Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:4482

2026-07-07 Bestuursrecht; Belastingrecht 24/226 t/m 24/234
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-07-07
Publicatiedatum
2026-07-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/226 t/m 24/234
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BPM. Diverse formeelrechtelijke grieven.

Citeert (13)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.592 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/226 tot en met 24/234
uitspraakdatum: 7 juli 2026




Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer




op het hoger beroep van





[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)



tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 november 2023, nummers AWB 21/2760, 21/5163, 21/5165, 22/2089, 22/2100, 22/2317, 22/2476, 22/3508 en 22/578, in het geding tussen belanghebbende en



de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur).







1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Belanghebbende heeft aangiften gedaan voor de belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM).



1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaarschriften ingediend. De Inspecteur heeft in zijn uitspraken deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat voldoening van de verschuldigde belasting op aangiften achterwege is gebleven.



1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroepen ingesteld. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 28 november 2023 deze beroepen ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.



1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.6.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.



1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] , [naam2] en [naam3] . Met instemming van partijen zijn de zaken met de nummers 24/202, 24/226 tot en met 24/234, 24/254, 24/255 en 24/621 gezamenlijk behandeld. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.






2Feiten


Belanghebbende heeft aangiften gedaan voor de BPM tot een bedrag van in totaal € 183.817 De daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaren zijn door de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard omdat voldoening van de verschuldigde belasting op aangiften achterwege is gebleven en de bezwaren daarom zonder voorwerp zijn.






3Geschil


3.1.
In geschil is of de Inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.



3.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep verder nog het volgende aangevoerd:
a. De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd.
b. Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
c. De Rechtbank heeft ten onrechte gemachtigde Verhoeven geweigerd.
d. De Inspecteur heeft de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard (zie 3.1).
e. De Inspecteur heeft in de bezwaarfase de hoorplicht geschonden.
f. De Rechtbank heeft ten onrechte geen schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
g. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend.



3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, terwijl de Inspecteur concludeert tot bevestiging daarvan.






4Beoordeling van het geschil



Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht



4.1.
De gemachtigde van belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft.



4.2.
Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen. Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat.



4.3.
In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.



Ad b. Vooraf heffen griffierecht




4.4.
Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt.



4.5.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.



4.6.
Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.



Ad c. Weigeren gemachtigde




4.7.
De heer Verhoeven heeft namens belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Daarbij is een door (een bestuurder van) belanghebbende getekende volmacht overgelegd.



4.8.
De Rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 18 augustus 2023 vertegenwoordiging door de heer Verhoeven geweigerd wegens ernstige bezwaren. Hieraan is ten grondslag gelegd dat ondanks eerdere waarschuwingen Verhoeven is blijven volharden in het indienen van stukken die doorspekt zijn met grievende en beledigende uitlatingen waardoor een normale, zakelijke omgang in de gerechtelijke procedure op ontoelaatbare wijze wordt gehinderd. Gelet op de geschetste omstandigheden acht het Hof een weigering op de voet van artikel 8:25 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gerechtvaardigd. Dat belanghebbende een gemachtigde in de arm heeft genomen die zich bedient van taal als hiervoor bedoeld, komt voor haar rekening. Anders dan belanghebbende betoogt, wordt de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk gemaakt door weigering van een gemachtigde tegen wie ernstige bezwaren bestaan. Belanghebbende kan zich namelijk voorzien van een andere rechtsbijstandverlener of gemachtigde. Van strijdigheid met enig ander verdragsrechelijk beschermd rechtsbeginsel, zoals de vrijheid van meningsuiting (artikel 11 Handvest) of het beginsel van effectieve rechtsbescherming (artikel 47 Handvest), is om dezelfde reden evenmin sprake.



Ad d. Niet-ontvankelijkheid bezwaar




4.9.
Ingevolge artikel 26 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is bezwaar en beroep mogelijk tegen de voldoening en afdracht op aangifte. Een dergelijk bezwaar richt zich dus tegen het betaalde bedrag. Bezwaar tegen een wel aangegeven, maar niet betaald bedrag is niet mogelijk. In een zodanig geval is het bezwaar zonder voorwerp en dient het om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard.



4.10.
Vast staat dat in het onderhavige geval geen betalingen op de aangiften BPM hebben plaatsgevonden. Dit brengt mee dat geen bezwaar mogelijk is, en de Inspecteur de bezwaren daarom terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Toepassing van artikel 6:10 Awb – waarbij niet-ontvankelijkverklaring wegens voortijdige indiening van het bezwaarschrift achterwege kan blijven – is niet aan de orde nu het bezwaarschrift niet is ingediend op of na het moment waarop de opdracht is verstrekt tot betaling van de bedragen waartegen bezwaar is gemaakt. De andersluidende opvatting van belanghebbende kan derhalve niet slagen.



