Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2017:2337

2017-03-21 Civiel recht 200.187.713
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2017-03-21
Publicatiedatum
2017-03-21
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.187.713
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NJFCZ 2026/321

Inhoudsindicatie

705 Rv, 430 Rv, beslag, opheffing. De voorzieningenrechter heeft vorderingen van beslagenen tot opheffing van de beslagen deels toegewezen. In hoger beroep wordt de vordering tot volledige opheffing gehandhaafd. Het hof overweegt dat een executoriale titel ter zake van vorderingen waarvan de omvang nog niet vaststaat een veroordeling is tot schade op te maken bij staat. Dat betekent in feite dat het executoriale beslag conservatoir werkt. Voor de vraag of het beslag (deels) moet worden opgeheven hanteert het hof dezelfde criteria als voor opheffing van een conservatoir beslag. Het hof wijst een groter deel van de vorderingen toe.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (39.337 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem



afdeling civiel recht, handel



zaaknummer gerechtshof 200.187.713
(zaaknummer rechtbank Gelderland 296623)




arrest in kort geding van 21 maart 2017




in de zaak van






1 [beslagene1] ,
wonende te [woonplaats1] , en
2. [beslagene2] ,

wonende te [woonplaats2] ,
appellanten,
in eerste aanleg: eisers,
hierna: [beslagene1] respectievelijk [beslagene2] ,
advocaat: mr. H. Eijer,



tegen


1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid



[X] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats1] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid



[Y] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats1] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid



[Z] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats2] ,
geïntimeerden,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna gezamenlijk: [beslaglegger] ,
advocaat: mr. M.L. de Vries Lentsch.







1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep


Bij arrest van 19 juli 2016 heeft het hof het door [beslaglegger] opgeworpen incident tot voeging ex artikel 222 Rv juncto 353 Rv met de procedure met zaaknummer 200.187.646 afgewezen, [beslaglegger] in de kosten van het incident veroordeeld en de hoofdzaak verwezen voor beraad als bedoeld in artikel 2.24 van het (toen geldende) Landelijk Procesreglement. Nadat het beraad van partijen had plaatsgevonden heeft het hof arrest bepaald.





2De feiten


Het hof gaat uit van de feiten die de rechter in het vonnis in kort geding van 11 februari 2016, aangevuld bij vonnis van 22 februari 2016, onder 2.1 tot en met 2.6 heeft vastgesteld.






3De motivering van de beslissing in hoger beroep


3.1
Deze zaak gaat kort gezegd over het volgende. Bij het (in kracht van gewijsde gegaan) arrest van 22 december 2015 heeft dit hof voor recht verklaard dat [beslagene1] en [beslagene2] (en een aantal anderen) jegens [beslaglegger] toerekenbaar tekort zijn geschoten of onrechtmatig hebben gehandeld door informatie van [beslaglegger] te sturen of mee te nemen naar (hun latere werkgever) [latere werkgever] (hierna: [latere werkgever] ) om deze te gebruiken bij de uitoefening van werkzaamheden voor [latere werkgever] , dan wel dat te gedogen, en aldus onrechtmatig met [beslaglegger] te concurreren. Voorts heeft het hof voor recht verklaard dat [latere werkgever] jegens [beslaglegger] onrechtmatig heeft gehandeld door onrechtmatig verkregen informatie van [beslaglegger] te gebruiken bij de uitoefening van haar werkzaamheden, en aldus onrechtmatig met [beslaglegger] te concurreren. Het hof heeft [latere werkgever] , [beslagene1] en [beslagene2] (en een aantal anderen) veroordeeld tot schadevergoeding, op te maken bij staat.



3.2

[beslaglegger] heeft vervolgens op 20 januari 2016 een verzoek gedaan tot het verlenen van verlof voor het leggen van conservatoir beslag. Op 21 januari 2016 heeft de voorzieningenrechter verlof verleend voor het leggen van beslagen op zaken en vorderingen van [latere werkgever] en (onder meer) [beslagene1] en [beslagene2] . De beslagenen hebben in het onderhavige kort geding opheffing van de beslagen gevorderd. De voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft die vordering in het bestreden vonnis toegewezen ten aanzien van [latere werkgever] , maar afgewezen ten aanzien van (onder meer) [beslagene1] en [beslagene2] .



3.3
In het onderhavige hoger beroep hebben [beslagene1] en [beslagene2] de afwijzing van hun vordering tot opheffing van de ten laste van hen gelegde beslagen met twee grieven bestreden en handhaven zij de vordering tot opheffing. [beslaglegger] heeft zich tegen de grieven in haar memorie van antwoord verweerd. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.



