Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:4475
2026-07-07
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/147
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHARL:2026:4475 → ECLI:NL:RBGEL:2023:6459 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
BPM. Ontvankelijkheid verzoek teruggaaf BPM bij export.
Citeert (13)
- ECLI:EU:C:2023:63
- ECLI:EU:C:2023:414
- ECLI:NL:HR:2014:281 Hoge Raad 14-02-2014
- ECLI:NL:HR:2016:753 Hoge Raad 29-04-2016
- ECLI:NL:HR:2022:1917 Hoge Raad 23-12-2022
- ECLI:EU:C:2002:435
- ECLI:NL:HR:2004:AQ3810 Hoge Raad 17-12-2004
- ECLI:NL:HR:2016:833 Hoge Raad 13-05-2016
- ECLI:NL:HR:2019:1579 Hoge Raad 11-10-2019
- ECLI:NL:HR:2026:915 Hoge Raad 12-06-2026
- ECLI:NL:HR:2018:564 Hoge Raad 13-04-2018
- ECLI:NL:HR:2024:853 Hoge Raad 14-06-2024
- ECLI:NL:HR:2025:248 Hoge Raad 28-02-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.801 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/147
uitspraakdatum: 7 juli 2026
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 november 2023, nummer ARN 22/2877, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur), en
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (hierna: de Staat).
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht om teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) wegens het vervallen van de tenaamstelling van een motorrijtuig in het kentekenregister, omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht.
1.2.
De Inspecteur heeft dit verzoek bij beschikking niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daarnaast de Inspecteur en de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van in totaal € 1.500, de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding van € 837 en bepaald dat de Inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.6.
Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingediend.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens A.F.J.M. Verhoeven, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] en [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2Vaststaande feiten
2.1.
De Inspecteur heeft op 6 april 2020 van belanghebbende een verzoek ontvangen om teruggaaf van € 571 aan BPM wegens de export van een personenauto van het merk en type BMW Touring 3-serie (hierna: de auto). Volgens dit verzoek is de registratie van het Nederlandse kenteken bij de RDW van de auto beëindigd op 10 oktober 2019 en is de auto op 25 februari 2020 in Polen geregistreerd.
2.2.
Bij beschikking van 20 mei 2020 heeft de Inspecteur het teruggaafverzoek BPM niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek niet is gedaan binnen dertien weken na beëindigen van de tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister. De Inspecteur heeft het verzoek ook in behandeling genomen als een verzoek om ambtshalve teruggaaf. De Inspecteur heeft dat verzoek niet ingewilligd, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 14a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet BPM) en artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: het Uitvoeringsbesluit).
2.3.
De Belastingdienst heeft in het kader van een verzoek op basis van de Wet open overheid op 18 januari 2023 een document van de Kennisgroep BPM gepubliceerd. In dit document is – voor zover – hier van belang het volgende opgenomen:
“De Kennisgroep BPM heeft het volgende standpunt ingenomen met betrekking tot de beoordeling van een te laat ingediend verzoek om teruggaaf van BPM vanwege export van een personenauto.
Kennisgroep BPM Versiedatum 5 oktober 2020
KG-BPM-2016-150 (3) Teruggaaf van BPM bij export waarbij het verzoek te laat is ingediend.
Casus:
Een Nederlandse autohandelaar verkoopt gebruikte auto’s aan een Duitse handelaar die de auto’s vervolgens zonder registratie opneemt in zijn handelsvoorraad. De auto’s worden niet binnen 13 weken op een regulier Duits kenteken duurzaam geregistreerd. Eerst nadat de registratie in Duitsland is voltooid, maar buiten de termijn van 13 weken, verzoekt de Nederlandse handelaar om teruggaaf van bpm.
Vraag:
Hoe dient een verzoek om teruggaaf dat te laat is ingediend te worden beoordeeld?
Antwoord:
Het te laat indienen van het verzoek om teruggaaf van bpm bij export is een formeel gebrek en resulteert in een niet-ontvankelijkheid van het verzoek. Een ambtshalve beoordeling van het verzoek op de materiële vereisten kan echter alsnog resulteren in een teruggaaf als;
- het motorrijtuig binnen 13 weken na het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister in de andere lidstaat van de EU of de EER is geregistreerd. Deze registratie voldoet aan richtlijn 1999/37/EG, m.u.v. een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving. (Art. 14a, lid 1 Wet)
- bij het verzoek bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of de EER. (Art. 4a, lid 1, letter d UB)
- bpm is betaald ter zake van de registratie in Nederland op of na 16-10-2006 en geen bpm is teruggegeven dan wel vrijstelling is verleend; (Art. 14a, lid 3 Wet) het terug te geven bedrag tenminste € 50.- bedraagt; (Art. 14a, lid 5 Wet)
- het motorrijtuig buiten Nederland is gebracht en op het moment van het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister blijkens dit register niet werd aangemerkt als motorrijtuig bestemd voor sloop of motorrijtuig dat wacht op keuring (WOK); (Art. 4a, lid 1, letter a UB)
- het motorrijtuig op dat moment niet voldeed aan de definitie van schadevoertuig in de zin van de Regeling voertuigen en degene op wiens naam het motorrijtuig te naam was gesteld direct voorafgaand aan het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister dit bij het verzoek om teruggaaf verklaart; (Art. 4a, lid 1, letter b UB)
Toelichting:
(interne toelichting; maakt geen onderdeel uit van het antwoord).
