Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:1631
2026-03-17
Civiel recht; Arbeidsrecht
200.363.867
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- tussenuitspraak ECLI:NL:GHARL:2026:1631 → ECLI:NL:GHARL:2026:1110
Inhoudsindicatie
Verzoek tot bevel dwangakkoord, artikel 287a Fw afgewezen. Vervolg op tussenarrest waarin verzocht is meer informatie te verstrekken. Aangeboden akkoord is gebaseerd op onjuiste gegevens. Schuldeisers konden in redelijkheid hun instemming met de schuldregeling onthouden; wsnp-traject biedt meer waarborgen dan een minnelijk traject. Vorderingen van de weigerachtige schuldeisers betreft bovendien een groot percentage.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHARL:2026:1110 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-02-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.865 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.363.867
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 600038
arrest van 17 maart 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. C.C.W. Plaat
tegen
1ASR Basis Ziektekostenverzekeringen N.V.
die is gevestigd in Amersfoort
hierna: ASR
2CE Credit Management Invest Fund 1 B.V.
die is gevestigd in Groningen
hierna: CE Credit
3 [geïntimeerde3]
die woont in [woonplaats]
hierna: [geïntimeerde3]
hierna gezamenlijk: de weigerachtige schuldeisers
1Het verdere verloop van de procedure bij het hof
1.1.
Op 24 februari 2026 heeft het hof in deze zaak een tussenarrest gewezen (hierna: het tussenarrest). Voor het verloop van de procedure tot 24 februari 2026 verwijst het hof naar dat tussenarrest.
1.2.
In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat het hof meer informatie nodig heeft voor de beantwoording van de vraag of de weigerachtige schuldeisers in redelijkheid tot weigering van hun instemming hebben kunnen komen en heeft daarom een nieuwe mondelinge behandeling bepaald. Het hof heeft in het dictum van het tussenarrest [appellant] de gelegenheid gegeven om voor de mondelinge behandeling de volgende bescheiden over te leggen:
een compleet, actueel en onderbouwd overzicht van de belastingschulden;
een compleet, actueel en onderbouwd overzicht van de CJIB-schulden;
een kopie van de schuldregelingsovereenkomst;
een actuele VTLB-berekening op basis van het laatst verdiende loon;
een overzicht van sollicitaties sinds het begin van het minnelijke traject.
1.3.
Het hof heeft na het tussenarrest kennisgenomen van de op 26 februari en 4 maart 2026 door [geïntimeerde3] toegestuurde stukken, het bericht van de schuldhulpverlener van 5 maart 2026 en het op 6 maart 2026 door mr. Plaat toegestuurde overzicht van sollicitaties van [appellant] .
1.4.
De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Bij die mondelinge behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Plaat. Verder is [geïntimeerde3] verschenen en namens CE Credit en ASR de heer [naam1] van de Landelijke Associatie Van Gerechtsdeurwaarders B.V. (LAVG). Ook is naar aanleiding van het tussenarrest namens de gemeente [gemeentenaam] verschenen mevrouw [naam2] (hierna: schuldhulpverlener) en haar collega mevrouw [naam3] (hierna: schuldregelaar).
1.5.
Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling heeft de schuldregelaar aangegeven dat zij op dat moment de schuldregelingsovereenkomst naar het hof heeft verzonden. Het hof heeft de schuldregelingsovereenkomst na de mondelinge behandeling ontvangen en daarvan kennisgenomen.
2De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep
2.1.
Uit de stukken die na het tussenarrest zijn overgelegd en hetgeen tijdens de voortgezette mondelinge behandeling is besproken volgt dat de schuldenlast van € 14.756,97 zoals vermeld in het verzoekschrift en in het aanbod aan de schuldeisers niet juist is. De schuldhulpverlener en schuldregelaar hebben verklaard dat de huidige schuld aan de Belastingdienst van € 1.655 vanwege een fout in het systeem onterecht niet is meegenomen in die totale schuldenlast, die dus € 16.411,97 bedraagt. Dat betekent dat in het aanbod niet is uitgegaan van de juiste omvang van de schulden. Uit het verzoek is ook niet kenbaar dat het aanbod van de schuldregeling ook aan de Belastingdienst is gedaan. Volgens de schuldhulpverlener en schuldregelaar zou de Belastingdienst wel bekend zijn met het aanbod, via een digitaal informatiesysteem, en wel akkoord zijn gegaan, omdat dit zo is afgesproken in een tussen de gemeente [gemeentenaam] en de Belastingdienst geldend convenant. De schuldregelaar heeft verder tijdens de voortgezette mondelinge behandeling verklaard dat de gemeente [gemeentenaam] het bedrag waarop de Belastingdienst op grond van de schuldregeling aanspraak kan maken zal betalen, zodat andere schuldeisers, die bij hun beoordeling van het aanbod niet bekend waren met de schuld aan de Belastingdienst, niet benadeeld worden.
