Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:4548
2026-07-14
Civiel recht
200.353.986/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHARL:2026:4548 → ECLI:NL:RBNNE:2025:678
Inhoudsindicatie
Aansprakelijkheid assurantietussenpersoon. Verzekerde wordt in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de tussenpersoon haar er niet uitdrukkelijk op heeft gewezen dat haar inventaris en goederen niet tegen brandschade waren verzekerd.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBNNE:2025:678 Rechtbank Noord-Nederland 08-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (44.626 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.986/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 221700
arrest van 14 juli 2026
in de zaak van
1 [appellant1] B.V. ( [appellant1] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
2. [appellant2] ( [appellant2] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
advocaat: mr. C. Fledderus
en
Quintes Groningen B.V. (Quintes)
die is gevestigd in Groningen
advocaat: mr. O.B. Zwijnenberg.
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellant1] en [appellant2] ( [appellanten] ) hebben bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die op 5 juli 2023, 26 oktober 2023 en 8 januari 2025 tussen partijen zijn uitgesproken door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord
• het verslag van de mondelinge behandeling die op 3 juni 2026 is gehouden (het proces-verbaal)
• de stukken (producties) die door [appellanten] (producties 47 t/m 62) en Quintes (productie 1) ter voorbereiding op de mondelinge behandeling zijn ingediend.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
2De kern van de zaak
2.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of Quintes als assurantietussenpersoon van [appellanten] in haar zorgplicht is tekortgeschoten en of [appellanten] daardoor schade hebben geleden die Quintes dient te vergoeden.
2.2
[appellanten] hebben bij de rechtbank gevorderd dat de rechtbank uitspreekt (voor recht verklaart) dat Quintes aansprakelijk is voor de schade en de kosten van [appellanten] als gevolg van het schenden van haar zorgplicht jegens [appellanten] betreffende de verzekeringsportefeuille en de te verzekeren risico’s van [appellanten] en Quintes veroordeelt om aan [appellant1] te betalen € 1.472.946,-, aan [appellant2] € 121.480,- en aan [appellanten] € 23.315,-, steeds te vermeerderen met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
2.3
De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.
2.4
Het hof zal nog geen definitieve beslissing nemen, maar [appellanten] in de gelegenheid stellen om bewijs te leveren van hun stellingen en licht dat hierna toe. Het hof zal eerst de relevante feiten vaststellen en daarna de standpunten van partijen bespreken.
3De vaststaande feiten
Partijen en hoofdpersonen
3.1
[appellant1] exploiteert een afvalrecyclingbedrijf in [vestigingsplaats] , waar zij verschillende bedrijfspanden heeft aan het [adres] ( [nummers] ). Eigenaar van die bedrijfspanden is [appellant2] , de aandeelhouder van [appellant1] . Een van de (indirect) bestuurders van [appellanten] is de heer [naam1] ( [naam1] ). Hij was het aanspreekpunt bij [appellanten] voor Quintes.
3.2
Quintes exploiteert een assurantiekantoor. Zij is de rechtsopvolger van Lukkien & Schultinga (L&S), met wie zij met ingang van 1 januari 2022 is gefuseerd. Een onderdeel van Quintes is [naam11] , een verzekeringsmakelaar.
3.3
L&S, later Quintes, was de assurantietussenpersoon van [appellanten] hadden ook verzekeringen lopen via Rabobank. Contactpersoon van [appellant1] bij L&S (later Quintes) was eerst [naam2] ( [naam2] ) en vanaf medio 2021 de heer [naam3] ( [naam3] ). [naam3] was voor die tijd werkzaam bij [naam11] en was in die hoedanigheid ook betrokken bij het afsluiten van de verzekering waar het hier om gaat. De verzekeringsovereenkomst en de totstandkoming ervan
3.4
Het pand aan het [adres] was tot eind 2020 via Rabobank verzekerd bij Willis Towers Watson tegen brandschade. Volgens de polis waren verzekerd het gebouw (voor € 6.202.642,-), de bedrijfsuitrusting/inventaris (voor € 1.102.536,-), goederen (voor € 200.000,-), extra kosten (voor € 250.000,-) en excedent opruimingskosten (voor € 80.000,-). In de polis is bepaald dat de verzekering slechts voor 85% is geplaatst, waardoor de verzekerde een eigen risico van 15% draagt. De jaarlijkse premie is € 114.418,08 per jaar.
3.5
Medio oktober 2020 hebben [appellanten] aan [naam2] van L&S gevraagd een offerte voor de brandverzekering voor haar bedrijfspanden te verzorgen. Via [naam3] (toen nog van [naam11] ) is bij Concordia De Keizer (later Ecclesia) een offerte aangevraagd voor de verzekering tegen brandschade van alle bedrijfspanden en de zich daarin bevindende inventaris/goederen. Contactpersoon bij Ecclesia was de heer [naam4] ( [naam4] ).
3.6
Ecclesia heeft [naam3] op 30 november 2020 een offerte gestuurd voor een brandverzekering met ingang van 1 januari 2021 betreffende de panden aan het [adres] . De offerte vermeldt als verzekeringnemer ‘ [appellant1] BV e/o gelieerde ondernemingen” en als verzekerden zowel [appellant1] als [appellant2] . Voor het pand aan het [adres] werd uitgegaan van verzekerde bedragen van € 6.202.642,- op de gebouwen, € 1.302.536,- op inventaris/goederen en € 250.000,- op extra kosten.
3.7
In overleg tussen [naam2] en Ecclesia is die offerte later aangepast in een offerte voor alleen het pand [adres] .
3.8
[naam5] van L&S heeft die offerte (waarin de verzekeringnemer en de verzekerden gelijk zijn aan die van de eerdere offerte) op 14 december 2020 per e-mail doorgestuurd naar [appellanten] In de offerte wordt uitgegaan van verzekerde bedragen van € 6.202.642,- op de gebouwen (met een zogenaamd vorkbedrag van € 4.000.000,-) en van € 1.302.536,- op inventaris/goederen. De premie bedraagt € 69.033,58 per jaar (10,78 promille over € 6.403.857,-).
3.9
In een e-mail van 17 december 2020 heeft [naam2] aan [naam4] van Ecclesia geschreven: “Hierbij het getekende formulier waarmee de klant acc gaat. Voor de goederen/inventaris maakt hij nog een keuze voor 01-01-2021.” Als bijlage is de offerte van 14 december 2020 bijgevoegd. Op die offerte, die is gericht aan [appellanten] , is het verzekerd bedrag op de inventaris/goederen handgeschreven doorgehaald, net als de optelling van de verzekerde bedragen. In plaats van die optelling is alleen het bedrag van € 6.202.642,- voor de gebouwen vermeld. Achter deze wijzigingen zijn twee handtekeningen geplaatst. Een daarvan is van [naam1] . Boven het premiebedrag en de berekening ervan is, handgeschreven, een nieuwe berekening en een nieuw premiebedrag vermeld, te weten: “5.101.321,00 a 10,78 = 54.992,24.”
3.10
In een e-mail van 22 december 2020 aan [naam2] schreef [naam4] (Ecclesia):
“Zoals eerder vandaag telefonisch besproken is de wens van de klant om enkel de gebouwen op het risico adres [adres] in [vestigingsplaats] te verzekeren. Wij hebben verzekeraars verzocht per 1-1-2021 dekking te verlenen voor deze gebouwen met opname van een vorkbedrag van EUR 4 mio. Zodra wij de bevestiging van de verzekeraar hebben ontvangen, dan zullen wij de polis gaan opmaken.”
3.11
Op 4 juni 2021 heeft Ecclesia een brandverzekeringspolis (met nummer [nummer1] ) ten behoeve van het bedrijfspand [adres] aan [appellanten] , de verzekeringnemer, gestuurd. In de polis staat onder meer het volgende vermeld: “Verzekeringnemer [appellant1] B.V. (…)Verzekerde(n) [appellant1] B.V. [appellant2] B.V. Gelieerde ondernemingenVerzekeringstermijn ingangsdatum 01-01-2021 Einddatum 01-01-2022 en voorts telkens voor 12 maanden doorlopendVerzekerd object [adres] [vestigingsplaats] Recyclingbedrijf (voornamelijk plastic- en kunststofrecycling) Staal/hard 1. € 6.202.642,00 (index 108,0) Bij de premieberekening op sub 1. gebouwen wordt een vorkbedrag van € 4.000.000,00 gebruikt. De premie wordt dan berekend over ( 6.202.642,00 + € 4.000.000,00 / 2 = € 5.101.321,00.Totaal verzekerd bedrag € 6.202.642,00(…)Voorbehoud Inspectie/begeleiding door Climbel. Deze engineering fee zal rechtstreeks door relatie aan Climbel worden voldaan.Algemene voorwaarden Nederlandse Beursvoorwaarden voor Uitgebreide Gevaren (NBUG 2006) Clausuleblad bij de NBUG 2006Clausules (…) BCDK 002 Buitenopslag (…)Jaarpremie 1. € 5.101.321,00 a 10,78 [promille] = € 54.992,24 Totaal € 54.992,24”In het clausuleblad bij de polis staat ten aanzien van de clausule Buitenopslag het volgende vermeld:“Verzekerde garandeert dat hij, danwel degene voor wie hij verantwoordelijk is, geen brandbare zaken buiten het gebouw binnen 10 meter van de gevel van het gebouw respectievelijk vanaf het afdak van het gebouw opslaat.(…)Wanneer blijkt dat aan één van deze garanties niet is voldaan, zal verzekerde een extra eigen risico dragen van 10% van het door verzekeraars te vergoeden schadebedrag, met een minimum van € 50.000,00 en een maximum van € 100.000,00 per gebeurtenis, tenzij verzekerde aannemelijk maakt dat de schade niet daardoor (mede) veroorzaakt of vergroot is.”
3.12
Voor de andere gebouwen is door Quintes een gebouwverzekering afgesloten bij Nationale Nederlanden, die voorziet in dekking voor schade (onder meer door brand) aan deze gebouwen.
3.13
Op 4 november 2021 heeft [naam6] van Climbel een inspectie uitgevoerd. Dat heeft geresulteerd in een rapport van 29 november 2021. In dat rapport is vermeld dat bij de inspectie aanwezig waren de heren [naam1] en [naam8] van [appellanten] en de heer [naam3] van Quintes. Verder staat in het rapport onder meer: “3 Schadeverwachtingen3.1 Gerapporteerde waardenGebouwen : EUR 6.202.642,-Machines/Installaties : EUR 0,-Goederen EUR 0,-Totaal Materieel (PD) : EUR 6.202.642,-
Bedrijfsschade, rente inkomsten : EUR 0,-
(BI, Loss of Rent)
Totaal
:
EUR 6.202.642,-
Opmerkingen:
Verzekerde waarde zoals omschreven in de polis d.d. 01 januari 2021 van Concordia de Keijzer.
