Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2671
2026-09-29
Civiel recht
200.356.819
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Huur woonruimte. Verhuurders hebben in 2020 een woning in Amsterdam aan huurders verhuurd in verband met hun emigratie naar China. Inmiddels zijn verhuurders teruggekeerd in Nederland. Zij hebben de huurovereenkomst opgezegd op grond van dringend eigen gebruik. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat verhuurders de huurovereenkomst op deze grond konden opzeggen. Wetsartikelen: 7:272 lid 1, 7:274 lid 1 aanhef en onder c en 7:275 lid 1 BW
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.263 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.356.819/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 11302419 \ CV EXPL 24-11687
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 september 2026
in de zaak van
1 [appellant 1] ,
wonend in [plaats 1] ,
2. [appellant 2],
wonend in [plaats 1] ,
appellanten,
incidenteel geïntimeerden,
advocaten: mrs. I.A. Hoedemaeker te Amsterdam,
tegen
1 [geïntimeerde 1] ,
wonend in [plaats 2] ,
2. [geïntimeerde 2],
wonend in [plaats 2] ,
geïntimeerden,
incidenteel appellanten,
advocaat: mr. S.H.M. Koeleman te 's-Hertogenbosch.
Partijen worden hierna [appellanten] (afzonderlijk [appellant 1] en [appellant 2] ) en [geïntimeerden] (afzonderlijk: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ) genoemd.
1De zaak in het kort
Verhuurders hebben in 2020 een woning in Amsterdam aan huurders verhuurd in verband met hun emigratie naar China. Inmiddels zijn verhuurders teruggekeerd in Nederland. Zij hebben de huurovereenkomst opgezegd op grond van dringend eigen gebruik. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat verhuurders de huurovereenkomst op deze grond konden opzeggen.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 2 juni 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 6 maart 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers in conventie, verweerders in reconventie en [appellanten] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).
2.2.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- exploot van anticipatie, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;
- memorie van grieven, tevens memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in principaal appel, met producties;
- akte uitlating producties, met producties, van de zijde van [appellanten] ;
- akte uitlating producties, met producties, van de zijde van [geïntimeerden]
2.3.
Op 7 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [naam 1] en
Koeleman hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord en de volgende producties in het geding gebracht:
- producties 23 tot en met 28 van de zijde van [appellanten] ;
- producties 89 tot en met 103 van de zijde van [geïntimeerden]
2.4.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3Feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Voor zover in hoger beroep van belang en waar nodig aangevuld met andere onomstreden feiten, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[geïntimeerden] zijn sinds 2004 eigenaar van de woning gelegen aan de [straat] [nummer] ( [postcode] ) te [plaats 1] (verder: de woning).
3.2.
[geïntimeerden] zijn in 2018 naar China geëmigreerd.
3.3.
[geïntimeerden] hebben de woning per 24 januari 2020 voor twee jaar aan [appellanten] verhuurd. De huurprijs bedraagt nu € 3.332,44 per maand, inclusief € 250,00 servicekosten. [appellanten] bewonen de woning samen met hun twee minderjarige kinderen.
3.4.
[geïntimeerden] hebben op 28 november 2023 de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 januari 2025 op grond van dringend eigen gebruik. [appellanten] hebben niet met de opzegging ingestemd.
3.5.
Op 26 juli 2024 hebben [appellanten] een bod op de woning gedaan van € 1.050.000,00. [geïntimeerden] hebben dit bod niet aanvaard.
3.6.
[appellant 1] is middellijk enig aandeelhouder en enig bestuurder van [bedrijf] Deze vennootschap houdt zich onder meer bezig met bemiddeling bij de huur en verhuur van woonruimte in [plaats 1] en omstreken. [appellant 2] is ook werkzaam voor [bedrijf]
3.7.
[appellant 2] is middellijk enig aandeelhouder en enig bestuurder van Development Holding B.V.
4Eerste aanleg
4.1.
