Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:4550

2026-07-14 Civiel recht 200.356.219/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-07-14
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.356.219/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Geschil naar aanleiding van een contractteeltovereenkomst die zag op de teelt van tulpenbollen. Niet aannemelijk is geworden dat de contractteler de bollen niet of niet deugdelijk heeft bespoten met een insecticide tegen tulpengalmijt. De vorderingen van de opdrachtgever zijn daarom afgewezen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (52.495 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Leeuwarden



afdeling civiel recht



zaaknummer gerechtshof 200.356.219/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, 552748




arrest van 14 juli 2026




in de zaak van





[appellant] B.V.,
ook handelende onder de naam [appellant],
gevestigd in [vestigingsplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en die bij de rechtbank optrad als eiseres,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. M.G. Jansen,



en





1 [geintimeerde1] ,
die is gevestigd in [vestigingsplaats1] ,

2. [geintimeerde2],
die woont in [woonplaats] ,

3. [geintimeerde3],

die woont in [woonplaats] ,
die tezamen voorwaardelijk hoger beroep hebben ingesteld,
en die bij de rechtbank optraden als gedaagden,
hierna: [geïntimeerden],
advocaat: mr. L. Koning.






1Het verloop van de procedure in hoger beroep



[appellant] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die op 13 maart 2024 en 12 maart 2025 tussen partijen zijn uitgesproken door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven (met producties)
• de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (met producties)
• de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (met productie)
• een akte uitlating productie na antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [geïntimeerden]
• het verslag van de mondelinge behandeling die op 21 mei 2026 is gehouden (het proces-verbaal).



Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.





2Waar gaat deze zaak over?


2.1

[appellant] handelt in bloemen en bloembollen. [geïntimeerden] teelden onder meer bloembollen en hebben op basis van een contractteeltovereenkomst tulpenbollen van het ras ‘Yellow Flight’ voor [appellant] geteeld. Uit de overeenkomst tussen partijen vloeide voort dat op [geïntimeerden] de verplichting rustte zorg te dragen voor gewasbescherming. Deze verplichting bracht onder meer met zich mee dat [geïntimeerden] een gewasbeschermingsmiddel dienden te gebruiken met de werkzame stof Spirotetramat om aantasting van de bollen met tulpengalmijt te voorkomen. [appellant] verwijt [geïntimeerden] dat zij de bollen niet of niet op de juiste wijze hebben bespoten met een middel dat Spirotetramat bevat omdat tulpenbollen met tulpengalmijt besmet zijn geraakt. Hierdoor zijn [geïntimeerden] volgens [appellant] toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst. [appellant] heeft de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en vordert ongedaanmaking van de betalingsverplichtingen en schadevergoeding.



2.2

[appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat [geïntimeerden] hoofdelijk worden veroordeeld tot:
I. terugbetaling van € 36.612 aan teeltkosten en beregeningskosten,
II. betaling van € 116.300 als vergoeding van de schade die het gevolg is van de
vernietiging van de leverbare bollen,
III. betaling van € 40.300 als vergoeding van de schade die het gevolg is van de
vernietiging van het plantgoed,
IV. betaling van een vergoeding van € 32.220 voor de kosten die tevergeefs zijn
gemaakt voor het planten van het plantgoed,
V. betaling van rente en de proceskosten.




2.3
De rechtbank heeft na een tussenvonnis, waarin een bewijsopdracht aan [appellant] is gegeven en na getuigenverhoor, de vorderingen bij eindvonnis afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. Daartoe heeft zij in totaal dertien grieven (bezwaren) geformuleerd tegen de twee vonnissen. [appellant] heeft in hoger beroep haar eis gewijzigd in die zin dat zij nu ook vordert, voor zover het hof niet in staat is de schade te begroten, de zaak door te verwijzen naar de schadestaatprocedure. Tegen deze eiswijziging hebben [geïntimeerden] geen bezwaar gemaakt en het hof ziet ook ambtshalve geen bezwaren tegen de wijziging, zodat recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.



2.4

[geïntimeerden] hebben ook hoger beroep ingesteld. Dat hebben ze gedaan onder de voorwaarde dat de grieven (bezwaren) van [appellant] slagen. [geïntimeerden] hebben drie voorwaardelijke grieven geformuleerd. De bedoeling van dit voorwaardelijk (incidenteel) hoger beroep is dat ook wanneer de grieven van [appellant] zouden slagen, haar vorderingen desalniettemin moeten worden afgewezen.



2.5

Het hof zal beslissen dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Het voorwaardelijk ingestelde hoger beroep van [geïntimeerden] is nodeloos ingesteld. Het hof zal de vonnissen van de rechtbank in stand laten. Dit alles wordt hierna uitgelegd.
3. De toelichting op de beslissing van het hof




De feiten





3.1

[appellant] exploiteert een bloemen- en bloembollenkwekerij en legt zich daarbij
toe op de in- en export van bloemen, bloembollen en aanverwante producten.




3.2

[geïntimeerden] hielden zich, in de periode hier van belang, bezig met de teelt van sierplanten, bloembollen, granen en overige wortel- en knolgewassen.



3.3
Op basis van tussen partijen gesloten contractteeltovereenkomsten hebben [geïntimeerden] op regelmatige basis tulpenbollen in opdracht van [appellant] geteeld. Van de te telen bollen bleef [appellant] als opdrachtgever eigenaar. Partijen deden op deze wijze al ongeveer twintig jaar zaken met elkaar.



3.4
In de tweede helft van 2019 heeft [appellant] aan [geïntimeerden] mondeling de opdracht verstrekt een partij tulpenbollen van de cultivar ‘Yellow Flight’ te telen. [geïntimeerden] hebben deze opdracht aanvaard tegen een teeltvergoeding van € 18 per Rijnlandse Roede exclusief btw. Uit deze overeenkomst vloeide voor [geïntimeerden] onder meer de verplichting voort een gewasbeschermingsmiddel te gebruiken met de werkzame stof Spirotetramat om aantasting van de bollen met tulpengalmijt tegen te gaan. De daarvoor in aanmerking komende bestrijdingsmiddelen waren in de praktijk toentertijd ‘Movento’ en ‘Batavia’.