Er zijn geen taxatie gegevens bekend. De bedrijfshallen en kantoor- en kantineruimten staan op de polis, de inventaris niet.
(…)
“9.2 Openstaande en nieuwe aanbevelingen2020-07-01 Afstanden kunststof balen tot gebouwGestapelde balen kunststof vormen een brandlast voor een naburig gebouw. Indien er geen Legioblocks zijn gebruikt dient bij een stapelhoogte van maximaal 4 meter de afstand van de balen tot het gebouw minstens 10 meter te zijn bij een opslagbreedte van 11 meter en 20 meter bij een opslagbreedte van 15 meter.” [naam7] heeft dit rapport doorgestuurd naar [appellanten]
3.14
In een e-mail van 24 november 2021 aan [naam3] kondigde [naam4] een premieverhoging van 15% aan bij prolongatie van de brandverzekering van het pand [adres] . [naam3] heeft diezelfde dag gereageerd in een e-mail aan [naam4] . Hij verwees naar het zeer positieve rapport van Climbel (volgens [naam3] : “het perfecte risico”) en schreef verder: “Doordat relatie daarnaast ook ervoor gekozen heeft om een substantieel eigen risico te houden- de inventaris/machines zijn in het geheel niet verzekerd- bedrijfsschade risico neemt relatie ook volledig voor eigen rekening,- alsmede het bestaande hoge eigen risico op de gebouwenzal relatie bij een verhoging normaliter deze verzekering in ieder geval beëindigen, is onze inschatting.”
3.15
In een e-mail van 8 december 2021 aan [naam3] liet [naam4] weten dat de eerder voorgestelde premieverhoging ongedaan zal worden gemaakt en dat de polis op basis van ongewijzigde premiestelling kan worden gecontinueerd. [appellanten] dienden wel te voldoen aan de inhoud van het zogenaamde Waste Protocol, dat [appellanten] moesten invullen en voor 1 januari 2022 inleveren. Een voorwaarde voor continuering van de verzekering was bovendien dat risico-begeleiding door Climbel zou plaatsvinden. Indien geen gevolg werd gegeven aan de aanbevelingen van Climbel zou de verzekeraar het recht van participatie heroverwegen of de premies en/of condities herzien.
3.16
In een e-mail van 15 december 2021 aan [naam3] liet [naam8] van [appellanten] weten dat [naam1] “het prettig vind om nog even de nieuwe polissen mondeling te bespreken.” Daarop vond op 22 december 2021 een gesprek tussen [naam1] , [naam8] en [naam3] plaats. Naar aanleiding van dit gesprek schreef [naam3] in een e-mail aan [naam4] op 23 december jl. onder meer het volgende:“Gistermiddag heb ik relatie bezocht. Het was een taai gesprek.Relatie is akkoord met het continuatievoorstel, maar heeft wel een aantal bemerkingen wat betreft het Waste Protocol.(…)Conform je verzoek heb ik het protocol puntsgewijs doorgenomen om zijn reactie te ontvangen. Het viel bij relatie slecht omdat het een algemeen protocol is voor waste & recyclingbedrijven in de breedste zin, terwijl in november op verplichtingen van verzekeraar 14E, bureau Climbel is geweest welke specifiek op maat de aanbevelingen heeft beschreven.Dit protocol voelde bij relatie aan als niet specifiek, welke bij schade kan leiden tot onverkwikkelijke discussies met verzekeraar of er nog aanvullend eigen risico wordt gehanteerd.Bijgaand stuur ik je het waste document met de opmerkingen van relatie.”
3.17
Met een brief van 5 april 2022 stuurde Quintes de polis (aangeduid als Polisaanhangsel 1) voor de brandverzekering voor de periode 1 januari 2022 tot 1 april 2023 betreffende [adres] naar [appellant1] . Het polisaanhangsel komt grotendeels overeen met het in 3.10 aangehaalde polisblad, met dien verstande dat het verzekerd bedrag is gewijzigd in € 6.541.490,- (vanwege indexatie) en verwezen wordt naar enkele aanvullende clausules.
3.18
Op 8 juni 2022 heeft [naam9] van Climbel een inspectie verricht van [adres] . Volgens zijn rapport van 28 juni 2022 waren bij die inspectie [naam3] en [naam1] aanwezig. In het rapport is onder meer het volgende vermeld: “2 RecommendationsRecommendation Priority Medium2020-07-01 Afstanden kunststof balen tot gebouwIssue date 04-11-2021 Actual status Recommandation issuedTijdens de rondgang was brandbare buitenopslag opgeslagen op een afstand van minder dan 10 meter van hal 1.Hazard descriptionBrandbare opslag te dicht bij de gevel kan bijdragen aan eventuele brandoverslag. Hierbij kan brand op het buitenterrein mogelijk tot verlies van gebouwen resulteren.Solution descriptionRealiseer dat brandbare buitenopslag op minimaal 10 meter afstand van de gevel staat. Deze 10 meter is een polis conditie.CommentOpslag van balen tegen een volgens opgave van [naam1] Recycling 360 minuten brandwerende gevel. Gezien de brandwerendheid van de gevel, de gevel die boven het dak uitkomt en het dak dat voor zover bij ons bekend ongeïsoleerd is. Is deze situatie in onze optiek akkoord. Echter staat in de polis vermeld dat brandbare opslag op een afstand van 10 meter van de gevel moet staan, derhalve is deze aanbeveling gegeven.(…)3 Maximum Loss Estimates3.1 Insured values
Value [EUR]
Remarks
Building
€ 6.202.642,-
Machinery/Equipment
€ 0,-
Niet verzekerd
Inventory
€ 0,-
Niet verzekerd
Stock
€ 0,-
Niet verzekerd
Total Property Damage
€ 6.202.642,-
Business Interruption
€ 0,-
Niet verzekerd
Indemnity periode
€ 0,-
Niet verzekerd
Total insured value
€ 6.202.642,-
Het rapport is op 5 augustus 2022 naar [appellanten] gestuurd.
De brand en de afwikkeling van de brandschade
3.19
Op 17 augustus 2022 heeft brand gewoed in het pand [adres] . Het pand en de in het pand aanwezige inventaris en goederen zijn daarbij grotendeels verloren gegaan.
3.20
[appellanten] hebben zich bij de afwikkeling van de brandschade voorzien van de bijstand van Troostwijk Expertises B.V. (Troostwijk) als contra-expert en van een advocaat. Die advocaat heeft zich op 20 september 2022 voor het eerst tot Quintes gewend met een verzoek om informatie over de omvang van de verzekeringsdekking. In een brief van 13 februari 2023 heeft zij Quintes aansprakelijk gesteld voor de schade die [appellanten] hebben geleden als gevolg van het tekortschieten door Quintes in haar verplichtingen als assurantietussenpersoon.
3.21
In een akte van taxatie van 29 maart 2023 heeft Sedgwick Nederland B.V. de schade aan opstallen en bijkomende kosten begroot op € 3.746.141,-. Aan [appellant2] is dit bedrag onder aftrek van een eigen risico van € 100.000,- uitgekeerd.
3.22
In opdracht van [appellanten] heeft ing. [naam10] , werkzaam voor Troostwijk Expertises B.V., de door de brand veroorzaakte schade getaxeerd. In haar rapport van 10 november 2023 heeft Troostwijk de schade bepaald op: goederen € 503.217,50, inventaris € 906.750,00, opstal € 21.480,00 en opruimingskosten goederen € 109.853,97.
3.23
Na de brand bleken [appellanten] op grond van een (via Quintes) bij De Goudse afgesloten inventarisverzekering aanspraak te hebben op een uitkering van € 46.875,- voor de verloren gegane inventaris.
4De bespreking van het geschil
Inleiding
4.1
[appellanten] vinden dat zij door tekortkomingen van (de rechtsvoorgangers van Quintes) schade hebben geleden doordat:a. De inventaris en goederen slechts heel beperkt (door de verzekering bij De Goudse) tegen brandschade waren verzekerd;b. Ecclesia met een beroep op de clausule Buitenopslag een eigen risico van € 100.000,- heeft gehanteerd;
c. Ecclesia de schade aan de zogenaamde Legioblocken niet heeft willen vergoeden.
4.2
[appellanten] maken Quintes verschillende verwijten. Het hof zal die verwijten hierna bespreken en stelt bij die bespreking het volgende voorop.
4.3
Een assurantietussenpersoon dient als opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. Die zorgplicht is algemeen van aard. Als uitgangspunt geldt dat een assurantietussenpersoon als een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar moet waken over de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen, waarbij hij rekening moet houden met relevante omstandigheden van het geval die voor hem bekend (behoren te) zijn. De betekenis van de algemene contractuele zorgplicht van een assurantietussenpersoon in een concreet geval hangt dus (vaak) af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en de inhoud van de opdracht en de (kenbare) belangen van de cliënt, en daarom is voorzichtigheid geboden bij de invulling van deze algemene zorgplicht met concretere zorgverplichtingen die altijd of voor (grote) categorieën van gevallen gelden. In zijn algemeenheid geldt wel dat de assurantietussenpersoon verplicht is zijn cliënt tijdig te wijzen op de gevolgen van hem bekende feiten die relevant zijn voor de dekking van de verzekeringen uit zijn portefeuille. Maar de zorgplicht van de assurantietussenpersoon gaat in zijn algemeenheid ook weer niet zo ver dat hij als taak heeft ervoor te zorgen dat in zijn portefeuille geen verzekeringen voorkomen waarbij sprake is van onderverzekering of dat geen sprake is van risico’s die niet zijn verzekerd. Wel mag van de assurantietussenpersoon worden verwacht dat hij de cliënt wijst op het feit dat een risico niet is verzekerd of dat sprake is van onderverzekering en op de mogelijke gevolgen daarvan. Hoe frequent en indringend dat moet gebeuren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
4.4
Het hof zal met inachtneming van deze uitgangspunten de verwijten van [appellanten] bespreken. Bij die bespreking zal het hof aansluiten bij de hiervoor vermelde schades en de aan Quintes gemaakte verwijten per schade bespreken. Het hof ziet reden om eerst de onder b en c vermelde schades te bespreken en pas daarna die onder a. Het eigen risico
4.5
Ecclesia heeft op de vastgestelde schade € 100.000,- eigen risico in mindering gebracht met een beroep op de clausule Buitenopslag (zie 3.11). Volgens Ecclesia hebben [appellanten] niet voldaan aan de verplichting uit deze clausule om een minimale afstand van 10 meter aan te houden tussen de buiten opgeslagen balen en de gevel.