Samengevat hebben [geïntimeerden] in eerste aanleg in conventie gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de huurovereenkomst zal eindigen op 31 december 2024, dan wel op een door de kantonrechter te bepalen datum en [appellanten] te veroordelen de woning te ontruimen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. [geïntimeerden] hebben aan de vordering ten grondslag gelegd dat zij de huurovereenkomst hebben opgezegd op grond van dringend eigen gebruik en dat [appellanten] niet hebben toegestemd in de opzegging.
4.2.
Samengevat hebben [appellanten] in eerste aanleg in reconventie gevorderd om [geïntimeerden] te veroordelen om een verhuiskostenvergoeding van € 7.428,00 aan hen te betalen als de huurovereenkomst zal eindigen. [appellanten] hebben aan deze vordering ten grondslag gelegd dat zij door een gedwongen verhuizing kosten moeten maken die voor vergoeding in aanmerking komen.
4.3.
De kantonrechter heeft in conventie geoordeeld dat aan de opzeggingsgrond dringend eigen gebruik is voldaan omdat [geïntimeerden] terugkeren naar Nederland en dan gebruik zouden moeten kunnen maken van de woning. Voor [appellanten] is passende vervangende woonruimte beschikbaar. De kantonrechter heeft bepaald dat de huurovereenkomst eindigt op 31 juli 2025 en [appellanten] veroordeeld de woning uiterlijk op die datum te ontruimen. Verder heeft de kantonrechter [geïntimeerden] veroordeeld tot betaling van € 50.000,00 aan [appellanten] als zij de woning niet binnen een jaar na het einde van de huurovereenkomst duurzaam in gebruik hebben genomen. [appellanten] zijn in de proceskosten veroordeeld. In reconventie heeft de kantonrechter de door [appellanten] gevorderde verhuiskostenvergoeding afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld, die op nihil zijn gesteld. De kantonrechter heeft het bestreden vonnis – afgezien van de proceskostenveroordeling in conventie – niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5Het hoger beroep
5.1.
[appellanten] hebben in principaal hoger beroep geconcludeerd, samengevat, tot vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] , met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten in beide instanties. [appellanten] vorderen verder - voorwaardelijk, voor het geval de huurovereenkomst eindigt - hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van een bijdrage in de verhuiskosten van € 7.428,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2024.
5.2.
[geïntimeerden] hebben in het principale hoger beroep geconcludeerd, samengevat, tot verwerping ervan met – uitvoerbaar bij voorraad – hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
5.3.
[geïntimeerden] hebben in incidenteel hoger beroep geconcludeerd, samengevat, tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover hun beëindigings- en ontruimingsvorderingen niet uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
5.4.
[appellanten] hebben in het incidentele hoger beroep geconcludeerd tot verwerping ervan, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.
5.5.
Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.
6Beoordeling
Principaal hoger beroep
6.1.
[appellanten] hebben negen grieven tegen het bestreden vonnis gericht. De grieven 1 tot en met 7 hebben alle betrekking op (deelaspecten van) de vraag of [geïntimeerden] aannemelijk hebben gemaakt dat zij de woning zo dringend nodig hebben voor eigen gebruik dat van hen, de belangen van beide partijen naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd, en tevens is gebleken dat [appellanten] andere passende woonruimte kunnen verkrijgen (artikel 7:274 lid 1 aanhef en onder c BW). Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Grief 8 van [appellanten] ziet op de proceskosten van de eerste aanleg en grief 9 heeft betrekking op de door [appellanten] gevorderde verhuiskostenvergoeding.
Eigen gebruik
6.2.