2.2.
De gemeente heeft weliswaar verklaard dat zij betaling van het deel waar de Belastingdienst recht op heeft voor haar rekening neemt, maar dat neemt niet weg dat het aangeboden akkoord is gebaseerd op onjuiste gegevens. De schuldeisers aan wie het akkoord is aangeboden hebben aldus hun beslissing gebaseerd op een onjuiste voorstelling van zaken, zodat zij daarbij geen oordeel hebben kunnen vellen over bijvoorbeeld de aard en de daadwerkelijke hoogte van de schulden. Daar komt bij dat ook het verzoek en het beroepschrift van [appellant] er ten onrechte van uitgaan dat de Belastingdienst geen schuldeiser is, aan de Belastingdienst geen aanbod is gedaan en de Belastingdienst niet meedeelt in het saldo, zodat ook het hof op het verkeerde been is gezet met betrekking tot de aard en omvang van de schulden en het aanbod. Alleen naar aanleiding van informatieverzoeken van het hof is pas ter zitting, mondeling, een verklaring over het aanbod aan en de instemming van de Belastingdienst gegeven. Die gang van zaken staat in de weg aan toewijzing van het verzoek.
2.3.
Los daarvan is het hof van oordeel dat de weigerachtige schuldeisers in redelijkheid instemming met de schuldregeling hebben kunnen onthouden. Het hof stelt vast dat [appellant] goede wil toont en zich vasthoudend inspant om werk te vinden voor 36 uur om zo het maximaal haalbare voor de schuldeisers te sparen. Wat [appellant] heeft voorgelegd is echter een prognoseakkoord waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een saneringskrediet, zodat de schuldeisers afhankelijk zijn van de voortdurende inspanning van [appellant] om zijn werk te behouden en zijn werktijd uit te breiden tot 36 uur per week. Zoals ook door de weigerachtige schuldeisers is aangevoerd, ontbreken in de aangeboden schuldregeling de waarborgen die in een wsnp-traject wel zouden gelden, zoals toezicht op de inspanningsverplichting om zoveel mogelijk inkomsten te genereren voor de schuldeisers. De schuldhulpverlener heeft namelijk verklaard dat de gemeente [gemeentenaam] geen controle hanteert op de naleving van de maximale inspanningsverplichting. Ieder toezicht op het blijven werken en het zoeken naar werk voor 36 uur ontbreekt aldus, zodat het wsnp-traject meer waarborgen biedt voor de schuldeisers dan de aangeboden schuldregeling. Tegenover dat toezicht staan kosten, die echter ruimschoots kunnen worden goedgemaakt door het vinden van werk voor 36 uur.
2.4.
Verder is voor de beoordeling van belang dat de vorderingen van de weigerachtige schuldeisers een groot percentage (35% op het moment van het beroepschrift, met inachtneming van de schuld aan de Belastingdienst 32%) van de totale schuldenlast van [appellant] vertegenwoordigen. Anders dan [appellant] en de schuldhulpverlener stellen, merkt het hof ASR wel aan als een weigerachtige schuldeiser. ASR heeft aanvankelijk kenbaar gemaakt alleen in te stemmen met de schuldregeling als daaraan de voorwaarde wordt verbonden dat [appellant] de maandelijkse premies blijft doorbetalen. De schuldregelaar heeft destijds ASR bericht dat een akkoord onder voorwaarden als een weigering wordt gezien. ASR is daarop als weigerende schuldeiser gekwalificeerd en heeft zich ook (terecht) als zodanig opgesteld door zich te verweren in deze procedure. Daar komt bij dat naar het oordeel van het hof een schuldregeling zich niet leent voor instemming daarvan onder een voorwaarde die in de toekomst ligt. Het hof dient immers de schuldregeling te beoordelen zoals deze op dit moment voorligt.
Conclusie
2.5.
Het hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de weigerachtige schuldeisers in redelijkheid tot de weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen. Het hoger beroep slaagt niet. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
2.6.
Het hof merkt ten overvloede op dat [appellant] inmiddels een tijd heeft gewerkt en gespaard (en afgedragen onder loonbeslag), terwijl hij, naar de schuldregelaar en schuldhulpverlener hebben verklaard, zelfs al spaarde voordat hij een baan had, uit het vrij te laten bedrag. Dit kan bij een eventueel nieuw verzoek tot toelating tot de wsnp een rol spelen bij de beoordeling of sprake is van een alternatief aanvangsmoment.