3.4


[beslaglegger] stelt door het handelen van onder meer [beslagene1] en [beslagene2] schade te hebben geleden, en begroot deze schade op € 10.468.635: € 9.390.334 aan gederfde winst, € 896.000 aan gestolen knowhow en € 182.301 aan kosten voor de vaststelling van de schade (€ 97.301 voor het Hoffman-rapport en € 85.000 voor een te benoemen deskundige). Als gevolg van de hoofdelijke veroordeling kon [beslaglegger] bij alle partijen voor haar gehele vordering (althans ten aanzien van [beslagene2] en nog twee anderen voor ¼ deel van de vordering) beslag leggen.
Het door [beslaglegger] gelegde beslag heeft ten aanzien van de tegoeden van [beslagene1] en [beslagene2] doel getroffen voor respectievelijk € 1.146.289 en € 17.135 en ten aanzien van een andere beslagene nog voor een bedrag van € 67.484, in totaal: € 1.236.570. De executiewaarde van de beslagen onroerende zaken van [beslagene1] bedraagt naar verwachting € 1.056.000. De executiewaarde van de beslagen woning van [beslagene2] (en van een andere beslagene) schat [beslaglegger] op nihil, terwijl naar verwachting de executiewaarde van de beslagen onroerende zaken van een overige beslagene € 33.000 bedraagt. De totale executiewaarde bedraagt derhalve € 1.089.000. In totaal hebben de beslagen een bedrag van € 2.325.570 getroffen. Volgens [beslaglegger] bedraagt de maximale betalingsverplichting € 11.845.499.




3.5

[beslagene1] en [beslagene2] stellen dat de vordering van [beslaglegger] ondeugdelijk is, althans onnodig hoog is "opgeklopt". Volgens [beslagene1] en [beslagene2] heeft [beslaglegger] de gevorderde gederfde winst niet aannemelijk gemaakt, zijn de kosten van de deskundige niet aannemelijk, zijn de kosten van de knowhow niet als schade te beschouwen en zijn ook de kosten van het Hofmann-rapport onredelijk. Er blijft volgens [beslagene1] en [beslagene2] dus geen vordering over waarvoor het beslagverlof gerechtvaardigd is. Bovendien heeft [beslaglegger] niet onderbouwd waarom naast het beslag onder [latere werkgever] en [beslagene1] voor ruim € 11 miljoen, zij ook nog onder [beslagene2] en twee anderen beslag heeft gelegd voor elk ruim € 3 miljoen.



3.6
Door op vrijwel alle vermogensbestanddelen van [beslagene1] beslag te leggen wordt hem een ernstig nadeel berokkend. De belangen van [beslagene1] om het beslag op te heffen kunnen als volgt worden samengevat:
a. a) [beslagene1] heeft op 3 juli 2015 voor een aanneemsom van € 146.622 opdracht gegeven zijn woning te verbouwen. De bouw is gestart en de aanneemsom dient in vijf termijnen te worden betaald, omdat anders de bouw wordt stilgelegd. Ook is [beslagene1] betalingen verschuldigd aan toeleveranciers in verband met de verbouwing.
b) [beslagene1] dient zijn belastingen te betalen. Voor de aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekering over 2014 is vier maanden uitstel verleend.
c) [beslagene1] dient eind 2016 de aandelen gehouden in [latere werkgever] over te nemen van de alsdan terugtredende mededirecteur en medeaandeelhouder [naam] B.V. Het door [beslagene1] gespaarde bedrag voor deze aankoop is beslagen.
d) [beslagene1] is (mede)eigenaar van tien registergoederen. Op grond van de richtlijn van de belastingdienst "Waardering van verpachte gronden in box 3, Belastingjaar 2015" geldt een normwaarde per hectare van de door [beslaglegger] beslagen gronden van € 42.000. Met de veertig beslagen hectare heeft het beslag voor een bedrag van € 1,6 miljoen doel getroffen. [beslagene1] wil enkele van deze gronden verpachten maar wordt door het beslag daardoor gehinderd. Hierdoor mist hij inkomsten. Door de gronden niet te kunnen verpachten, zal [beslagene1] zelf de gronden moeten onderhouden. Door de gelegde beslagen is hij hiertoe niet in staat, waardoor de gronden zullen verwaarlozen en minder waard zullen worden.
e) Door de beslagen op de bancaire tegoeden voor een bedrag van in totaal ruim € 1,1 miljoen kan [beslagene1] in financiële zin niets meer.
f) De WOZ-waarde van de woning, die thans ingrijpend wordt verbouwd, bedraagt
€ 823.000. Op de woning rust geen hypotheek. Voor zover wel een beslag gerechtvaardigd zou zijn dan stelt [beslagene1] dat het beslag op zijn woning voldoende zekerheid vormt voor de vordering van [beslaglegger] .
g) De overige registergoederen betreffen gronden die al decennia lang in familiebezit zijn, zodat [beslagene1] geen voornemen heeft deze te verkopen. Slechts één stuk grond dat hij samen met zijn broer en zusters in gezamenlijk eigendom heeft staat te koop. Door de beslagen worden ook zijn broer en zusters beperkt in de verkoop.