De voorwaarde dat het verzoek om teruggaaf van BPM binnen de termijn van 13 weken na het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister moet zijn ingediend, in combinatie met het op dat moment overleggen van bescheiden waaruit de registratie in de andere lidstaat blijkt, impliceert dat ook binnen 13 weken sprake moet zijn van een voltooide registratie in de lidstaat waar het motorrijtuig naartoe is geëxporteerd. Dit vereiste wordt ook buiten de 13 weken termijn bij een ambtshalve beoordeling getoetst.
Een verzoek om ambtshalve teruggaaf op grond van onderdeel 21, Besluit Fiscaal Bestuursrecht kan buiten de 13 weken termijn bij de inspecteur worden ingediend. Bij de ambtshalve beoordeling van de materiële vereisten is de inspecteur gehouden de teruggaaf toe te kennen indien het verzoek, als dit tijdig was geweest, zou zijn toegekend. Tegen de inhoudelijke beslissing van de inspecteur staat echter geen rechtsmiddel open.
Situatie van overmacht:
In de Memorie van Toelichting1 [Hof: voetnoot 1 luidt: Kamerstukken II 2012/13, 33403, nr. 3] op de wijziging van artikel 10a Wet BPM per 1-1-2013 is vermeld dat wanneer de termijn van 13 weken wordt overschreden doordat het motorrijtuig niet tijdig geregistreerd kan worden in het andere EU- of EER-land, in dat geval de teruggaaf in beginsel ook daarna nog ambtshalve wordt verleend. Hiermee wordt gedoeld op die situaties waarin de registratietermijn in het andere EU/EER land langer duurt dan 13 weken.”
3Geschil
3.1.
In geschil is of de Inspecteur het verzoek van belanghebbende om teruggaaf van BPM wegens de export van de auto naar Polen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast is in geschil of de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de proceskostenvergoeding juist heeft vastgesteld.
3.2.
Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat zij op grond van het Unierecht recht heeft op de gevraagde teruggaaf aan BPM. Subsidiair is belanghebbende van mening dat zij op grond van het begunstigend beleid dat is opgenomen in het standpunt van de Kennisgroep Auto van 10 juni 2025 (KG:013:2025:2) recht heeft op de gevraagde teruggaaf. Belanghebbende stelt zich ten slotte op het standpunt dat de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade en de proceskostenvergoeding te laag heeft vastgesteld. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4Beoordeling van het geschil
Recht op teruggaaf op grond van het Unierecht
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de inschrijving van de auto in het Poolse kentekenregister meer dan dertien weken later heeft plaatsgevonden dan de uitschrijving van het kenteken uit het Nederlandse kentekenregister. Vast staat verder dat het verzoek om teruggaaf van BPM is gedaan meer dan dertien weken na de uitschrijving van het kenteken van de auto uit het Nederlandse kentekenregister. Dit betekent dat belanghebbende naar nationaal recht, ingevolge artikel 14a, lid 1, van de Wet BPM in samenhang met artikel 4a, lid 1, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit, geen recht heeft op teruggaaf van BPM.
4.2.
Belanghebbende stelt dat het recht op teruggaaf van belasting bij uitvoer van een auto rechtstreeks voortvloeit uit het Unierecht en dat de teruggaafregeling van belasting bij uitvoer van auto’s rechtstreeks wordt geregeerd door het Unierecht. Het stellen van voorwaarden door de Nederlandse wetgever, waaronder een termijn van dertien weken, vormt volgens belanghebbende een ongerechtvaardigde belemmering van de algemene beginselen van het Unierecht en komt in strijd met artikel 110 van het VWEU. Belanghebbende verwijst in dit verband naar de arresten van het Hof van Justitie de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 2 februari 2023 (Veronsaajien, ECLI:EU:C:2023:63, inzake de Finse motorrijtuigenbelasting) en van 17 mei 2023 (P.M., ECLI:EU:C:2023:414, inzake de Poolse accijns op personenauto’s). Belanghebbende stelt dat de rechtspraak van de Hoge Raad – waarin in andere zin is geoordeeld – in strijd is met deze rechtspraak van het Hof van Justitie.
4.3.
