Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:3994

2026-06-17 Strafrecht 21-004129-19
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-06-17
Publicatiedatum
2026-06-17
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
21-004129-19
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Absolute verjaring verduistering en schuldwitwassen; openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Veroordeling voor oplichting, medeplegen van witwassen en opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift. Oplegging onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Samenhang met: 21-004132-19, 21-004133-19, 21-004074-19, 21-004075-19.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (61.629 tekens)
Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004129-19
Uitspraakdatum: 17 juni 2026
TEGENSPRAAK



Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 18 juli 2019 met parketnummer 08-950636-13 in de strafzaak tegen



[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1951 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .





Hoger beroep


Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.





Onderzoek van de zaak


Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 20 mei 2026 (inhoudelijke behandeling) en 3 juni 2026 (sluiting onderzoek) en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.



Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsman, mr. R.W. van Faassen, is aangevoerd.





Het vonnis


De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor het onder 1, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest.



Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en over het bewijs dan de rechtbank Overijssel. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.






Tenlastelegging


Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging twee keer gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijzigingen ten laste gelegd dat:



1.




hij in of omstreeks 22 maart 2013 tot en met 27 maart 2013 te [plaats] , althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een geldbedrag (ongeveer 172.040 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als aanbetaling voor een (verzekering voor een) financiering, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;


2. primair



hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 maart 2013 tot en met 23 april 2013 in de gemeente(n) [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,


met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 178.000 euro, in elk geval van enig geldbedrag,


immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid


- nadat die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] op 21 maart 2013 een eerste aanbetaling van 400.000 euro had overgemaakt, en die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] op 24 maart 2013 had laten weten nog niks te hebben ontvangen, aan die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] bericht dat zij de stukken zou krijgen (p. 1076), en/of


- (op of omstreeks 24 maart 2013) die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] een borgstelling van [Bedrijf 1] doen toekomen (pp. 961-962), en/of


- die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] laten weten dat [Bedrijf 1] / [Bedrijf 1] , althans verdachte zelf, € 200.000 had ingebracht


(p. 960), en/of


- (op of omstreeks 27 maart 2013) een “loan agreement”/overeenkomst aan die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] doen toekomen waarin staat vermeld dat [Bedrijf 3] uit [locatie 1] 170 miljoen euro leent aan [Bedrijf 1] / [Bedrijf 1] (pp. 959, 874), en/of


- die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] laten weten dat een (tweede) aanbetaling van €178.000 nodig was, en/of (op of omstreeks 18 april 2013) die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] bericht dat die aanbetaling nodig was om de betaling (van de door [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] gewenste lening) te bespoedigen (p. 869), en/of


- (op of omstreeks 24 april 2013) die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] een “loan agreement” doen toekomen, waarin was bepaald dat der lening ter beschikking zou komen tien dagen nadat de (tweede) aanbetaling zou zijn ontvangen (pp. 882-892),


waardoor [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;



2. subsidiair



hij in of omstreeks de periode van 23 april 2013 t/m 30 mei 2013 te [plaats] , gemeente [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk Euro 178.000, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als aanbetaling ten behoeve van een verzekering voor een) financiering, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;


3.




hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 februari 2013 tot en met 30 mei 2013 in de gemeente(n) [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] , althans in Nederland,


tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,


van een of meer voorwerpen, te weten


- een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer 172.040 euro


- een geldbedrag van 178.000 euro


althans enig geldbedrag,


de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die geldbedragen van ongeveer 172.040 euro en/of 178.000 euro was of wie die geldbedragen voorhanden had, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het misdrijf,


immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s)


- nadat dat/die geldbedrag(en) was/waren overgemaakt op (een) bankrekening(en) van [Bedrijf 1] en/of [Bedrijf 4] en/of [Bedrijf 5] , dat/die geldbedrag(en) (al dan niet in gedeelten) overgeboekt/doorgeboekt naar een aantal andere bankrekeningen (op naam van anderen dan van verdachte of van [Bedrijf 1] en/of [Bedrijf 4] en/of [Bedrijf 5] ),


en/of


- (vervolgens) die (deel)bedragen contant van die rekeningen opgenomen, althans die (deel)bedragen contant gemaakt;





en/of





hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 februari 2013 tot en met 30 mei 2013 in de gemeente(n) [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] , althans in Nederland,


tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,


- een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer 172.040 euro


- een geldbedrag van 178.000 euro althans enig geldbedrag,


heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van dat/die geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,


terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - geheel of gedeeltelijk afkomstig was uit enig misdrijf;


4.




hij in of omstreeks de periode van 23 april 2013 tot en met 17 mei 2013 in de gemeente [gemeente] en/of [gemeente] , althans in Nederland,


tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,


een brief van [Bedrijf 6] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst,


immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk, immers in strijd met de waarheid, op briefpapier van [Bedrijf 6] , althans op papier gelijkend briefpapier van [Bedrijf 6] ,


- zakelijk weergegeven vermeld dat [Bedrijf 6] bevestigt dat een bedrag van 5.830.000 euro op de bankrekening van [benadeelde 1] is overgemaakt, althans dat een dergelijk bedrag ten gunste van [benadeelde 1] is gereserveerd, en/of


- de namen en functies van [naam 6] , [Functie 1] , en [naam 7] , [Functie 2] vermeld,


zulks (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;





en/of





hij in of omstreeks 01 mei 2013 tot en met 11 juni 2013 te gemeente [gemeente] en/of [gemeente] , althans te Nederland,


tezamen en in vereniging met een ander of anderen,


opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,


namelijk een brief van [Bedrijf 6] als ware deze brief echt en onvervalst,


bestaande die valsheid hierin, dat in die brief valselijk, immers in strijd met de waarheid,


- zakelijk weergegeven was vermeld dat [Bedrijf 6] bevestigt dat een bedrag van 5.830.000 euro op de bankrekening van [benadeelde 1] is overgemaakt, althans dat een dergelijk bedrag ten gunste van [benadeelde 1] is gereserveerd, en/of


- als ondertekenaars de namen en functies van [naam 6] , [Functie 1] , en [naam 7] , [Functie 2] waren vermeld,


en bestaande dat gebruiken hierin, dat


- verdachte en/of zijn mededader(s) deze brief naar [benadeelde 1] / [benadeelde 2] hebben gemaild en/of


- deze brief hebben bezorgd/laten bezorgen aan de balie van het notariskantoor [Bedrijf 7] te [plaats] .




Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.





Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie


Het hof constateert dat sinds de pleegdatums van de ten laste gelegde feiten meer dan twaalf jaren zijn verstreken. Voor feiten waarop een gevangenisstraf van maximaal drie jaren is gesteld, vervalt het recht op strafvervolging in ieder geval na twaalf jaren (artikel 70 lid 1, aanhef en onder 2º, in samenhang met artikel 72 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)). Dat betekent dat de onder 1 (verduistering), 2 subsidiair (verduistering) en 3 impliciet subsidiair (schuldwitwassen) ten laste gelegde feiten zijn verjaard. Het hof verklaart het openbaar ministerie ten aanzien van die feiten daarom niet-ontvankelijk in de vervolging.





Bewijsoverwegingen



Standpunt van het openbaar ministerie




De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde. Daarbij volgt de advocaat-generaal de overwegingen van de rechtbank.




Standpunt van de verdediging




De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 primair en 3 tenlastegelegde.
Ten aanzien van feit 2 heeft hij onder meer aangevoerd dat verdachte geen contant geld heeft ontvangen en dat hij niet wist dat er tijdens de rit over de [locatie 2] geld in de auto lag. Verdachte heeft bovendien altijd gehandeld met de insteek om de lening voor [Benadeelden] rond te krijgen. Tegen die achtergrond leveren de gedragingen van verdachte geen bewezenverklaring van oplichting op.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is van het omzetten van giraal naar contant geld.
Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman zich aan het oordeel van het hof gerefereerd.




Oordeel van het hof






Inleiding

Hoewel de onder 1 ten laste gelegde verduistering niet meer aan de orde is, worden de daarmee samenhangende omstandigheden meegenomen om de context van de andere feiten vast te stellen.



Het hof gaat op grond van het dossier uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 11 juni 2013 heeft [naam 8] , als financieel manager werkzaam bij [benadeelde 1] te [plaats] , namens deze onderneming aangifte van oplichting gedaan. Uit deze aangifte – en uit latere verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 2] – komt naar voren dat [benadeelde 2], directeur-grootaandeelhouder en bestuurder van deze onderneming, scheepswerf [Bedrijf 2] te [plaats] wilde overnemen en daarvoor financiering probeerde te regelen. Omdat de financiering via banken niet rondkwam, is zij op de particuliere markt verder gaan zoeken en via een zakenrelatie in februari 2013 in contact gebracht met [verdachte] , [medeverdachte 2] en [naam 1] , alle drie bestuurders van [Bedrijf 1] (hierna: [Bedrijf 1] ).[verdachte] en [medeverdachte 2] hebben [Benadeelden] voorgehouden dat [Bedrijf 1] met een bedrijf in [locatie 1] , genaamd [Bedrijf 3] (hierna: [Bedrijf 3] ), een lening had afgesloten van € 170.000.000,-. [Bedrijf 3] werd vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 3] (hierna: de [naam 4] ). Van dit bedrag kon [Benadeelden] van [Bedrijf 1] € 5.830.000,- lenen voor de aankoop van de scheepswerf. Om deze financiering te verkrijgen, diende zij tien procent van het te lenen bedrag contant aan [Bedrijf 1] te betalen, waarna [Bedrijf 1] dat bedrag ten behoeve van een insolventieverzekering zou doorbetalen aan [Bedrijf 3] . Omdat het [Benadeelden] niet lukte om de volledige tien procent aan te betalen gingen [verdachte] en [medeverdachte 2] akkoord met een aanbetaling van € 400.000,-. [Benadeelden] heeft dat bedrag niet contant betaald, maar heeft dat op 21 maart 2013 giraal overgemaakt op ING-rekening [rekeningnummer 1] van [Bedrijf 4] (hierna: [Bedrijf 4] ), een bedrijf van [medeverdachte 2] . Dit bedrag is vervolgens door [Bedrijf 4] overgeboekt naar verschillende rekeningen van [medeverdachte 2] en van derden teneinde het bedrag zo snel mogelijk alsnog contant te maken.



Het hof gaat er verder van uit dat [verdachte] en [medeverdachte 2] op 22 maart 2013 naar [plaats] zijn gereisd met een grote hoeveelheid contant geld om dit aan de [naam 4] te doen toekomen. Zowel [verdachte] als [medeverdachte 2] hebben dit verklaard. Het hof gaat uit van de juistheid van hun verklaringen op dit punt nu het dossier daarvoor voldoende aanknopingspunten bevat, waaronder – naast verklaringen van getuigen – een sms-bericht van [medeverdachte 2] aan [naam 3] waaruit volgt dat zij die dag een contant geldbedrag van € 227.960,- voorhanden hadden. Dit bedrag komt bovendien vrijwel overeen met het bedrag dat op 22 maart 2013 contant was gemaakt.
Het hof stelt vast dat [verdachte] en [medeverdachte 2] van elkaar afwijkende verklaringen hebben afgelegd over de omstandigheden waaronder dit geldbedrag is overgedragen aan de [naam 4] , dan wel aan personen die zich voordeden als de [naam 4] . Het hof is echter van oordeel dat aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [verdachte] ernstig moet worden getwijfeld nu hij bij zijn verhoren bij de politie telkens wisselende en aantoonbaar onjuiste verklaringen heeft afgelegd. Zo verklaarde hij op 3 juli 2013 dat een aantal dingen niet klopt en dat hij open naar de politie zal zijn, op 11 juli 2013 dat hij het gewoon niet meer weet, op 16 juli 2013 'Ik zit zo in de shit met die handel, wat als ik nu gewoon alles op tafel leg? Ik wil openheid van zaken geven, ik verdraai steeds alles. Ik wil opnieuw beginnen en alles eerlijk vertellen', en op 15 januari 2014 dat hij naar eer en geweten wil verklaren en zijn verhaal wil doen over wat er bij het hotel gebeurd is en dat 'het hele Engeland en [plaats] verhaal' niet waar is. Daarentegen zijn de verklaringen van [medeverdachte 2] bij de politie en de rechter-commissaris over de overdracht van het contante geld aan de [naam 4] , die er in zijn eigen woorden op neerkomen dat [verdachte] is overvallen, gedetailleerd en consistent en vinden die steun in andere bewijsmiddelen. Zo heeft getuige [getuige 2] , die op 22 maart 2013 mee is gereisd naar [plaats] en [verdachte] en [medeverdachte 2] kort vóór en kort na de overdracht heeft gezien, verklaard dat [verdachte] en [medeverdachte 2] met z'n tweeën het hotel binnen zijn gegaan, dat er daarna paniek was en dat ze vertelden dat het niet goed gegaan was. Verder heeft de getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris verklaard, kort samengevat, dat [verdachte] hem heeft verteld dat het geldbedrag van € 400.000,- dat op de rekening van [Bedrijf 4] was gestort en dat vervolgens contant was gemaakt, bij een overval was gestolen. Ook bevat het dossier een bericht van [medeverdachte 2] aan [verdachte] van 23 maart 2013, onder meer inhoudende dat [verdachte] 'beroofd' is en dat het 'een brute straatroof' c.q. 'diefstal of straatroof met voorbedachten rade' was. Wat er van de in dit bericht genoemde kwalificaties ook zij, het hof stelt op grond van deze bewijsmiddelen vast dat [verdachte] en [medeverdachte 2] het contante geldbedrag van € 227.960,- op enige onvoorziene en onrechtmatige wijze – in ieder geval anders dan gepland – afhandig is gemaakt.



Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat [verdachte] samen met [medeverdachte 2] , die net als hij verbonden was aan [Bedrijf 1] , een overeenkomst tot stand heeft gebracht tussen [Bedrijf 1] en [Benadeelden] op grond waarvan [Benadeelden] op 21 maart 2013 een aanbetaling van € 400.000,- heeft overgeboekt die bestemd was voor [Bedrijf 3] ter verkrijging van financiering voor de scheepswerf. Nadat dit bedrag op de rekening van [Bedrijf 4] was overgeboekt, bleef [verdachte] nauw betrokken bij de uitvoering van deze overeenkomst. Dit blijkt niet alleen uit de omstandigheid dat [verdachte] samen met [medeverdachte 2] op 22 maart 2013 met dit geldbedrag, voor zover dit toen al contant gemaakt was, naar [plaats] is gereisd om dit aan (vertegenwoordigers van) [Bedrijf 3] te overhandigen, maar ook uit de vele contacten die [verdachte] nadien nog met [Benadeelden] onderhield. Het hof concludeert verder dat [verdachte] en [medeverdachte 2] na de overboeking op 21 maart 2013 gezamenlijk de beschikking hadden over € 400.000,-, welk geldbedrag op grond van de overeenkomst met [Benadeelden] moest worden aangewend voor het verkrijgen van financiering voor de scheepswerf. Het hof onderschrijft het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman dat [verdachte] en [medeverdachte 2] dit bedrag op 21 maart 2013 rechtmatig hadden verkregen en dat zij hebben getracht het daarvan op 22 maart 2013 contant gemaakte geldbedrag van € 227.960,- conform de overeenkomst met [Benadeelden] aan te wenden om financiering voor de aankoop van de scheepswerf te verkrijgen.



Het hof leidt uit het voorgaande verder af dat [verdachte] en [medeverdachte 2] na het voorval op 22 maart 2013 een resterend geldbedrag van € 172.040,- van de oorspronkelijk rechtmatig verkregen € 400.000,- onder zich hadden, welk geldbedrag eerst op de rekening van [Bedrijf 4] stond en vervolgens contant is gemaakt door overboeking van dat restant op rekeningen van andere(n) dan [Bedrijf 4] en door opnames van de respectieve bedragen en afgifte daarvan aan [medeverdachte 2] en [verdachte] . Maar door het voorval in [plaats] moesten zij weten dat aan de gestelde voorwaarde voor het verkrijgen van de financiering – aanbetaling van € 400.000,- – onmogelijk nog kon worden voldaan. Immers, € 227.960,- was verdwenen. Het had vanaf dat moment dan ook op de weg van [verdachte] en [medeverdachte 2] gelegen om deze gebeurtenis te melden aan [Benadeelden] en het resterende geldbedrag aan haar te retourneren. Beide verdachten hebben dit echter nagelaten en er in haar richting met geen woord over gerept. Integendeel, het dossier bevat sms- en e-mailberichten van [verdachte] aan [Benadeelden] waaruit blijkt dat hij jegens [Benadeelden] juist deed alsof de financiering rond zou komen.

[Benadeelden] heeft het resterende geldbedrag dus niet teruggekregen. Evenmin is gebleken dat dit geldbedrag op enig moment toch nog is aangewend voor het verkrijgen van financiering voor de scheepswerf, terwijl uit het onderzoek ook niet duidelijk is geworden waar het geldbedrag van € 172.040,- dan wél terecht is gekomen.



Dit alles maakt dat het hof van oordeel is dat [verdachte] en [medeverdachte 2] in bewuste en nauwe samenwerking zich dit geldbedrag wederrechtelijk hebben toegeëigend.




Feit 2 – oplichting

Op 22 april 2013 heeft [verdachte] alle aandelen in [Bedrijf 1] aan [medeverdachte 1] verkocht en overgedragen voor een bedrag van € 5.000,-. In de betreffende overeenkomst van koop en verkoop van de aandelen in [Bedrijf 1] van 22 april 2013, ondertekend door [verdachte] en [medeverdachte 1] , is in artikel 2. sub 2 en 4, en in artikel 5. sub 18 de contractuele relatie tussen [Bedrijf 1] en [Benadeelden] benoemd. Uit laatstgenoemd artikel is af leiden dat een aanvullend bedrag van € 178.000 nog door [Benadeelden] moet worden betaald. Naar zeggen van [medeverdachte 1] hebben hij en [verdachte] over die betaling van dat bedrag nog gesproken met [Benadeelden] tijdens een ontmoeting in [plaats] . Dit bedrag wordt ook uitdrukkelijk benoemd in artikel 2 van de tussen [medeverdachte 1] namens [Bedrijf 1] en [Benadeelden] op 24 april 2013 ondertekende 'loan agreement', met daarbij vermeld het bankrekeningnummer waarop dat gestort moest worden. Dat bankrekeningnummer is – naar later is gebleken en anders dan in die loan agreement staat – van [medeverdachte 1] in december 2012 gestaakte [Bedrijf 5] Vaststaat dat dit bedrag op 23 april 2013 door [Benadeelden] ook is overgemaakt op die rekening.