3.7
De belangen van [beslagene2] om het beslag op te heffen kunnen als volgt worden samengevat:
a. a) Het rieten dak van de woning van [beslagene2] is aan onderhoud en vervanging toe. Door het beslag op zijn bankrekening is hij niet in staat deze noodzakelijk werkzaamheden te laten verrichten. Zeker nu aannemelijk is dat de schadestaatprocedure vele jaren in beslag zal gaan nemen.
b) Doordat de zoon van [beslagene2] de auto van [beslagene2] total loss heeft gereden beschikt [beslagene2] niet meer over een auto. De auto was slechts WA verzekerd. [beslagene2] heeft het geld van zijn beslagen tegoed nodig om een andere auto te kunnen aanschaffen.
c) Nu verlof is verleend om voor een bedrag van ruim € 3 miljoen beslag te leggen en het beslag voor een bedrag van € 17.135 doel heeft getroffen, is geen financier meer bereid om met [beslagene2] een geldlening aan te gaan.
d) De WOZ-waarde van de woning bedraagt € 341.000. De hoogte van de op de woning rustende hypotheek is € 145.000, zodat er sprake is van een overwaarde van € 196.000. [beslagene2] heeft geen voornemen de woning te verkopen. Door de beoogde verbeteringen van het huis zullen de verhaalsmogelijkheden eerder toenemen dan afnemen.
e) De psychische druk van het beslag is voor het gezin van [beslagene2] groot. Voor de noodzakelijke uitgaven moet [beslagene2] het spaargeld van zijn kinderen aanspreken.



3.8
Volgens [beslagene1] en [beslagene2] is de vordering van [beslaglegger] ondeugdelijk, zodat het belang voor [beslaglegger] ontbreekt of in ieder geval slechts geldt voor een lager bedrag. [beslagene1] en [beslagene2] hebben ieder een groot belang bij opheffing van de beslagen. Door de hoogte van de in het beslagverlof opgenomen vorderingen (ruim € 11 miljoen ten aanzien van [beslagene1] en ruim € 3 miljoen ten aanzien van [beslagene2] ) is het voor [beslagene1] en [beslagene2] onmogelijk om nog financiering te krijgen. Doordat alles is beslagen zijn zij ook niet in staat om vervangende zekerheden te kunnen aanbieden. [beslagene1] en [beslagene2] stellen dat het belang van [beslaglegger] er vooral op is gericht om druk uit te oefenen om in de onderhandelingen met [latere werkgever] een betere positie te verkrijgen. Dit lijkt bevestigd doordat [beslaglegger] nagenoeg geen actie heeft ondernomen ter benoeming van een deskundige om de hoogte van haar schade vast te stellen, waardoor het twijfelachtig is of [beslaglegger] wel een schadestaatprocedure zal gaan voeren, aldus [beslagene1] en [beslagene2] . Ondanks dat [beslaglegger] al zeven jaar procedures voert tegen [beslagene1] en [beslagene2] , hebben zij – voordat de beslagen zijn gelegd - geen verhaalsmogelijkheden vervreemd.



3.9

[beslaglegger] voert als primair verweer aan dat de door haar gelegde beslagen inmiddels executoriaal zijn en er om die reden geen ruimte is voor opheffing op grond van artikel 705 lid 2 Rv. Onder verwijzing naar artikel 704 lid 1 Rv is het door haar gelegde conservatoir beslag overgegaan in een executoriaal beslag. Aan alle vereisten van artikel 704 lid 1 Rv is voldaan, nu [beslaglegger] met het arrest van 22 december 2015 beschikt over een executoriale titel, dit arrest ingevolge artikel 430 lid 1 Rv voor tenuitvoerlegging vatbaar is en het arrest op 20 januari 2016 aan [beslagene1] en [beslagene2] en op 28 april 2016 aan de banken is betekend. Volgens [beslaglegger] staat, onder verwijzing naar literatuur, hieraan niet in de weg dat in het arrest is bepaald dat de schade nog nader opgemaakt moet worden bij staat en in het arrest nog geen bepaald bedrag aan schadevergoeding is opgenomen. Opheffing van een executoriaal beslag kan slechts geschieden door middel van een executiegeschil op grond van artikel 438 Rv. Dit heeft slechts kans van slagen indien [beslaglegger] misbruik van bevoegdheid maakt, nu [beslagene1] en [beslagene2] nog niet aan het arrest hebben voldaan. Volgens [beslaglegger] is van misbruik van bevoegdheid geen sprake. Het arrest van 22 december 2015 is inmiddels in kracht van gewijsde gegaan, zodat daarmee vast staat dat het arrest niet berust op een juridische of feitelijke misslag. Ook hebben zich na het arrest geen feiten voorgedaan waardoor [beslagene1] en [beslagene2] als gevolg van het beslag in een noodtoestand terecht zijn gekomen, waardoor onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Dit is niet het geval, de beslagen brengen hooguit enig ongemak voor [beslagene1] en [beslagene2] met zich.