Het betoog dat het recht op teruggaaf van belasting bij uitvoer van een auto rechtstreeks voortvloeit uit het Unierecht slaagt niet. De BPM wordt niet geheven ter uitvoering van een Unierechtelijke verplichting of op grond van een bevoegdheid die is ontleend aan het recht van de Unie. De heffing van deze belasting vindt uitsluitend haar grondslag in een nationale wettelijke bevoegdheid. De omstandigheid dat artikel 110 van het VWEU de uitoefening van deze bevoegdheid begrenst, brengt niet mee dat het recht van de Unie ten uitvoer wordt gebracht bij het heffen van BPM. Dat is slechts anders indien door de inspecteur of de rechter wordt vastgesteld dat bij de heffing van BPM in een concreet geval de grenzen van artikel 110 van het VWEU zijn overschreden. In zijn arresten van 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:281 en 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:753, oordeelde de Hoge Raad al dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat noch het VWEU noch het Europeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel Nederland dwingt tot een (gedeeltelijke) teruggaaf van eerder rechtmatig geheven belasting indien een personenauto wordt overgebracht naar een andere lidstaat.
4.4.
Anders dan belanghebbende bepleit, volgt uit de door haar genoemde arresten van het Hof van Justitie in de zaken Veronsaajien en P.M. niet het tegendeel. Zo oordeelde het Hof van Justitie in de zaak Veronsaajien dat de Finse regeling van motorrijtuigenbelasting – waarin na tien jaar na eerste ingebruikneming van het motorrijtuig geen teruggaaf meer wordt verleend – niet in strijd is met primair Unierecht. Ook de Poolse regeling in de zaak P.M. – waarin bij uitvoer van een auto in het geheel geen teruggaaf van eerder geheven accijns wordt verleend als die auto in het Poolse kentekenregister is geregistreerd – achtte het Hof van Justitie niet in strijd met primair Unierecht. Gelet hierop, moet ook het standpunt van belanghebbende dat een vervaltermijn van dertien weken in strijd is met het Unierecht worden verworpen.
4.5.
Maar zelfs als belanghebbende zou moeten worden gevolgd in haar betoog dat een geval als hier aan de orde wel valt binnen de werkingssfeer van het Unierecht, kan haar dat niet baten. Met betrekking tot de termijn van dertien weken overweegt het Hof dat het vaste rechtspraak is van het Hof van Justitie dat, bij gebreke aan een regeling in het Unierecht, het aan de lidstaten is om formeelrechtelijke maatregelen te treffen. Hierbij dienen de beginselen van het Unierecht te worden gerespecteerd. De belangrijkste beginselen zijn het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel. Het doeltreffendheidsbeginsel schrijft voor dat het uitoefenen van rechten die uit het Unierecht voortvloeien niet uiterst moeilijk of onmogelijk mag worden gemaakt. Het gelijkwaardigheidsbeginsel schrijft voor dat de regels voor het uitoefenen van rechten die uit het Unierecht voortvloeien niet ongunstiger mogen zijn dan de regels die gelden voor het uitoefenen van rechten die uit het nationale recht voortvloeien. Het staat de wetgever dan ook vrij onder meer fatale termijnen voor te (doen) schrijven bij het indienen van verzoeken om teruggaaf. Een termijn van dertien weken is lang genoeg om het recht op teruggaaf te kunnen effectueren en voldoet aan het doeltreffendheidsbeginsel. Ook de overige aan het recht op teruggaaf gestelde voorwaarden maken het effectueren van dat recht niet uiterst moeilijk of onmogelijk. Voorts is de termijn, noch enige andere aan het recht op teruggaaf gestelde voorwaarde in strijd met het gelijkwaardigheidsbeginsel.
4.6.
Het Hof verwerpt voorts het betoog van belanghebbende dat het niet verlenen van een teruggaaf van BPM leidt tot een aantasting van het recht op eigendom, zoals neergelegd in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). In de wettelijke regeling is immers voorzien in de mogelijkheid om via een tijdig ingediend verzoek teruggaaf van BPM te krijgen. Het stellen van een vervaltermijn kan niet worden gezien als een aantasting van het eigendomsrecht en, zoals in 4.5. reeds is overwogen, komt de termijn van dertien weken niet in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel.
Begunstigend beleid
4.7.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op de gevraagde teruggaaf van BPM, omdat – zo begrijpt het Hof – de Belastingdienst volgens belanghebbende het beleid voert dat teruggaaf van BPM ook mogelijk is indien het motorrijtuig niet binnen dertien weken na de uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister is geregistreerd in het buitenland en het verzoek ook niet binnen die termijn van dertien weken is gedaan. Belanghebbende verwijst daarbij naar het op 10 juni 2025 gepubliceerde kennisgroepstandpunt van de Kennisgroep Auto (KG:013:2025:2).
4.8.
De Inspecteur heeft gemotiveerd weersproken dat de Belastingdienst beleid hanteert op grond waarvan belanghebbende in dit geval recht heeft op een teruggaaf van BPM. Er bestaat daarom volgens de Inspecteur geen aanleiding om belanghebbende de gevraagde teruggaaf van BPM alsnog te verlenen.
4.9.