Op grond van het vorenstaande, en voorts gelet op de hierna te melden overvloedige correspondentie tussen [verdachte] en [Benadeelden] in de periode vanaf 22 maart 2013 tot en met 23 april 2013, waaruit kort gezegd blijkt van de inspanningen van verdachte voor [Bedrijf 1] om genoemd bedrag van € 178.000,- door [Benadeelden] te laten betalen op de rekening van [medeverdachte 1] voormalige snackbar, stelt het hof vast dat [verdachte] en [medeverdachte 1] in bewuste en nauwe samenwerking gehandeld hebben ten aanzien van de aanvullende aanbetaling en dat zij gezamenlijk het bedrag van € 178.000,- voorhanden hebben gekregen nadat dit bedrag op 23 april 2013 op de rekening van " [Bedrijf 5] " was overgeboekt. Voorts is het hof gebleken dat [verdachte] ook daarna nog beschikkingsmacht over dit geldbedrag heeft gehad. Dit leidt het hof af uit de verklaring van [medeverdachte 1] dat [verdachte] ook bij het contant maken van het geld betrokken is geweest en uit de omstandigheid dat [verdachte] een dag na de overboeking door [Benadeelden] , namelijk op 24 april 2013, aanwezig is geweest bij een ontmoeting tussen hemzelf, [medeverdachte 1] en [Benadeelden] , om verder over de financiering te spreken.



Hiervoor heeft het hof reeds overwogen dat [verdachte] na het voorval van 22 maart 2013 moet hebben geweten dat aan de gestelde voorwaarde voor het verkrijgen van de financiering onmogelijk nog kon worden voldaan. Niettemin bevindt zich in het dossier overvloedige correspondentie tussen [verdachte] en [Benadeelden] uit de periode vanaf 22 maart 2013 tot en met 23 april 2013 – de onder 2 primair ten laste gelegde periode –, bevattende vertrouwenwekkende mededelingen van de kant van [verdachte] met betrekking tot de verkrijging van de door [Benadeelden] gewenste lening – hij blijft de schijn ophouden dat die verstrekt gaat worden – alsmede daartoe door verdachte aan [Benadeelden] gezonden stukken die – naar verdachte wist – niet op waarheid berustten. Zo heeft verdachte kort na het voorval van 22 maart 2013 sms-contacten met [Benadeelden] , waarin zij aangeeft nog niets te hebben ontvangen en verdachte antwoordt dat zij de stukken zal krijgen. Op 24 maart 2013 zendt verdachte haar een brief van [Bedrijf 1] , inhoudende een borgstelling voor € 5.500.000,- ten behoeve van de scheepswerf. Opmerkelijk is dat deze borgstelling door (onder meer) [naam 1] zou zijn ondertekend, terwijl [naam 1] aan [verdachte] – kort voordat verdachte deze borgstelling aan [Benadeelden] toezond – per e-mail heeft laten weten de borgstelling niet te kunnen tekenen, omdat [Bedrijf 1] niet over geld beschikt. [verdachte] moet zodoende hebben geweten dat in elk geval de handtekening van [naam 1] onder dit document niet juist kon zijn. Ook heeft [verdachte] aan [Benadeelden] laten weten dat [Bedrijf 1] zelf € 200.000,- heeft ingebracht, terwijl daarvan gedurende het onderzoek in het geheel niet is gebleken. Sterker nog, [verdachte] heeft zelf verklaard dat die eigen inbreng niet klopt. Verder heeft [verdachte] aan [Benadeelden] een zogenoemde ‘loan agreement’ tussen [Bedrijf 1] en [Bedrijf 3] toegezonden, waarin staat vermeld dat [Bedrijf 3] uit [locatie 1] 170 miljoen euro leent aan [Bedrijf 1] . Ook die ‘loan agreement’ is namens [Bedrijf 1] op 27 maart 2013 ondertekend door [naam 1] , die dit heeft ontkend, terwijl verdachte moet hebben geweten dat [naam 1] die handtekening niet gezet kan hebben. [verdachte] verklaring dat hij de loan agreement heeft ontvangen in [plaats] en dat die op dat moment al ondertekend was, is in tegenspraak met een mailbericht van [verdachte] zelf waarin hij op 26 maart 2013 een blanco loan agreement ter ondertekening naar [naam 1] stuurt.
Verder mailt verdachte op 18 april 2013 aan [Benadeelden] dat er nog een aanvullende aanbetaling van € 178.000,- moet worden overgemaakt om de betaling (het hof begrijpt: de financiering van de scheepswerf) te bespoedigen. Hij heeft dit herhaald bij sms-bericht aan [Benadeelden] van 22 april 2013.
Door de voormelde correspondentie is [Benadeelden] gedurende een periode van een maand opzettelijk een voorstelling van zaken voorgespiegeld die niet strookte met de werkelijkheid. Gelet daarop merkt het hof deze misleidende correspondentie – zoals opgesomd onder de eerste vijf gedachtestreepjes in de tenlastelegging – in samenhang bezien aan als een samenweefsel van verdichtsels als bedoeld in artikel 326 Sr. Ten gevolge van deze onjuiste voorstelling van zaken is [Benadeelden] bewogen tot afgifte van een geldbedrag € 178.000,-. Zij heeft immers op 23 april 2013 dit bedrag overgemaakt – zij het, anders dan haar kennelijk was voorgespiegeld, niet op een bankrekening van [Bedrijf 1] , maar op de bankrekening van [medeverdachte 1] voormalige bedrijf “ [Bedrijf 5] ” – in de verwachting dat daardoor financiering voor de aankoop van de scheepswerf rond zou komen.
Het hof leidt ten slotte – naast het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels – uit de omstandigheid dat het door [Benadeelden] overgeboekte geldbedrag vervolgens in contanten is omgezet, waarna het niet meer getraceerd kon worden en tot op de dag van het onderzoek ter terechtzitting onduidelijk is gebleven waar dit geldbedrag is gebleven en waarvoor het is gebruikt, af dat [verdachte] daarbij het oogmerk had om zichzelf en/of [medeverdachte 1] te bevoordelen. Dat het geldbedrag van € 178.000,- is overgemaakt op een niet aan [verdachte] zelf toebehorende bankrekening, maar op een bankrekening van [medeverdachte 1] , doet hier niets aan af, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het door [verdachte] en [medeverdachte 1] gezamenlijk voorhanden krijgen van dat geldbedrag en de beschikkingsmacht die [verdachte] nadien daarover nog gehad heeft. Het hof gaat ten slotte voorbij aan het door de verdediging ter terechtzitting bepleite standpunt, erop neerkomend dat [verdachte] alles heeft gedaan in opdracht van [medeverdachte 2] en dat hij een doorgeefluik van [medeverdachte 2] is geweest. Dat is uit niets gebleken.



Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van [Benadeelden] .

[medeverdachte 1] is daaraan medeplichtig geweest. [medeverdachte 1] heeft immers zonder enige kennis van zaken [Bedrijf 1] overgenomen voor een bedrag dat niet in verhouding staat tot het op dat moment nog door [Benadeelden] aanvullend te betalen bedrag van € 178.000,-, waarvan [medeverdachte 1] wist dat het betaald zou gaan worden. Dat vraagt op zijn minst om uitleg. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] is gebleken dat hij zich niet heeft verdiept in [Bedrijf 1] en geen idee had wat de financiële toestand of het verdienmodel van [Bedrijf 1] was. Dat zou allemaal door [verdachte] worden geregeld. Tegen die achtergrond heeft [medeverdachte 1] zijn zakelijke rekening beschikbaar gesteld voor de ontvangst van dat bedrag. Naar het oordeel van het hof heeft hij daarmee ten minste voorwaardelijk opzet gehad op het medewerken aan criminele activiteiten, waaronder oplichting, in dit geval van [Benadeelden] .






Feit 3 – witwassen

Het hof heeft in de inleiding het handelen van [verdachte] en [medeverdachte 2] in het kader van de verduistering van het geldbedrag van € 172.040,- uiteengezet. Met de terhandstelling van dat bedrag is de verduistering voltooid. Vanaf dat moment heeft [verdachte] het door verduistering verkregen geld voorhanden gehad. Niet is komen vast te staan dat ook anderen dan [verdachte] daar (mede) de beschikking over hadden. Op basis van het dossier is niet te achterhalen wat er na de voltooiing van verduistering door de terhandstelling met het geld is gebeurd en dus ook niet of en waar [verdachte] buiten het voorhanden hebben witwashandelingen heeft verricht ten aanzien van dat bedrag. Het hof acht bewezen dat [verdachte] het onmiddellijk uit eigen misdrijf verkregen bedrag voorhanden heeft gehad.



Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft het hof geoordeeld dat [verdachte] [Benadeelden] heeft opgelicht voor een bedrag van € 178.000,- en dat [medeverdachte 1] daaraan medeplichtig is geweest. Uit de betreffende overwegingen vloeit eveneens voort dat [verdachte] dit geldbedrag samen met een ander, in dit geval [medeverdachte 1] , voorhanden heeft gehad, dat dit van een door [verdachte] en [medeverdachte 1] zelf gepleegd misdrijf afkomstig was en dat [verdachte] en [medeverdachte 1] dus ook wisten dat het geld van misdrijf afkomstig was. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] volgt dat [verdachte] ook bij het contant maken van dit geldbedrag nauw betrokken is geweest. Uiteindelijk is het hele bedrag van de rekening van [Bedrijf 5] verdwenen, deels door directe contante opname, deels door overboeking en daaropvolgende contante opname en deels door overboeking en aanwending voor eigen gebruik door [medeverdachte 1] . Door het geldbedrag over te boeken en gedeeltelijk om te zetten van giraal naar contant geld heeft [verdachte] samen met [medeverdachte 1] de herkomst ervan verhuld en verhuld wie die geldbedragen vervolgens voorhanden had.
Naar het oordeel van het hof is daarom sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking gericht op het verhullen van de herkomst van het geldbedrag, waaraan beide verdachten een significante bijdrage hebben geleverd. De rol van [verdachte] bestond daarbij uit het verwerven van het te verhullen geldbedrag, terwijl [medeverdachte 1] een bankrekening van zijn voormalige bedrijf gebruikte om het geldbedrag te ontvangen, waarna beide verdachten betrokken waren bij onder meer het omzetten van het girale geldbedrag in contant geld zoals hiervoor weergegeven.



Het hof acht op grond van het voorgaande het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.




Feit 4 – gebruik maken van een vals of vervalst geschrift

Het dossier bevat een e-mailbericht van [verdachte] aan [Benadeelden] van 22 mei 2013, met daarbij een aan [Benadeelden] gerichte brief in het Engels van [Bedrijf 6] die inhoudt dat een bedrag van
€ 5.830.000,- op de bankrekening van [benadeelde 1] is overgemaakt en waarin als ondertekenaars de namen en functies van [naam 6] , [Functie 1] , en [naam 7] , [Functie 2] zijn vermeld. Naar aanleiding van
onderzoek door aangever [naam 8] is vanuit [Bedrijf 6] aan hem bericht dat deze brief niet van

[Bedrijf 6] afkomstig is. Het hof stelt op grond daarvan vast dat deze brief vals is.
Het hof constateert dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat [verdachte] deze brief zelf heeft opgemaakt en evenmin dat hij de brief aan [Bedrijf 7] heeft verstrekt. In zoverre zal het hof [verdachte] daarom vrijspreken van het onder 4 ten laste gelegde.

[verdachte] heeft ter terechtzitting van 21 juni 2019 bevestigd dat hij de brief per e-mail aan [Benadeelden] heeft doorgezonden. Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de brief.
Het hof heeft hiervoor al overwogen dat [verdachte] na het voorval van 22 maart 2013 wist dat aan de gestelde voorwaarde voor het verkrijgen van de financiering onmogelijk nog kon worden voldaan. [verdachte] wist met andere woorden dat dat er geen enkele te bedenken reden was om te veronderstellen dat een bedrag van € 5.830.000,- was overgeboekt op de rekening van [Benadeelden] . Het kan daarom niet anders dan dat [verdachte] op 22 mei 2013 wist dat de inhoud van de brief onmogelijk juist kon zijn, zodat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse brief door deze naar [Benadeelden] te mailen, zoals onder 4 is ten laste gelegd. Dat [Benadeelden] op dat moment mogelijk reeds langs andere weg (een kopie van) dezelfde brief in bezit had, maakt dit niet anders.