2.7.
Het hof ziet geen aanleiding tot een kostenveroordeling van [appellant] .
3De beslissing
Het hof:
3.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 12 januari 2026;
Dit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, L. Janse en A.E. de Vos en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2025.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1110.
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.363.867
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 600038
arrest van 17 maart 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. C.C.W. Plaat
tegen
1ASR Basis Ziektekostenverzekeringen N.V.
die is gevestigd in Amersfoort
hierna: ASR
2CE Credit Management Invest Fund 1 B.V.
die is gevestigd in Groningen
hierna: CE Credit
3 [geïntimeerde3]
die woont in [woonplaats]
hierna: [geïntimeerde3]
hierna gezamenlijk: de weigerachtige schuldeisers
1Het verdere verloop van de procedure bij het hof
1.1.
Op 24 februari 2026 heeft het hof in deze zaak een tussenarrest gewezen (hierna: het tussenarrest). Voor het verloop van de procedure tot 24 februari 2026 verwijst het hof naar dat tussenarrest.
1.2.
In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat het hof meer informatie nodig heeft voor de beantwoording van de vraag of de weigerachtige schuldeisers in redelijkheid tot weigering van hun instemming hebben kunnen komen en heeft daarom een nieuwe mondelinge behandeling bepaald. Het hof heeft in het dictum van het tussenarrest [appellant] de gelegenheid gegeven om voor de mondelinge behandeling de volgende bescheiden over te leggen:
een compleet, actueel en onderbouwd overzicht van de belastingschulden;
een compleet, actueel en onderbouwd overzicht van de CJIB-schulden;
een kopie van de schuldregelingsovereenkomst;
een actuele VTLB-berekening op basis van het laatst verdiende loon;
een overzicht van sollicitaties sinds het begin van het minnelijke traject.
1.3.
Het hof heeft na het tussenarrest kennisgenomen van de op 26 februari en 4 maart 2026 door [geïntimeerde3] toegestuurde stukken, het bericht van de schuldhulpverlener van 5 maart 2026 en het op 6 maart 2026 door mr. Plaat toegestuurde overzicht van sollicitaties van [appellant] .
1.4.
De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Bij die mondelinge behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Plaat. Verder is [geïntimeerde3] verschenen en namens CE Credit en ASR de heer [naam1] van de Landelijke Associatie Van Gerechtsdeurwaarders B.V. (LAVG). Ook is naar aanleiding van het tussenarrest namens de gemeente [gemeentenaam] verschenen mevrouw [naam2] (hierna: schuldhulpverlener) en haar collega mevrouw [naam3] (hierna: schuldregelaar).
1.5.
Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling heeft de schuldregelaar aangegeven dat zij op dat moment de schuldregelingsovereenkomst naar het hof heeft verzonden. Het hof heeft de schuldregelingsovereenkomst na de mondelinge behandeling ontvangen en daarvan kennisgenomen.
2De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep
2.1.
Uit de stukken die na het tussenarrest zijn overgelegd en hetgeen tijdens de voortgezette mondelinge behandeling is besproken volgt dat de schuldenlast van € 14.756,97 zoals vermeld in het verzoekschrift en in het aanbod aan de schuldeisers niet juist is. De schuldhulpverlener en schuldregelaar hebben verklaard dat de huidige schuld aan de Belastingdienst van € 1.655 vanwege een fout in het systeem onterecht niet is meegenomen in die totale schuldenlast, die dus € 16.411,97 bedraagt. Dat betekent dat in het aanbod niet is uitgegaan van de juiste omvang van de schulden. Uit het verzoek is ook niet kenbaar dat het aanbod van de schuldregeling ook aan de Belastingdienst is gedaan. Volgens de schuldhulpverlener en schuldregelaar zou de Belastingdienst wel bekend zijn met het aanbod, via een digitaal informatiesysteem, en wel akkoord zijn gegaan, omdat dit zo is afgesproken in een tussen de gemeente [gemeentenaam] en de Belastingdienst geldend convenant. De schuldregelaar heeft verder tijdens de voortgezette mondelinge behandeling verklaard dat de gemeente [gemeentenaam] het bedrag waarop de Belastingdienst op grond van de schuldregeling aanspraak kan maken zal betalen, zodat andere schuldeisers, die bij hun beoordeling van het aanbod niet bekend waren met de schuld aan de Belastingdienst, niet benadeeld worden.
2.2.