Het Hof is van oordeel dat in het door belanghebbende genoemde kennisgroepstandpunt van 10 juni 2025 (KG:013:2025:2) geen beleid is opgenomen dat erop neerkomt dat de Belastingdienst in alle gevallen een teruggaaf van BPM verleent, indien een daartoe strekkend verzoek wordt gedaan nadat de termijn van dertien weken na uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister is verstreken. Uit dit kennisgroepstandpunt kan overigens niet worden afgeleid dat de Belastingdienst wel dergelijk beleid hanteert. Uit het onder 2.3. opgenomen kennisgroepstandpunt volgt juist dat in het geval een verzoek om teruggaaf buiten de termijn van dertien weken wordt gedaan, alleen – ambtshalve – een teruggaaf wordt verleend als de inschrijving in het buitenlandse kentekenregister wel binnen deze termijn heeft plaatsgevonden, of niet binnen die termijn heeft kunnen plaatsvinden als gevolg van overmacht. Belanghebbende heeft verder geen gevallen aangedragen waarin met haar vergelijkbare belastingplichtigen wel een teruggaaf van BPM hebben ontvangen, ondanks dat zowel het verzoek en de inschrijving in het buitenlandse kentekenregister is gedaan buiten de termijn van dertien weken na uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister. Dit maakt dat ook niet aannemelijk is geworden dat de Belastingdienst niet gepubliceerd begunstigend beleid voert als door belanghebbende betoogd.
4.10.
Belanghebbende heeft verder niet gemotiveerd gesteld dat als gevolg van overmacht de inschrijving van de auto in het Poolse kentekenregister buiten de termijn van dertien weken heeft plaatsgevonden. Nu tegenover de betwisting door de Inspecteur belanghebbende niets heeft aangedragen, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij heeft voldaan aan de voorwaarden voor een – ambtshalve – teruggaaf op grond van het beleid dat de Belastingdienst hanteert (zie 2.3.).
Vergoeding van immateriële schade in eerste aanleg
4.11.
Belanghebbende betoogt dat de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg te laag heeft vastgesteld, omdat op grond van het Unierecht een hogere vergoeding moet worden toegekend. Het Hof volgt belanghebbende niet in dit betoog. Belanghebbende kan op grond van het Unierecht geen aanspraak maken op een hogere vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn dan de vergoeding die door de Rechtbank is toegekend.
Vergoeding van proceskosten in eerste aanleg
4.12.
Met betrekking tot het standpunt van belanghebbende dat de Rechtbank de proceskostenvergoeding te laag heeft vastgesteld, overweegt het Hof dat de Rechtbank voor de hoogte van de proceskostenvergoeding terecht is uitgegaan van het forfaitaire stelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en terecht heeft geoordeeld dat ook op grond van het Unierecht geen aanleiding bestond voor een hogere of integrale vergoeding van de proceskosten voor het beroep in eerste aanleg. Het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming brengt mee dat nationale bepalingen op procesrechtelijk gebied niet ertoe mogen leiden dat de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. De regeling van het Bpb, waarbij de vergoeding van proceskosten in beginsel een forfaitair karakter heeft, voldoet aan deze eis. Daarbij is van belang dat in geval van bijzondere omstandigheden de mogelijkheid bestaat om op grond van artikel 2, lid 3, van het Bpb een hogere vergoeding voor proceskosten toe te kennen dan volgens het forfaitaire tarief geldt. Een eventuele wanverhouding tussen de tegemoetkoming in de proceskosten volgens het forfaitaire tarief en de werkelijk gemaakte kosten, vormt evenwel geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Bpb voor een hogere vergoeding. In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden.
Heffen van griffierecht
4.13.
Met betrekking tot het betoog van belanghebbende dat het vooraf heffen van griffierecht in strijd is met het Unierecht, overweegt het Hof als volgt. Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt. In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest, is om dezelfde redenen evenmin sprake.
4.14.
Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.
Vergoeding van immateriële schade in hoger beroep
4.15.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, zodat in hoger beroep de redelijke termijn van twee jaar met minder dan zes maanden is overschreden. Omdat het financiële belang bij deze procedure minder dan € 1.000 bedraagt (zie 2.1.) en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
4.16.
Belanghebbende heeft voor het overige nog gronden van min of meer algemene aard aangevoerd over schendingen van het Unierecht, waaronder beweerdelijk onbevoegde uitleggingen van dat recht door de Hoge Raad, het Hof en de Rechtbank. Het Hof ziet geen aanleiding om op die gronden het hoger beroep gegrond te achten en de uitspraak van de Rechtbank te vernietigen. Het Hof merkt hierbij nog op dat, anders dan belanghebbende betoogt, het Hof in onderhavige zaak niet verplicht is om vragen te stellen aan het Hof van Justitie over de toepassing van het Unierecht. Alleen de hoogste nationale rechter heeft op grond van artikel 267 VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat. In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door, mr. R.R. van der Heide voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
https://open.overheid.nl/documenten/ronl-6290aaee51bf9acef1c20450fb4ac68d344f9b8f/pdf
Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1917.