Ad e. Schending hoorplicht bezwaarfase




4.11.
Voordat de inspecteur op een bezwaar beslist, dient hij de belanghebbende op zijn verzoek te horen. Van het horen kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is (artikel 7:3 Awb). Deze uitzondering voorziet in de mogelijkheid om van het horen af te zien indien er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de conclusie dat de bezwaren niet-ontvankelijk zijn.



4.12.
Belanghebbende heeft bezwaarschriften ingediend tegen wel aangegeven, maar niet betaalde bedragen aan BPM. Gelet op de wettelijke onmogelijkheid (artikel 26 AWR) om daartegen bezwaar te maken (zie 4.9), was er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk over de niet-ontvankelijkheid van de gemaakte bezwaren. De Inspecteur mocht daarom afzien van het horen van belanghebbende. De Inspecteur heeft de hoorplicht niet geschonden. Van strijdigheid met enig verdragsrechelijk beschermd rechtsbeginsel is geen sprake.



Ad f. Overschrijding redelijke termijn in eerste aanleg




4.13.
De Rechtbank heeft vastgesteld dat in de eerste aanleg (bezwaar en beroep) de redelijke termijn is overschreden, maar dat zij geen aanleiding heeft gezien voor een schadevergoeding, omdat belanghebbende geen financieel belang had bij deze procedure. Het Hof acht dit oordeel juist.



4.14.
Het financiële belang bij een procedure bestaat uit het financiële voordeel dat een belastingplichtige verkrijgt indien het door hem in (hoger) beroep ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Dit financiële belang kan alleen betrekking hebben op fiscale beschikkingen als bedoeld in artikel 26 leden 1 en 2 AWR waarover de belastingplichtige een procedure voert. Dat betreft een of meer belastingaanslagen, voor bezwaar vatbare beschikkingen en/of voldoeningen of afdrachten op aangifte. Bij de vaststelling van dat financiële belang wordt daarom geen rekening gehouden met het belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen, zoals beslissingen over vergoeding van proceskosten, griffierechten of immateriële schade. Het financiële effect van een of meer door de belastingplichtige ingenomen standpunten wordt buiten beschouwing gelaten indien en voor zover hij deze standpunten tegen beter weten in heeft ingenomen.



4.15.
Onderhavige procedure houdt uitsluitend verband met bezwaren tegen niet-betaalde bedragen aan BPM – niet zijnde fiscale beschikkingen als bedoeld in artikel 26 leden 1 en 2 AWR – zodat bij de vaststelling van het financiële belang daarmee geen rekening wordt gehouden. Gelet daarop heeft de Rechtbank terrecht geen vergoeding van immateriële schade toegekend.



4.16.
Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te achten.



Ad h. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep




4.17.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.



4.18.
Het Hof kent geen immateriële schadevergoeding toe indien (i) het financiële belang bij deze procedure minder dan € 1.000 bedraagt en (ii) de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval zal het Hof volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.



4.19.
Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, zodat in hoger beroep de redelijke termijn van twee jaar met minder dan zes maanden is overschreden. Daarmee is voldaan aan de hiervoor onder (ii) genoemde voorwaarde.



4.20.
Onderhavige procedure houdt uitsluitend verband met bezwaren tegen niet-betaalde bedragen aan BPM - niet zijnde fiscale beschikkingen als bedoeld in artikel 26, leden 1 en 2 AWR - zodat bij de vaststelling van het financiële belang daarmee geen rekening wordt gehouden (zie 4.14 en 4.15). Reeds daarom is ook voldaan aan de hiervoor onder (i) genoemde voorwaarde, zodat het Hof geen immateriële schadevergoeding toekent en volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.



Slotsom

De uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd. Gelet daarop is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.







5Griffierecht en proceskosten


Omdat het hoger beroep ongegrond is, ziet het Hof geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.






6Beslissing


Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.



De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.




De griffier, De voorzitter,







(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)







Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.



Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687; HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2.


HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2.


HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3.


HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.


HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.1.1 t/m 3.4.


HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:142, r.o. 2.3.2.


HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BG5375, r.o. 3.3.2.


HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.1, eerste volzin.


HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3.


HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.4; HR 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:248, r.o. 5.2.


De aanvang van de redelijke termijn voor de hogerberoepsfase is het moment van het instellen van het hoger beroep en niet het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Zie HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:564.