Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2023:8153

2023-09-28 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.318.013
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2023-09-28
Publicatiedatum
2023-09-28
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.318.013
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vergoeding voor aanvangswerkzaamheden opvolgend bewindvoerder volgens artikel 3 lid 5 van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.767 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem



afdeling civiel recht



zaaknummer gerechtshof 200.318.013
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 9844556)




beschikking van 28 september 2023




inzake



de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid


[verzoekster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. W.B. Brusse te Almelo.




Als belanghebbende is aangemerkt:





[de rechthebbende]
,
wonende in [woonplaats1] ,
verder te noemen: de rechthebbende.






1De procedure bij de rechtbank


Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, bewindsbureau, locatie Utrecht) van 28 juli 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).






2De procedure bij het hof


Het hof heeft op 27 oktober 2022 het beroepschrift met producties ontvangen.






3De feiten


3.1
De goederen van de rechthebbende zijn onder bewind gesteld. [naam1] was bewindvoerder. [naam1] heeft de kantonrechter verzocht om haar, in verband met de beëindiging van haar bewindvoeringswerkzaamheden om gezondheidsredenen in combinatie met het naderen van haar pensioengerechtigde leeftijd, als bewindvoerder te ontslaan en [verzoekster] als zodanig in haar plaats te benoemen. Het betreft dus een ontslag en opvolging op eigen verzoek.



3.2
Bij beschikking van 14 februari 2022 heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang:
- [naam1] met ingang van 1 maart 2022 ontslagen als bewindvoerder;
- [verzoekster] met ingang van 1 maart 2022 benoemd tot opvolgend bewindvoerder;
- bepaald dat de huidige bewindvoerder een eindrekening en verantwoording dient op te stellen;
- bepaald dat de huidige bewindvoerder geen aanspraak kan maken op de beloning voor het opmaken van een eindrekening en verantwoording;
- bepaald dat de opvolgend bewindvoerder een boedelbeschrijving dient op te stellen;
- bepaald dat de opvolgend bewindvoerder geen aanspraak kan maken op een vergoeding
voor aanvangswerkzaamheden ten laste van rechthebbende (ook niet via bijzondere bijstand).



3.3
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] tot machtiging tot het in rekening brengen van 50% van de beloning voor de aanvangswerkzaamheden, afgewezen.






4De omvang van het geschil



[verzoekster] is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. [verzoekster] verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en alsnog [verzoekster] te machtigen om een beloning toe te kennen voor de aanvangswerkzaamheden gelijk aan 50% van het bedrag bepaald in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, te vermeerderen met de toepasselijke indexering van de beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, kosten rechtens.






5De motivering van de beslissing


5.1
In geschil is of in de situatie(s) dat een bewindvoerder op eigen verzoek wordt ontslagen, de opvolgend bewindvoerder aanspraak kan maken op een vergoeding voor aanvangskosten en zo ja, voor welk bedrag. De beslissing van de kantonrechter komt erop neer dat de opvolgend bewindvoerder deze vergoeding niet ontvangt.



5.2
In artikel 1:447 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de bewindvoerder aanspraak heeft op beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld. Per 1 januari 2015 geldt de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 4 november 2014, nr. 577811 (hierna: de Regeling).



5.3
Op grond van artikel 3 lid 1 van de Regeling stelt de kantonrechter die de bewindvoerder, bedoeld in artikel 1:435 lid 7 BW, benoemt, diens beloning vast overeenkomstig het bepaalde in het tweede tot en met vijfde lid. In artikel 3 lid 5 van de Regeling is bepaald dat de kantonrechter naast de jaarbeloning in voorkomende gevallen een beloning voor aanvangswerkzaamheden toekent.



5.4
Uit (de toelichting bij) de Regeling volgt dat uitgangspunt is dat de beloning voor de bewindvoering voor rekening komt van de rechthebbende. Indien de rechthebbende de kosten van de beloning zelf niet kan dragen, komen die kosten in aanmerking voor vergoeding uit de bijzondere bijstand. Voor het jaar 2022 bedraagt de in de Regeling neergelegde beloning voor aanvangswerkzaamheden € 586,-.



5.5

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 23 juni 2023 over de beloning voor aanvangswerkzaamheden als volgt geoordeeld.

“Uit de toelichting op de Regeling beloning blijkt (a) dat de regeling als bindend instrument is ingevoerd om de rechtsverscheidenheid terug te dringen die tot dan toe gold; (b) dat uitgangspunt van de regeling is dat de bewindvoerder adequaat wordt beloond voor de uitoefening van zijn taken; (c) dat aan de regeling een forfaitair systeem ten grondslag ligt, waarbij de beloning geldt als een gemiddelde, met als doel de administratieve afhandeling te vereenvoudigen en de regeldruk voor bewindvoerders en de rechterlijke macht te verminderen. (hof: de Hoge Raad verwijst in de hier opgenomen voetnoot 3 naar: Toelichting, Stcrt. 10 november 2014, nr. 32149, p. 6.)


Hieruit volgt dat ook een opvolgende bewindvoerder recht heeft op een adequate beloning voor aanvangswerkzaamheden die hij moet verrichten. Ook volgt hieruit dat bij de toekenning van die beloning en de bepaling van de hoogte daarvan rechtsverscheidenheid moet worden voorkomen, en dat is gekozen voor een forfaitair systeem omdat dit eenvoudig is te hanteren en leidt tot een gemiddeld genomen adequate beloning. Met deze uitgangspunten strookt, mede gezien de omstandigheid dat de wetgever geen onderscheid heeft gemaakt tussen aanvangswerkzaamheden die een bewindvoerder aan het begin van een bewind moet verrichten en aanvangswerkzaamheden die een opvolgende bewindvoerder tijdens dat bewind moet verrichten, dat ook de eerste werkzaamheden van een opvolgende bewindvoerder vallen onder de reikwijdte van het begrip ‘aanvangswerkzaamheden’ in art. 3 lid 5, onder a, Regeling beloning. Dit geldt ongeacht de reden van de opvolging van de voormalige bewindvoerder en ongeacht wie het ontslag heeft verzocht”.





5.6
Dit betekent dat [verzoekster] als opvolgend bewindvoerder aanspraak heeft op een (volledige) vergoeding voor aanvangswerkzaamheden volgens artikel 3 lid 5 van de Regeling. Het verzoek van [verzoekster] om een beloning van 50% van het bedrag zoals bepaald in de regeling kan worden toegewezen.






6De slotsom


6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.



6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren.






7De beslissing


Het hof, beschikkende in hoger beroep:



vernietigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, bewindsbureau, locatie Utrecht) van 28 juli 2022, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:



bepaalt dat de opvolgend bewindvoerder aanspraak kan maken op een beloning voor aanvangswerkzaamheden van € 293,- (50% van € 586,-);



verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.





Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en
E. de Boer, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 28 september 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.





Hoge Raad 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:964 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2023:964)