Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:3415
2026-05-27
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/1401 en 24/1402
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHARL:2026:3415 → ECLI:NL:RBGEL:2024:4050 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Immateriële schadevergoeding. Proceskostenvergoeding.
Citeert (6)
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2023:1526 Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2013:BZ6799 Hoge Raad 12-04-2013
- ECLI:NL:GHARL:2024:5335 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-08-2024
- ECLI:NL:HR:2025:46 Hoge Raad 17-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.327 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1401 en 24/1402
uitspraakdatum: 27 mei 2026
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van Tribuut (hierna: de heffingsambtenaar)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 2 juli 2024, nummers ARN 23/1307 en 23/1308, in het geding tussen de heffingsambtenaar en
[belanghebbende]
te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaken [adres 1] en [adres 2] , per waardepeildatum 1 januari 2021 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 299.000 en € 1.078.000. Tegelijk met deze beschikkingen zijn aanslagen onroerendezaakbelasting vastgesteld.
1.2.
Op de bezwaren van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de beschikkingen en de aanslagen gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is daartegen in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar veroordeeld in een vergoeding voor immateriële schade en een proceskostenvergoeding.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.
2Vaststaande feiten
2.1.
De heffingsambtenaar heeft op 17 maart 2022 bezwaarschriften van belanghebbende ontvangen tegen de onder 1.1 genoemde WOZ-beschikkingen.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft op 10 januari 2023 op beide bezwaren bij separate geschriften uitspraak op bezwaar gedaan en deze ongegrond verklaard.
2.3.
Belanghebbende is op 25 januari 2023 in één geschrift tegen beide uitspraken op bezwaar in beroep gekomen.
2.4.
Op 14 december 2023 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. De Rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en meegedeeld dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.
2.5.
De Rechtbank heeft op 2 juli 2024 uitspraak gedaan en de beroepen ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft verder onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.12.2, overwogen dat ambtshalve tot een vergoeding voor immateriële schade van € 500 moet worden overgegaan omdat de redelijke termijn ten tijde van de uitspraak van de Rechtbank met vier maanden is overschreden. Deze overschrijding heeft de Rechtbank aan de heffingsambtenaar toegerekend. In verband daarmee heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar ook veroordeeld in een proceskostenvergoeding. De proceskostenvergoeding is berekend op € 437,50, te weten 2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting), met een waarde per punt van € 875, en – onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2 – vermenigvuldigd met een wegingsfactor van 0,25.
2.6.
De heffingsambtenaar heeft hoger beroep aangetekend.
2.7.
In zijn verweerschrift concludeert belanghebbende dat de Rechtbank terecht een vergoeding voor immateriële schade heeft toegekend en het hoger beroep daarom ongegrond is. Voorts verzoekt belanghebbende het Hof om artikel 30a, lid 2, van de Wet WOZ buiten toepassing te laten omdat deze wetgeving tot onredelijk lage tegemoetkomingen in de proceskosten zou leiden.
3Geschil
3.1.
In geschil is de door de Rechtbank ambtshalve toegekende vergoeding voor immateriële schade en, in verband daarmee, de proceskostenvergoeding.
3.2.
De heffingsambtenaar stelt dat de Rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden door een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen zonder dat belanghebbende daarvoor een verzoek heeft gedaan. De toegekende vergoeding voor immateriële schade van € 500 en de daaruit voortvloeiende proceskostenvergoeding zijn daarom onjuist.
3.3.
Belanghebbende stelt dat de uitspraak van de Rechtbank juist is.
4Beoordeling van het geschil
4.1.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, onder meer het volgende beslist:
“3.13.2. Indien reeds vóór de sluiting van het onderzoek ter zitting door een rechtbank of hof sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, moet een op overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb gebaseerd verzoek om vergoeding van immateriële schade als regel uiterlijk op de zitting worden gedaan. Hetzelfde heeft te gelden indien de redelijke termijn nog niet is overschreden op het moment van de zitting maar wel zal zijn overschreden op het moment waarop de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak, bedoeld in artikel 8:66, lid 1, Awb, verstrijkt.
Voormelde regel lijdt uitzondering indien de rechtbank of het hof de wettelijke termijn voor het doen van uitspraak niet in acht heeft genomen en daardoor de redelijke termijn verder is overschreden dan ten tijde van de zitting kon worden voorzien. In dat geval kan de belanghebbende tot het tijdstip waarop die rechter uitspraak doet heropening van het onderzoek verlangen teneinde alsnog een beroep te doen op overschrijding van de redelijke termijn en een verzoek te doen tot vergoeding van daaruit voortvloeiende immateriële schade. Het verzoek hoeft dan niet beperkt te blijven tot immateriële schade die het gevolg is van het tijdsverloop na de zitting (vgl. HR 12 april 2013, nr. 12/01566, ECLI:NL:HR:2013:BZ6799, BNB 2013/134).