De gemeente heeft weliswaar verklaard dat zij betaling van het deel waar de Belastingdienst recht op heeft voor haar rekening neemt, maar dat neemt niet weg dat het aangeboden akkoord is gebaseerd op onjuiste gegevens. De schuldeisers aan wie het akkoord is aangeboden hebben aldus hun beslissing gebaseerd op een onjuiste voorstelling van zaken, zodat zij daarbij geen oordeel hebben kunnen vellen over bijvoorbeeld de aard en de daadwerkelijke hoogte van de schulden. Daar komt bij dat ook het verzoek en het beroepschrift van [appellant] er ten onrechte van uitgaan dat de Belastingdienst geen schuldeiser is, aan de Belastingdienst geen aanbod is gedaan en de Belastingdienst niet meedeelt in het saldo, zodat ook het hof op het verkeerde been is gezet met betrekking tot de aard en omvang van de schulden en het aanbod. Alleen naar aanleiding van informatieverzoeken van het hof is pas ter zitting, mondeling, een verklaring over het aanbod aan en de instemming van de Belastingdienst gegeven. Die gang van zaken staat in de weg aan toewijzing van het verzoek.
2.3.
Los daarvan is het hof van oordeel dat de weigerachtige schuldeisers in redelijkheid instemming met de schuldregeling hebben kunnen onthouden. Het hof stelt vast dat [appellant] goede wil toont en zich vasthoudend inspant om werk te vinden voor 36 uur om zo het maximaal haalbare voor de schuldeisers te sparen. Wat [appellant] heeft voorgelegd is echter een prognoseakkoord waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een saneringskrediet, zodat de schuldeisers afhankelijk zijn van de voortdurende inspanning van [appellant] om zijn werk te behouden en zijn werktijd uit te breiden tot 36 uur per week. Zoals ook door de weigerachtige schuldeisers is aangevoerd, ontbreken in de aangeboden schuldregeling de waarborgen die in een wsnp-traject wel zouden gelden, zoals toezicht op de inspanningsverplichting om zoveel mogelijk inkomsten te genereren voor de schuldeisers. De schuldhulpverlener heeft namelijk verklaard dat de gemeente [gemeentenaam] geen controle hanteert op de naleving van de maximale inspanningsverplichting. Ieder toezicht op het blijven werken en het zoeken naar werk voor 36 uur ontbreekt aldus, zodat het wsnp-traject meer waarborgen biedt voor de schuldeisers dan de aangeboden schuldregeling. Tegenover dat toezicht staan kosten, die echter ruimschoots kunnen worden goedgemaakt door het vinden van werk voor 36 uur.
2.4.
Verder is voor de beoordeling van belang dat de vorderingen van de weigerachtige schuldeisers een groot percentage (35% op het moment van het beroepschrift, met inachtneming van de schuld aan de Belastingdienst 32%) van de totale schuldenlast van [appellant] vertegenwoordigen. Anders dan [appellant] en de schuldhulpverlener stellen, merkt het hof ASR wel aan als een weigerachtige schuldeiser. ASR heeft aanvankelijk kenbaar gemaakt alleen in te stemmen met de schuldregeling als daaraan de voorwaarde wordt verbonden dat [appellant] de maandelijkse premies blijft doorbetalen. De schuldregelaar heeft destijds ASR bericht dat een akkoord onder voorwaarden als een weigering wordt gezien. ASR is daarop als weigerende schuldeiser gekwalificeerd en heeft zich ook (terecht) als zodanig opgesteld door zich te verweren in deze procedure. Daar komt bij dat naar het oordeel van het hof een schuldregeling zich niet leent voor instemming daarvan onder een voorwaarde die in de toekomst ligt. Het hof dient immers de schuldregeling te beoordelen zoals deze op dit moment voorligt.
Conclusie
2.5.
Het hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de weigerachtige schuldeisers in redelijkheid tot de weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen. Het hoger beroep slaagt niet. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
2.6.
Het hof merkt ten overvloede op dat [appellant] inmiddels een tijd heeft gewerkt en gespaard (en afgedragen onder loonbeslag), terwijl hij, naar de schuldregelaar en schuldhulpverlener hebben verklaard, zelfs al spaarde voordat hij een baan had, uit het vrij te laten bedrag. Dit kan bij een eventueel nieuw verzoek tot toelating tot de wsnp een rol spelen bij de beoordeling of sprake is van een alternatief aanvangsmoment.
2.7.
Het hof ziet geen aanleiding tot een kostenveroordeling van [appellant] .
3De beslissing
Het hof:
3.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 12 januari 2026;
Dit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, L. Janse en A.E. de Vos en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2025.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1110.