3.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt, en
3.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, J.H. Lieber en L. Hamer, bijgestaan door mr. G.J. Heuvelink als griffier, en is op 30 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.