3.10
Het hof stelt het volgende voorop. Een grosse van een einduitspraak levert een executoriale titel op, zodat deze ingevolge artikel 430 lid 1 Rv kan worden geëxecuteerd, hetgeen mede omvat de mogelijkheid van executie door executoriaal beslag. Dat de uitspraak nog geen bepaald bedrag aan schadevergoeding aangeeft, staat hieraan in beginsel niet in de weg. Voldoende is dat de vordering bepaalbaar is. Het is niet nodig dat de vordering reeds is bepaald. Voor executoriaal beslag op roerende of onroerende zaken geldt dat het beslag niet verder vervolgd kan worden, dan wel niet tot executoriale verkoop kan worden overgegaan, zolang de vordering nog niet vereffend is (artikel 441 lid 2 Rv respectievelijk artikel 504a lid 2 Rv). Een dergelijk beslag heeft tot aan de vereffening slechts een bewarende strekking; het blijft wel liggen, maar verdere executiehandelingen zijn niet mogelijk. Een executoriale titel terzake van vorderingen waarvan de omvang nog niet vaststaat is een veroordeling tot schade op te maken bij staat. Een dergelijke vordering is immers nog niet vereffend. Dat betekent in feite dat het executoriale beslag conservatoir werkt. Voor de vraag of het beslag (deels) moet worden opgeheven zal het hof dezelfde criteria als voor opheffing van een conservatoir beslag hanteren.



3.11

Subsidiair voert [beslaglegger] aan dat haar belang tot handhaving van het beslag zwaarder weegt dan dat van [beslagene1] en [beslagene2] tot opheffing.

[beslaglegger] voert aan dat [beslagene1] en [beslagene2] door het hof zijn veroordeeld tot vergoeding van de schade van [beslaglegger] als gevolg van het onrechtmatig handelen van, onder meer, [beslagene1] en [beslagene2] . Hiermee staat de rechtsvordering op [beslagene1] en [beslagene2] vast en is er geen sprake van een ondeugdelijke vordering. [beslaglegger] verwacht in de schadestaatprocedure, gelet op de door het hof in zijn arrest van 22 december 2015 toegewezen 843a-vordering, aan te kunnen tonen dat de vordering waarvoor beslag is gelegd overeenkomt met de daadwerkelijk door haar geleden schade. [beslaglegger] heeft bovendien een zwaarwegend belang bij handhaving van het beslag omdat zij gegronde vrees heeft dat [beslagene1] en [beslagene2] vermogensbestanddelen zullen vervreemden of bezwaren. Deze vrees is acuut nu [beslagene1] één van zijn onroerende zaken wil verkopen en andere onroerende zaken wil verpachten.




3.12

[beslaglegger] betoogt dat de wijze waarop zij de hoogte van de schade heeft geschat redelijk is. Zij heeft in het beslagrekest dezelfde berekening ten grondslag gelegd als in haar memorie van grieven in de hoofdprocedure op grond waarvan het arrest van 22 december 2015 is gewezen. [beslaglegger] heeft in de memorie van antwoord uitvoerig beschreven welke stappen zij wil nemen in de nog te starten schadestaatprocedure om de hoogte van haar schadevordering te onderbouwen. Voorts spreekt [beslaglegger] de verwachting uit dat zij kan aantonen dat zij de door haar gevorderde schade als gevolg van gederfde winst en de gestolen informatie, heeft geleden. Volgens [beslaglegger] vergt dit echter nog een uitgebreid feitelijk onderzoek zodat in het kader van onderhavige opheffingskortgeding-procedure niet summierlijk kan worden aangenomen dat de vordering (deels) ondeugdelijk is omdat zij de door haar gestelde schade niet zou hebben geleden. De kosten van het Hoffmann-rapport acht [beslaglegger] niet onredelijk en ook de schatting van de kosten van de deskundige om data te onderzoeken is juist conservatief te noemen.



3.13

Volgens [beslaglegger] wegen haar belangen zwaarder dan de belangen van [beslagene1] en [beslagene2] tot opheffing. De door het beslag geraakte goederen bieden onvoldoende verhaal voor haar vordering. Gelet op de onrechtmatige gedragingen van [beslagene1] en [beslagene2] , zoals vastgesteld in het arrest van 22 december 2015, vreest [beslaglegger] dat zij er ook alles aan zullen doen om het verhaal van [beslaglegger] te frustreren door het bezwaren of onderbrengen bij derden van de onroerende zaken en de gelden waar het beslag op betrekking heeft. Uit het feit dat [beslagene1] en [beslagene2] niet met [beslaglegger] hebben willen spreken over het stellen van vervangende zekerheid leidt [beslaglegger] af dat zij er kennelijk op zijn gebrand om haar achter te laten zonder voldoende zekerheid voor haar vordering. Ook de kans dat [beslagene1] en [beslagene2] nog andere schuldeisers hebben of zullen krijgen wijst op de noodzaak om de verhaalsmogelijkheden van [beslaglegger] te handhaven, temeer nu het waarschijnlijk lange tijd zal duren voordat in kracht van gewijsde vaststaat welk bedrag aan schadevergoeding [beslagene1] en [beslagene2] aan [beslaglegger] moeten betalen.