3.5
Op 22 november 2019 heeft [appellant] de bollen aan [geïntimeerden] ter beschikking gesteld. Bij aflevering bleek het om zogeheten ‘afbroeibollen’ te gaan. Dat zijn bollen die een seizoen eerder zijn gebruikt voor de bloemproductie en, in dit geval, opnieuw worden geplant voor versnelde vermeerderingsdoeleinden. De bollen zijn dezelfde dag, in het bijzijn van [appellant] , geplant op een perceel van [belanghebbende1] en [belanghebbende2] (hierna [belanghebbende1] , [belanghebbende2] en tezamen: [belanghebbenden] ). Op hetzelfde perceel zijn ook tulpenbollen van het cultivar ‘Pallada’ geplant die toebehoorden aan [belanghebbenden] dan wel [geïntimeerden]



3.6
Voor de overeengekomen werkzaamheden hebben [geïntimeerden] twee facturen gestuurd. Eén factuur van 16 maart 2020 die € 37. 356,48 bedraagt en ziet op de teeltvergoeding en één factuur van 27 juli 2020 die € 2.831,40 bedraagt en betrekking heeft op de extra kosten voor het beregenen van het tulpenveld. Deze facturen zijn door [appellant] voldaan.



3.7
Op 28 april 2020 zijn de bloemen van de cultivar Pallada gekopt.



3.8
Op 12 mei 2020 zijn de bloemen van de cultivar Yellow Flight machinaal gekopt. Een week later, op 19 mei 2020, zijn de overgebleven bloemen van de Yellow Flight handmatig gekopt door [appellant] (in de persoon van [belanghebbende3] ).



3.9
Op 8 juli 2020 is een deel van de partij Yellow Flight gerooid en op 9 juli 2020 aan [appellant] geleverd. Op 13 juli 2020 is het resterende deel gerooid en door [geïntimeerden] aan [appellant] ter beschikking gesteld.



3.10
[appellant] heeft een gedeelte van de geteelde tulpenbollen verkocht aan [naam3] (hierna: [naam3] ). Deze bollen zijn op 5 augustus 2020 aan [naam3] geleverd. Een ander deel van de partij Yellow Flight is verkocht aan [naam4] (hierna: [naam4] ). Deze partij is op 24 augustus 2020 geleverd aan [naam4] . Deze partij of een deel ervan was bestemd voor twee klanten in het Verenigd Koninkrijk. Verder is een deel van de partij verkocht aan Gebr. Langeveld B.V.



3.11
Op 23 oktober 2020 klaagt [naam4] bij [appellant] over de slechte kwaliteit van de geleverde bollen. Een keurmeester ontdekte bij een controle voorafgaand aan de export door [naam4] gele vlekken op de bollen en concludeerde op basis van microscopisch onderzoek dat de partij besmet was met tulpengalmijt. [naam4] heeft, om de bevindingen van de keurmeester bevestigd te zien, [adviseur] (adviseur tulpen en bollen werkzaam bij Tulpenadvies B.V.) gevraagd de partij te onderzoeken. Hij bevestigde de bevindingen van de keurmeester dat de betreffende partij besmet was met tulpengalmijt.



3.12
Op 26 oktober 2020 stuurt [appellant] ter zake een creditfactuur aan [naam4] . [appellant] heeft op dezelfde dag telefonisch contact opgenomen met [geïntimeerden] en gemeld dat de door [geïntimeerden] geteelde tulpenbollen besmet zijn met tulpengalmijt. [appellant] houdt zogeheten pellijsten bij waarop de herkomst van de verschillende tulpensoorten staat (afkomstig van welke contractteler en/of welk perceel). De kisten waarin de tulpenbollen worden vervoerd, worden overeenkomstig deze pellijsten door [appellant] genummerd, zodat de partij bollen in beginsel naar de betreffende teler en perceel is te herleiden.



3.13
[appellant] heeft vervolgens een aantal geteelde tulpenbollen van de cultivar Yellow Flight laten onderzoeken door Eurofins Agro (hierna: Eurofins). Het betreffende monster is op verzoek van [appellant] door [naam1] aan Eurofins opgestuurd. Uit een rapport van 11 november 2020 naar aanleiding van een bemonstering die op 4 november 2020 heeft plaatsgevonden en de daaropvolgende analyse van 200 tulpenbollen, blijkt niet dat Spirotetramat in de bollen is getraceerd. De stof wordt niet genoemd in het desbetreffende rapport. Onderaan het rapport staat vermeld: ‘De standaard meetonzekerheid voor pesticiden betreft 50 %’



3.14
Op 17 november 2020 stuurt [belanghebbende1] een e-mail aan [appellant] met de spuitdata, waarin hij schrijft:








3.15

[geïntimeerden] hebben vervolgens opdracht gegeven de tulpenbollen van het cultivar Pallada, die op hetzelfde perceel gelijktijdig waren geteeld, te bemonsteren en te analyseren. In het door Groen Agro Control Laboratoriumonderzoek & advies (hierna: Groen Agro Control) daartoe opgestelde analyserapport van 10 december 2020 staat, dat de monsterafname heeft plaatsgevonden op 3 december 2020 en dat de aangetroffen concentratie Spirotetramat minder dan 0,01 mg/kg bedraagt. Deze partij was niet besmet met tulpengalmijt.



3.16

[geïntimeerden] hebben ook Bulb Quality Support B.V. (hierna: BQ Support) opdracht gegeven tulpenbollen van de door haar geteelde partij Yellow Flight te onderzoeken. Het betreffende monster is op hun verzoek door [appellant] op 8 januari 2021 geselecteerd. In het op 12 januari 2021 daartoe opgemaakte verslag staat:

‘
Resultaat


Op een aantal bollen zijn enkele dode tulpengalmijten aangetroffen onder de huid op de bol.


Als er galmijten aanwezig waren, waren het er slechts 1 of 2 per bol.


Conclusie


(…) De partij is besmet geweest met tulpengalmijt, Aceria tulipae. Er zijn op een paar bollen slechts enkele galmijten aangetroffen die dood zijn. Mogelijk zijn er nog enkele levende galmijten in de bol aanwezig maar deze zijn microscopisch niet vindbaar. Het lijkt erop dat de partij besmet is geweest met tulpengalmijt maar dat die door de bespuitingen zijn gedood, vooral gezien het beperkte aantal dode galmijten. Zoals eerder genoemd, het kan niet worden uitgesloten dat er nog een levende galmijt aanwezig is.’