4.6
[appellanten] verwijten Quintes dat zij niet heeft voorkomen dat de clausule Buitenopslag in de polis is opgenomen. Bovendien menen [appellanten] dat Quintes de clausule niet met hen heeft besproken en hun niet heeft gewaarschuwd voor de gevolgen van het niet (tijdig) voldoen aan de clausule. Ten slotte heeft Quintes er [appellant1] bij de afwikkeling van de schade ten onrechte niet tegen behoed dat Ecclesia zich met succes op de clausule zou beroepen.
4.7
Het mag zo zijn dat de verzekering bij Ecclesia een beurspolis is en dat de clausules bij zo’n verzekering in beginsel onderhandelbaar zijn, maar [appellanten] hebben in het licht van het verweer van Quintes op dit punt onvoldoende onderbouwd dat indien Quintes de clausule ter discussie zou hebben gesteld bij Ecclesia deze niet zou zijn opgenomen. In dit kader is van belang dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat een brandverzekering voor een pand waarin het recyclingbedrijf wordt uitgeoefend moeilijk te verzekeren is vanwege het grotere risico op brand. Het ligt niet voor de hand dat een verzekeraar in zo’n context bereid is af te zien van het opnemen van een op zichzelf niet ongebruikelijke risicoclausule. De heer [naam2] , die aan de zijde van [appellant1] aanwezig was bij de mondelinge behandeling bij het hof, kon desgevraagd ook geen voorbeelden noemen van situaties waarin een verzekeraar bij een verzekering voor een recyclingbedrijf bereid was af te zien van de buitenclausule, terwijl er hem tegelijkertijd wel voorbeelden bekend zijn van situaties waarin een verzekeraar bij niet-recyclingbedrijven van een dergelijke clausule heeft willen afzien.
4.8
Ook als zou moeten worden aangenomen dat Quintes ten onrechte geen poging heeft ondernomen om de clausule te schrappen, is geen sprake van causaal verband tussen het achterwege laten van die poging en de toepasselijkheid van de clausule op de verzekeringsovereenkomst. Dit verwijt faalt dan ook.
4.9
Ook het verwijt dat Quintes de clausule niet met [appellanten] heeft doorgenomen en niet heeft gewezen op de risico’s voor het niet voldoen aan de clausule faalt. Uit de hiervoor in 3.13 en 3.18 aangehaalde passages uit de rapporten van de inspectiebezoeken van Climbel volgt dat de clausule in elk geval tijdens deze bezoeken uitdrukkelijk aan de orde is geweest. Ook blijkt uit de rapporten dat sprake was van een opslag op minder dan 10 meter van de gevel en dat daarmee niet werd voldaan aan een polisvoorwaarde. De rapporten zijn naar [appellanten] gestuurd. Maar ook als [naam1] er toen geen notie van heeft genomen - in het midden kan blijven wat daarvan de consequentie is -, geldt dat niet ter discussie staat dat wat in het rapport vermeld staat tijdens de inspectie aan de orde is geweest. Gelet hierop lag het niet op de weg van Quintes om een professionele opdrachtgever als [appellanten] na deze inspecties nog eens indringend te wijzen op het feit dat de tijdens de inspecties uitdrukkelijk besproken situatie in strijd was met de clausule.
4.10
Los daarvan geldt dat het enkele feit dat sprake is van een met de clausule strijdige situatie nog niet betekent dat Ecclesia zich ook met succes op de clausule kon beroepen. Daarvoor is ook nodig dat sprake is van causaal verband tussen die situatie en het ontstaan en/of de omvang van de schade. Partijen zijn het erover eens dat daarvan nu juist geen sprake was. Die gedeelde opvatting van partijen vindt ook steun in het rapport van Climbel van 28 juni 2022 (zie 3.18). Met het ontbreken van causaal verband tussen de buitenopslag en de (omvang van de) schade, ontbreekt ook het causaal verband tussen het aan Quintes gemaakte verwijt en het feit dat [appellant2] niet de volledige schadeuitkering heeft ontvangen, maar € 100.000,- minder. De verzekeraar heeft, kennelijk met succes, € 100.000,- in mindering gebracht op de schadeuitkering, maar heeft dat ook in de visie van [appellanten] ten onrechte gedaan. [appellant2] heeft die in de visie van [appellanten] onterechte beslissing van Ecclesia niet aangevochten. Als al sprake is van conditio sine qua non verband tussen het aan Quintes gemaakte verwijt en het ten onrechte in rekening brengen van het eigen risico door Ecclesia kan dat laatste feit, gelet op de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade niet in redelijkheid aan het aan Quintes gemaakte verwijt worden toegerekend. Daarbij is onder meer van belang dat niet voorzienbaar was dat [appellanten] zich erbij neer zouden leggen dat Ecclesia zich ten onrechte op de clausule Buitenopslag zou beroepen en € 100.000,- in mindering zou brengen op de schadeuitkering.
4.11
[appellanten] werden al vanaf [naam3] voor de brand bijgestaan door een eigen contra-expert en door een advocaat. Deze advocaat heeft Quintes al begin 2023, ruimschoots voordat de schade met Ecclesia was afgewikkeld, aansprakelijk gesteld. In het licht hiervan verwijten [appellanten] Quintes ten onrechte dat Quintes niet heeft voorkomen dat Ecclesia zich op de clausule heeft beroepen. [appellanten] hebben hun betoog dat Quintes op dit punt tekort is geschoten in haar advisering bij de afwikkeling van de schade dan ook onvoldoende onderbouwd.
4.12
De vordering tot vergoeding van deze schade is niet toewijsbaar.De Legioblocken
4.13
Bij de brand zijn ook zogenaamde Legioblocken beschadigd. Het gaat om grote stapelbare betonnen blokken, die op en naast elkaar worden geplaatst en dan samen een wand of muur vormen. Ecclesia heeft de brandschade aan de blokken niet willen vergoeden, omdat volgens Ecclesia sprake was van roerende zaken, dus van inventariszaken of goederen, die niet verzekerd waren. Partijen zijn het erover eens dat Legioblocken niet roerend, maar onroerend zijn en daarom wel onder de dekking van de brandverzekering voor de opstal vallen. Zij zijn het er dus ook over eens dat Ecclesia ten onrechte heeft geweigerd om de schade aan de Legioblocken uit te keren.
4.14
Gelet hierop gaat het door [appellanten] aan Quintes gemaakte verwijt niet op, dat Quintes er geen zorg voor heeft gedragen dat de blokken apart verzekerd zouden worden. De blokken waren immers al verzekerd onder de verzekering voor de opstal. Dat de verzekering niet is afgesloten op basis van voortaxatie, met toepassing van het rapport van Troostwijk uit 2016, maakt dat niet andersOmdat de blokken onroerend zijn, vallen deze ook zonder voortaxatie onder de dekking van de bij Ecclesia afgesloten verzekering.
4.15
Bovendien geldt ook hier dat indien al sprake is van conditio sine qua non verband tussen het op dit punt aan Quintes gemaakte verwijt en de schade van [appellanten] , bestaande uit het niet uitkeren van de brandschade aan de blokken, deze schade niet in redelijkheid aan de gestelde fout van Quintes kan worden toegerekend. Het hof verwijst naar wat het hiervoor in 4.10 over de schade vanwege het verhoogde eigen risico heeft overwogen.
4.16
De conclusie is dat de vordering betreffende deze schadepost niet toewijsbaar is.
De inventaris en goederen
4.17
Omdat de inventaris en goederen in het pand aan het [adres] niet verzekerd waren bij Ecclesia heeft Ecclesia de brandschade aan de inventaris en goederen in het pand niet uitgekeerd. Volgens [appellanten] bedraagt deze schade, na aftrek van de uitkering op grond van de verzekering bij De Goudse, € 1.472.946,-. De hoogte van dit bedrag wordt niet door Quintes betwist en staat dus niet ter discussie.
4.18
Partijen verschillen wel fundamenteel van mening over de vraag of Quintes haar zorgplicht heeft geschonden door niet te voorkomen dat [appellanten] met dit gat in de dekking werden geconfronteerd. Volgens [appellanten] was het niet de bedoeling dat de goederen en inventaris onverzekerd zouden blijven. Vanwege een mogelijke overname van [appellant1] vonden [appellanten] het eind 2020 wenselijk dat de brandverzekering van de opstal (eigendom van [appellant2] ) en de inventaris en goederen (van [appellant1] ) gescheiden zouden worden. Vervolgens is wel een verzekering afgesloten voor de opstal, maar niet voor de inventaris en de goederen. Afgesproken was dat [appellanten] nog een keuze zouden maken voor de verzekering van goederen en inventaris, maar Quintes is daar nooit op teruggekomen en de goederen en inventaris zijn onverzekerd gelaten. Quintes heeft op eigen houtje en zonder [appellanten] daarin te kennen de dekking op de brandverzekering aangepast en ‘uitgekleed’ en heeft [appellanten] ook niet geïnformeerd over het feit dat vanaf 1 januari 2021 geen dekking meer gold voor brandschade aan de inventaris en goederen in het pand [adres] . Quintes heeft [appellanten] ook niet (laat staan indringend) gewaarschuwd tegen het feit dat dit risico niet was gedekt. Ook heeft zij niet vastgelegd wat zij over (het ontbreken van) de dekking met [appellanten] heeft besproken. Bovendien heeft Quintes volgens [appellanten] ten onrechte geen actie ondernomen vanwege het feit dat de verzekering bij De Goudse volstrekt onvoldoende dekking bood voor het brandrisico betreffende de inventaris en de goederen.