Al met al komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde.





Bewezenverklaring


Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:


2. primair



hij
op één of meer verschillende tijdstippen
in
of omstreeks
de periode van 22 maart 2013 tot en met 23 april 2013
in de gemeente(n) [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of elders
in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,


met het oogmerk om zich en/of
(
een
)
ander
(en)
wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of
door een samenweefsel van verdichtsels,

[benadeelde 1] en/of [benadeelde 2]
[benadeelde 3] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 178.000 euro,
in elk geval van enig geldbedrag,


immers heeft verdachte
en/of zijn mededader(s)
met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -
valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of
in strijd met de waarheid


- nadat die

[benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of
[benadeelde 3] op 21 maart 2013 een eerste aanbetaling van 400.000 euro had overgemaakt, en
die
[benadeelde 2]
en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3]
op 24 maart 2013 had laten weten nog niks te hebben ontvangen, aan die [benadeelde 2]
en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3]
bericht dat zij de stukken zou krijgen
(p. 1076),
en
/of


-
(
op
of omstreeks
24 maart 2013
)
die [benadeelde 2]
en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3]
een borgstelling van [Bedrijf 1] doen toekomen
(pp. 961-962),
en
/of


- die [benadeelde 2]
en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] laten weten dat [Bedrijf 1] /

[Bedrijf 1]

, althans verdachte zelf,
€ 200.000 had ingebracht
(p. 960),
en
/of


-
(
op
of omstreeks
27 maart 2013
)
een “loan agreement”/overeenkomst aan die [benadeelde 2]
en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3]
doen toekomen waarin staat vermeld dat [Bedrijf 3] uit [locatie 1] 170 miljoen euro leent aan

[Bedrijf 1] /

[Bedrijf 1]
(pp. 959, 874),
en
/of


- die [benadeelde 2]
en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3]
laten weten dat een (tweede) aanbetaling van €178.000 nodig was, en
/of (
op
of omstreeks
18 april 2013
)
die [benadeelde 2]
en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3]
bericht dat die aanbetaling nodig was om de betaling (van de door [benadeelde 2]
en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3]
gewenste lening) te bespoedigen
(p. 869),
en
/of


- (op of omstreeks 24 april 2013) die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] een “loan agreement” doen toekomen, waarin was bepaald dat der lening ter beschikking zou komen tien dagen nadat de (tweede) aanbetaling zou zijn ontvangen (pp. 882-892),


waardoor

[benadeelde 1] en/of [benadeelde 2]
[benadeelde 3] werd
(en)
bewogen tot bovenomschreven afgifte;


3.




hij
op een of meer verschillende tijdstippen
in of omstreeks de periode van 23 april 2013 tot en met 30 mei 2013
in de gemeente(n) [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] , althans
in Nederland,


tezamen en in vereniging met een ander
of anderen, althans alleen,


van een
of meer
voorwerp
en
, te weten


- een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer 172.040 euro


- een geldbedrag van 178.000 euro


althans enig geldbedrag,


de werkelijke aard,
de herkomst
, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing
heeft
/hebben verborgen en/of
verhuld, en
/of heeft/hebben verborgen en/of
verhuld
wie de rechthebbende op die geldbedragen van ongeveer 172.040 euro en/of 178.000 euro was of
wie dat geldbedrag voorhanden had, terwijl hij en
/of
zijn mededader
(s)
wist
(
en
), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden
dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit
het
misdrijf,


immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader
(s)


- nadat dat
/die
geldbedrag
(en)
was
/waren
overgemaakt op
(
een
)
bankrekening
(en)
van

[Bedrijf 1] en/of [Bedrijf 4] en/of
[Bedrijf 5] , dat
/die
geldbedrag
(en) (al dan niet
in gedeelten
)
overgeboekt
/doorgeboekt
naar een aantal andere bankrekeningen
(op naam van anderen dan van verdachte of van [Bedrijf 1] en/of [Bedrijf 4] en/of [Bedrijf 5] ),


en/of


-
(
vervolgens
) die (deel)bedragen contant van die rekeningen opgenomen, althans
dat
(deel)
bedrag contant gemaakt;





en
/of





hij
op één of meer verschillende tijdstippen
in
of omstreeks
de periode van 23 april 2013 tot en met 30 mei 2013
in de gemeente(n) [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] , althans
in Nederland,


tezamen en in vereniging met een ander of anderen
, althans alleen,


- een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer 172.040 euro


- een geldbedrag van 178.000 euro
althans enig geldbedrag,


heeft
/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of
omgezet, en/of van dat
/die
geldbedrag
(en)
gebruik heeft
/hebben
gemaakt,


terwijl hij en
/of
zijn mededader
(s)
wist(en
), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat
dat
/die
geldbedrag
(en)
- onmiddellijk of middellijk -
geheel of gedeeltelijk
afkomstig was uit enig misdrijf;




en




hij
op één of meer verschillende tijdstippen
in
of omstreeks
de periode van 22 maart 2013 tot en met 30 mei 2013
in de gemeente(n) [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] en/of [gemeente] , althans
in Nederland,


tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,


- een
of meer
geldbedrag
en
van
in totaal ongeveer
172.040 euro


- een geldbedrag van 178.000 euro althans enig geldbedrag,


heeft
/hebben verworven,
voorhanden gehad,
overgedragen en/of omgezet, en/of van dat/die geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,


terwijl hij
en/of zijn mededader(s)
wist
(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat
dat dat
/die
geldbedrag
(en)
- onmiddellijk of middellijk -
geheel of gedeeltelijk
afkomstig was uit enig misdrijf.