Indien echter de redelijke termijn eerst verstrijkt na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak, wordt geen verzoek om vergoeding van immateriële schade verlangd. In deze gevallen moet de rechtbank of het hof ambtshalve beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en zo nodig na heropening van het onderzoek ambtshalve een vergoeding van immateriële schade toekennen (vgl. ABRvS 10 februari 2010, 200902107/1/V6, ECLI:RVS:2010:BL3354).”
4.2.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende op 17 maart 2022 ontvangen. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase werd daarom overschreden op 17 maart 2024. Dat betekent dat ten tijde van het onderzoek ter zitting op 14 december 2023 nog geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn. Er was evenmin sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als de Rechtbank uitspraak zou hebben gedaan binnen de aangekondigde zes weken daarna, derhalve uiterlijk op 25 januari 2024. De redelijke termijn is in dit geval pas overschreden na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak. In dat geval dient de rechter ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden. De Rechtbank heeft naar het oordeel van het Hof terecht ambtshalve geconstateerd dat daarvan sprake was. Gesteld noch gebleken is dat de omvang van de schadevergoeding en/of de toerekening daarvan aan de heffingsambtenaar onjuist is, zodat het Hof tot de slotsom komt dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.
4.3.
Belanghebbende heeft in zijn verweerschrift gesteld dat de bepalingen van artikel 30a, lid 2, van de Wet WOZ onredelijk uitwerken. De heffingsambtenaar heeft zich in een reactie op het verweerschrift op het standpunt gesteld dat voor zover hierin een incidenteel hoger beroep ligt besloten, belanghebbende dat te laat heeft ingediend. Het Hof oordeelt als volgt. Nu de Rechtbank (terecht) geen toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, lid 2, Wet WOZ, kan een eventueel incidenteel hoger beroep hieromtrent niet slagen. In hoger beroep is artikel 30a, lid 2, Wet WOZ evenmin van toepassing. Dit wordt in onderdeel 5 besproken.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het hoger beroep ongegrond verklaart, zal van de heffingsambtenaar griffierecht worden geheven.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467 (1 punt verweerschrift in hoger beroep wegingsfactor 0,5 € 934). Het Hof merkt daarbij op dat artikel 30a, lid 2, van de Wet WOZ in dit verband niet van toepassing is, omdat belanghebbende zich succesvol heeft verweerd tegen een rechtsmiddel dat is ingesteld door het bestuursorgaan.
6Beslissing
Het Hof:
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 467,
– bepaalt dat als deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan van de heffingsambtenaar griffierecht ten bedrage van € 559 zal worden geheven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is op 27 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.H. Riethorst) (T. Tanghe)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, opgenomen als bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335
Zie Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, rechtsoverweging 3.5.3.
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1401 en 24/1402
uitspraakdatum: 27 mei 2026
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van Tribuut (hierna: de heffingsambtenaar)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 2 juli 2024, nummers ARN 23/1307 en 23/1308, in het geding tussen de heffingsambtenaar en
[belanghebbende]
te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaken [adres 1] en [adres 2] , per waardepeildatum 1 januari 2021 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 299.000 en € 1.078.000. Tegelijk met deze beschikkingen zijn aanslagen onroerendezaakbelasting vastgesteld.
1.2.
Op de bezwaren van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de beschikkingen en de aanslagen gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is daartegen in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar veroordeeld in een vergoeding voor immateriële schade en een proceskostenvergoeding.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.
2Vaststaande feiten
2.1.
De heffingsambtenaar heeft op 17 maart 2022 bezwaarschriften van belanghebbende ontvangen tegen de onder 1.1 genoemde WOZ-beschikkingen.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft op 10 januari 2023 op beide bezwaren bij separate geschriften uitspraak op bezwaar gedaan en deze ongegrond verklaard.
2.3.
Belanghebbende is op 25 januari 2023 in één geschrift tegen beide uitspraken op bezwaar in beroep gekomen.
2.4.
Op 14 december 2023 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. De Rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en meegedeeld dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.
2.5.
De Rechtbank heeft op 2 juli 2024 uitspraak gedaan en de beroepen ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft verder onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.12.2, overwogen dat ambtshalve tot een vergoeding voor immateriële schade van € 500 moet worden overgegaan omdat de redelijke termijn ten tijde van de uitspraak van de Rechtbank met vier maanden is overschreden. Deze overschrijding heeft de Rechtbank aan de heffingsambtenaar toegerekend. In verband daarmee heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar ook veroordeeld in een proceskostenvergoeding. De proceskostenvergoeding is berekend op € 437,50, te weten 2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting), met een waarde per punt van € 875, en – onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2 – vermenigvuldigd met een wegingsfactor van 0,25.
2.6.
De heffingsambtenaar heeft hoger beroep aangetekend.
2.7.