4.19
Quintes bestrijdt dat zij is tekortgeschoten. Volgens haar was het een bewuste keuze van [appellanten] om de inventaris en de goederen niet te verzekeren. [naam1] was zich er in de herhaalde contacten tussen Quintes en [naam1] terdege van bewust dat de inventaris en de goederen niet verzekerd waren. Hij vond de premie voor de brandverzekering veel te hoog, gelet op het volgens hem zeer geringe risico op brand. Op verschillende momenten voorafgaand aan de brand is met hem besproken dat dit risico niet verzekerd was. Bovendien bleek dat ook uit de polissen en de rapporten van Climbel. Deze stukken zijn naar [appellanten] gestuurd en waren [appellanten] dus bekend. In een bijeenkomst zeer [naam3] na de brand bleek ook dat [naam1] ermee bekend was dat de goederen en de inventaris niet verzekerd waren, aldus Quintes. De polis bij De Goudse was nog een overblijfsel uit een grijs verleden en had eigenlijk al beëindigd moeten zijn. De brandverzekering was elders ondergebracht en [appellanten] wilden geen brandverzekering voor de inboedel en inventaris in het pand [adres] . Dat Quintes ten onrechte heeft verzuimd de verzekering te beëindigen heeft [appellanten] per saldo een voordeel opgeleverd en dus geen schade berokkend, aldus Quintes.
4.20
Het hof stelt voorop dat het in beginsel op de weg van [appellanten] ligt om de feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat Quintes ook ten aanzien van het niet verzekerd zijn van de inventaris en inboedel is tekortgeschoten in haar zorgplicht. Het ligt dus in beginsel ook op de weg van [appellanten] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat Quintes buiten haar om bij het sluiten van de brandverzekering met Ecclesia het risico op brandschade bij de inventaris en goederen onverzekerd heeft gelaten, dat zij ook niet wist dat dit risico niet verzekerd was en dat Quintes haar daar ook niet op heeft gewezen en voor heeft gewaarschuwd. In dit verband wijst het hof erop dat het verweer van Quintes, dat [appellanten] zelf geen dekking wilden, wisten dat geen sprake was van een dekking en dat zij [appellanten] daarop hebben gewezen geen bevrijdend verweer is (‘ja maar’), maar een grondslagverweer (‘nee want’).
4.21
Het staat vast dat Quintes geen verslagen heeft gemaakt van de gesprekken met[naam1] en ook niet beschikt over een schriftelijk of elektronisch systeem (hierna: een klantenvolgsysteem) waarin voor haar klanten (of in elk geval voor [appellanten] ) is vastgelegd wat de wensen en behoeften van haar klanten zijn, welke afspraken met hen zijn gemaakt en of en wanneer de klanten zijn gewaarschuwd tegen risico’s, zoals het risico van onderverzekering. Maar dat feit rechtvaardigt, anders dan [appellanten] betogen, niet de conclusie dat Quintes alleen al om die reden niet heeft voldaan aan haar verplichting om de stellingen van [appellanten] gemotiveerd te betwisten en evenmin dat het nu aan Quintes is om te bewijzen dat [appellanten] ermee bekend waren dat de goederen en inventaris niet verzekerd waren en dat het feit dat de goederen en inventaris niet verzekerd het gevolg was van een bewuste keuze van (de directie van) [appellanten] In dit kader is van belang dat de door [appellanten] vermelde artikelen 65b en 66b van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Bgfo) ook niet de verplichting op een assurantietussenpersoon leggen om gespreksverslagen te maken of een klantenvolgsysteem bij te houden.
4.22
Het staat Quintes vrij om haar verweer met andere middelen dan gespreksverslagen en informatie uit een klantenvolgsysteem te onderbouwen. Het hof zal hierna nagaan of Quintes daarin is geslaagd. Ten aanzien van de vraag of Quintes [appellanten] voldoende gewaarschuwd heeft tegen het risico dat de goederen en inventaris onverzekerd waren geldt daarbij dat indien een professionele partij als [appellanten] er bewust voor kiest om goederen en inventaris niet te verzekeren tegen brand de assurantietussenpersoon ervan uit mag gaan dat zijn opdrachtgever zich ook bewust is van het risico dat wanneer er brand uitbreekt de verzekeraar de brandschade aan de goederen en inventaris niet zal uitkeren. Dat is immers een voor iedereen, en zeker voor een professionele partij, te voorzien gevolg van de keuze om de goederen en inventaris niet te verzekeren.
4.23
Bij het aangaan van de brandverzekering bij Ecclesia zijn van de zijde van [appellanten] [naam1] en van de zijde van Quintes [naam2] betrokken geweest. [naam2] is feitelijk medio 2021, en formeel met ingang van 1 januari 2022 na een gerechtelijke procedure bij Quintes vertrokken. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof hebben zowel [naam2] , die als informant van [appellanten] aanwezig was, als [naam1] verklaard dat zij eind 2020 besproken hebben dat vanwege een mogelijke overname van [appellant1] de inventaris en goederen niet meeverzekerd zouden moeten worden op de polis van de opstal en dat nog overleg zou plaatsvinden over de verzekering van de inventaris en de goederen. Hun verklaringen vinden steun in de e-mail van [naam2] aan [naam4] van Ecclesia van 17 december 2020, inhoudende dat [appellanten] nog een keuze zouden maken over de verzekering van de inventaris en de goederen (zie 3.9) en in het feit dat op de offerte de verzekering voor goederen en inboedel is doorgehaald. Onopgehelderd blijft wie dat heeft doorgehaald; beiden hebben verklaard dat zij het niet zijn geweest. De handtekening van [naam1] is weliswaar achter de doorhaling geplaatst - op zich een merkwaardige plek wanneer deze niet moet worden gezien als accordering van de doorhaling -, maar wel met een andere pen dan die waarmee de doorhaling is gedaan en de tweede handtekening is geplaatst.
4.24
In het licht van het voorgaande heeft Quintes onvoldoende weersproken dat [naam1] [naam2] eind 2020 nog niet heeft geïnstrueerd om de inventaris en de goederen niet te verzekeren. Ook heeft zij onvoldoende weersproken dat [appellanten] daarop nog zouden terugkomen. Het staat niet ter discussie dat Quintes daaraan de eerste maanden na het sluiten van de verzekering bij Ecclesia geen gevolg heeft gegeven; [naam2] heeft dat ook met zoveel woorden aangegeven. Op dit punt heeft Quintes naar het oordeel van het hof niet de zorg in acht genomen die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon mag worden verwacht. Dat betekent nog niet zonder meer dat Quintes ook verantwoordelijk moet worden gehouden voor het feit dat de inventaris en goederen van [appellant1] ten tijde van de brand niet meeverzekerd waren (op de beperkte polis bij De Goudse na), maar wel dat Quintes er niet mee kon volstaan om de polissen van Ecclesia en de rapporten van Climbel door te sturen, waaruit inderdaad blijkt dat de inventaris en de goederen niet zijn meeverzekerd. Quintes diende zich er, gelet op het hiervoor besproken ‘open einde’ van eind 2020 vervolgens wel van te vergewissen dat [appellant1] de inventaris en de goederen daadwerkelijk niet wilde meeverzekeren. Volgens [appellant1] heeft Quintes dat niet gedaan, maar Quintes heeft dat gemotiveerd bestreden. Zij heeft verwezen naar enkele schriftelijke verklaringen van [naam3] en schriftelijke verklaringen van [naam9] van Climbel en van de heer [naam12] van Rabobank en mevrouw [naam13] van Quintes. Laatstgenoemden zijn aanwezig geweest bij de bespreking [naam3] na de brand en bevestigen in hun verklaringen dat [naam1] er toen van op de hoogte was dat inventaris en goederen niet verzekerd waren. De betwisting door Quintes van de stellingen van [appellanten] op dit punt vindt ook steun in de e-mail van [naam3] aan [naam4] van 24 november 2021 (zie 3.14).
4.25
Dat Quintes de stellingen van [appellanten] gemotiveerd heeft weersproken neemt niet weg dat [appellanten] hun stelling over de informatievoorziening door Quintes - [naam3] gezegd: Quintes heeft [appellanten] er na januari 2021 niet uitdrukkelijk op gewezen dat de inventaris en de goederen niet verzekerd waren en [appellanten] hebben (dus) ook niet aangegeven dat zij de goederen en de inventaris niet wilden verzekeren - voldoende hebben onderbouwd. Om die reden zal het hof [appellanten] toelaten tot het bewijs van die stelling, conform het door [appellanten] gedane bewijsaanbod.
4.26
Tijdens de mondelinge behandeling hebben [appellanten] nog aangevoerd dat [naam1] niet bevoegd was om de beslissing te nemen om de inventaris en de goederen niet te verzekeren, dat huisbankier Rabobank [appellant1] had verplicht om de goederen en inventaris te verzekeren en dat de beoogde overnemende partij ook wilde dat de goederen en inventaris verzekerd zouden worden. Voor zover [appellanten] daarmee willen betogen dat Quintes ook om deze redenen haar zorgplicht heeft geschonden, betreft het nieuwe grieven, die door het hof op grond van de zogenoemde ‘in beginsel strakke regel’ buiten beschouwing zullen worden gelaten. Dat neemt niet weg dat deze omstandigheden mogelijk bij de waardering van het te leveren bewijs een rol kunnen spelen, net als de andere door [appellanten] aangevoerde argumenten voor haar stelling dat het niet voor de hand ligt dat zij ervoor hebben gekozen de goederen en inventaris niet te verzekeren.
4.27
[naam1] c.s. hebben nog gesteld dat Quintes ook is tekortgeschoten door hen er niet op te wijzen dat ten aanzien van de verzekering bij De Goudse sprake is van onderverzekering. Opdit verwijt van [naam1] c.s. aan Quintes komt het hof na de bewijslevering terug. Conclusie
4.28
Het hof zal [appellanten] toelaten tot het leveren van bewijs.
5De beslissing
Het hof:
5.1
Het hof laat [appellanten] toe te bewijzen dat Quintes haar in de periode vanaf 1 januari 2021 tot aan de brand op 17 augustus 2022 er niet uitdrukkelijk op heeft gewezen dat de inventaris en de goederen in het pand aan het [adres] te [vestigingsplaats] niet tegen brandschade verzekerd waren (op een kleine verzekering bij De Goudse na) en dat [appellanten] Quintes ook niet hebben laten weten dat zij niet wilden dat deze inventaris en de goederen niet tegen brandschade zouden worden verzekerd.
5.2
Als getuigen worden gehoord, zal raadsheer-commissaris mr. M.A.M. Essed de getuigen verhoren in het Paleis van Justitie aan het Wilhelminaplein 1 in Leeuwarden. De vertegenwoordigers van partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn.
5.3
[appellanten] moeten op dinsdag 28 juli 2026 laten weten hoeveel getuigen zij willen laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is.
5.4
[appellanten] moeten de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof opgeven.
5.5
Een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, moet het hof en de wederpartij daarvan uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een kopie sturen.