[appellanten] hebben ten eerste aangevoerd dat niet is gebleken dat [geïntimeerden] naar Nederland zijn geremigreerd, zodat niet is komen vast te staan dat zij voornemens zijn de woning zelf in gebruik te nemen. Het hof gaat aan dit betoog voorbij. [geïntimeerden] hebben gewezen op stukken waaruit blijkt dat zij hun Chinese onderneming hebben gestaakt, dat zij van China terug naar Nederland zijn gereisd, dat zij hun inboedel hebben verhuisd van China naar Nederland, dat die inboedel is opgeslagen bij een zus van [geïntimeerde 1] , dat [geïntimeerde 2] in dienst is getreden bij een in Nederland gevestigde onderneming, dat [geïntimeerde 1] in Nederland een coachingspraktijk is gestart en dat [geïntimeerden] inmiddels op een chaletpark in [plaats 2] wonen. Tegenover deze concrete en met stukken onderbouwde stellingen van [geïntimeerden] hebben [appellanten] onvoldoende gemotiveerd betwist dat [geïntimeerden] naar Nederland zijn teruggekeerd.
6.3.
Het hof gaat ook voorbij aan het betoog van [appellanten] dat [geïntimeerden] de woning niet willen bewonen, maar deze willen verkopen. Dat voornemen blijkt volgens [appellanten] uit het feit dat [geïntimeerden] met [appellanten] hebben onderhandeld over een verkoop van de woning. [geïntimeerden] hebben toegelicht dat zij met [appellanten] hebben gesproken over verkoop van de woning om – kort gezegd – de onderhavige procedure te voorkomen. Nu die onderhandelingen niet hebben geleid tot een koopovereenkomst, wensen [geïntimeerden] de woning alsnog zelf te betrekken. Tegenover deze toelichting hebben [appellanten] onvoldoende gemotiveerd betwist dat [geïntimeerden] het voornemen hebben de woning zelf te gaan bewonen. Het hof merkt in dit verband nog op dat de kantonrechter [geïntimeerden] heeft veroordeeld om een schadevergoeding van € 50.000,00 aan [appellanten] te betalen als zij de woning niet binnen een jaar na het einde van de huurovereenkomst duurzaam in gebruik nemen. [geïntimeerden] hebben tegen die veroordeling geen grief gericht.
6.4.
Het hof zal, gelet op het voorgaande, ervan uitgaan dat [geïntimeerden] permanent in Nederland zijn teruggekeerd en de woning zelf willen gaan bewonen.
Dringendheid
6.5.
[appellanten] hebben betoogd dat het beoogde gebruik van de woning door [geïntimeerden] niet dringend is. Zij voeren aan dat [geïntimeerden] in het chalet in [plaats 2] kunnen wonen en dat [geïntimeerden] anders een nieuw huis kunnen kopen. Ook op dit punt slagen de grieven van [appellanten] niet. Het hof stelt voorop dat [geïntimeerden] hebben gesteld dat zij onvoldoende financiële middelen hebben om een nieuw huis te kopen. Echter, ook als [geïntimeerden] wel de mogelijkheid zouden hebben om een ander huis te kopen (of te huren), dan acht het hof het niet bepaald aangewezen dat zij onder de gegeven omstandigheden van die mogelijkheid gebruik maken. Het is begrijpelijk dat [geïntimeerden] willen terugkeren in hun eigen woning, waar ze eerder veertien jaar lang met plezier hebben gewoond en die in de buurt ligt van familie. [geïntimeerden] hebben er bovendien op gewezen dat het fiscaal erg onaantrekkelijk is om de woning te verhuren en daarnaast een nieuwe woning te kopen of te huren.
6.6.
Ook een permanent verblijf van [geïntimeerden] in het chalet is geen reële optie. [geïntimeerden] hebben toegelicht dat zij niet voor onbepaalde tijd in het chalet kunnen blijven wonen. Allereerst is permanente bewoning van het chalet contractueel en publiekrechtelijk niet toegestaan. Daarnaast geldt dat het chalet krap is en - anders dan de woning - niet goed bereikbaar is met het openbaar vervoer. Dat laatste is met name problematisch omdat [geïntimeerde 1] verschillende medische aandoeningen heeft waarvoor zij regelmatig moet worden behandeld. Omdat [geïntimeerde 2] de (enige) gezinsauto gebruikt om van en naar zijn werk te reizen, ondervindt [geïntimeerde 1] bij het bezoeken van artsen en ziekenhuizen hinder van de ligging van het chalet. Ten slotte is het chalet, anders dan de woning, ongeschikt voor het door [geïntimeerde 1] ontvangen van klanten van haar coachingspraktijk.