3.17


[appellant] heeft in een e-mail van 10 mei 2021 [geïntimeerden] aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade als gevolg van de besmetting van tulpenbollen met tulpengalmijt. Deze aansprakelijkheidsstelling is door de gemachtigde van [appellant] herhaald in een brief van 1 juli 2021. In een brief van 7 juli 2021 wijst de gemachtigde van [geïntimeerden] namens hen aansprakelijkheid van de hand. Hij schrijft aan de gemachtigde van [appellant] :

‘Verder merk ik op dat zowel de geoogste Yellow Flight bollen als de Pallada bollen zijn getest. De Yellow Flight bollen zijn getest door Eurofins en de Pallada bollen door Groen Agrocontrol. (…) De test op de Yellow Flight is uitgevoerd in opdracht van [appellant] en de test op de Pallada is uitgevoerd in opdracht van cliënte. De testuitslag voor de beide bollen was identiek en daarmee bedoel ik dat in beide monsters minder dan 0,01 mg/kg Spirotetramat is aangetroffen. Dit betekent echter niet dat de bollen niet zijn bespoten. De bollen zijn in het veld namelijk tegelijkertijd bespoten en deze handeling is dus wel degelijk correct uitgevoerd. Met betrekking tot de Pallada zijn geen galmijt-problemen geconstateerd. Indien er galmijt in de Yellow Flight zou zijn aangetroffen (hetgeen cliënte betwist), kan het dus niet anders dan dat deze besmetting al is ontstaan in fase 1, dan wel dat deze is uitgebreid in fase 3.’





3.18
In een e-mailbericht van 17 januari 2023 heeft [appellant] buitengerechtelijk de ontbinding ingeroepen van de contractteeltovereenkomst tussen haar en [geïntimeerden]



De stellingen van [appellant] en de bewijsopdracht





3.19

[appellant] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [geïntimeerden] toerekenbaar tekort zijn geschoten in hun verplichtingen die voortvloeien uit de contractteeltovereenkomst. [geïntimeerden] hebben, aldus [appellant] , nagelaten de aan hun in contractteelt gegeven Yellow Flight tulpenbollen adequaat (niet of niet deugdelijk) te bespuiten met een insecticide dat de werkzame stof Spirotetramat bevat. [appellant] heeft daarbij gesteld (i) dat alle door [geïntimeerden] in opdracht van [appellant] geteelde tulpenbollen door galmijt waren aangetast, (ii) er geen Spirotetramat in deze tulpenbollen is aangetroffen en (iii) er evenmin Spirotetramat is aangetroffen in de Pallada tulpenbollen die [geïntimeerden] op hetzelfde perceel voor eigen rekening heeft geteeld en stelt (ook) met Spirotetramat te hebben bespoten.



3.20

[geïntimeerden] hebben deze stellingen gemotiveerd betwist. Zo hebben zij aangevoerd onder verwijzingen naar verklaringen en schriftelijke stukken dat de tulpenbollen in haar opdracht door [belanghebbenden] met Batavia zijn bespoten. Dat Spirotetramat niet door Eurofins en Groen Agro Control is aangetroffen, betekent, aldus [geïntimeerden] , nog niet dat zij de bollen tijdens de teelt niet of niet goed met Spirotetramat hebben (laten) bespuiten. Daargelaten of Eurofins daadwerkelijk de door [geïntimeerden] geteelde tulpenbollen heeft onderzocht, hebben [geïntimeerden] ook aangevoerd dat de bemonstering door Eurofins pas vier maanden na aflevering van de bollen heeft plaatsgevonden. Niet uitgesloten is dat het gehalte aan Spirotetramat op dat moment al onder de detectiegrens is gedaald. Ook de weersomstandigheden tijdens de bespuitingen en de slechtere kwaliteit van de bollen waardoor een groot deel van de tulpenbollen niet of niet goed is opgekomen met als gevolg dat Spirotetramat niet voldoende via de sapstromen van de plant wordt opgenomen, zijn mogelijke oorzaken waarom in het monster van Eurofins geen Spirotetramat is aangetroffen. Tot slot waren de door Groen Agro Control onderzochte tulpenbollen die op hetzelfde perceel stonden als waarop de bollen van [appellant] stonden, niet aangetast door galmijt, aldus nog steeds [geïntimeerden]



3.21
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 13 maart 2024 [appellant] opgedragen bewijs te leveren van haar stelling dat [geïntimeerden] de tulpenbollen tijdens de teelt niet of niet goed hebben bespoten met een insecticide dat de werkzame stof Spirotetramat bevat. Tegen dit oordeel heeft [appellant] bezwaar gemaakt. Zij meent, onder verwijzing naar de brief van de juridische adviseur van [geïntimeerden] van 7 juli 2021, dat de rechtbank heeft miskend dat al voorafgaand aan de gerechtelijke procedure tussen partijen vaststond dat zowel in de Yellow Flight bollen van [appellant] (getest door Eurofins) als in de Pallada bollen van [geïntimeerden] dan wel [belanghebbenden] (getest door Groen Agro Control) géén Spirotetramat is aangetroffen. De rechtbank had, aldus [appellant] , haar bewijsopdracht op deze vaststelling moeten afstemmen en moeten concluderen dat de bewijslast met betrekking tot de vraag of de tulpenbollen daadwerkelijk correct waren bespoten niet op [appellant] , maar juist op [geïntimeerden] rust. [geïntimeerden] zijn degenen die de bespuiting dienden uit te voeren en hadden daarom het meest gerede middel om aan te tonen dat dit correct is gebeurd. Door [appellant] daarentegen op te dragen te bewijzen dat [geïntimeerden] de tulpenbollen niet hadden bespoten met een middel dat Spirotetramat bevat, heeft de rechtbank de bewijslast in strijd met artikel 150 Rv incorrect verdeeld. Daar komt bij dat [appellant] aldus belast werd met bewijs van een negatief feit dat problematisch en onredelijk is en slechts in uitzonderingsgevallen dient te worden gegeven.



3.22
Het hof volgt [appellant] niet. Het is krachtens de hoofdregel van artikel 150 Rv aan [appellant] als eisende partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [geïntimeerden] , om te bewijzen dat [geïntimeerden] niet of niet deugdelijk tegen galmijt hebben gespoten. Dat van de hoofdregel zou moeten worden afgeweken wegens een bijzondere regel of wegens de eisen van de redelijkheid en billijkheid is onvoldoende gemotiveerd aangevoerd. In bijzonder het feit dat partijen voorafgaande aan deze procedure met elkaar de uitkomsten van het onderzoek dat door Eurofins en Groen Agro Control is uitgevoerd met elkaar hebben uitgewisseld en hebben geconstateerd dat uit beide onderzoeken naar voren kwam dat minder dan 0,01 mg/kg Spirotetramat was aangetroffen in de onderzochte tulpenbollen, betekent nog niet, tegen de achtergrond van het door [geïntimeerden] gevoerde verweer, dat daarmee voorshands is bewezen dat de tulpenbollen niet of niet goed zijn bespoten, laat staan dat de bewijslast daarmee wordt verplaatst van [appellant] naar [geïntimeerden] Daar komt bij dat [geïntimeerden] ook niet met de brief van 7 juli 2021 bij [appellant] het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat [geïntimeerden] hun verweren tegen het rapport van Eurofins zouden hebben prijsgegeven. Dat dit anders is, is ook onvoldoende gemotiveerd door [appellant] gesteld. Dat [appellant] is belast met het bewijs van een negatief feit, leidt ook niet tot omkering van de bewijslast.