5.6
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, M.A.M. Essed en A.G.J. van Wassenaer van Catwijck en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
Het laatste vonnis is gepubliceerd met nummer ECLI:NL:RBNNE:2025:678.
Subgrief 2b faalt.
Grief 2c faalt.
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.986/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 221700
arrest van 14 juli 2026
in de zaak van
1 [appellant1] B.V. ( [appellant1] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
2. [appellant2] ( [appellant2] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
advocaat: mr. C. Fledderus
en
Quintes Groningen B.V. (Quintes)
die is gevestigd in Groningen
advocaat: mr. O.B. Zwijnenberg.
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellant1] en [appellant2] ( [appellanten] ) hebben bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die op 5 juli 2023, 26 oktober 2023 en 8 januari 2025 tussen partijen zijn uitgesproken door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord
• het verslag van de mondelinge behandeling die op 3 juni 2026 is gehouden (het proces-verbaal)
• de stukken (producties) die door [appellanten] (producties 47 t/m 62) en Quintes (productie 1) ter voorbereiding op de mondelinge behandeling zijn ingediend.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
2De kern van de zaak
2.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of Quintes als assurantietussenpersoon van [appellanten] in haar zorgplicht is tekortgeschoten en of [appellanten] daardoor schade hebben geleden die Quintes dient te vergoeden.
2.2
[appellanten] hebben bij de rechtbank gevorderd dat de rechtbank uitspreekt (voor recht verklaart) dat Quintes aansprakelijk is voor de schade en de kosten van [appellanten] als gevolg van het schenden van haar zorgplicht jegens [appellanten] betreffende de verzekeringsportefeuille en de te verzekeren risico’s van [appellanten] en Quintes veroordeelt om aan [appellant1] te betalen € 1.472.946,-, aan [appellant2] € 121.480,- en aan [appellanten] € 23.315,-, steeds te vermeerderen met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
2.3
De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.
2.4
Het hof zal nog geen definitieve beslissing nemen, maar [appellanten] in de gelegenheid stellen om bewijs te leveren van hun stellingen en licht dat hierna toe. Het hof zal eerst de relevante feiten vaststellen en daarna de standpunten van partijen bespreken.
3De vaststaande feiten
Partijen en hoofdpersonen
3.1
[appellant1] exploiteert een afvalrecyclingbedrijf in [vestigingsplaats] , waar zij verschillende bedrijfspanden heeft aan het [adres] ( [nummers] ). Eigenaar van die bedrijfspanden is [appellant2] , de aandeelhouder van [appellant1] . Een van de (indirect) bestuurders van [appellanten] is de heer [naam1] ( [naam1] ). Hij was het aanspreekpunt bij [appellanten] voor Quintes.
3.2
Quintes exploiteert een assurantiekantoor. Zij is de rechtsopvolger van Lukkien & Schultinga (L&S), met wie zij met ingang van 1 januari 2022 is gefuseerd. Een onderdeel van Quintes is [naam11] , een verzekeringsmakelaar.
3.3
L&S, later Quintes, was de assurantietussenpersoon van [appellanten] hadden ook verzekeringen lopen via Rabobank. Contactpersoon van [appellant1] bij L&S (later Quintes) was eerst [naam2] ( [naam2] ) en vanaf medio 2021 de heer [naam3] ( [naam3] ). [naam3] was voor die tijd werkzaam bij [naam11] en was in die hoedanigheid ook betrokken bij het afsluiten van de verzekering waar het hier om gaat. De verzekeringsovereenkomst en de totstandkoming ervan
3.4
Het pand aan het [adres] was tot eind 2020 via Rabobank verzekerd bij Willis Towers Watson tegen brandschade. Volgens de polis waren verzekerd het gebouw (voor € 6.202.642,-), de bedrijfsuitrusting/inventaris (voor € 1.102.536,-), goederen (voor € 200.000,-), extra kosten (voor € 250.000,-) en excedent opruimingskosten (voor € 80.000,-). In de polis is bepaald dat de verzekering slechts voor 85% is geplaatst, waardoor de verzekerde een eigen risico van 15% draagt. De jaarlijkse premie is € 114.418,08 per jaar.
3.5
Medio oktober 2020 hebben [appellanten] aan [naam2] van L&S gevraagd een offerte voor de brandverzekering voor haar bedrijfspanden te verzorgen. Via [naam3] (toen nog van [naam11] ) is bij Concordia De Keizer (later Ecclesia) een offerte aangevraagd voor de verzekering tegen brandschade van alle bedrijfspanden en de zich daarin bevindende inventaris/goederen. Contactpersoon bij Ecclesia was de heer [naam4] ( [naam4] ).
3.6
Ecclesia heeft [naam3] op 30 november 2020 een offerte gestuurd voor een brandverzekering met ingang van 1 januari 2021 betreffende de panden aan het [adres] . De offerte vermeldt als verzekeringnemer ‘ [appellant1] BV e/o gelieerde ondernemingen” en als verzekerden zowel [appellant1] als [appellant2] . Voor het pand aan het [adres] werd uitgegaan van verzekerde bedragen van € 6.202.642,- op de gebouwen, € 1.302.536,- op inventaris/goederen en € 250.000,- op extra kosten.
3.7
In overleg tussen [naam2] en Ecclesia is die offerte later aangepast in een offerte voor alleen het pand [adres] .
3.8
[naam5] van L&S heeft die offerte (waarin de verzekeringnemer en de verzekerden gelijk zijn aan die van de eerdere offerte) op 14 december 2020 per e-mail doorgestuurd naar [appellanten] In de offerte wordt uitgegaan van verzekerde bedragen van € 6.202.642,- op de gebouwen (met een zogenaamd vorkbedrag van € 4.000.000,-) en van € 1.302.536,- op inventaris/goederen. De premie bedraagt € 69.033,58 per jaar (10,78 promille over € 6.403.857,-).
3.9
In een e-mail van 17 december 2020 heeft [naam2] aan [naam4] van Ecclesia geschreven: “Hierbij het getekende formulier waarmee de klant acc gaat. Voor de goederen/inventaris maakt hij nog een keuze voor 01-01-2021.” Als bijlage is de offerte van 14 december 2020 bijgevoegd. Op die offerte, die is gericht aan [appellanten] , is het verzekerd bedrag op de inventaris/goederen handgeschreven doorgehaald, net als de optelling van de verzekerde bedragen. In plaats van die optelling is alleen het bedrag van € 6.202.642,- voor de gebouwen vermeld. Achter deze wijzigingen zijn twee handtekeningen geplaatst. Een daarvan is van [naam1] . Boven het premiebedrag en de berekening ervan is, handgeschreven, een nieuwe berekening en een nieuw premiebedrag vermeld, te weten: “5.101.321,00 a 10,78 = 54.992,24.”
3.10
In een e-mail van 22 december 2020 aan [naam2] schreef [naam4] (Ecclesia):
“Zoals eerder vandaag telefonisch besproken is de wens van de klant om enkel de gebouwen op het risico adres [adres] in [vestigingsplaats] te verzekeren. Wij hebben verzekeraars verzocht per 1-1-2021 dekking te verlenen voor deze gebouwen met opname van een vorkbedrag van EUR 4 mio. Zodra wij de bevestiging van de verzekeraar hebben ontvangen, dan zullen wij de polis gaan opmaken.”
3.11
Op 4 juni 2021 heeft Ecclesia een brandverzekeringspolis (met nummer [nummer1] ) ten behoeve van het bedrijfspand [adres] aan [appellanten] , de verzekeringnemer, gestuurd. In de polis staat onder meer het volgende vermeld: “Verzekeringnemer [appellant1] B.V. (…)Verzekerde(n) [appellant1] B.V. [appellant2] B.V. Gelieerde ondernemingenVerzekeringstermijn ingangsdatum 01-01-2021 Einddatum 01-01-2022 en voorts telkens voor 12 maanden doorlopendVerzekerd object [adres] [vestigingsplaats] Recyclingbedrijf (voornamelijk plastic- en kunststofrecycling) Staal/hard 1. € 6.202.642,00 (index 108,0) Bij de premieberekening op sub 1. gebouwen wordt een vorkbedrag van € 4.000.000,00 gebruikt. De premie wordt dan berekend over ( 6.202.642,00 + € 4.000.000,00 / 2 = € 5.101.321,00.Totaal verzekerd bedrag € 6.202.642,00(…)Voorbehoud Inspectie/begeleiding door Climbel. Deze engineering fee zal rechtstreeks door relatie aan Climbel worden voldaan.Algemene voorwaarden Nederlandse Beursvoorwaarden voor Uitgebreide Gevaren (NBUG 2006) Clausuleblad bij de NBUG 2006Clausules (…) BCDK 002 Buitenopslag (…)Jaarpremie 1. € 5.101.321,00 a 10,78 [promille] = € 54.992,24 Totaal € 54.992,24”In het clausuleblad bij de polis staat ten aanzien van de clausule Buitenopslag het volgende vermeld:“Verzekerde garandeert dat hij, danwel degene voor wie hij verantwoordelijk is, geen brandbare zaken buiten het gebouw binnen 10 meter van de gevel van het gebouw respectievelijk vanaf het afdak van het gebouw opslaat.(…)Wanneer blijkt dat aan één van deze garanties niet is voldaan, zal verzekerde een extra eigen risico dragen van 10% van het door verzekeraars te vergoeden schadebedrag, met een minimum van € 50.000,00 en een maximum van € 100.000,00 per gebeurtenis, tenzij verzekerde aannemelijk maakt dat de schade niet daardoor (mede) veroorzaakt of vergroot is.”
3.12
Voor de andere gebouwen is door Quintes een gebouwverzekering afgesloten bij Nationale Nederlanden, die voorziet in dekking voor schade (onder meer door brand) aan deze gebouwen.
3.13
Op 4 november 2021 heeft [naam6] van Climbel een inspectie uitgevoerd. Dat heeft geresulteerd in een rapport van 29 november 2021. In dat rapport is vermeld dat bij de inspectie aanwezig waren de heren [naam1] en [naam8] van [appellanten] en de heer [naam3] van Quintes. Verder staat in het rapport onder meer: “3 Schadeverwachtingen3.1 Gerapporteerde waardenGebouwen : EUR 6.202.642,-Machines/Installaties : EUR 0,-Goederen EUR 0,-Totaal Materieel (PD) : EUR 6.202.642,-
Bedrijfsschade, rente inkomsten : EUR 0,-
(BI, Loss of Rent)
Totaal
:
EUR 6.202.642,-
Opmerkingen:
Verzekerde waarde zoals omschreven in de polis d.d. 01 januari 2021 van Concordia de Keijzer.