4.




hij in of omstreeks de periode van 23 april 2013 tot en met 17 mei 2013 in de gemeente [gemeente] en/of [gemeente] , althans in Nederland,


tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,


een brief van [Bedrijf 6] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst,


immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk, immers in strijd met de waarheid, op briefpapier van [Bedrijf 6] , althans op papier gelijkend briefpapier van [Bedrijf 6] ,


- zakelijk weergegeven vermeld dat [Bedrijf 6] bevestigt dat een bedrag van 5.830.000 euro op de bankrekening van [benadeelde 1] is overgemaakt, althans dat een dergelijk bedrag ten gunste van [benadeelde 1] is gereserveerd, en/of


- de namen en functies van [naam 6] , [Functie 1] , en [naam 7] , [Functie 2] vermeld,


zulks (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;





en/of





hij
in of omstreeks
op 22 mei 2013
tot en met 11 juni 2013 te gemeente [gemeente] en/of [gemeente] , althans
te Nederland,


tezamen en in vereniging met een ander of anderen,


opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt
en/
of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,


namelijk een brief van [Bedrijf 6] als ware deze brief echt en onvervalst,


bestaande die valsheid hierin, dat in die brief valselijk, immers in strijd met de waarheid,


- zakelijk weergegeven was vermeld dat [Bedrijf 6] bevestigt dat een bedrag van 5.830.000 euro op de bankrekening van [benadeelde 1] is overgemaakt,
althans dat een dergelijk bedrag ten gunste van [benadeelde 1] is gereserveerd,
en
/of


- als ondertekenaars de namen en functies van [naam 6] , [Functie 1] , en [naam 7] , [Functie 2] waren vermeld,


en bestaande dat gebruiken hierin, dat


- verdachte
en/of zijn mededader(s)
deze brief naar [benadeelde 1] / [benadeelde 2] heeft
gemaild en/of


- deze brief hebben bezorgd/laten bezorgen aan de balie van het notariskantoor [Bedrijf 7] te [plaats]
.




Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.





Strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar, met uitzondering van het onder 3 bewezen verklaarde met betrekking tot het bedrag van € 172.040,- Dit bedrag is onmiddellijk verkregen uit eigen misdrijf en het enkele voorhanden hebben daarvan kan niet als witwassen worden gekwalificeerd.



Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

oplichting.




Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van witwassen.




Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.






Strafbaarheid van verdachte


Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.






Oplegging van straf en/of maatregel



Standpunt van het openbaar ministerie




De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.




Standpunt van de verdediging




De raadsman heeft het hof verzocht aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest in combinatie met een voorwaardelijk deel of een taakstraf. Daarbij moet rekening worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, de gezondheidstoestand van verdachte en het feit dat verdachte uit hoofde van een schikking een bedrag van € 250.000,- aan [Benadeelden] heeft betaald.




Oordeel van het hof




Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.



Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting. Op geraffineerde wijze heeft hij zodoende [Benadeelden] – door zijn in hoger beroep bewezen verklaarde handelen – voor een bedrag van € 178.000,- benadeeld. Verdachte heeft het ontvangen gelbedrag vervolgens samen met zijn mededader witgewassen. Verder heeft hij opzettelijk een vals of vervalst geschrift aan [Benadeelden] toegezonden met het kennelijke doel om haar (opnieuw) een verkeerde voorstelling van zaken te geven. Het betreft een samenstel van ernstige strafbare feiten, waaruit een beeld naar voren komt van een verdachte die uitsluitend geldelijk gewin voor ogen heeft gehad en daarbij niet heeft geschroomd het vertrouwen van [Benadeelden] – en meer in het algemeen het vertrouwen dat in het handelsverkeer uitgangspunt zou moeten zijn – ernstig te schaden. Het hof rekent het hem aan dat hij op geen enkel moment verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.



Het LOVS-oriëntatiepunt bij een benadelingsbedrag van € 125.000,- tot € 250.000,- is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen tot twaalf maanden.



Uit de justitiële documentatie van 20 april 2026 blijkt dat verdachte niet voor andere strafbare feiten is veroordeeld.



In het reclasseringsadvies van 16 mei 2025 staat onder meer het volgende over verdachte:



“De leefgebieden waren voor zijn aanhouding op orde. Hij was getrouwd, woonde in een koopwoning, had geen schulden en er was geen sprake van middelenproblematiek. Hij werkte 25 jaar voor hetzelfde bedrijf en kon bijna met pensioen. Ook beschikte hij over een steunend sociaal netwerk. Inmiddels verkeert betrokkene, volgens hemzelf, bijna tien jaar in onzekerheid. Financieel zegt hij niets meer te hebben en zegt hij onder het bijstandsniveau te leven. Ook is betrokkene ervan overtuigd dat zijn gezondheid onder het proces lijdt. Als positief zien wij dat er nog steeds geen sprake is van middelenproblematiek, er wel een inkomen is en hij nog steeds in een woning woont samen met zijn vrouw.



(…)



Aanvullend vertelt de heer [verdachte] dat in december 2023 twee herseninfarcten en een hartstilstand heeft gehad. Hij zegt dat hij vijftien minuten dood is geweest en is gereanimeerd. Daarna heeft hij een kleine maand in het ziekenhuis gelegen. Dagelijks neemt hij dertien verschillende (soorten) medicatie, wat vervolgens effect heeft op zijn nieren.”



Het hof heeft enerzijds kennisgenomen van de informatie over de gezondheidssituatie van verdachte en de negatieve invloed van de lange duur van het strafproces. Anderzijds constateert het hof dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd en gedurende het strafproces geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen. Daarnaast heeft verdachte weliswaar € 250.000,- betaald aan [Benadeelden] , maar moet worden opgemerkt dat dit bedrag nog niet de helft is van het totale bedrag van € 578.000,- dat [Benadeelden] is kwijtgeraakt.



Gelet op de ernst en de geraffineerdheid van de feiten, de rol die verdachte daarbij heeft vervuld en de hiervoor geschetste omstandigheden kan naar het oordeel van het hof – ondanks het tijdsverloop – niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In dit geval acht het hof een duur van negen maanden in beginsel passend en geboden.



Wel zal hof rekening houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Namens verdachte is op 31 juli 2019 hoger beroep ingesteld. Er heeft weliswaar aanvullend onderzoek door de raadsheer-commissaris plaatsgevonden, maar dat rechtvaardigt niet dat de inhoudelijke behandeling zo lang op zich heeft laten wachten. Tijdens de regiezitting van 17 augustus 2022 was de redelijke termijn al met meer dan een jaar overschreden. Op de datum van uitspraak van dit arrest bedraagt die overschrijding op een maand na vijf jaar.