3.23
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank op juiste gronden heeft overwogen dat [appellant] bewijs zal moeten leveren van haar stelling dat [geïntimeerden] de tulpenbollen tijdens de teelt niet of niet goed met een insecticide heeft bespoten dat de werkzame stof Spirotetramat bevat. Daarmee is de bewijslast terecht bij [appellant] neergelegd. Tegen de inhoudelijke formulering van de bewijsopdracht heeft [appellant] verder niet gegriefd. Weliswaar heeft zij tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gesteld dat dat wel zo is, maar zij heeft - wat daar ook verder van zij - niet aangegeven hoe de formulering dan had moeten luiden. Het hof gaat dan ook verder van de inhoudelijke formulering van de bewijsopdracht als een juiste, in het navolgende uit.



3.24
Vervolgens is de vraag of [appellant] geslaagd is in het aan haar opgedragen te leveren bewijs. In het eindvonnis van 12 maart 2025 wordt die vraag door de rechtbank ontkennend beantwoord. [appellant] komt met een groot aantal grieven op tegen dit oordeel in het eindvonnis. Daarover overweegt het hof als volgt.



Niet of niet deugdelijk bespoten met een middel dat Spirotetramat bevat





3.25

[geïntimeerden] hebben onder meer vraagtekens geplaatst bij de herkomst van het monster dat door Eurofins is onderzocht en hebben aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat het monster tulpenbollen betrof die geteeld zijn door [geïntimeerden] . Zij wijzen erop dat het monster buiten aanwezigheid van [geïntimeerden] is genomen, terwijl [appellant] op dat moment de beschikking had over diverse partijen Yellow Flight afkomstig van andere telers. Ook plaatsen [geïntimeerden] vraagtekens bij de representativiteit van het monster. De dertig à veertig tulpenbollen zijn wat [geïntimeerden] betreft ‘wel erg mager’ tegenover de miljoenen tulpenbollen die in zeven afzonderlijke partijen afbroeibollen de grond zijn ingegaan en die [geïntimeerden] in opdracht van [appellant] hebben geteeld. Verder voeren [geïntimeerden] aan dat uit het monster dat door Eurofins is onderzocht, niet kan worden afgeleid dat er geen Spirotetramat in de onderzochte tulpenbollen aanwezig was. Zij verwijzen naar de meetonzekerheid van 50 % die Eurofins zelf benoemd in haar rapport. Ook wijzen zij op de verklaring van [naam1] die op verzoek van [appellant] destijds het monster heeft opgestuurd naar Eurofins en die op 12 juli 2024 als getuige onder ede heeft verklaard dat als er minder dan 0,01 % mg/kg Spirotetramat in de bol zit, dat niet uit het onderzoek komt en de naam Spirotetramat niet in het rapport wordt vermeld. Ook voeren [geïntimeerden] aan dat niet vast is komen te staan dat de door [geïntimeerden] geteelde tulpenbollen door galmijt zijn aangetast.



3.26
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is het voorgaande uitvoerig besproken. [appellant] heeft onder meer gewezen op het vertrouwen dat er tussen partijen bestond en dat in dit vertrouwen de bemonstering heeft plaatsgevonden, zowel voor het onderzoek dat door Eurofins is uitgevoerd, als voor de analyse die door Groen Agro Control is uitgevoerd en waarvoor [geïntimeerden] de bemonstering hebben gedaan. Wat hier ook van zij, het hof zal in het navolgende er veronderstellende wijze van uitgaan dat i) het monster dat door Eurofins is onderzocht, daadwerkelijk tulpenbollen van het cultivar Yellow Flight betrof die door [geïntimeerden] zijn geteeld voor [appellant] , ii) het monster voldoende representatief was voor deze gehele partij tulpenbollen Yellow Flight, en iii) deze partij door tulpengalmijt was aangetast terwijl in het onderzochte monster geen Spirotetramat is aangetoond, althans dat een eventuele aanwezigheid van de stof niet boven het detectieniveau is uitgekomen. Daarvan uitgaande resteert de vraag of voldoende is komen vast te staan in het kader van de verplichtingen die voor [geïntimeerden] uit de contractteeltovereenkomst voortvloeiden, of de tulpenbollen niet dan wel niet goed zijn bespoten met een middel dat de werkzame stof Spirotetramat bevat.



3.27
Het hof stelt bij de verdere beoordeling van deze vraag voorop dat uit de contractteeltovereenkomst voor [geïntimeerden] in beginsel de verplichting voortvloeide zorg te dragen voor een zo goed mogelijke oogst, zowel in hoeveelheden als in kwaliteit. Tussen partijen is niet in geschil dat in dat kader [geïntimeerden] gehouden waren de tulpenbollen te bespuiten met onder meer een middel dat de werkzame stof Spirotetramat bevat. Aldus dienden [geïntimeerden] ervoor te zorgen dat de tulpen zoveel als mogelijk zouden worden behoed voor plagen en ziektes waaronder tulpengalmijt. Die van hen te vergen zorg betreft evenwel een inspanningsverplichting. [geïntimeerden] dienden te handelen zoals een goed contractteler betaamt. Dat [geïntimeerden] een garantie hebben gegeven dat de tulpenbollen gevrijwaard zouden blijven van een aantasting door tulpengalmijt, is niet gesteld of gebleken. Dit betekent dat het enkele feit dat de tulpenbollen door tulpengalmijt zijn aangetast, niet zonder meer betekent dat [geïntimeerden] in de nakoming van hun verplichtingen tekort zijn geschoten. Voor die constatering is meer nodig.



Niet bespoten?





3.28

[appellant] heeft gesteld dat de tulpenbollen niet met een middel dat de werkzame stof Spirotetramat bevat, is bespoten. Zij wijst erop dat de tulpenbollen door galmijt waren aangetast en dat door Eurofins in de door [geïntimeerden] geteelde bollen geen Spirotetramat (boven de detectiegrens) is aangetroffen.



3.29
[geïntimeerden] hebben betwist dat er niet zou zijn gespoten met een middel dat de werkzame stof Spirotetramat bevat. Zij wijzen op de verklaringen van [belanghebbenden] en verschillende onderliggende stukken.