Zie onder meer HvJ 11 juli 2002, ECLI:EU:C:2002:435.
Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.5.
Hoge Raad 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833, r.o. 2.5.
Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.
Hoge Raad 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.1.1 t/m 3.4.
De aanvang van de redelijke termijn voor de hogerberoepsfase is het moment van het instellen van het hoger beroep en niet het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Zie Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:564.
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3. en Hoge Raad 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:248, r.o. 5.2.
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/147
uitspraakdatum: 7 juli 2026
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 november 2023, nummer ARN 22/2877, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur), en
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (hierna: de Staat).
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht om teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) wegens het vervallen van de tenaamstelling van een motorrijtuig in het kentekenregister, omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht.
1.2.
De Inspecteur heeft dit verzoek bij beschikking niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daarnaast de Inspecteur en de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van in totaal € 1.500, de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding van € 837 en bepaald dat de Inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.6.
Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingediend.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens A.F.J.M. Verhoeven, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] en [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2Vaststaande feiten
2.1.
De Inspecteur heeft op 6 april 2020 van belanghebbende een verzoek ontvangen om teruggaaf van € 571 aan BPM wegens de export van een personenauto van het merk en type BMW Touring 3-serie (hierna: de auto). Volgens dit verzoek is de registratie van het Nederlandse kenteken bij de RDW van de auto beëindigd op 10 oktober 2019 en is de auto op 25 februari 2020 in Polen geregistreerd.
2.2.
Bij beschikking van 20 mei 2020 heeft de Inspecteur het teruggaafverzoek BPM niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek niet is gedaan binnen dertien weken na beëindigen van de tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister. De Inspecteur heeft het verzoek ook in behandeling genomen als een verzoek om ambtshalve teruggaaf. De Inspecteur heeft dat verzoek niet ingewilligd, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 14a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet BPM) en artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: het Uitvoeringsbesluit).
2.3.
De Belastingdienst heeft in het kader van een verzoek op basis van de Wet open overheid op 18 januari 2023 een document van de Kennisgroep BPM gepubliceerd. In dit document is – voor zover – hier van belang het volgende opgenomen:
“De Kennisgroep BPM heeft het volgende standpunt ingenomen met betrekking tot de beoordeling van een te laat ingediend verzoek om teruggaaf van BPM vanwege export van een personenauto.
Kennisgroep BPM Versiedatum 5 oktober 2020
KG-BPM-2016-150 (3) Teruggaaf van BPM bij export waarbij het verzoek te laat is ingediend.
Casus:
Een Nederlandse autohandelaar verkoopt gebruikte auto’s aan een Duitse handelaar die de auto’s vervolgens zonder registratie opneemt in zijn handelsvoorraad. De auto’s worden niet binnen 13 weken op een regulier Duits kenteken duurzaam geregistreerd. Eerst nadat de registratie in Duitsland is voltooid, maar buiten de termijn van 13 weken, verzoekt de Nederlandse handelaar om teruggaaf van bpm.
Vraag:
Hoe dient een verzoek om teruggaaf dat te laat is ingediend te worden beoordeeld?
Antwoord:
Het te laat indienen van het verzoek om teruggaaf van bpm bij export is een formeel gebrek en resulteert in een niet-ontvankelijkheid van het verzoek. Een ambtshalve beoordeling van het verzoek op de materiële vereisten kan echter alsnog resulteren in een teruggaaf als;
- het motorrijtuig binnen 13 weken na het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister in de andere lidstaat van de EU of de EER is geregistreerd. Deze registratie voldoet aan richtlijn 1999/37/EG, m.u.v. een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving. (Art. 14a, lid 1 Wet)
- bij het verzoek bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of de EER. (Art. 4a, lid 1, letter d UB)
- bpm is betaald ter zake van de registratie in Nederland op of na 16-10-2006 en geen bpm is teruggegeven dan wel vrijstelling is verleend; (Art. 14a, lid 3 Wet) het terug te geven bedrag tenminste € 50.- bedraagt; (Art. 14a, lid 5 Wet)
- het motorrijtuig buiten Nederland is gebracht en op het moment van het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister blijkens dit register niet werd aangemerkt als motorrijtuig bestemd voor sloop of motorrijtuig dat wacht op keuring (WOK); (Art. 4a, lid 1, letter a UB)
- het motorrijtuig op dat moment niet voldeed aan de definitie van schadevoertuig in de zin van de Regeling voertuigen en degene op wiens naam het motorrijtuig te naam was gesteld direct voorafgaand aan het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister dit bij het verzoek om teruggaaf verklaart; (Art. 4a, lid 1, letter b UB)
Toelichting:
(interne toelichting; maakt geen onderdeel uit van het antwoord).