Gelet op die overschrijding legt het hof aan verdachte op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.




Tenuitvoerlegging

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.





Wetsartikelen


De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 47, 57, 225, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.



Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.





BESLISSING


Het hof:



Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet in zoverre opnieuw recht:



Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 1, 2 subsidiair en 3 impliciet subsidiair tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.



Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.



Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.



Verklaart het onder 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.



Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.



Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Corthals, mr. A. van Maanen en mr. G. Dam, in aanwezigheid van de griffier mr. R.W.P. Soons en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 juni 2026.



Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 17 juni 2026.



Tegenwoordig:
mr. T. Bertens, voorzitter,
mr. A. Lodder, advocaat-generaal,
mr. S.J.H. Salvino, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.



Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.





Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Politie Eenheid Oost-Nederland, onderzoek 04FIN13002 KOEFUUT. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


Proces-verbaal van aangifte [naam 8] , p. 821-828.


Proces-verbaal verhoor [verdachte] , p. 1315-1316; Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] , p. 1137.


Met [Benadeelden] wordt hierna telkens bedoeld: [benadeelde 2] , [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] .


Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] , p. 1133 en p. 1136, proces-verbaal verhoor [verdachte] ,
p. 1314-4 en proces-verbaal verhoor [naam 1] , p. 1557, alsook schriftelijk bescheid m.b.t. tot de oprichting van [Bedrijf 1] , p. 1613.


Zie over de hiervoor beschreven gang van zaken ook het proces-verbaal verhoor getuige [benadeelde 2] , p. 1082-1088.


Schriftelijk stuk, zijnde een transactieoverzicht, p. 508.


Schriftelijk stuk, te weten een overzicht van geldstromen, p. 2042.


Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] , p. 1167 en proces-verbaal verhoor [verdachte] , p. 1431, waarbij de rechtbank aan laatstgenoemde verklaring waarde hecht voor zover die inhoudt dat 'een geldbedrag' is overhandigd.


Schriftelijke stukken, te weten een weergave van sms-verkeer van [medeverdachte 2] aan ' [naam 5] ', p. 158 en met name p. 161. Zie verder de verklaringen van getuigen [getuige 2] , p. 1483 en [getuige 3] , p. 1522, waarin gesproken wordt over een afspraak in een hotel.


Schriftelijk stuk, te weten een schematisch overzicht van de overboekingen en contante opnames van gedeelten van het door [Benadeelden] aan [Bedrijf 4] overgemaakte geldbedrag van € 400.000,- tussen 21 en 27 maart 2013, p. 2041-2042.


Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] , p. 1166-1169; proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] bij de r-c d.d. 28 mei 2015.


Proces-verbaal verhoor [getuige 2] , p. 1482-1484.


Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de r-c d.d. 26 mei 2015.


Schriftelijk stuk, te weten een weergave van een telefonisch bericht, p. 114.


Zie bijvoorbeeld onder voetnoot 22 voor contacten met [Benadeelden] binnen de ten laste gelegd periode. Ook na de ten laste gelegde periode bleef [verdachte] contacten met [Benadeelden] onderhouden, zie bijvoorbeeld onder voetnoten 27 t/m 29.


Opmerking verdient dat 'de [naam 4] ' gedurende het onderzoek niet konden worden getraceerd, hetgeen opmerkelijk kan worden genoemd. Nu echter niet kan worden uitgesloten dat [verdachte] en [medeverdachte 2] ervan uitgingen dat zij daadwerkelijk een lening van € 170.000.000,- konden verkrijgen, moet het ervoor worden gehouden dat zij tot 22 maart 2013 te goeder trouw handelden.


Schriftelijk stuk, te weten een overzicht van geldstromen, p. 2042, zie ook de door de officier van
justitie ter terechtzitting van 21 juni 2019 overgelegde bijlage 1 bij het requisitoir. Dat ook

[verdachte] hierbij betrokken was, volgt uit de verklaring van [getuige 3] , p. 1520-1, en daarbij gevoegde terhandstellingsovereenkomst, p. 1524-5.


Schriftelijke bescheiden, te weten weergaven van e-mailberichten van resp. 26 maart 2013,
met als bijlage een 'draft' van een zogenoemde Loan-Agreement tussen [Bedrijf 3] en [Bedrijf 1] , p. 959
en p. 952-958, alsook weergaven van sms-berichten, p. 1071-1076.


Schriftelijk stuk, te weten een koopovereenkomst m.b.t. aandelen [Bedrijf 1] , p. 1251-1264.


Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] , p. 1238.


Proces-verbaal van aangifte, p. 824, alsook de door [Benadeelden] opgestelde tijdlijn, p. 852.


Schriftelijke stukken, te weten weergaven van sms-berichten, p. 1075-1077.


Schriftelijk stuk, p. 962.


Schriftelijk stuk, p. 1581.


Schriftelijk stuk, p. 960.


Proces-verbaal van de terechtzitting van 21 juni 2019.


Schriftelijk stuk, zijnde een door [Benadeelden] opgestelde tijdlijn, p. 852. Zie voor de loan agreement p. 952-958.


Schriftelijk stuk, te weten de weergave van een e-mailbericht, p. 870.


Schriftelijk stuk, te weten de weergave van een sms-bericht, p. 1066.


Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] , p. 1237-1242.


Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] , p. 1238.


Schriftelijk stuk, te weten een overzicht van geldstromen, p. 2076. Zie ook de door de officier van
justitie ter terechtzitting van 21 juni 2019 overgelegde bijlage 2 bij het requisitoir.


Schriftelijke stukken, te weten rekeningafschriften van rekeningnummer [rekeningnummer 2] t.n.v. de heer [medeverdachte 1] h/o [Bedrijf 5] , p. 429 en 437.


Schriftelijk stuk, te weten een e-mail van [verdachte] aan [Benadeelden] , p. 865


Schriftelijk stuk, te weten de hier bedoelde brief, p. 1376.


Schriftelijk stuk, te weten een e-mailbericht van 30 mei 2013 van [Bedrijf 6] aan [naam 8] , p. 875.


Proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 21 juni 2019.