3.30
Het hof overweegt als volgt. [belanghebbende2] heeft als getuige ten overstaan van de rechtbank onder meer verklaard: ‘Ik heb de bespuiting op 20 mei en 5 juni zelf uitgevoerd (…) We gebruikten Batavia in combinatie met andere middelen.’ [belanghebbende1] heeft als getuige ten overstaan van de rechtbank onder ede verklaard: ‘Die bespuiting is uitgevoerd (…) We hebben de bollen met Batavia en andere middelen bespoten. (…)’ Verder hebben [geïntimeerden] gewezen op de e-mail van 17 mei 2020 van [belanghebbende1] aan [appellant] met daarin de spuitdata van de behandelingen met Spirotetramat, de leveringsnota’s gericht aan [belanghebbenden] afkomstig van de leverancier Agrifirm waarop het gebruikte gewasbeschermingsmiddel Batavia is terug te vinden, een overzicht van het gebruik van Batavia door [belanghebbenden] in het seizoen 2019-2020, een teeltverslag over teeltjaar 2020 met betrekking tot het perceel waarop de tulpenbollen van [appellant] en de Pallada tulpenbollen hebben gestaan, met daarop de spuitdata, gebruikte middelen -waaronder Batavia op 20 mei 2020 en 5 juni 2020 -, oppervlakte en dosering. Verder wijzen [geïntimeerden] op een kostenoverzicht ‘GBM [Gewasbeschermingsmiddelen, toevoeging hof] tulp oogst 2020’ afkomstig van [belanghebbenden] waarop onder meer staan vermeld de data van 20 mei 2020 en 5 juni 2020 in relatie tot het gebruik van Batavia. Ook hebben [geïntimeerden] betalingsbewijzen in het geding gebracht, waaruit volgt dat [geïntimeerden] de spuitwerkzaamheden van [belanghebbenden] hebben betaald en de spuitlicensies van [naam2] , [belanghebbende2] en [belanghebbende1] .



3.31
Het hof is van oordeel dat, gelet op het verweer van [geïntimeerden] , de onderbouwing daarvan en voormelde bewijsmiddelen, afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien, niet aannemelijk is geworden dat de tulpenbollen niet zijn bespoten met Batavia dat de werkzame stof Spirotetramat bevat. Dat [belanghebbenden] geen verklaring hebben kunnen geven voor het feit dat zowel in de door Eurofins onderzochte tulpenbollen als in de door Groen Agro Control onderzochte tulpenbollen van het cultivar Pallada, geen Spirotetramat boven het detectieniveau is aangetroffen, rechtvaardigt nog niet de conclusie, tegen de achtergrond van de bewijsmiddelen zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.30 waarvoor het hof geen aanknopingspunt heeft om die voor onjuist of onbetrouwbaar te houden, dat de tulpenbollen niet met Batavia en daarmee met Spirotetramat zijn bespoten. In dit verband is ook relevant dat [naam1] als getuige onder ede op 12 juli 2024 ten overstaan van de rechtbank heeft verklaard: ‘Ik kan nooit met zekerheid zeggen dat er niet is gespoten met Spirotetramat als het niet uit het onderzoek komt.’ Dat de betreffende tulpenbollen door galmijt zijn aangetast, rechtvaardigt op zichzelf beschouwd, in het licht van het voorgaande, evenmin een andere conclusie. Andere redenen die zouden kunnen verklaren waarom niet met Spirotetramat is gespoten, te denken valt bijvoorbeeld aan een fout bij de productie van het middel Batavia, is niet gesteld of gebleken, zodat het hof aan die mogelijkheid voorbij gaat.



Niet deugdelijk bespoten?





3.32
[appellant] komt ook op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij niet heeft bewezen dat de tulpenbollen niet goed met Spirotetramat zijn bespoten. Zij wijst erop dat noch in de door Eurofins onderzochte tulpenbollen Yellow Flight, noch in de door Groen Agro Control onderzochte tulpenbollen Pallada, Spirotetramat boven het detectieniveau is aangetroffen, wat de conclusie rechtvaardigt dat niet op de juiste wijze met Spirotetramat is gespoten. [appellant] wijst er verder op dat [geïntimeerden] in strijd met de voorschriften van de producent van Movento en Batavia, niet binnen zeven dagen na het koppen van de tulpen, het gewas hebben bespoten. Ook stelt [appellant] dat [geïntimeerden] op een ander (eerder) moment de bespuiting hadden moeten (laten) uitvoeren. Omdat het op 5 juni 2020 regenachtig was, konden de bladeren van de tulpen de Spirotetramat niet goed opnemen. Verder verwijt [appellant] [geïntimeerden] dat is gekozen voor Batavia en niet voor Movento en dat Batavia is gemengd met een ander middel voorafgaand aan de bespuiting.



3.33
Ten aanzien van het verwijt dat [geïntimeerden] in strijd met de voorschriften van de producent Bayer te laat zouden hebben gespoten, namelijk door de eerste toepassing niet binnen zeven dagen na het machinaal koppen van de bloemen te laten plaatsvinden, overweegt het hof als volgt.



3.34

Op 12 mei 2020 is het merendeel van de tulpen machinaal gekopt en op 19 mei 2020 het resterende deel handmatig. Voldoende aannemelijk is dat op 20 mei 2020 de eerste bespuiting heeft plaatsgevonden (zie rechtsoverweging 3.30 en 3.31). Voor zover dit één dag later is dan de producent heeft voorgeschreven - [geïntimeerden] wijzen erop dat Bayer aangeeft dat de eerste toepassing dient te geschieden binnen zeven dagen na de bloei, wat iets anders is dan binnen zeven dagen na het koppen - heeft te gelden dat de eigen deskundigen van [appellant] als getuigen onder ede bij de rechtbank hebben verklaard dat de tulpenbollen tijdig zijn bespoten. Zo heeft [consultant] , consultant, op 4 juli 2024 als getuige verklaard: ‘U vertelt mij dat de bollen op 20 mei 2020 en 5 juni 2020 zijn bespoten. Dat is wat mij betreft op tijd.’ Dit is bevestigd door [naam1] die op 12 juli 2024 als getuige heeft verklaard: ‘U vertelt mij dat de bollen op 12 mei gekopt zijn en dat volgens [geïntimeerden] de eerste besproeiing op 20 mei was. Dat is wat mij betreft goed, maar liever iets eerder.’
Gelet op de verklaringen van deze deskundigen, heeft [appellant] onvoldoende toegelicht en nader onderbouwd waarom de eerste toepassing van Batavia met Spirotetramat, in dit geval op de achtste dag na het koppen van de bloemen, niet voldoende tijdig was. De bespuiting heeft verder conform het voorschrift van de producent plaatsgevonden, althans dat is niet betwist. Het hof gaat dan ook aan deze stelling voorbij.