[beslaglegger] betwist dat de beslagen veertig hectare grond een waarde van € 1,6 miljoen vertegenwoordigen. Volgens haar is geen rekening gehouden met de afslag indien de gronden geëxecuteerd moeten worden en is de opbrengst aanzienlijk lager. [beslaglegger] vermoedt dat de gronden hooguit ruim € 1 miljoen zouden kunnen opbrengen.
Voorts staat volgens [beslaglegger] niet vast dat er geen hypotheek op het huis van [beslagene1] is gevestigd, nu uit de overgelegde productie slechts volgt dat [beslagene1] in 2006 een hypotheek heeft afgelost, maar niet dat deze betrekking heeft op de beslagen woning. Ook is de executiewaarde minder dan [beslagene1] stelt, nu [beslagene1] , blijkens het kadaster, slechts de helft van de woning in eigendom heeft. Ook [beslagene2] bezit slechts de helft van het eigendom van het beslagen woonhuis. Ten aanzien van de woonhuizen van de andere twee beslagenen geldt volgens [beslaglegger] dat de executiewaarde vermoedelijk respectievelijk nihil en hooguit € 33.000 bedraagt.




3.14


[beslaglegger] betwist dat de door [beslagene1] en [beslagene2] genoemde belangen opheffing van het beslag zouden kunnen rechtvaardigen.
Samengevat voert [beslaglegger] ten aanzien van [beslagene1] aan dat:

a. a) niet valt in te zien waarom met de verbouwing van het woonhuis niet langer gewacht kan worden;
b) er openstaande termijnen zouden zijn ter zake van de verbouwing;
c) er in het kader van de verbouwing nog andere openstaande facturen zouden zijn dan wel dat deze niet kunnen worden betaald nu de salarisbetaling van [latere werkgever] aan [beslagene1] over de maanden januari tot en met april 2016 niet onder het beslag vallen, er ook geen beslag is gelegd onder de mede-eigenaar van de woning en [beslagene1] mogelijk met andere middelen, zoals leningen van derden, de facturen kan voldoen;
d) hetgeen onder c is aangevoerd ook geldt voor het kunnen voldoen van de belastingschuld;
e) uit de overgelegde aandeelhoudersovereenkomst niet volgt dat [beslagene1] verplicht is om eind 2016 de aandelen van [naam] B.V. over te nemen. Voor zover dit wel het geval is, is [beslaglegger] bereid deze overname de faciliteren zoals onder randnummer 92 van de memorie van antwoord weergegeven;
f) uit de overgelegde brief van de notaris blijkt dat voor verpachting van de gronden de toestemming van [beslaglegger] nodig is en zij bereid is om met [beslagene1] in overleg te treden om tot een oplossing te komen;
g) uit het kadaster blijkt dat [beslagene1] geen van zijn gronden heeft verpacht, zodat de noodzaak tot verpachting om redenen van onderhoud wordt betwist;
h) het belang van de broer en zussen van [beslagene1] om het met [beslagene1] in gemeenschappelijk eigendom toebehorende registergoed te verkopen, geen belang van [beslagene1] zelf is en overigens [beslaglegger] bereid is om onder voorwaarden genoemd onder randnummer 97 van de memorie van antwoord, het beslag op dit registergoed op te heffen.
Ten aanzien van [beslagene2] voert [beslaglegger] samengevat aan dat:
a. a) ook [beslagene2] van [latere werkgever] maandsalarissen heeft ontvangen die niet door het beslag zijn getroffen en die kunnen worden aangewend voor de kosten van het vervangen van het rieten dak;
b) dit ook geldt voor het kunnen aanschaffen van een nieuwe auto, nog daargelaten dat het hebben van een auto geen noodzaak is.

[beslaglegger] voert tenslotte aan dat niet duidelijk is welke noodzaak er bestaat voor [beslagene1] en [beslagene2] om nieuwe leningen af te sluiten en dat zij op grond van hun salarisbetalingen, die niet door het beslag zijn getroffen, aan hun verplichtingen moeten kunnen voldoen. Volgens [beslaglegger] is ook een gedeeltelijke opheffing van het beslag disproportioneel gelet op haar belang tot het veiligstellen van haar verhaalsmogelijkheden. Bovendien heeft [beslaglegger] , ook reeds uitvoerig in eerste aanleg, aangegeven open te staan voor (gedeeltelijke) opheffing tegen nader overeen te komen voorwaarden.



