Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2025:8505

2025-12-22 Strafrecht 21-004949-20
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2025-12-22
Publicatiedatum
2025-12-22
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
21-004949-20
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Onderzoek Mierleeuw. Opiumwet. Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank, met aanvulling en met uitzondering van de strafmaat. Redelijke termijn. Artikel 18 Grondwet. Gevangenisstraf van 12 maanden.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.835 tekens)
Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004949-20
Uitspraakdatum: 22 december 2025
TEGENSPRAAK



Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 9 december 2020 met parketnummer 18-930112-17 in de strafzaak tegen



[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1970 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
op dit moment vanwege een andere strafzaak verblijvende in [verblijfsplaats] .





Het hoger beroep


De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.





Onderzoek van de zaak


Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 11 november 2025 en 22 december 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.



Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de opgelegde straf, en tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.



Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.H.J. Bals, ter zitting in hoger beroep hebben aangevoerd.





Het vonnis waarvan beroep


De rechtbank heeft bij vonnis van 9 december 2020, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Ook heeft de rechtbank ten aanzien van de inbeslaggenomen BMW X5 en het geldbedrag gelast dat deze aan de rechthebbenden worden teruggegeven en ten aanzien van de inbeslaggenomen laptop dat deze aan verdachte wordt teruggegeven.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen behalve voor zover het betreft de strafoplegging. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Ook zal het hof de gronden van het vonnis aanvullen in verband met hetgeen zich ter terechtzitting in hoger beroep heeft voorgedaan. Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor het overige op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist.





Aanvullende overweging


Uit hetgeen de raadsman in hoger beroep heeft aangevoerd en de bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting van het hof heeft afgelegd, is het aan het hof gebleken dat inmiddels sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering.





Oplegging van straf


De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden. Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden, rekening houdend met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en met de overschrijding van de redelijke termijn in twee instanties. De raadsman heeft het hof verzocht verdachte een gevangenisstraf op te leggen van 4 maanden, gelet op de (beperkte) omvang van de rol van de verdachte in het geheel, zijn bekennende proceshouding, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, het gegeven dat de redelijke termijn is overschreden en het feit dat de VI-regeling in de tussentijd is veranderd.



Het hof overweegt als volgt. De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.



Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in zijn (bedrijfs)panden opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden verdovende middelen, te weten ongeveer 10 kilo MDMA, 10 liter (9,4 kilo) amfetamine en 78 kilo hennep. Verdachte handelde als ‘tussenstation’ voor transport van verdovende middelen, zowel harddrugs als softdrugs, waarbij hij de middelen opsloeg in zijn loods en kantoor en deze klaarmaakte voor verzending door deze te vacumeren en in dozen klaar te zetten, waarna de middelen op transport gingen. Verdachte kreeg daarvoor per kilo drugs betaald. Nadat verdachte in onderhavige zaak was opgepakt en in verzekering gesteld, is hij na zijn vrijlating vrijwel direct doorgegaan met zijn illegale bezigheden. Daarvoor is verdachte onherroepelijk veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf, die hij nu uitzit. Het hof rekent het verdachte aan dat hij zich bezig heeft gehouden met drugs in een georganiseerd verband en dat hij die activiteiten na zijn vrijlating vrijwel onmiddellijk heeft hervat. Het is algemeen bekend dat drugs allerlei criminaliteit in de hand werkt en dat het gebruik van verdovende middelen zeer verslavend werkt en schadelijk is voor de gezondheid. Verdachte heeft zich om deze negatieve maatschappelijke gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit eigen financieel gewin, omdat hij extra wilde verdienen naast zijn onderneming, terwijl hij overigens financieel geen problemen had.



Het hof heeft gelet op het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 oktober 2025, waaruit blijkt dat verdachte voorafgaand aan het plegen van de onderhavige feiten niet eerder onherroepelijk is veroordeeld. Verdachte is echter na het plegen van de onderhavige feiten wel onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten.



Het hof heeft ook gekeken naar de straffen die ter zake van het aanwezig hebben van (dit soort hoeveelheden) harddrugs en softdrugs plegen te worden opgelegd. In de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) wordt voor het in georganiseerd verband aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs tussen de 10 en 20 kilogram een gevangenisstraf van 40 maanden als uitgangspunt genomen en voor het aanwezig hebben van een hoeveelheid softdrugs vanaf 25 kilo een gevangenisstraf van 12 maanden.



Al het bovenstaande in overweging genomen hebbend, is voor het hof goed navolgbaar dat de rechtbank een gevangenisstraf van 36 maanden passend en geboden heeft geacht. Het hof ziet zich in hoger beroep echter voor de vraag gesteld of een dergelijke lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook nu nog de juiste bestraffing voor verdachte is. Verdachte heeft ‘schoon schip’ willen maken en heeft in het kader van een andere tegen hem lopende strafzaak procesafspraken gemaakt met het openbaar ministerie. Hij is na het maken van die procesafspraken veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 68 maanden. Verdachte zit die straf momenteel uit. Het hof zal daar in het kader van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening mee houden. Ook heeft verdachte in onderhavige zaak meer dan in eerste aanleg openheid van zaken gegeven. Verdachte heeft de hem ten laste gelegde feiten ter zitting volledig bekend en daar verantwoordelijkheid voor genomen. Hij heeft tot op zekere hoogte inzicht gegeven in zijn rol en functie in het geheel. Hoewel het hof het kwalijk vindt te moeten vaststellen dat verdachte zijn illegale activiteiten direct heeft hervat na zijn vrijlating, ziet het hof ook dat verdachte inmiddels inziet dat het criminele pad uiteindelijk tot niets leidt en dat zijn gezin de dupe is van zijn langdurige detentie. Het hof zal ook daar in strafmatigende zin rekening mee houden. Gelet op deze omstandigheden komt het hof uit op een gevangenisstraf zoals de advocaat-generaal in hoger beroep heeft gevorderd: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.