6.7.
De conclusie van het voorgaande is dat [geïntimeerden] de woning dringend nodig hebben voor eigen gebruik.
Belangenafweging
6.8.
Uit hetgeen onder 6.2. tot en met 6.7. is overwogen, volgt al dat [geïntimeerden] een zwaarwegend belang hebben bij het zelf kunnen bewonen van de woning. Aan de daar genoemde omstandigheden kan worden toegevoegd dat de woning [geïntimeerde 2] beter in staat zou stellen om zorgtaken te vervullen voor zijn twee kleinkinderen, die op twee kilometer afstand van de woning wonen. Een van hen heeft vanwege een persoonlijke kwetsbaarheid veel baat bij opvang en zorg door [geïntimeerde 2] . Tegenover de belangen van [geïntimeerden] staan de belangen van [appellanten] bij behoud van de woning. Op grond van artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) moeten de belangen van de twee minderjarige kinderen van [appellanten] in dit verband een eerste overweging vormen.
6.9.
Het hof is van oordeel dat de belangen van [geïntimeerden] bij het kunnen bewonen van de woning prevaleren boven de belangen van [appellanten] en hun kinderen bij voortzetting van de huurovereenkomst. Het hof onderkent dat een einde van de huurovereenkomst een ingrijpende gebeurtenis is voor [appellanten] en hun kinderen. Zij zijn aan de woning gehecht en de kinderen hebben, mede vanwege hun persoonlijke omstandigheden, belang bij rust en stabiliteit. Het hof kent aan deze belangen, overeenkomstig artikel 3 lid 1 IVRK, bijzonder gewicht toe. Daar staat echter tegenover dat [appellanten] in staat moeten worden geacht om elders in [plaats 1] en omstreken passende woonruimte te verkrijgen (zie 6.10. e.v.) terwijl zij voor het bereiken van school en werk niet gebonden zijn aan de woning; [bedrijf] is gevestigd in Oud-Zuid, [appellant 2] werkt veelal thuis en de kinderen gaan op veertien respectievelijk vier kilometer afstand van de woning naar school. De door [geïntimeerden] gepresenteerde alternatieve huurwoningen liggen alle op hooguit enkele kilometers afstand van de woning zodat de verstoring van het dagelijks leven van [appellanten] en hun kinderen relatief beperkt kan blijven. Ook los hiervan bestaat er geen reëel gevaar dat (de kinderen van) [appellanten] op straat zullen belanden. Gebleken is immers dat de ouders van [appellant 2] in [plaats 1] wonen; [appellant 2] staat ook op dit adres ingeschreven. [appellanten] hebben voor het overige geen concrete omstandigheden aangevoerd die aan hun belang of dat van hun kinderen zodanig gewicht geven dat deze belangen zwaarder wegen dan de hiervoor genoemde belangen van [geïntimeerden]
Passende woonruimte
6.10.
De grieven van [appellanten] richten zich ook tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij andere passende woonruimte kunnen verkrijgen. Het hof stelt voorop dat [appellanten] voor de woning een huur van € 3.332,44 per maand betalen en dat er op dit moment geen huurachterstand bestaat. Die omstandigheid vormt een aanwijzing dat woonruimte in dit prijssegment voor hen passend is. [geïntimeerden] hebben stukken in het geding gebracht waaruit blijkt van vele tientallen te huur aangeboden woningen die minstens drie slaapkamers hebben, die binnen vijf kilometer van de woning liggen en waarvoor de huurprijs € 3.000,00 of minder bedraagt. Meer dan dertig van deze woningen hebben een oppervlakte van meer dan honderd vierkante meter en lijken ook overigens geschikt voor bewoning door het gezin van [appellanten]
6.11.