De voorwaarde dat het verzoek om teruggaaf van BPM binnen de termijn van 13 weken na het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister moet zijn ingediend, in combinatie met het op dat moment overleggen van bescheiden waaruit de registratie in de andere lidstaat blijkt, impliceert dat ook binnen 13 weken sprake moet zijn van een voltooide registratie in de lidstaat waar het motorrijtuig naartoe is geëxporteerd. Dit vereiste wordt ook buiten de 13 weken termijn bij een ambtshalve beoordeling getoetst.
Een verzoek om ambtshalve teruggaaf op grond van onderdeel 21, Besluit Fiscaal Bestuursrecht kan buiten de 13 weken termijn bij de inspecteur worden ingediend. Bij de ambtshalve beoordeling van de materiële vereisten is de inspecteur gehouden de teruggaaf toe te kennen indien het verzoek, als dit tijdig was geweest, zou zijn toegekend. Tegen de inhoudelijke beslissing van de inspecteur staat echter geen rechtsmiddel open.
Situatie van overmacht:
In de Memorie van Toelichting1 [Hof: voetnoot 1 luidt: Kamerstukken II 2012/13, 33403, nr. 3] op de wijziging van artikel 10a Wet BPM per 1-1-2013 is vermeld dat wanneer de termijn van 13 weken wordt overschreden doordat het motorrijtuig niet tijdig geregistreerd kan worden in het andere EU- of EER-land, in dat geval de teruggaaf in beginsel ook daarna nog ambtshalve wordt verleend. Hiermee wordt gedoeld op die situaties waarin de registratietermijn in het andere EU/EER land langer duurt dan 13 weken.”
3Geschil
3.1.
In geschil is of de Inspecteur het verzoek van belanghebbende om teruggaaf van BPM wegens de export van de auto naar Polen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarnaast is in geschil of de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de proceskostenvergoeding juist heeft vastgesteld.
3.2.
Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat zij op grond van het Unierecht recht heeft op de gevraagde teruggaaf aan BPM. Subsidiair is belanghebbende van mening dat zij op grond van het begunstigend beleid dat is opgenomen in het standpunt van de Kennisgroep Auto van 10 juni 2025 (KG:013:2025:2) recht heeft op de gevraagde teruggaaf. Belanghebbende stelt zich ten slotte op het standpunt dat de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade en de proceskostenvergoeding te laag heeft vastgesteld. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4Beoordeling van het geschil
Recht op teruggaaf op grond van het Unierecht
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de inschrijving van de auto in het Poolse kentekenregister meer dan dertien weken later heeft plaatsgevonden dan de uitschrijving van het kenteken uit het Nederlandse kentekenregister. Vast staat verder dat het verzoek om teruggaaf van BPM is gedaan meer dan dertien weken na de uitschrijving van het kenteken van de auto uit het Nederlandse kentekenregister. Dit betekent dat belanghebbende naar nationaal recht, ingevolge artikel 14a, lid 1, van de Wet BPM in samenhang met artikel 4a, lid 1, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit, geen recht heeft op teruggaaf van BPM.
4.2.
Belanghebbende stelt dat het recht op teruggaaf van belasting bij uitvoer van een auto rechtstreeks voortvloeit uit het Unierecht en dat de teruggaafregeling van belasting bij uitvoer van auto’s rechtstreeks wordt geregeerd door het Unierecht. Het stellen van voorwaarden door de Nederlandse wetgever, waaronder een termijn van dertien weken, vormt volgens belanghebbende een ongerechtvaardigde belemmering van de algemene beginselen van het Unierecht en komt in strijd met artikel 110 van het VWEU. Belanghebbende verwijst in dit verband naar de arresten van het Hof van Justitie de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 2 februari 2023 (Veronsaajien, ECLI:EU:C:2023:63, inzake de Finse motorrijtuigenbelasting) en van 17 mei 2023 (P.M., ECLI:EU:C:2023:414, inzake de Poolse accijns op personenauto’s). Belanghebbende stelt dat de rechtspraak van de Hoge Raad – waarin in andere zin is geoordeeld – in strijd is met deze rechtspraak van het Hof van Justitie.
4.3.
Het betoog dat het recht op teruggaaf van belasting bij uitvoer van een auto rechtstreeks voortvloeit uit het Unierecht slaagt niet. De BPM wordt niet geheven ter uitvoering van een Unierechtelijke verplichting of op grond van een bevoegdheid die is ontleend aan het recht van de Unie. De heffing van deze belasting vindt uitsluitend haar grondslag in een nationale wettelijke bevoegdheid. De omstandigheid dat artikel 110 van het VWEU de uitoefening van deze bevoegdheid begrenst, brengt niet mee dat het recht van de Unie ten uitvoer wordt gebracht bij het heffen van BPM. Dat is slechts anders indien door de inspecteur of de rechter wordt vastgesteld dat bij de heffing van BPM in een concreet geval de grenzen van artikel 110 van het VWEU zijn overschreden. In zijn arresten van 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:281 en 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:753, oordeelde de Hoge Raad al dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat noch het VWEU noch het Europeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel Nederland dwingt tot een (gedeeltelijke) teruggaaf van eerder rechtmatig geheven belasting indien een personenauto wordt overgebracht naar een andere lidstaat.