Er zijn geen taxatie gegevens bekend. De bedrijfshallen en kantoor- en kantineruimten staan op de polis, de inventaris niet.
(…)
“9.2 Openstaande en nieuwe aanbevelingen2020-07-01 Afstanden kunststof balen tot gebouwGestapelde balen kunststof vormen een brandlast voor een naburig gebouw. Indien er geen Legioblocks zijn gebruikt dient bij een stapelhoogte van maximaal 4 meter de afstand van de balen tot het gebouw minstens 10 meter te zijn bij een opslagbreedte van 11 meter en 20 meter bij een opslagbreedte van 15 meter.” [naam7] heeft dit rapport doorgestuurd naar [appellanten]
3.14
In een e-mail van 24 november 2021 aan [naam3] kondigde [naam4] een premieverhoging van 15% aan bij prolongatie van de brandverzekering van het pand [adres] . [naam3] heeft diezelfde dag gereageerd in een e-mail aan [naam4] . Hij verwees naar het zeer positieve rapport van Climbel (volgens [naam3] : “het perfecte risico”) en schreef verder: “Doordat relatie daarnaast ook ervoor gekozen heeft om een substantieel eigen risico te houden- de inventaris/machines zijn in het geheel niet verzekerd- bedrijfsschade risico neemt relatie ook volledig voor eigen rekening,- alsmede het bestaande hoge eigen risico op de gebouwenzal relatie bij een verhoging normaliter deze verzekering in ieder geval beëindigen, is onze inschatting.”
3.15
In een e-mail van 8 december 2021 aan [naam3] liet [naam4] weten dat de eerder voorgestelde premieverhoging ongedaan zal worden gemaakt en dat de polis op basis van ongewijzigde premiestelling kan worden gecontinueerd. [appellanten] dienden wel te voldoen aan de inhoud van het zogenaamde Waste Protocol, dat [appellanten] moesten invullen en voor 1 januari 2022 inleveren. Een voorwaarde voor continuering van de verzekering was bovendien dat risico-begeleiding door Climbel zou plaatsvinden. Indien geen gevolg werd gegeven aan de aanbevelingen van Climbel zou de verzekeraar het recht van participatie heroverwegen of de premies en/of condities herzien.
3.16
In een e-mail van 15 december 2021 aan [naam3] liet [naam8] van [appellanten] weten dat [naam1] “het prettig vind om nog even de nieuwe polissen mondeling te bespreken.” Daarop vond op 22 december 2021 een gesprek tussen [naam1] , [naam8] en [naam3] plaats. Naar aanleiding van dit gesprek schreef [naam3] in een e-mail aan [naam4] op 23 december jl. onder meer het volgende:“Gistermiddag heb ik relatie bezocht. Het was een taai gesprek.Relatie is akkoord met het continuatievoorstel, maar heeft wel een aantal bemerkingen wat betreft het Waste Protocol.(…)Conform je verzoek heb ik het protocol puntsgewijs doorgenomen om zijn reactie te ontvangen. Het viel bij relatie slecht omdat het een algemeen protocol is voor waste & recyclingbedrijven in de breedste zin, terwijl in november op verplichtingen van verzekeraar 14E, bureau Climbel is geweest welke specifiek op maat de aanbevelingen heeft beschreven.Dit protocol voelde bij relatie aan als niet specifiek, welke bij schade kan leiden tot onverkwikkelijke discussies met verzekeraar of er nog aanvullend eigen risico wordt gehanteerd.Bijgaand stuur ik je het waste document met de opmerkingen van relatie.”
3.17
Met een brief van 5 april 2022 stuurde Quintes de polis (aangeduid als Polisaanhangsel 1) voor de brandverzekering voor de periode 1 januari 2022 tot 1 april 2023 betreffende [adres] naar [appellant1] . Het polisaanhangsel komt grotendeels overeen met het in 3.10 aangehaalde polisblad, met dien verstande dat het verzekerd bedrag is gewijzigd in € 6.541.490,- (vanwege indexatie) en verwezen wordt naar enkele aanvullende clausules.
3.18
Op 8 juni 2022 heeft [naam9] van Climbel een inspectie verricht van [adres] . Volgens zijn rapport van 28 juni 2022 waren bij die inspectie [naam3] en [naam1] aanwezig. In het rapport is onder meer het volgende vermeld: “2 RecommendationsRecommendation Priority Medium2020-07-01 Afstanden kunststof balen tot gebouwIssue date 04-11-2021 Actual status Recommandation issuedTijdens de rondgang was brandbare buitenopslag opgeslagen op een afstand van minder dan 10 meter van hal 1.Hazard descriptionBrandbare opslag te dicht bij de gevel kan bijdragen aan eventuele brandoverslag. Hierbij kan brand op het buitenterrein mogelijk tot verlies van gebouwen resulteren.Solution descriptionRealiseer dat brandbare buitenopslag op minimaal 10 meter afstand van de gevel staat. Deze 10 meter is een polis conditie.CommentOpslag van balen tegen een volgens opgave van [naam1] Recycling 360 minuten brandwerende gevel. Gezien de brandwerendheid van de gevel, de gevel die boven het dak uitkomt en het dak dat voor zover bij ons bekend ongeïsoleerd is. Is deze situatie in onze optiek akkoord. Echter staat in de polis vermeld dat brandbare opslag op een afstand van 10 meter van de gevel moet staan, derhalve is deze aanbeveling gegeven.(…)3 Maximum Loss Estimates3.1 Insured values
Value [EUR]
Remarks
Building
€ 6.202.642,-
Machinery/Equipment
€ 0,-
Niet verzekerd
Inventory
€ 0,-
Niet verzekerd
Stock
€ 0,-
Niet verzekerd
Total Property Damage
€ 6.202.642,-
Business Interruption
€ 0,-
Niet verzekerd
Indemnity periode
€ 0,-
Niet verzekerd
Total insured value
€ 6.202.642,-
Het rapport is op 5 augustus 2022 naar [appellanten] gestuurd.
De brand en de afwikkeling van de brandschade
3.19
Op 17 augustus 2022 heeft brand gewoed in het pand [adres] . Het pand en de in het pand aanwezige inventaris en goederen zijn daarbij grotendeels verloren gegaan.
3.20
[appellanten] hebben zich bij de afwikkeling van de brandschade voorzien van de bijstand van Troostwijk Expertises B.V. (Troostwijk) als contra-expert en van een advocaat. Die advocaat heeft zich op 20 september 2022 voor het eerst tot Quintes gewend met een verzoek om informatie over de omvang van de verzekeringsdekking. In een brief van 13 februari 2023 heeft zij Quintes aansprakelijk gesteld voor de schade die [appellanten] hebben geleden als gevolg van het tekortschieten door Quintes in haar verplichtingen als assurantietussenpersoon.
3.21
In een akte van taxatie van 29 maart 2023 heeft Sedgwick Nederland B.V. de schade aan opstallen en bijkomende kosten begroot op € 3.746.141,-. Aan [appellant2] is dit bedrag onder aftrek van een eigen risico van € 100.000,- uitgekeerd.
3.22
In opdracht van [appellanten] heeft ing. [naam10] , werkzaam voor Troostwijk Expertises B.V., de door de brand veroorzaakte schade getaxeerd. In haar rapport van 10 november 2023 heeft Troostwijk de schade bepaald op: goederen € 503.217,50, inventaris € 906.750,00, opstal € 21.480,00 en opruimingskosten goederen € 109.853,97.
3.23
Na de brand bleken [appellanten] op grond van een (via Quintes) bij De Goudse afgesloten inventarisverzekering aanspraak te hebben op een uitkering van € 46.875,- voor de verloren gegane inventaris.
4De bespreking van het geschil
Inleiding
4.1
[appellanten] vinden dat zij door tekortkomingen van (de rechtsvoorgangers van Quintes) schade hebben geleden doordat:a. De inventaris en goederen slechts heel beperkt (door de verzekering bij De Goudse) tegen brandschade waren verzekerd;b. Ecclesia met een beroep op de clausule Buitenopslag een eigen risico van € 100.000,- heeft gehanteerd;
c. Ecclesia de schade aan de zogenaamde Legioblocken niet heeft willen vergoeden.
4.2
[appellanten] maken Quintes verschillende verwijten. Het hof zal die verwijten hierna bespreken en stelt bij die bespreking het volgende voorop.
4.3
Een assurantietussenpersoon dient als opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. Die zorgplicht is algemeen van aard. Als uitgangspunt geldt dat een assurantietussenpersoon als een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar moet waken over de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen, waarbij hij rekening moet houden met relevante omstandigheden van het geval die voor hem bekend (behoren te) zijn. De betekenis van de algemene contractuele zorgplicht van een assurantietussenpersoon in een concreet geval hangt dus (vaak) af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en de inhoud van de opdracht en de (kenbare) belangen van de cliënt, en daarom is voorzichtigheid geboden bij de invulling van deze algemene zorgplicht met concretere zorgverplichtingen die altijd of voor (grote) categorieën van gevallen gelden. In zijn algemeenheid geldt wel dat de assurantietussenpersoon verplicht is zijn cliënt tijdig te wijzen op de gevolgen van hem bekende feiten die relevant zijn voor de dekking van de verzekeringen uit zijn portefeuille. Maar de zorgplicht van de assurantietussenpersoon gaat in zijn algemeenheid ook weer niet zo ver dat hij als taak heeft ervoor te zorgen dat in zijn portefeuille geen verzekeringen voorkomen waarbij sprake is van onderverzekering of dat geen sprake is van risico’s die niet zijn verzekerd. Wel mag van de assurantietussenpersoon worden verwacht dat hij de cliënt wijst op het feit dat een risico niet is verzekerd of dat sprake is van onderverzekering en op de mogelijke gevolgen daarvan. Hoe frequent en indringend dat moet gebeuren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
4.4
Het hof zal met inachtneming van deze uitgangspunten de verwijten van [appellanten] bespreken. Bij die bespreking zal het hof aansluiten bij de hiervoor vermelde schades en de aan Quintes gemaakte verwijten per schade bespreken. Het hof ziet reden om eerst de onder b en c vermelde schades te bespreken en pas daarna die onder a. Het eigen risico
4.5
Ecclesia heeft op de vastgestelde schade € 100.000,- eigen risico in mindering gebracht met een beroep op de clausule Buitenopslag (zie 3.11). Volgens Ecclesia hebben [appellanten] niet voldaan aan de verplichting uit deze clausule om een minimale afstand van 10 meter aan te houden tussen de buiten opgeslagen balen en de gevel.