3.35

[appellant] heeft verder, onder verwijzing naar geografische weerkaarten van het weer in Nederland op 4 en 5 juni 2020, gesteld dat de tweede bespuiting niet onder de juiste weersomstandigheden heeft plaatsgevonden. Op 4 juni 2020 zou regen zijn gevallen waardoor op 5 juni 2020 het tulpengewas vochtig is uitgeslagen, wat van invloed is geweest op het resultaat van de spuitwerkzaamheden. Dit zou zijn versterkt doordat het ook op 5 juni 2020 heeft geregend waardoor het gewasbeschermingsmiddel van de bladeren is gespoeld.



3.36
Het hof gaat ook hier niet in mee. De verwijzing naar de geografische weerkaarten van Nederland is onvoldoende. Deze weerkaarten van 4 en 5 juni 2020 zijn te algemeen en zeggen onvoldoende over de neerslag en weersomstandigheden op de betreffende teeltlocatie ten tijde van de bespuiting. Algemeen bekend mag immers worden verondersteld dat weersomstandigheden plaatselijk sterk kunnen verschillen. Ook blijft onduidelijk dat voor zover er regen is gevallen, hoeveel dat is geweest en of dat inderdaad ook na de toepassing van het middel is geweest. Dit klemt te meer omdat geen enkele getuige die onder ede is gehoord of deskundige (al dan niet als getuige) heeft verklaard dat er onder te natte omstandigheden is gespoten. Het hof gaat dan ook aan deze stelling voorbij.



3.37

[appellant] verwijt [geïntimeerden] verder dat zij voor toepassing van Batavia hebben gekozen en niet voor Movento en dat zij Batavia bij het bespuiten hebben gemengd met een ander middel. Ook dit verwijt treft geen doel, daargelaten dat het op gespannen voet staat met de formulering van de bewijsopdracht, omdat tussen partijen vaststaat dat Batavia het middel Spirotetramat bevat en dat daarmee gespoten is.



3.38
Zowel Batavia (dat op waterbasis is geproduceerd) als Movento (dat op oliebasis is geproduceerd) bevat de werkzame stof Spirotetramat en beide middelen kwalificeerden naar de stand van de kennis in 2020 als middelen ter bestrijding van tulpengalmijt, waarbij Batavia tijdens de toepassing gecombineerd kon worden met andere bestrijdingsmiddelen. De beide middelen werden ook als zodanig in de branche gebruikt. Tussen partijen is niet in geschil dat in beginsel de contractteler zelf mocht kiezen welk middel zou worden toegepast, behoudens een andersluidende instructie van de opdrachtgever. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is dit ook door [appellant] bevestigd. Onvoldoende is weersproken dat [appellant] op de hoogte was van het feit dat [geïntimeerden] tenminste regelmatig Batavia gebruikten. [geintimeerde2] heeft op 12 juli 2024 op vragen van de rechter daarover verklaard dat zij daarmee ongeveer in 2015 zijn begonnen op het moment dat de teelt plaatsvond op het land van [belanghebbenden] Dat [appellant] een aanwijzing heeft gegeven desalniettemin Movento te gebruiken in plaats van Batavia, is gesteld noch gebleken. [belanghebbende3] heeft op 12 juli 2024 op vragen van de rechter ook verklaard: ‘Ik weet wel dat we tegenwoordig soms met Batavia bespuiten maar soms ook met een ander middel. Dit verschil ligt aan degene die het uitvoert.’ Evenmin is gesteld of gebleken dat [appellant] aan [geïntimeerden] de instructie heeft gegeven Batavia bij toepassing niet te mengen met andere bestrijdingsmiddelen. Onder deze omstandigheden kan [geïntimeerden] niet worden verweten dat zij (via [belanghebbenden] ) hebben gekozen voor Batavia en dit middel hebben gecombineerd met een ander bestrijdingsmiddel, zoals mogelijk was en toentertijd naar de kennis van toen niet ongebruikelijk. Dat in de praktijk over Batavia verschillend werd gedacht en verschillende voorkeuren bestonden voor Batavia dan wel Movento, maakt dit oordeel niet anders. Zo verklaren [consultant] en [adviseur] als getuige onder ede weliswaar dat zij adviseren om Movento te gebruiken en heeft [naam1] verklaard dat zijn voorkeur uitgaat naar Movento, maar dat neemt niet weg dat Batavia een geaccepteerd middel was tegen galmijt. Jansen heeft ook verklaard: ‘Als je toch bespuit met Batavia, moet dat sowieso twee keer.’ Onvoldoende betwist is dat dat in ieder geval is gebeurd. [naam1] heeft verder ook verklaard op 12 juli 2024 als getuige onder ede: ‘Als je Movento gebruikt, kun je dit beter apart toepassen. Andere middelen hebben invloed op de werkbare stof van Movento en dan krijgen de planten bijwerkingen. Batavia is beter te combineren met andere middelen, maar dan lever je weer wat in op de opneembaarheid. Bij Batavia krijg je dan wel weer minder bijwerkingen. (…)Voor bestrijding tegen galmijt kun je naar mijn mening net zo goed Batavia als Movento inzetten.’ [voormalig scheidsgerechtlid] (voormalig scheidsgerechtlid van de Koninklijke Algemene Vereniging voor de Bloembollencultuur) heeft op 30 augustus 2024 als getuige onder ede verklaard: ‘Als ik zelf bollen bespuit, heb ik een voorkeur voor Batavia in plaats van Movento. Er is met Batavia minder kans op gewasschade. Ik weet dat het wordt beweerd dat Batavia minder goed kan worden opgenomen in de bol. Dat is niet mijn ervaring.’ Nu redengevende feiten die een andere conclusie rechtvaardigen niet zijn gesteld, kan op basis van het voorgaande niet geconcludeerd worden dat [geïntimeerden] in strijd met hun contractuele verplichtingen handelden door te kiezen voor Batavia en dit middel te combineren met een ander middel bij de bespuiting van de betreffende tulpen(-bollen).



