Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:4477

2026-07-07 Bestuursrecht; Belastingrecht 24/202
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-07-07
Publicatiedatum
2026-07-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/202
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BPM. Diverse formeelrechtelijke grieven.

Citeert (18)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.425 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/202
uitspraakdatum: 7 juli 2026




Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer




op het hoger beroep van





[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)



tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 november 2023, nummer AWB 21/2017, in het geding tussen belanghebbende en



de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur).







1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Aan belanghebbende is op 6 oktober 2020 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 6.401.



1.2.
Belanghebbende heeft op 14 oktober 2020 daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak van 5 maart 2021 dit bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 28 november 2023 dit beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.



1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.6.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.



1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] , [naam2] en [naam3] . Met instemming van partijen zijn de zaken met de nummers 24/202, 24/226 tot en met 24/234, 24/254, 24/255 en 24/621 gezamenlijk behandeld. Belanghebbende heeft ter zitting een afschrift van het pro forma bezwaarschrift van 14 oktober 2020 ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.




1.8.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het Hof op 8 mei 2026 het onderzoek heropend en de Inspecteur in de gelegenheid gesteld de naheffingsaanslag en de motivering van het bezwaar van 4 maart 2021 (zie 2.6) in het geding te brengen. Bij bericht van 1 juni 2026 heeft het Hof dit verzoek aan de Inspecteur herhaald. De Inspecteur heeft op beide berichten niet gereageerd. Het Hof heeft daarin aanleiding gezien het onderzoek andermaal te sluiten.






2Feiten


2.1.
Belanghebbende heeft aangifte voor belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) gedaan naar een bedrag van € 6.401.



2.2.
Belanghebbende heeft vanwege de coronacrisis verzocht om uitstel van betaling van het bedrag dat op deze aangifte moet worden voldaan.



2.3.
Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Inspecteur op 6 oktober 2020 een naheffingsaanslag van € 6.401 opgelegd zonder boete of belastingrente.



2.4.
Belanghebbende heeft op 14 oktober 2020 een pro forma bezwaarschrift ingediend tegen de naheffingsaanslag. Daarbij heeft belanghebbende verzocht om uitstel van betaling en om een hoorgesprek.



2.5.
De Ontvanger heeft vanwege de coronacrisis bijzonder uitstel van betaling verleend voor de naheffingsaanslag.



2.6.
Belanghebbende heeft op 4 maart 2021 het bezwaar gemotiveerd.



2.7.
De Inspecteur heeft in zijn uitspraak van 5 maart 2021 het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Redengevend daarvoor is dat de naheffingsaanslag is opgelegd om het verzoek om uitstel van betaling te formaliseren. Van een hoorgesprek is afgezien omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is.






3Geschil


3.1.
In geschil is of de Inspecteur in de bezwaarfase de hoorplicht heeft geschonden. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend. De naheffingsaanslag is niet in geschil.



3.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep verder nog het volgende aangevoerd:
a. De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd.
b. Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
c. De Rechtbank heeft ten onrechte gemachtigde Verhoeven geweigerd.
d. De Inspecteur heeft in de bezwaarfase de hoorplicht geschonden (zie 3.1).
e. De Rechtbank heeft ten onrechte geen schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
f. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend.



3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, terwijl de Inspecteur concludeert tot bevestiging daarvan.






4Beoordeling van het geschil



Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht



4.1.
De gemachtigde van belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft.



4.2.
Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen. Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat.



4.3.
In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.



Ad b. Vooraf heffen griffierecht




4.4.
Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt.



4.5.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.



4.6.
Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.



Ad c. Weigeren gemachtigde




4.7.
De heer Verhoeven heeft namens belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Daarbij is een door belanghebbende getekende volmacht overgelegd.