In zijn verweerschrift concludeert belanghebbende dat de Rechtbank terecht een vergoeding voor immateriële schade heeft toegekend en het hoger beroep daarom ongegrond is. Voorts verzoekt belanghebbende het Hof om artikel 30a, lid 2, van de Wet WOZ buiten toepassing te laten omdat deze wetgeving tot onredelijk lage tegemoetkomingen in de proceskosten zou leiden.
3Geschil
3.1.
In geschil is de door de Rechtbank ambtshalve toegekende vergoeding voor immateriële schade en, in verband daarmee, de proceskostenvergoeding.
3.2.
De heffingsambtenaar stelt dat de Rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden door een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen zonder dat belanghebbende daarvoor een verzoek heeft gedaan. De toegekende vergoeding voor immateriële schade van € 500 en de daaruit voortvloeiende proceskostenvergoeding zijn daarom onjuist.
3.3.
Belanghebbende stelt dat de uitspraak van de Rechtbank juist is.
4Beoordeling van het geschil
4.1.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, onder meer het volgende beslist:
“3.13.2. Indien reeds vóór de sluiting van het onderzoek ter zitting door een rechtbank of hof sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, moet een op overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb gebaseerd verzoek om vergoeding van immateriële schade als regel uiterlijk op de zitting worden gedaan. Hetzelfde heeft te gelden indien de redelijke termijn nog niet is overschreden op het moment van de zitting maar wel zal zijn overschreden op het moment waarop de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak, bedoeld in artikel 8:66, lid 1, Awb, verstrijkt.
Voormelde regel lijdt uitzondering indien de rechtbank of het hof de wettelijke termijn voor het doen van uitspraak niet in acht heeft genomen en daardoor de redelijke termijn verder is overschreden dan ten tijde van de zitting kon worden voorzien. In dat geval kan de belanghebbende tot het tijdstip waarop die rechter uitspraak doet heropening van het onderzoek verlangen teneinde alsnog een beroep te doen op overschrijding van de redelijke termijn en een verzoek te doen tot vergoeding van daaruit voortvloeiende immateriële schade. Het verzoek hoeft dan niet beperkt te blijven tot immateriële schade die het gevolg is van het tijdsverloop na de zitting (vgl. HR 12 april 2013, nr. 12/01566, ECLI:NL:HR:2013:BZ6799, BNB 2013/134).
Indien echter de redelijke termijn eerst verstrijkt na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak, wordt geen verzoek om vergoeding van immateriële schade verlangd. In deze gevallen moet de rechtbank of het hof ambtshalve beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en zo nodig na heropening van het onderzoek ambtshalve een vergoeding van immateriële schade toekennen (vgl. ABRvS 10 februari 2010, 200902107/1/V6, ECLI:RVS:2010:BL3354).”
4.2.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende op 17 maart 2022 ontvangen. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase werd daarom overschreden op 17 maart 2024. Dat betekent dat ten tijde van het onderzoek ter zitting op 14 december 2023 nog geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn. Er was evenmin sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als de Rechtbank uitspraak zou hebben gedaan binnen de aangekondigde zes weken daarna, derhalve uiterlijk op 25 januari 2024. De redelijke termijn is in dit geval pas overschreden na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak. In dat geval dient de rechter ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden. De Rechtbank heeft naar het oordeel van het Hof terecht ambtshalve geconstateerd dat daarvan sprake was. Gesteld noch gebleken is dat de omvang van de schadevergoeding en/of de toerekening daarvan aan de heffingsambtenaar onjuist is, zodat het Hof tot de slotsom komt dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.
4.3.
Belanghebbende heeft in zijn verweerschrift gesteld dat de bepalingen van artikel 30a, lid 2, van de Wet WOZ onredelijk uitwerken. De heffingsambtenaar heeft zich in een reactie op het verweerschrift op het standpunt gesteld dat voor zover hierin een incidenteel hoger beroep ligt besloten, belanghebbende dat te laat heeft ingediend. Het Hof oordeelt als volgt. Nu de Rechtbank (terecht) geen toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, lid 2, Wet WOZ, kan een eventueel incidenteel hoger beroep hieromtrent niet slagen. In hoger beroep is artikel 30a, lid 2, Wet WOZ evenmin van toepassing. Dit wordt in onderdeel 5 besproken.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het hoger beroep ongegrond verklaart, zal van de heffingsambtenaar griffierecht worden geheven.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467 (1 punt verweerschrift in hoger beroep wegingsfactor 0,5 € 934). Het Hof merkt daarbij op dat artikel 30a, lid 2, van de Wet WOZ in dit verband niet van toepassing is, omdat belanghebbende zich succesvol heeft verweerd tegen een rechtsmiddel dat is ingesteld door het bestuursorgaan.
6Beslissing
Het Hof:
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 467,
– bepaalt dat als deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan van de heffingsambtenaar griffierecht ten bedrage van € 559 zal worden geheven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is op 27 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.H. Riethorst) (T. Tanghe)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, opgenomen als bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335
Zie Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, rechtsoverweging 3.5.3.