3.39
Dan rest het verwijt dat noch in de door Eurofins onderzochte tulpenbollen Yellow Flight, noch in de door Groen Agro Control onderzochten tulpenbollen Pallada, Spirotetramat boven het detectieniveau is aangetroffen, wat volgens [appellant] de conclusie rechtvaardigt dat niet op de juiste wijze met Spirotetramat is gespoten, reden waarom de tulpenbollen ook door tulpengalmijt zijn aangetast. [appellant] heeft ter onderbouwing van haar standpunt er onder meer op gewezen dat [consultant] als getuige onder ede op 4 juli 2024 heeft verklaard dat Spirotetramat nog heel lang, nog een jaar na het spuiten in de bol kan worden teruggevonden en de bescherming van de bol tegen galmijt ook zo lang duurt. Ook wijst [appellant] op de verklaring van [naam1] die op 12 juli 2024 als getuige onder ede heeft verklaard dat een normale dosering Spirotetramat altijd terug te vinden moet zijn, dat Spirotetramat in mei na de bloei in de bollen wordt gespoten en dat Spirotetramat nog steeds zijn werk doet als de bollen in november/december/februari in de kas liggen.


3.40
[geïntimeerden] hebben verschillende argumenten aangevoerd voor hun verweer dat in dit geval ondanks een deugdelijke bespuiting met Batavia, de tulpenbollen niet goed Spirotetramat hebben kunnen opnemen. Zo wijzen zij op de kwaliteit en ouderdom van de tulpenbollen, in het bijzonder op het feit dat het uitsluitend afbroeibollen betrof en daarmee volgens hen uitgemergelde bollen die al enigszins in ‘stress’ verkeerden. Daar kwamen in dit geval de weersomstandigheden overheen. Het betrof een droog, schraal voorjaar met een lage relatieve luchtvochtigheid die een optimale groei van de tulp in de weg stond waardoor de bollen ook slecht Spirotetramat hebben kunnen opnemen. Dat zou kunnen verklaren, aldus [geïntimeerden] , dat nu tussen het spuiten in mei en de eerste test door Eurofins in november ongeveer zes maanden lag, de aanwezigheid van Spirotetramat onder het detectieniveau heeft kunnen dalen. Relevant is daarbij dat, gelet op de door Eurofins genoemde meetonzekerheid van 50 %, het resultaat van de analyse 50% hoger kan liggen en dan wel net boven de detectiegrens kan liggen, aldus nog steeds [geïntimeerden]



3.41
Uitgaande van de vooronderstellingen waaronder de representativiteit van het monster dat door Eurofins is getest (zie rechtsoverweging 3.26), is het hof met [appellant] van oordeel dat het tenminste opvallend is dat geen Spirotetramat is aangetoond in de bloembollen uit het monster, althans dat een eventuele aanwezigheid van de stof niet boven het detectieniveau is uitgekomen. Dat neemt niet weg dat [adviseur] , [consultant] , [naam1] , [belanghebbende2] en [belanghebbende1] en [voormalig scheidsgerechtlid] als getuigen onder ede hebben verklaard dat de mate waarin Spirotetramat in de tulpenbollen wordt opgenomen afhankelijk is van diverse omstandigheden ten tijde van de bespuitingen. Genoemd worden de gezondheid van de bollen, de mate waarin de bollen zijn opgekomen en blad hebben ontwikkeld - Spirotetramat werkt systemisch, opwaarts en neerwaarts, terwijl dat laatste het meest wenselijk is omdat het middel dan van het blad in de bol komt - en de weersomstandigheden. Zo heeft [naam1] als getuige onder ede op 12 juli 2024 onder meer verklaard: ‘In hoeverre Spirotetramat goed wordt opgenomen, hangt af van de gezondheid van de bol, de spuitmethode, de weersomstandigheden en de hoedanigheid van de plant (platte of stijle planten). Yellow Flight is een plant die veel langer groen blijft dan andere planten. Yellow Flight heeft een stijl blad, maar is veel langer actief.’



3.42
Hieruit kan worden afgeleid dat afzonderlijke tulpenbollen die deel uitmaakten van het representatieve monster, om uiteenlopende redenen, ook al zijn ze op de juiste wijze en op het juiste moment met Spirotetramat bespoten, toch geen of nauwelijks (want onder het detectieniveau met 50 % meetonzekerheid) Spirotetramat hebben opgenomen. Dat is in ieder geval aan de orde bij tulpenbollen die niet of niet goed zijn opgekomen door gebrek aan of slechte ontwikkeling van het blad. Dat daarvan tenminste ook sprake is geweest wordt ondersteund door de verklaring van [belanghebbende1] die hieronder is weergegeven en inhoudt dat de bollen niet regelmatig opkwamen.



3.43
Opvallend in dit verband is verder dat de weersomstandigheden als belangrijke factor door de meeste deskundigen wordt genoemd. Dit zijn omstandigheden waar [geïntimeerden] geen invloed op hadden. Relevant in dit verband is dat [belanghebbende1] heeft gewezen op de omstandigheid dat sprake was van een erg droog en warm voorjaar, met een lage relatieve luchtvochtigheid, wat onvoldoende door [appellant] is weersproken. [belanghebbende1] heeft op 30 augustus 2024 als getuige onder ede verklaard: ‘Dat voorjaar was erg droog, warm en met een lage luchtvochtigheid. Dat betekende dat de omstandigheden niet ideaal waren voor optimale groei. We moesten zoeken naar een moment waarop het middel zo goed mogelijk kon worden opgenomen. (…) Yellow Flight kwam dat jaar heel laat op, dat viel toen echt op. De bollen kwamen ook niet regelmatig op. Ik herinner me dat toen alle bollen in de omgeving al hoog op waren gekomen, dat Yellow Flight pas net boven de grond uit kwam. De bollen kwamen denk ik anderhalve week tot twee weken later op. Je ziet dan een steel en verder geen bol.’



3.44
G. Braam, manager team Bloembollen Delphy B.V., heeft in een brief van 25 september 2024 onder meer aangegeven dat cruciaal voor een optimale werking van Batavia is de opname door en het transport in de plant. Voor een optimale werking moet het gewas daarom krachtig groeien, wat niet het geval is bij een verouderend of in stress verkerend gewas. Ook moet voldoende blad aanwezig zijn geweest. Braam legt uit dat bij een niet actief gewas, door schraal, zonnig weer, sprake is van weinig tot geen verdamping en fotosynthese. Bij veel zon met een lage relatieve vochtigheid, is het gewas minder actief en wordt ook minder Spirotetramat naar beneden getransporteerd. Voor zover in het representatieve monster kleine plantgoedmaten zaten, is verder relevant dat Braam erop heeft gewezen dat die meer zogeheten éénbladers bevatten die vaak eerder afsterven dan de grotere plantmaten waarvan het blad meer rechtop staat. Ook dit doet afbreuk aan de opnamecapaciteit van Spirotetramat. Alhoewel het hof heeft geoordeeld dat in de gegeven omstandigheden [geïntimeerden] niet in strijd hebben gehandeld met hun verplichtingen uit de overeenkomst door te kiezen voor het middel Batavia en dit ook in combinatie met een ander middel hebben mogen toedienen, heeft Braam er wel op gewezen dat Batavia voldoende, maar minder wordt opgenomen dan Movento en dat ook toediening in een combinatie de opname vermindert.