3.15
Het hof oordeelt als volgt. Vaststaat dat het arrest van 22 december 2015 inmiddels kracht van gewijsde heeft. In dit arrest heeft het hof, onder meer, [beslagene1] en [beslagene2] veroordeeld tot vergoeding van de schade die [beslaglegger] heeft geleden door het tekortschieten/onrechtmatig handelen, op te maken bij staat. Met betrekking tot de door [beslaglegger] gevorderde schade heeft het hof onder r.o. 3.52 tot en met 3.58 van dat arrest, sterk samengevat, het volgende overwogen. Het hof heeft onder r.o. 3.53 geoordeeld dat de mogelijkheid dat [beslaglegger] schade heeft geleden door onder meer het onrechtmatig handelen van [beslagene1] en [beslagene2] , aannemelijk is. Het hof overweegt vervolgens dat de omvang van de schade als gevolg van de meegenomen bedrijfsinformatie (knowhow) niet eenvoudig te bepalen is. Met betrekking tot de gevorderde gederfde winst (onder 3.54 van het arrest van 22 december 2015 lijkt abusievelijk "omzet" te staan vermeld) oordeelt het hof dat [beslaglegger] onvoldoende heeft onderbouwd dat deze geheel door de onrechtmatige concurrentie van [latere werkgever] is veroorzaakt. Het hof acht het aannemelijk dat [beslaglegger] ook zonder het onrechtmatig handelen van onder meer [beslagene1] en [beslagene2] door de toegenomen concurrentie winst zou missen. Voorts komt het hof onder 3.55, laatste zin, tot het oordeel dat [beslaglegger] vooralsnog onvoldoende heeft gesteld met betrekking tot het causaal verband tussen de onrechtmatige handelingen en de door haar gederfde winst. Ook oordeelt het hof dat [beslaglegger] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld welke meegenomen informatie is gebruikt voor het binnenhalen of uitvoeren van opdrachten. Het hof acht het vooralsnog niet mogelijk om op basis van de stellingen van [beslaglegger] tot een realistische benadering van de omvang van de schade te komen en ziet daarin aanleiding om de schade in een schadestaatprocedure te doen vaststellen. Anders dan [beslaglegger] aanvoert in onderhavige procedure heeft het hof niet overwogen dat het bestaan van schade aannemelijk is, maar heeft het hof geoordeeld dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure is slechts de aannemelijkheid van de mogelijkheid voldoende. [beslaglegger] had in die procedure echter niet een verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd maar concrete schadeposten met een omvang van ruim € 10 miljoen. Uit het arrest volgt dat het hof ten aanzien van geen van de gevorderde schadeposten voldoende aanknopingspunten voorhanden had om de schade te kunnen begroten. Doordat het arrest kracht van gewijsde heeft gekregen is voorshands niet aannemelijk dat sprake is van ondeugdelijkheid van het door [beslaglegger] ingeroepen recht. De bezwaren die [beslagene1] en [beslagene2] tegen de verlofverlening van de conservatoire beslagen naar voren hebben gebracht, zijn alleen al om die reden niet meer relevant.



3.16
Naast de in artikel 705 Rv genoemde opheffingsgronden kan een beslag ook (gedeeltelijk) worden opgeheven indien een belangenafweging in het voordeel van de beslagene uitvalt. In dit verband kan houvast worden ontleend aan rechtspraak omtrent vexatoir beslag. De vraag of een beslaglegger aansprakelijk is voor de gevolgen van een beslag omdat het beslag is gelegd voor een te hoog bedrag, lichtvaardig is gelegd of onnodig is gehandhaafd, moet worden beantwoord aan de hand van criteria die gelden voor misbruik van recht. Uitgaande van de concrete omstandigheden van het geval kan aldus te zijner tijd aan de orde komen of het handhaven van een beslag als oneigenlijk of als disproportioneel moet worden aangemerkt en daarmee als misbruik van recht moet worden gekwalificeerd (vergelijk HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2841).



3.17
Dat aan [beslaglegger] de bevoegdheid toekwam om beslag te leggen volgt uit het arrest van 22 december 2015. In de onderhavige procedure staat de onrechtmatigheid van het handelen van [beslagene1] en [beslagene2] bij het in kracht van gewijsde gegane arrest van 22 december 2015 vast. In de onderhavige procedure ligt ter beoordeling voor of onder de gegeven omstandigheden de betreffende bevoegdheid niet oneigenlijk of disproportioneel is toegepast. Deze vraag dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op een van die goederen in zijn belangen wordt getroffen. Daarbij is mede van belang de inschatting van het risico enerzijds dat de beslaglegger geen verhaal heeft voor zijn in de schadestaatprocedure vast te stellen vordering en het risico anderzijds, dat geen verhaal mogelijk zal zijn voor door een onterecht beslag bij de beslagene ontstane schade.



3.18

Uit het arrest van 22 december 2015 volgt dat het hof onvoldoende aanknopingspunten voorhanden had om de geleden schade te kunnen begroten, waarna het hof - ambtshalve - de zaak naar de schadestaatprocedure heeft verwezen. In genoemd arrest heeft het hof ook overwogen dat [beslaglegger] onvoldoende gegevens heeft aangedragen om bij benadering tot een realistische inschatting van de omvang van de schade te komen. In onderhavige procedure hebben beide partijen de verwachting uitgesproken dat er nog jaren mee gemoeid zullen zijn totdat in een kracht van gewijsde gegane uitspraak in de schadestaatprocedure de hoogte van de schade is vastgesteld. Ook heeft [beslaglegger] in de onderhavige procedure niet betwist dat zij nog geen deskundige heeft aangewezen die naar aanleiding van hetgeen is toegewezen in het arrest van 22 december 2015 inzake de 843a-vordering voor [beslaglegger] haar schade definitief heeft begroot.

[beslaglegger] heeft als één van haar belangen aangevoerd dat de beslagen - afgezet tegen de volgens haar bestaande maximale betalingsverplichting van alle betrokkenen - maar voor een betrekkelijk gering deel doel hebben getroffen. [beslaglegger] heeft in de onderhavige procedure geen andere of aanvullende aanknopingspunten aangedragen dan zij in de hoofdprocedure heeft gedaan ( [beslaglegger] heeft louter verwezen naar hetgeen zij in de memorie van grieven in de hoofdprocedure ter zake heeft aangevoerd), zodat naar het oordeel van het hof aan de verhouding tussen de omvang van het getroffen beslag en de vordering van [beslaglegger] niet zonder meer doorslaggevende waarde toekomt. Van belang acht het hof ook hierbij dat de drempel om naar een schadestaatprocedure te kunnen verwijzen bijzonder laag is.