4.6
[appellanten] verwijten Quintes dat zij niet heeft voorkomen dat de clausule Buitenopslag in de polis is opgenomen. Bovendien menen [appellanten] dat Quintes de clausule niet met hen heeft besproken en hun niet heeft gewaarschuwd voor de gevolgen van het niet (tijdig) voldoen aan de clausule. Ten slotte heeft Quintes er [appellant1] bij de afwikkeling van de schade ten onrechte niet tegen behoed dat Ecclesia zich met succes op de clausule zou beroepen.
4.7
Het mag zo zijn dat de verzekering bij Ecclesia een beurspolis is en dat de clausules bij zo’n verzekering in beginsel onderhandelbaar zijn, maar [appellanten] hebben in het licht van het verweer van Quintes op dit punt onvoldoende onderbouwd dat indien Quintes de clausule ter discussie zou hebben gesteld bij Ecclesia deze niet zou zijn opgenomen. In dit kader is van belang dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat een brandverzekering voor een pand waarin het recyclingbedrijf wordt uitgeoefend moeilijk te verzekeren is vanwege het grotere risico op brand. Het ligt niet voor de hand dat een verzekeraar in zo’n context bereid is af te zien van het opnemen van een op zichzelf niet ongebruikelijke risicoclausule. De heer [naam2] , die aan de zijde van [appellant1] aanwezig was bij de mondelinge behandeling bij het hof, kon desgevraagd ook geen voorbeelden noemen van situaties waarin een verzekeraar bij een verzekering voor een recyclingbedrijf bereid was af te zien van de buitenclausule, terwijl er hem tegelijkertijd wel voorbeelden bekend zijn van situaties waarin een verzekeraar bij niet-recyclingbedrijven van een dergelijke clausule heeft willen afzien.
4.8
Ook als zou moeten worden aangenomen dat Quintes ten onrechte geen poging heeft ondernomen om de clausule te schrappen, is geen sprake van causaal verband tussen het achterwege laten van die poging en de toepasselijkheid van de clausule op de verzekeringsovereenkomst. Dit verwijt faalt dan ook.
4.9
Ook het verwijt dat Quintes de clausule niet met [appellanten] heeft doorgenomen en niet heeft gewezen op de risico’s voor het niet voldoen aan de clausule faalt. Uit de hiervoor in 3.13 en 3.18 aangehaalde passages uit de rapporten van de inspectiebezoeken van Climbel volgt dat de clausule in elk geval tijdens deze bezoeken uitdrukkelijk aan de orde is geweest. Ook blijkt uit de rapporten dat sprake was van een opslag op minder dan 10 meter van de gevel en dat daarmee niet werd voldaan aan een polisvoorwaarde. De rapporten zijn naar [appellanten] gestuurd. Maar ook als [naam1] er toen geen notie van heeft genomen - in het midden kan blijven wat daarvan de consequentie is -, geldt dat niet ter discussie staat dat wat in het rapport vermeld staat tijdens de inspectie aan de orde is geweest. Gelet hierop lag het niet op de weg van Quintes om een professionele opdrachtgever als [appellanten] na deze inspecties nog eens indringend te wijzen op het feit dat de tijdens de inspecties uitdrukkelijk besproken situatie in strijd was met de clausule.
4.10
Los daarvan geldt dat het enkele feit dat sprake is van een met de clausule strijdige situatie nog niet betekent dat Ecclesia zich ook met succes op de clausule kon beroepen. Daarvoor is ook nodig dat sprake is van causaal verband tussen die situatie en het ontstaan en/of de omvang van de schade. Partijen zijn het erover eens dat daarvan nu juist geen sprake was. Die gedeelde opvatting van partijen vindt ook steun in het rapport van Climbel van 28 juni 2022 (zie 3.18). Met het ontbreken van causaal verband tussen de buitenopslag en de (omvang van de) schade, ontbreekt ook het causaal verband tussen het aan Quintes gemaakte verwijt en het feit dat [appellant2] niet de volledige schadeuitkering heeft ontvangen, maar € 100.000,- minder. De verzekeraar heeft, kennelijk met succes, € 100.000,- in mindering gebracht op de schadeuitkering, maar heeft dat ook in de visie van [appellanten] ten onrechte gedaan. [appellant2] heeft die in de visie van [appellanten] onterechte beslissing van Ecclesia niet aangevochten. Als al sprake is van conditio sine qua non verband tussen het aan Quintes gemaakte verwijt en het ten onrechte in rekening brengen van het eigen risico door Ecclesia kan dat laatste feit, gelet op de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade niet in redelijkheid aan het aan Quintes gemaakte verwijt worden toegerekend. Daarbij is onder meer van belang dat niet voorzienbaar was dat [appellanten] zich erbij neer zouden leggen dat Ecclesia zich ten onrechte op de clausule Buitenopslag zou beroepen en € 100.000,- in mindering zou brengen op de schadeuitkering.
4.11
[appellanten] werden al vanaf [naam3] voor de brand bijgestaan door een eigen contra-expert en door een advocaat. Deze advocaat heeft Quintes al begin 2023, ruimschoots voordat de schade met Ecclesia was afgewikkeld, aansprakelijk gesteld. In het licht hiervan verwijten [appellanten] Quintes ten onrechte dat Quintes niet heeft voorkomen dat Ecclesia zich op de clausule heeft beroepen. [appellanten] hebben hun betoog dat Quintes op dit punt tekort is geschoten in haar advisering bij de afwikkeling van de schade dan ook onvoldoende onderbouwd.
4.12
De vordering tot vergoeding van deze schade is niet toewijsbaar.De Legioblocken
4.13
Bij de brand zijn ook zogenaamde Legioblocken beschadigd. Het gaat om grote stapelbare betonnen blokken, die op en naast elkaar worden geplaatst en dan samen een wand of muur vormen. Ecclesia heeft de brandschade aan de blokken niet willen vergoeden, omdat volgens Ecclesia sprake was van roerende zaken, dus van inventariszaken of goederen, die niet verzekerd waren. Partijen zijn het erover eens dat Legioblocken niet roerend, maar onroerend zijn en daarom wel onder de dekking van de brandverzekering voor de opstal vallen. Zij zijn het er dus ook over eens dat Ecclesia ten onrechte heeft geweigerd om de schade aan de Legioblocken uit te keren.
4.14
Gelet hierop gaat het door [appellanten] aan Quintes gemaakte verwijt niet op, dat Quintes er geen zorg voor heeft gedragen dat de blokken apart verzekerd zouden worden. De blokken waren immers al verzekerd onder de verzekering voor de opstal. Dat de verzekering niet is afgesloten op basis van voortaxatie, met toepassing van het rapport van Troostwijk uit 2016, maakt dat niet andersOmdat de blokken onroerend zijn, vallen deze ook zonder voortaxatie onder de dekking van de bij Ecclesia afgesloten verzekering.
4.15
Bovendien geldt ook hier dat indien al sprake is van conditio sine qua non verband tussen het op dit punt aan Quintes gemaakte verwijt en de schade van [appellanten] , bestaande uit het niet uitkeren van de brandschade aan de blokken, deze schade niet in redelijkheid aan de gestelde fout van Quintes kan worden toegerekend. Het hof verwijst naar wat het hiervoor in 4.10 over de schade vanwege het verhoogde eigen risico heeft overwogen.
4.16
De conclusie is dat de vordering betreffende deze schadepost niet toewijsbaar is.
De inventaris en goederen
4.17
Omdat de inventaris en goederen in het pand aan het [adres] niet verzekerd waren bij Ecclesia heeft Ecclesia de brandschade aan de inventaris en goederen in het pand niet uitgekeerd. Volgens [appellanten] bedraagt deze schade, na aftrek van de uitkering op grond van de verzekering bij De Goudse, € 1.472.946,-. De hoogte van dit bedrag wordt niet door Quintes betwist en staat dus niet ter discussie.
4.18
Partijen verschillen wel fundamenteel van mening over de vraag of Quintes haar zorgplicht heeft geschonden door niet te voorkomen dat [appellanten] met dit gat in de dekking werden geconfronteerd. Volgens [appellanten] was het niet de bedoeling dat de goederen en inventaris onverzekerd zouden blijven. Vanwege een mogelijke overname van [appellant1] vonden [appellanten] het eind 2020 wenselijk dat de brandverzekering van de opstal (eigendom van [appellant2] ) en de inventaris en goederen (van [appellant1] ) gescheiden zouden worden. Vervolgens is wel een verzekering afgesloten voor de opstal, maar niet voor de inventaris en de goederen. Afgesproken was dat [appellanten] nog een keuze zouden maken voor de verzekering van goederen en inventaris, maar Quintes is daar nooit op teruggekomen en de goederen en inventaris zijn onverzekerd gelaten. Quintes heeft op eigen houtje en zonder [appellanten] daarin te kennen de dekking op de brandverzekering aangepast en ‘uitgekleed’ en heeft [appellanten] ook niet geïnformeerd over het feit dat vanaf 1 januari 2021 geen dekking meer gold voor brandschade aan de inventaris en goederen in het pand [adres] . Quintes heeft [appellanten] ook niet (laat staan indringend) gewaarschuwd tegen het feit dat dit risico niet was gedekt. Ook heeft zij niet vastgelegd wat zij over (het ontbreken van) de dekking met [appellanten] heeft besproken. Bovendien heeft Quintes volgens [appellanten] ten onrechte geen actie ondernomen vanwege het feit dat de verzekering bij De Goudse volstrekt onvoldoende dekking bood voor het brandrisico betreffende de inventaris en de goederen.
4.19
Quintes bestrijdt dat zij is tekortgeschoten. Volgens haar was het een bewuste keuze van [appellanten] om de inventaris en de goederen niet te verzekeren. [naam1] was zich er in de herhaalde contacten tussen Quintes en [naam1] terdege van bewust dat de inventaris en de goederen niet verzekerd waren. Hij vond de premie voor de brandverzekering veel te hoog, gelet op het volgens hem zeer geringe risico op brand. Op verschillende momenten voorafgaand aan de brand is met hem besproken dat dit risico niet verzekerd was. Bovendien bleek dat ook uit de polissen en de rapporten van Climbel. Deze stukken zijn naar [appellanten] gestuurd en waren [appellanten] dus bekend. In een bijeenkomst zeer [naam3] na de brand bleek ook dat [naam1] ermee bekend was dat de goederen en de inventaris niet verzekerd waren, aldus Quintes. De polis bij De Goudse was nog een overblijfsel uit een grijs verleden en had eigenlijk al beëindigd moeten zijn. De brandverzekering was elders ondergebracht en [appellanten] wilden geen brandverzekering voor de inboedel en inventaris in het pand [adres] . Dat Quintes ten onrechte heeft verzuimd de verzekering te beëindigen heeft [appellanten] per saldo een voordeel opgeleverd en dus geen schade berokkend, aldus Quintes.