3.45
Dat Spirotetramat na bespuiting volgens deskundigen nog tot wel een jaar kan worden gevonden in de behandelde tulpenbollen, laat onverlet dat, zoals door [geïntimeerden] is aangevoerd, het heel wel mogelijk is dat door de slechte weersomstandigheden (het droge schrale weer en de lage relatieve luchtvochtigheid) de opname capaciteit van Spirotetramat beperkt was en na de toediening op 20 mei 2020 en 5 juni 2020 vijf maanden later al niet meer boven het detectieniveau uitkwam toen het monster dat op 4 november 2020 was getrokken op 11 november 2020 door Eurofins werd geanalyseerd, te meer nu het om Batavia ging dat in combinatie werd toegediend. Een verklaring voor het feit dat in de partij tulpenbollen van de cultivar Pallada dat op hetzelfde perceel werd geteeld en tegelijkertijd is bespoten, ook geen Spirotetramat werd aangetoond door Groen Agro Control, kan ook worden gevonden in de slechte weersomstandigheden, gecombineerd met een periode van zes maanden tussen toediening van Batavia in een combinatie en monsterafname op 3 december 2020 en analyse op 10 december 2020. Daar komt in het geval van de cultivar Pallada bij, alhoewel het normaal aflopend plantgoed betrof en geen afbroeibollen, dat deze partij al op 28 april 2020 was gekopt. Dat betekende dat de toediening van Batavia op 20 mei 2020 en 5 juni 2020 voor deze partij te laat was, wat, zoals tussen partijen niet geschil is, een directe invloed heeft moeten hebben gehad op de opnamecapaciteit van de tulpenbol wat betreft Spirotetramat. Dit alles heeft er overigens niet aan in de weg gestaan dat bij de bemonstering van de cultivar Pallada géén tulpengalmijt is aangetroffen, wat eerder een aanwijzing is voor wél bespoten zijn met Spirotetramat dan niet bespoten zijn.



3.46
De stelling dat afbroeibollen in het algemeen - dus los van de hiervoor genoemde specifieke omstandigheden zoals het weer en de bladontwikkeling - minder goed Spirotetramat opnemen volgt het hof overigens niet. Zo heeft [voormalig scheidsgerechtlid] als getuige op verzoek van [geïntimeerden] onder ede op 30 augustus 2024 verklaard: ‘U vraagt mij of de afbroeibol ook minder goed in staat is om Spirotetramat op te nemen. Het kan zijn dat de afbroeibol dat minder goed kan dan de gewone bol, maar je bent geheel afhankelijk van de bladontwikkeling. Het is dus geen gegeven en is per partij en ras verschillend.’ [adviseur] heeft hierover als getuige op 4 juli 2024 onder ede verklaard: ‘U vertelt mij dat u de bollen afbroeibollen noemt. Dat soort bollen zijn niet zwakker dan andere bollen, maar ze wijken wel af. In het kader van galmijt zijn ze wat vatbaarder, omdat ze een jaar binnen hebben gestaan. Ze hebben een teeltjaar overgeslagen en dus zijn ze in dat jaar niet bespoten met een middel dat galmijt bestrijdt. Het kan dus zijn dat, voordat ze geplant werden, ze minder Spirotetramat bevatten. Ik sluit niet uit dat, voordat ze geplant werden door [geïntimeerden] , er toen al galmijt in heeft kunnen zitten.’



3.47
Het hof komt op basis van het voorgaande, alles overziend, tot de conclusie dat zodanige twijfel blijft bestaan, dat niet aannemelijk is geworden dat [geïntimeerden] ondeugdelijk hebben gespoten. Redengevende feiten of omstandigheden die een andere conclusie rechtvaardigen zijn onvoldoende door [appellant] naar voren gebracht. Aan het door [appellant] gedane bewijsaanbod wordt voorbijgegaan, nu dat niet kan leiden tot een ander oordeel en voor het overige te algemeen van karakter is.



Conclusie





3.48
Het principaal hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Er bestaat geen – op een aansprakelijkheid van [geïntimeerden] terug te voeren – grond voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure, zoals door [appellant] in hoger beroep is gevorderd. Aan een beoordeling van het voorwaardelijk ingesteld incidenteel hoger beroep van [geïntimeerden] komt het hof niet toe nu de voorwaarde niet is vervuld. Dat laat onverlet dat [geïntimeerden] van de rechter in eerste aanleg gelijk hebben gekregen. Hun bezwaren strekten niet tot het verkrijgen van een andere beslissing. Zij hoefden daarom geen hoger beroep in te stellen. Als het hof had gevonden dat de grieven van [appellant] zouden slagen waardoor de uitkomst van de procedure mogelijk anders zou zijn geworden, had het hof vervolgens alle eerder aangevoerde en niet prijsgegeven verweren van [geïntimeerden] moeten beoordelen (op grond van de ‘devolutieve werking’ van het hoger beroep). Die verweren hadden zij in hoger beroep ook kunnen aanvullen. Voor het nodeloze incidentele hoger beroep zullen volgens vaste rechtspraak, geen kosten worden gerekend.



3.49
Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Zoals overwogen, zijn daarin niet de kosten van het nodeloos door [geïntimeerden] ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep betrokken. Onder de toegewezen proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.



3.50
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).







4De beslissing


Het hof:



4.1
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 13 maart 2024 en 12 maart 2025;



4.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] :


€ 6.803 aan griffierecht


€ 9.414 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] (2 procespunten x het toepasselijke tarief VI à € 4.707);





4.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;



4.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;



4.5
wijst af wat verder is gevorderd.



Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Wichers, W.F. Boele en D.H. de Witte, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
14 juli 2026.









Deze vonnissen zijn niet gepubliceerd.


De Rijnlandse Roede is een oude oppervlaktemaat. Er gaan ongeveer 700 Rijnlandse Roeden in één hectare.


Vergelijk HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4115.


De eerste grief van [appellant] slaagt niet.


De grieven II, III, IV, V en VI van [appellant] kunnen daarmee onbesproken blijven en aan het in verband met grief VI gedane bewijsaanbod gaat het hof daarom als niet dienend voorbij.


Grief IX van [appellant] slaagt niet.


De grieven X en XI van [appellant] slagen in zoverre niet.


De grieven X en XI van [appellant] slagen in zoverre niet. De grieven VII, VIII, XII en XIII van [appellant] slagen evenmin.


Vergelijk onder meer HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9966, en HR 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:801.


HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.