4.8.
De Rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 18 augustus 2023 vertegenwoordiging door de heer Verhoeven geweigerd wegens ernstige bezwaren. Hieraan is ten grondslag gelegd dat ondanks eerdere waarschuwingen Verhoeven is blijven volharden in het indienen van stukken die doorspekt zijn met grievende en beledigende uitlatingen waardoor een normale, zakelijke omgang in de gerechtelijke procedure op ontoelaatbare wijze wordt gehinderd. Gelet op de geschetste omstandigheden acht het Hof een weigering op de voet van artikel 8:25 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gerechtvaardigd. Dat belanghebbende een gemachtigde in de arm heeft genomen die zich bedient van taal als hiervoor bedoeld, komt voor zijn rekening. Anders dan belanghebbende betoogt, wordt de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk gemaakt door weigering van een gemachtigde tegen wie ernstige bezwaren bestaan. Belanghebbende kan zich namelijk voorzien van een andere rechtsbijstandverlener of gemachtigde. Van strijdigheid met enig ander verdragsrechelijk beschermd rechtsbeginsel, zoals de vrijheid van meningsuiting (artikel 11 Handvest) of het beginsel van effectieve rechtsbescherming (artikel 47 Handvest), is om dezelfde reden evenmin sprake.



Ad d. Schending hoorplicht bezwaarfase




4.9.
Voordat de inspecteur op een bezwaar beslist, dient hij de belanghebbende op zijn verzoek te horen. Van het horen kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is (artikel 7:3 Awb). Deze uitzondering voorziet in de mogelijkheid om van het horen af te zien indien er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de conclusie dat het bezwaar niet kan leiden tot een vermindering van de naheffingsaanslag.



4.10.
Nadat belanghebbende aangifte BPM had gedaan, heeft zij vanwege de coronacrisis verzocht om uitstel van betaling van haar eigen aangifte. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd. Vervolgens heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslag en daarbij verzocht om uitstel van betaling. De Ontvanger heeft uitstel van betaling verleend. Op 4 maart 2021 heeft belanghebbende de gronden van het bezwaar aangevoerd (zie 2.6).



4.11.
Ondanks een herhaald verzoek (zie 1.8) heeft de Inspecteur niet de motivering van het bezwaar van 4 maart 2021 in het geding gebracht. Daardoor kan het Hof niet vaststellen of de daarin aangevoerde gronden tot de conclusie kunnen leiden dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de beslissing van de Inspecteur dat het bezwaar ongegrond is. Deze nalatigheid van de Inspecteur komt voor zijn risico. Dit brengt mee dat de Inpecteur niet mocht afzien van het horen van belanghebbende en dat hij de hoorplicht dus heeft geschonden.



4.12.
Op grond van artikel 6:22 Awb gaat het Hof voorbij aan de schending van de hoorplicht, nu aannemelijk is dat belanghebbende daardoor niet wordt benadeeld. Redengevend daarvoor is dat de naheffingsaanslag enkel is opgelegd om belanghebbendes verzoek om uitstel van betaling te formaliseren (zie 2.7) en dat dit door belanghebbende in beroep en hoger beroep niet inhoudelijk is bestreden. Er bestaat dan ook geen geschil meer over de van belang zijnde feiten. In deze gang van zaken ziet het Hof wel aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van de beroeps- en hogerberoepsfase en vergoeding van de geheven griffierechten.



Ad e. Overschrijding redelijke termijn in eerste aanleg




4.13.
De Rechtbank heeft vastgesteld dat in de eerste aanleg (bezwaar en beroep) de redelijke termijn – met bijna één jaar – is overschreden, maar dat zij geen aanleiding heeft gezien voor een schadevergoeding omdat geen sprake is van spanning en frustratie. De naheffingsaanslag is immers opgelegd op verzoek van belanghebbende zelf en niet is gebleken dat die naheffingsaanslag niet in overeenstemming was met dat verzoek, aldus de Rechtbank.



4.14.
De Rechtbank heeft terecht geen schadevergoeding toegekend voor overschrijding van de redelijke termijn, wat er ook zij van de door haar gebezigde motivering. Destijds werd geen immateriële schadevergoeding toegekend, wanneer het financiële belang bij een belastingprocedure minder was dan € 15. Het ligt het op de weg van belanghebbende om de omvang van het financiële belang aannemelijk te maken. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag die is opgelegd vanwege het niet tijdig betalen van de BPM die volgens haar eigen aangifte was verschuldigd, zonder dat is gebleken of duidelijk is gemaakt wat de omvang is van het financiële belang bij de aangevoerde gronden. Gelet daarop heeft de Rechtbank terecht geen vergoeding van immateriële schade toegekend.