4.4.
Anders dan belanghebbende bepleit, volgt uit de door haar genoemde arresten van het Hof van Justitie in de zaken Veronsaajien en P.M. niet het tegendeel. Zo oordeelde het Hof van Justitie in de zaak Veronsaajien dat de Finse regeling van motorrijtuigenbelasting – waarin na tien jaar na eerste ingebruikneming van het motorrijtuig geen teruggaaf meer wordt verleend – niet in strijd is met primair Unierecht. Ook de Poolse regeling in de zaak P.M. – waarin bij uitvoer van een auto in het geheel geen teruggaaf van eerder geheven accijns wordt verleend als die auto in het Poolse kentekenregister is geregistreerd – achtte het Hof van Justitie niet in strijd met primair Unierecht. Gelet hierop, moet ook het standpunt van belanghebbende dat een vervaltermijn van dertien weken in strijd is met het Unierecht worden verworpen.
4.5.
Maar zelfs als belanghebbende zou moeten worden gevolgd in haar betoog dat een geval als hier aan de orde wel valt binnen de werkingssfeer van het Unierecht, kan haar dat niet baten. Met betrekking tot de termijn van dertien weken overweegt het Hof dat het vaste rechtspraak is van het Hof van Justitie dat, bij gebreke aan een regeling in het Unierecht, het aan de lidstaten is om formeelrechtelijke maatregelen te treffen. Hierbij dienen de beginselen van het Unierecht te worden gerespecteerd. De belangrijkste beginselen zijn het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel. Het doeltreffendheidsbeginsel schrijft voor dat het uitoefenen van rechten die uit het Unierecht voortvloeien niet uiterst moeilijk of onmogelijk mag worden gemaakt. Het gelijkwaardigheidsbeginsel schrijft voor dat de regels voor het uitoefenen van rechten die uit het Unierecht voortvloeien niet ongunstiger mogen zijn dan de regels die gelden voor het uitoefenen van rechten die uit het nationale recht voortvloeien. Het staat de wetgever dan ook vrij onder meer fatale termijnen voor te (doen) schrijven bij het indienen van verzoeken om teruggaaf. Een termijn van dertien weken is lang genoeg om het recht op teruggaaf te kunnen effectueren en voldoet aan het doeltreffendheidsbeginsel. Ook de overige aan het recht op teruggaaf gestelde voorwaarden maken het effectueren van dat recht niet uiterst moeilijk of onmogelijk. Voorts is de termijn, noch enige andere aan het recht op teruggaaf gestelde voorwaarde in strijd met het gelijkwaardigheidsbeginsel.
4.6.
Het Hof verwerpt voorts het betoog van belanghebbende dat het niet verlenen van een teruggaaf van BPM leidt tot een aantasting van het recht op eigendom, zoals neergelegd in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). In de wettelijke regeling is immers voorzien in de mogelijkheid om via een tijdig ingediend verzoek teruggaaf van BPM te krijgen. Het stellen van een vervaltermijn kan niet worden gezien als een aantasting van het eigendomsrecht en, zoals in 4.5. reeds is overwogen, komt de termijn van dertien weken niet in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel.
Begunstigend beleid
4.7.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op de gevraagde teruggaaf van BPM, omdat – zo begrijpt het Hof – de Belastingdienst volgens belanghebbende het beleid voert dat teruggaaf van BPM ook mogelijk is indien het motorrijtuig niet binnen dertien weken na de uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister is geregistreerd in het buitenland en het verzoek ook niet binnen die termijn van dertien weken is gedaan. Belanghebbende verwijst daarbij naar het op 10 juni 2025 gepubliceerde kennisgroepstandpunt van de Kennisgroep Auto (KG:013:2025:2).
4.8.
De Inspecteur heeft gemotiveerd weersproken dat de Belastingdienst beleid hanteert op grond waarvan belanghebbende in dit geval recht heeft op een teruggaaf van BPM. Er bestaat daarom volgens de Inspecteur geen aanleiding om belanghebbende de gevraagde teruggaaf van BPM alsnog te verlenen.
4.9.