3.19
Tegen de in 3.18 geschetste achtergrond zal het hof de belangen van [beslagene1] en [beslagene2] enerzijds en [beslaglegger] anderzijds nader beoordelen. [beslagene1] en [beslagene2] hebben als belang geformuleerd dat zij beiden geen financiering kunnen aangaan vanwege de hoogte van de vermeende vordering van [beslaglegger] (ruim € 11 miljoen). [beslaglegger] heeft daar tegenover gesteld dat [beslagene1] en [beslagene2] de noodzaak van het verkrijgen van leningen niet aannemelijk hebben gemaakt en zij op grond van hun (niet beslagen) salarisbetalingen aan hun verplichtingen moeten kunnen voldoen. Het hof is van oordeel dat de belangen van [beslagene1] en [beslagene2] zich niet beperken tot het kunnen voldoen van hun maandelijkse verplichtingen maar dat voldoende aannemelijk is dat [beslagene1] en [beslagene2] door de beslagen in het verkrijgen van financiering worden belemmerd.



3.20

Voor [beslagene1] geldt dat door het beslag zijn tegoeden voor ruim € 1 miljoen zijn bevroren. Weliswaar heeft [beslaglegger] alle aangevoerde belangen van [beslagene1] betwist, maar die betwistingen rusten in hoofdzaak op aannames dat [beslagene1] wel op een andere manier aan liquide middelen kan komen om betalingen te doen en dat [beslagene1] dus van het beslag geen daadwerkelijke hinder of ongemak ondervindt. Ook heeft [beslaglegger] aangevoerd dat haar belang wordt geschaad doordat na (gedeeltelijke) opheffing van het beslag zij mogelijk moet concurreren met andere schuldeisers van [beslagene1] . Of hiervoor een gegronde vrees bestaat is door het hof onder de thans bekend zijnde omstandigheden niet te beoordelen, nu [beslaglegger] dit louter als een mogelijkheid heeft aangevoerd, maar niet heeft geconcretiseerd. Van belang acht het hof daarbij dat hij ook nu geen voldoende aanknopingspunten heeft om, zelfs maar bij benadering, de omvang van de schade van [beslaglegger] vast te stellen. Hierbij speelt ook een rol dat [beslaglegger] in de onderhavige procedure geen voldoende concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd met betrekking tot de nadere vaststelling van haar schade, nadat het hof in het arrest van 22 december 2015 omtrent de gestelde schade concreet diverse onduidelijkheden heeft benoemd.

[beslaglegger] schat de waarde van de beslagen onroerende zaken van [beslagene1] op ruim € 1 miljoen. [beslagene1] heeft gesteld dat het beslag op de woning voldoende zekerheid biedt voor de vordering van [beslaglegger] . Ook dit is echter gebaseerd op een verwachting van [beslagene1] . Juist om de hoogte van de schade vast te stellen heeft het hof bij arrest van 22 december 2015 naar de schadestaatprocedure verwezen. Naar het oordeel van het hof is het echter wel voldoende aannemelijk dat [beslagene1] daadwerkelijke hinder ondervindt van het niet kunnen beschikken over zijn tegoed van ruim € 1 miljoen dat in de onderhavige omstandigheden niet opweegt tegen het belang van [beslaglegger] om gevrijwaard te blijven van het risico dat op [beslagene1] geen verhaal mogelijk zal blijken te zijn voor zover in de schadestaatprocedure zal worden beslist dat haar schadevergoedingsvordering het bedrag waarvoor op het onroerend goed van [beslagene1] beslag is gelegd, overstijgt. Uit de eigen stellingen van [beslagene1] volgt dat hij niet onevenredig veel hinder ondervindt van het beslag op zijn woonhuis, nu hij dat beslag als voldoende zekerheid beschouwt voor de vordering van [beslaglegger] . Het belang van [beslagene1] voor opheffing van het beslag op de registergoederen acht het hof niet voldoende om het beslag te dien aanzien op te heffen, met uitzondering van het hierna volgende. Dat [beslagene1] daadwerkelijk van verpachting wordt afgehouden is onvoldoende aannemelijk geworden, te meer nu [beslaglegger] kennelijk en onbetwist heeft aangeboden om onder bepaalde voorwaarden verpachting mogelijk te maken. Door de opheffing van het beslag op zijn tegoeden zal [beslagene1] bovendien ook in staat worden gesteld om het noodzakelijk onderhoud te kunnen bekostigen, zodat een waardedaling kan worden voorkomen. Het hof acht wel een voldoende eigen belang aanwezig voor [beslagene1] , zoals ook door hem gesteld, om het beslag op het registergoed dat hij in gemeenschappelijk eigendom heeft met zijn broer en zusters op te heffen.
Op grond van al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de belangen van [beslaglegger] bij handhaving van de beslagen op de tegoeden en onroerende zaken van [beslagene1] onevenredig zijn met de belangen van [beslagene1] bij gedeeltelijke opheffing van de beslagen. Het hof zal de beslagen op de tegoeden van [beslagene1] en op het registergoed dat [beslagene1] in gemeenschappelijk eigendom heeft met zijn broer en zusters dan ook opheffen.