4.15.
Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te achten.



Ad f. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep




4.16.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.



4.17.
Het Hof kent geen immateriële schadevergoeding toe indien (i) het financiële belang bij deze procedure minder dan € 1.000 bedraagt en (ii) de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval zal het Hof volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Met deze constatering wordt een rechtsgevolg verbonden aan het oordeel dat een inbreuk is gemaakt op het recht van de belanghebbende op berechting binnen een redelijke termijn. Nu in deze gevallen de ernst van die inbreuk van betrekkelijk geringe aard is – gelet op de mate van overschrijding en het beperkte financiële belang – bestaat geen grond om aan dat oordeel nog enig ander rechtsgevolg te verbinden.



4.18.
Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, zodat in hoger beroep de redelijke termijn van twee jaar met minder dan zes maanden is overschreden. Daarmee is voldaan aan de hiervoor onder (ii) genoemde voorwaarde.



4.19.
Het financiële belang bij deze procedure bestaat uit het financiële voordeel dat belanghebbende verkrijgt indien het door haar in hoger beroep ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële effect van een of meer door de belanghebbende ingenomen standpunten wordt buiten beschouwing gelaten indien en voor zover zij deze standpunten tegen beter weten in heeft ingenomen. Het ligt het op de weg van belanghebbende om de omvang van het financiële belang aannemelijk te maken. Belanghebbende is met wat zij heeft aangevoerd niet in haar bewijslast geslaagd dat het financiële belang bij deze procedure meer dan € 1.000 bedraagt. Belanghebbende heeft rechtsmiddelen aangewend tegen de naheffingsaanslag die is opgelegd vanwege het niet tijdig betalen van de BPM die volgens haar eigen aangifte was verschuldigd, zonder dat is gebleken of duidelijk is gemaakt wat de omvang is van het financiële belang bij de aangevoerde gronden. In hoger beroep heeft belanghebbende aangegeven dat de naheffingsaanslag niet (langer) in geschil (zie 3.1). Gelet daarop is ook voldaan aan de hiervoor onder (i) genoemde voorwaarde, zodat het Hof volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.



Slotsom

Gelet op het in 4.9 tot en met 4.12 overwogene is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.







5Griffierecht en proceskosten


5.1.
Vanwege de schending van de hoorplicht ziet het Hof aanleiding om de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten en tot vergoeding van het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 360 respectievelijk € 559 (zie 4.12).



5.2.
Het Hof stelt de proceskosten voor het beroep wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt (beroepschrift) x € 934 x wegingsfactor 0,5) en voor het hoger beroep op € 934 (2 punten (hogerberoepschrift en zitting) x € 934 x wegingsfactor 0,5), derhalve in totaal op € 1.401.



5.3.
Opmerking verdient dat de voornoemde bedragen op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 19a, lid 4 Wet BPM uitsluitend op een op naam van belanghebbende staande bankrekening dienen te worden uitbetaald.






6Beslissing


Het Hof:



vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend met betrekking tot de beslissingen inzake de proceskosten en het griffierecht,


veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.401, en


gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het bij de Rechtbank betaalde griffierecht van € 360 en het bij het Hof betaalde griffierecht van € 559 vergoedt.





Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.



De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.




De griffier, De voorzitter,







(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)







Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.



Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687.


Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 2 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:936, r.o. 4.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6391, r.o. 2.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.5.


HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3.


HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.


HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.1.1 t/m 3.4.


Vgl. HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1011, r.o. 3.4.2.


HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495, r.o. 3.5.3; HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, r.o. 4.4.2.


HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.9.6.


Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.5.


HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.4; HR 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:248, r.o. 5.2.


Vgl. EHRM 29 maart 2006, nr. 36813/97 (Scordino/Italië), r.o. 204, en HR (straf) 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.3.


De aanvang van de redelijke termijn voor de hogerberoepsfase is het moment van het instellen van het hoger beroep en niet het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Zie HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:564.


HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3.


Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.5.