Het Hof is van oordeel dat in het door belanghebbende genoemde kennisgroepstandpunt van 10 juni 2025 (KG:013:2025:2) geen beleid is opgenomen dat erop neerkomt dat de Belastingdienst in alle gevallen een teruggaaf van BPM verleent, indien een daartoe strekkend verzoek wordt gedaan nadat de termijn van dertien weken na uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister is verstreken. Uit dit kennisgroepstandpunt kan overigens niet worden afgeleid dat de Belastingdienst wel dergelijk beleid hanteert. Uit het onder 2.3. opgenomen kennisgroepstandpunt volgt juist dat in het geval een verzoek om teruggaaf buiten de termijn van dertien weken wordt gedaan, alleen – ambtshalve – een teruggaaf wordt verleend als de inschrijving in het buitenlandse kentekenregister wel binnen deze termijn heeft plaatsgevonden, of niet binnen die termijn heeft kunnen plaatsvinden als gevolg van overmacht. Belanghebbende heeft verder geen gevallen aangedragen waarin met haar vergelijkbare belastingplichtigen wel een teruggaaf van BPM hebben ontvangen, ondanks dat zowel het verzoek en de inschrijving in het buitenlandse kentekenregister is gedaan buiten de termijn van dertien weken na uitschrijving uit het Nederlandse kentekenregister. Dit maakt dat ook niet aannemelijk is geworden dat de Belastingdienst niet gepubliceerd begunstigend beleid voert als door belanghebbende betoogd.
4.10.
Belanghebbende heeft verder niet gemotiveerd gesteld dat als gevolg van overmacht de inschrijving van de auto in het Poolse kentekenregister buiten de termijn van dertien weken heeft plaatsgevonden. Nu tegenover de betwisting door de Inspecteur belanghebbende niets heeft aangedragen, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij heeft voldaan aan de voorwaarden voor een – ambtshalve – teruggaaf op grond van het beleid dat de Belastingdienst hanteert (zie 2.3.).
Vergoeding van immateriële schade in eerste aanleg
4.11.
Belanghebbende betoogt dat de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg te laag heeft vastgesteld, omdat op grond van het Unierecht een hogere vergoeding moet worden toegekend. Het Hof volgt belanghebbende niet in dit betoog. Belanghebbende kan op grond van het Unierecht geen aanspraak maken op een hogere vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn dan de vergoeding die door de Rechtbank is toegekend.
Vergoeding van proceskosten in eerste aanleg
4.12.
Met betrekking tot het standpunt van belanghebbende dat de Rechtbank de proceskostenvergoeding te laag heeft vastgesteld, overweegt het Hof dat de Rechtbank voor de hoogte van de proceskostenvergoeding terecht is uitgegaan van het forfaitaire stelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en terecht heeft geoordeeld dat ook op grond van het Unierecht geen aanleiding bestond voor een hogere of integrale vergoeding van de proceskosten voor het beroep in eerste aanleg. Het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming brengt mee dat nationale bepalingen op procesrechtelijk gebied niet ertoe mogen leiden dat de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. De regeling van het Bpb, waarbij de vergoeding van proceskosten in beginsel een forfaitair karakter heeft, voldoet aan deze eis. Daarbij is van belang dat in geval van bijzondere omstandigheden de mogelijkheid bestaat om op grond van artikel 2, lid 3, van het Bpb een hogere vergoeding voor proceskosten toe te kennen dan volgens het forfaitaire tarief geldt. Een eventuele wanverhouding tussen de tegemoetkoming in de proceskosten volgens het forfaitaire tarief en de werkelijk gemaakte kosten, vormt evenwel geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Bpb voor een hogere vergoeding. In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden.
Heffen van griffierecht
4.13.
Met betrekking tot het betoog van belanghebbende dat het vooraf heffen van griffierecht in strijd is met het Unierecht, overweegt het Hof als volgt. Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt. In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest, is om dezelfde redenen evenmin sprake.
4.14.
Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.
Vergoeding van immateriële schade in hoger beroep
4.15.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, zodat in hoger beroep de redelijke termijn van twee jaar met minder dan zes maanden is overschreden. Omdat het financiële belang bij deze procedure minder dan € 1.000 bedraagt (zie 2.1.) en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
4.16.
Belanghebbende heeft voor het overige nog gronden van min of meer algemene aard aangevoerd over schendingen van het Unierecht, waaronder beweerdelijk onbevoegde uitleggingen van dat recht door de Hoge Raad, het Hof en de Rechtbank. Het Hof ziet geen aanleiding om op die gronden het hoger beroep gegrond te achten en de uitspraak van de Rechtbank te vernietigen. Het Hof merkt hierbij nog op dat, anders dan belanghebbende betoogt, het Hof in onderhavige zaak niet verplicht is om vragen te stellen aan het Hof van Justitie over de toepassing van het Unierecht. Alleen de hoogste nationale rechter heeft op grond van artikel 267 VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat. In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door, mr. R.R. van der Heide voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
https://open.overheid.nl/documenten/ronl-6290aaee51bf9acef1c20450fb4ac68d344f9b8f/pdf
Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1917.
Zie onder meer HvJ 11 juli 2002, ECLI:EU:C:2002:435.
Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.5.
Hoge Raad 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833, r.o. 2.5.
Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.
Hoge Raad 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.1.1 t/m 3.4.
De aanvang van de redelijke termijn voor de hogerberoepsfase is het moment van het instellen van het hoger beroep en niet het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Zie Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:564.
Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3. en Hoge Raad 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:248, r.o. 5.2.