Het hof moet echter ook constateren dat de zaak erg lang heeft stilgelegen en dat daardoor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 17 van de Grondwet en artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is het hof niet gebleken. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg op 26 april 2017 is aangevangen. De rechtbank heeft op 9 december 2020 vonnis gewezen. De redelijke termijn is hiermee in eerste aanleg overschreden met een jaar en acht maanden. Verdachte heeft vervolgens op 15 december 2020 hoger beroep ingesteld. Tussen het moment van het instellen van hoger beroep en de uitspraak in hoger beroep op 22 december 2025 zijn bijna 5 jaren verstreken. Dit leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn van bijna 3 jaar in hoger beroep.



Het hof zal rekening houden met deze forse overschrijding en acht alles afwegend in dit specifieke geval een gevangenisstraf van 12 maanden passend en geboden. Het hof zal daar de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht op in mindering brengen.



Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.





Beslag


De rechtbank heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen BMW X5 en het geldbedrag gelast dat deze aan de rechthebbenden worden teruggegeven en ten aanzien van de inbeslaggenomen laptop dat deze aan verdachte wordt teruggegeven. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof op dezelfde wijze zal beslissen op het beslag als de rechtbank dat heeft gedaan. Ook de raadsman heeft verzocht de beslissing van de rechtbank op dit vlak te bevestigen.



Het hof overweegt als volgt. Blijkens de beslaglijst zijn onder verdachte een personenauto (merk BMW, type X5, kenteken [kenteken] ), een contant geldbedrag ad € 68.980,- en een laptop in beslag genomen. Uit de beslaglijst blijkt dat er zowel klassiek als conservatoir beslag ligt op de BMW en het geldbedrag. Op de laptop ligt enkel klassiek beslag. Artikel 353 lid 1 Sv verplicht de rechter een beslissing te nemen over alle voorwerpen waarop klassiek beslag ex artikel 94 Sv ligt en waarvan (nog) geen last tot teruggave is gegeven.



Ten aanzien van de BMW overweegt het hof het volgende. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat deze auto wel degelijk aan verdachte in eigendom toebehoort. Het hof neemt in dat kader allereerst in aanmerking dat tijdens de observatie van verdachte is gezien dat hij zelf in de auto reed. Daar komt bij dat het security logboek van verdachte erin lag, de correspondentie van de verzekering van de auto is gevoerd met het e-mailadres van het bedrijf van verdachte en hij de boetes die gereden zijn met een van de auto’s die erop werden ingeruild (9 stuks) ook allemaal zelf heeft betaald. Bovendien heeft medeverdachte [medeverdachte] het er in een afgeluisterd telefoongesprek twee dagen na aankoop van de BMW over dat ‘ [bijnaam] ’ een BMW heeft gekocht. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij ‘ [bijnaam] ’ is. Dat een van de ouders van verdachte de tenaamgestelde van de auto zou zijn, doet aan het voorgaande niet af, nu tenaamstelling van een auto niet hetzelfde is als het eigenaarschap ervan en uit bovengenoemde omstandigheden naar het oordeel van het hof genoegzaam blijkt dat de auto in eigendom aan verdachte toebehoort.




Beëindiging beslag ex art. 94 Sv en handhaving beslag ex art. 94a Sv

Het hof is van oordeel dat de in beslag genomen BMW formeel aan verdachte moet worden teruggegeven, nu het belang van strafvordering zich daar niet tegen verzet. Datzelfde geldt voor het geldbedrag ad € 68.980,-. Gelet op het op de auto en het geldbedrag rustende (strafvorderlijk) conservatoir beslag ex art. 94a Wetboek van Strafvordering, behelst de teruggave zoals in het dictum hierna wordt bevolen niet meer dan een formele teruggave ter beëindiging van enkel het strafvorderlijke beslag ex art 94 van het Wetboek van Strafvordering. De in beslag genomen laptop, waarop enkel klassiek beslag ligt, zal aan verdachte worden teruggegeven, nu het belang van strafvordering zich ook daartegen niet verzet.





Wetsartikelen


De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.



Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.







BESLISSING


Het hof:



Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.



Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.



Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.



Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:



BMW X5 (kenteken [kenteken] ).


Laptop.


Geldbedrag van € 68.980,-.





Stelt vast dat het conservatoire beslag ex art. 94a Sv nog op het geldbedrag van € 68.980,- en de BMW X5 (kenteken [kenteken] ) ligt.



Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.






Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Kwakman, mr. J. Dolfing en mr. P.S. Bakker, in aanwezigheid van de griffier mr. D. de Jong en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 december 2025.