4.20
Het hof stelt voorop dat het in beginsel op de weg van [appellanten] ligt om de feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat Quintes ook ten aanzien van het niet verzekerd zijn van de inventaris en inboedel is tekortgeschoten in haar zorgplicht. Het ligt dus in beginsel ook op de weg van [appellanten] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat Quintes buiten haar om bij het sluiten van de brandverzekering met Ecclesia het risico op brandschade bij de inventaris en goederen onverzekerd heeft gelaten, dat zij ook niet wist dat dit risico niet verzekerd was en dat Quintes haar daar ook niet op heeft gewezen en voor heeft gewaarschuwd. In dit verband wijst het hof erop dat het verweer van Quintes, dat [appellanten] zelf geen dekking wilden, wisten dat geen sprake was van een dekking en dat zij [appellanten] daarop hebben gewezen geen bevrijdend verweer is (‘ja maar’), maar een grondslagverweer (‘nee want’).
4.21
Het staat vast dat Quintes geen verslagen heeft gemaakt van de gesprekken met[naam1] en ook niet beschikt over een schriftelijk of elektronisch systeem (hierna: een klantenvolgsysteem) waarin voor haar klanten (of in elk geval voor [appellanten] ) is vastgelegd wat de wensen en behoeften van haar klanten zijn, welke afspraken met hen zijn gemaakt en of en wanneer de klanten zijn gewaarschuwd tegen risico’s, zoals het risico van onderverzekering. Maar dat feit rechtvaardigt, anders dan [appellanten] betogen, niet de conclusie dat Quintes alleen al om die reden niet heeft voldaan aan haar verplichting om de stellingen van [appellanten] gemotiveerd te betwisten en evenmin dat het nu aan Quintes is om te bewijzen dat [appellanten] ermee bekend waren dat de goederen en inventaris niet verzekerd waren en dat het feit dat de goederen en inventaris niet verzekerd het gevolg was van een bewuste keuze van (de directie van) [appellanten] In dit kader is van belang dat de door [appellanten] vermelde artikelen 65b en 66b van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Bgfo) ook niet de verplichting op een assurantietussenpersoon leggen om gespreksverslagen te maken of een klantenvolgsysteem bij te houden.
4.22
Het staat Quintes vrij om haar verweer met andere middelen dan gespreksverslagen en informatie uit een klantenvolgsysteem te onderbouwen. Het hof zal hierna nagaan of Quintes daarin is geslaagd. Ten aanzien van de vraag of Quintes [appellanten] voldoende gewaarschuwd heeft tegen het risico dat de goederen en inventaris onverzekerd waren geldt daarbij dat indien een professionele partij als [appellanten] er bewust voor kiest om goederen en inventaris niet te verzekeren tegen brand de assurantietussenpersoon ervan uit mag gaan dat zijn opdrachtgever zich ook bewust is van het risico dat wanneer er brand uitbreekt de verzekeraar de brandschade aan de goederen en inventaris niet zal uitkeren. Dat is immers een voor iedereen, en zeker voor een professionele partij, te voorzien gevolg van de keuze om de goederen en inventaris niet te verzekeren.
4.23
Bij het aangaan van de brandverzekering bij Ecclesia zijn van de zijde van [appellanten] [naam1] en van de zijde van Quintes [naam2] betrokken geweest. [naam2] is feitelijk medio 2021, en formeel met ingang van 1 januari 2022 na een gerechtelijke procedure bij Quintes vertrokken. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof hebben zowel [naam2] , die als informant van [appellanten] aanwezig was, als [naam1] verklaard dat zij eind 2020 besproken hebben dat vanwege een mogelijke overname van [appellant1] de inventaris en goederen niet meeverzekerd zouden moeten worden op de polis van de opstal en dat nog overleg zou plaatsvinden over de verzekering van de inventaris en de goederen. Hun verklaringen vinden steun in de e-mail van [naam2] aan [naam4] van Ecclesia van 17 december 2020, inhoudende dat [appellanten] nog een keuze zouden maken over de verzekering van de inventaris en de goederen (zie 3.9) en in het feit dat op de offerte de verzekering voor goederen en inboedel is doorgehaald. Onopgehelderd blijft wie dat heeft doorgehaald; beiden hebben verklaard dat zij het niet zijn geweest. De handtekening van [naam1] is weliswaar achter de doorhaling geplaatst - op zich een merkwaardige plek wanneer deze niet moet worden gezien als accordering van de doorhaling -, maar wel met een andere pen dan die waarmee de doorhaling is gedaan en de tweede handtekening is geplaatst.
4.24
In het licht van het voorgaande heeft Quintes onvoldoende weersproken dat [naam1] [naam2] eind 2020 nog niet heeft geïnstrueerd om de inventaris en de goederen niet te verzekeren. Ook heeft zij onvoldoende weersproken dat [appellanten] daarop nog zouden terugkomen. Het staat niet ter discussie dat Quintes daaraan de eerste maanden na het sluiten van de verzekering bij Ecclesia geen gevolg heeft gegeven; [naam2] heeft dat ook met zoveel woorden aangegeven. Op dit punt heeft Quintes naar het oordeel van het hof niet de zorg in acht genomen die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon mag worden verwacht. Dat betekent nog niet zonder meer dat Quintes ook verantwoordelijk moet worden gehouden voor het feit dat de inventaris en goederen van [appellant1] ten tijde van de brand niet meeverzekerd waren (op de beperkte polis bij De Goudse na), maar wel dat Quintes er niet mee kon volstaan om de polissen van Ecclesia en de rapporten van Climbel door te sturen, waaruit inderdaad blijkt dat de inventaris en de goederen niet zijn meeverzekerd. Quintes diende zich er, gelet op het hiervoor besproken ‘open einde’ van eind 2020 vervolgens wel van te vergewissen dat [appellant1] de inventaris en de goederen daadwerkelijk niet wilde meeverzekeren. Volgens [appellant1] heeft Quintes dat niet gedaan, maar Quintes heeft dat gemotiveerd bestreden. Zij heeft verwezen naar enkele schriftelijke verklaringen van [naam3] en schriftelijke verklaringen van [naam9] van Climbel en van de heer [naam12] van Rabobank en mevrouw [naam13] van Quintes. Laatstgenoemden zijn aanwezig geweest bij de bespreking [naam3] na de brand en bevestigen in hun verklaringen dat [naam1] er toen van op de hoogte was dat inventaris en goederen niet verzekerd waren. De betwisting door Quintes van de stellingen van [appellanten] op dit punt vindt ook steun in de e-mail van [naam3] aan [naam4] van 24 november 2021 (zie 3.14).
4.25
Dat Quintes de stellingen van [appellanten] gemotiveerd heeft weersproken neemt niet weg dat [appellanten] hun stelling over de informatievoorziening door Quintes - [naam3] gezegd: Quintes heeft [appellanten] er na januari 2021 niet uitdrukkelijk op gewezen dat de inventaris en de goederen niet verzekerd waren en [appellanten] hebben (dus) ook niet aangegeven dat zij de goederen en de inventaris niet wilden verzekeren - voldoende hebben onderbouwd. Om die reden zal het hof [appellanten] toelaten tot het bewijs van die stelling, conform het door [appellanten] gedane bewijsaanbod.
4.26
Tijdens de mondelinge behandeling hebben [appellanten] nog aangevoerd dat [naam1] niet bevoegd was om de beslissing te nemen om de inventaris en de goederen niet te verzekeren, dat huisbankier Rabobank [appellant1] had verplicht om de goederen en inventaris te verzekeren en dat de beoogde overnemende partij ook wilde dat de goederen en inventaris verzekerd zouden worden. Voor zover [appellanten] daarmee willen betogen dat Quintes ook om deze redenen haar zorgplicht heeft geschonden, betreft het nieuwe grieven, die door het hof op grond van de zogenoemde ‘in beginsel strakke regel’ buiten beschouwing zullen worden gelaten. Dat neemt niet weg dat deze omstandigheden mogelijk bij de waardering van het te leveren bewijs een rol kunnen spelen, net als de andere door [appellanten] aangevoerde argumenten voor haar stelling dat het niet voor de hand ligt dat zij ervoor hebben gekozen de goederen en inventaris niet te verzekeren.
4.27
[naam1] c.s. hebben nog gesteld dat Quintes ook is tekortgeschoten door hen er niet op te wijzen dat ten aanzien van de verzekering bij De Goudse sprake is van onderverzekering. Opdit verwijt van [naam1] c.s. aan Quintes komt het hof na de bewijslevering terug. Conclusie
4.28
Het hof zal [appellanten] toelaten tot het leveren van bewijs.
5De beslissing
Het hof:
5.1
Het hof laat [appellanten] toe te bewijzen dat Quintes haar in de periode vanaf 1 januari 2021 tot aan de brand op 17 augustus 2022 er niet uitdrukkelijk op heeft gewezen dat de inventaris en de goederen in het pand aan het [adres] te [vestigingsplaats] niet tegen brandschade verzekerd waren (op een kleine verzekering bij De Goudse na) en dat [appellanten] Quintes ook niet hebben laten weten dat zij niet wilden dat deze inventaris en de goederen niet tegen brandschade zouden worden verzekerd.
5.2
Als getuigen worden gehoord, zal raadsheer-commissaris mr. M.A.M. Essed de getuigen verhoren in het Paleis van Justitie aan het Wilhelminaplein 1 in Leeuwarden. De vertegenwoordigers van partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn.
5.3
[appellanten] moeten op dinsdag 28 juli 2026 laten weten hoeveel getuigen zij willen laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is.
5.4
[appellanten] moeten de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof opgeven.
5.5
Een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, moet het hof en de wederpartij daarvan uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een kopie sturen.
5.6
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, M.A.M. Essed en A.G.J. van Wassenaer van Catwijck en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
Het laatste vonnis is gepubliceerd met nummer ECLI:NL:RBNNE:2025:678.
Subgrief 2b faalt.
Grief 2c faalt.