3.21

Het hof oordeelt ten aanzien van [beslagene2] als volgt. Volgens [beslagene2] bedraagt de overwaarde op de woning een bedrag van € 196.000 (het huis heeft een WOZ-waarde van € 341.000 en de hypothecaire zekerheid bedraagt € 145.000). [beslaglegger] betwist dat de overwaarde een dergelijke omvang heeft en schat deze lager in. In het kader van deze procedure kan zonder nadere instructie niet worden vastgesteld wat de omvang van de overwaarde is van de woning van [beslagene2] . Het hof acht het onder de huidige marktomstandigheden echter aannemelijk dat van enige overwaarde sprake zal zijn. [beslagene2] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een zodanige financiële situatie dat alleen door opheffing van het beslagen tegoed van € 17.135 het gezin weer financiële lucht zal krijgen en dat hij thans niet in staat is om voor de vordering van [beslaglegger] aanvaardbare zekerheid te stellen. Dat, zo [beslagene2] heeft gesteld, het beslag een psychische druk vormt voor het gezin, wil het hof wel aannemen, doch dat doet niet af aan het (voorshands zwaarder wegende) risico voor [beslaglegger] dat zij op de goederen van [beslagene2] geen verhaal zal hebben zodra zij beschikt over een voor tenuitvoerlegging vatbare executoriale titel jegens [beslagene2] . [beslagene2] heeft gesteld dat hij geen voornemen heeft om de woning te verkopen, zodat het beslag op de woning in die zin niet een onaanvaardbare psychische druk met zich kan brengen. Indien de beslagen op basis van de uitkomst van de schadestaatprocedure onrechtmatig zullen blijken te zijn gelegd, is [beslaglegger] jegens [beslagene2] aansprakelijk voor de door hem als gevolg van de beslagen geleden schade. [beslagene2] heeft niet aangevoerd, laat staan onderbouwd, dat hij het risico loopt dat als gevolg van dit beslag schade zal ontstaan, waarvoor [beslaglegger] geen verhaal zal bieden. Ook heeft [beslagene2] niet voldoende geconcretiseerd welke financiering door het beslag wordt of zal worden belemmerd. Dat voor het onderhoud van het dak en het aanschaffen van een andere auto financiering nodig is, heeft [beslagene2] onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Op grond van het voorgaande in onderlinge samenhang bezien is het hof van oordeel dat de belangen van [beslaglegger] bij handhaving van de beslagen op de woning en de tegoeden van [beslagene2] niet onevenredig zijn met de belangen van [beslagene2] bij opheffing van de beslagen. Het hof zal dan ook de beslagen ten aanzien van [beslagene2] handhaven.







4De slotsom


4.1
De grieven slagen voor zover het de beslagen betreft die zijn gelegd op de door [beslagene1] aangehouden banktegoeden van [beslagene1] bij ABN AMRO Bank N.V., ING Bank N.V. Coöperatieve Rabobank U.A. en SNS Bank N.V. en op de onroerende zaak die [beslagene1] in gemeenschappelijk eigendom heeft met zijn broer en zusters, te weten op het onverdeeld aandeel in de onroerende zaak gelegen te [plaats] . Het vonnis van 11 februari 2016, aangevuld bij vonnis van 22 februari 2016, zal op dat punt worden vernietigd en de beslagen zullen ten dien aanzien worden opgeheven.



4.2
Nu [beslagene1] en [beslaglegger] voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld. Het hof ziet aanleiding om de kosten van het hoger beroep van [beslaglegger] ten aanzien van de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij [beslagene2] op nihil te stellen, nu slechts een zeer klein gedeelte van de gezamenlijke processtukken van [beslaglegger] uitsluitend op [beslagene2] betrekking heeft.






5De beslissing


Het hof, recht doende in kort geding:



bekrachtigt het vonnis van 11 februari 2016, aangevuld bij vonnis van 22 februari 2016, van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, behoudens voor zover onder 5.4 het meer of anders gevorderde is afgewezen, vernietigt de vonnissen voor zover en doet in zoverre opnieuw recht;



heft op de ten laste van [beslagene1] gelegde beslagen onder ABN AMRO Bank N.V., ING Bank N.V. Coöperatieve Rabobank U.A. en SNS Bank N.V.;



heft op de ten laste van [beslagene1] gelegde beslag op het onverdeeld aandeel in de onroerende zaak gelegen te [plaats] ;



wijst het meer of anders gevorderde af;



compenseert de kosten van het hoger beroep tussen [beslagene1] en [beslaglegger] aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;



veroordeelt [beslaglegger] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [beslagene2] en begroot deze kosten op nihil;



verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.





Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, M.B. Beekhoven van den Boezem en Ch.E. Bethlem, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de jongste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2017.