[appellanten] hebben gesteld dat de beschikbare huurwoningen waarop [geïntimeerden] hebben gewezen niet passend zijn, omdat er onvoldoende ruimte voor [appellant 2] zou zijn om thuis te werken. Het hof stelt voorop dat de woning niet (mede) als werkruimte aan [appellanten] is verhuurd. Daarnaast geldt dat door [geïntimeerden] is aangevoerd (en door [appellanten] onvoldoende gemotiveerd is betwist) dat in een aanzienlijk deel van de beschikbare huurwoningen genoeg ruimte is voor een werkplek.
6.12.
[appellanten] hebben verder aangevoerd dat zij een bruto gezinsinkomen van € 4.952,00 hebben, welk inkomen zij genereren bij [bedrijf] , de eigen onderneming van [appellant 1] . Volgens [appellanten] zijn er geen verhuurders die bereid zijn om (voor het gezin van [appellanten] passende) woningen te verhuren aan huurders met een dergelijk inkomen.
6.13.
Het hof volgt [appellanten] niet in hun betoog. Ten eerste geldt dat slechts enkele van de door [geïntimeerden] in het geding gebrachte advertenties voor huurwoningen melding maken van specifieke inkomenseisen. Ten tweede is gebleken dat de mededelingen van [appellanten] over de hoogte van hun gezinsinkomen onjuist, onvolledig of niet actueel zijn. [appellant 2] heeft ter zitting immers verklaard dat hij, naast zijn inkomen bij [bedrijf] , ook een inkomen ontvangt voor zijn werkzaamheden als directeur-grootaandeelhouder van Development Holding B.V., een onderneming die een chaletpark in Overijssel ontwikkelt en exploiteert. De exacte hoogte van dit aanvullende inkomen is onduidelijk gebleven. Het hof gaat er echter vanuit dat het werkelijke gezinsinkomen van [appellanten] aanmerkelijk hoger ligt dan door [appellanten] aanvankelijk aan het hof is gepresenteerd. Anders zou ook moeilijk denkbaar zijn dat [appellanten] in staat zouden zijn om uit een bruto inkomen van € 4.952,00 de verschuldigde inkomstenbelasting, de huur van € 3.332,44 en de kosten van boodschappen, gas, water, licht, internet, telefonie, televisie, verzekeringen, gemeentelijke belastingen, kleding, school, vakanties en sportclubs te betalen. Ook de omstandigheid dat [appellanten] € 1.050.000,00 op de woning hebben geboden, ondersteunt de aanname dat hun financiële mogelijkheden ruimer zijn dan uit de door hen aanvankelijk verstrekte inkomensgegevens naar voren komt.
6.14.
Gelet op het voorgaande hebben [appellanten] de stelling van [geïntimeerden] dat zij voldoende inkomen hebben om andere passende woonruimte te verkrijgen, onvoldoende gemotiveerd betwist. Gezien de vele door [geïntimeerden] in het geding gebrachte advertenties moet andere passende woonruimte geacht worden aanwezig te zijn. Bij dit oordeel betrekt het hof mede dat [appellanten] , ondanks het feit dat zij al sinds november 2023 op de hoogte zijn van de wens van [geïntimeerden] om de woning te betrekken, weinig lijken te hebben ondernomen om vervangende woonruimte te vinden. Zij hebben slechts enkele e-mails overgelegd waaruit blijkt dat [appellant 2] naar een huurwoning heeft geïnformeerd. Tegenover het grote aantal door [geïntimeerden] geproduceerde advertenties lijkt die inspanning summier. Ten slotte slaat het hof acht op het feit dat [appellant 1] en [appellant 2] beiden werkzaam zijn in het vastgoed. [bedrijf] legt zich zelfs nadrukkelijk toe op huur en verhuur van woonruimte in [plaats 1] . Van [appellanten] mag worden verwacht dat zij bij hun zoektocht mede gebruik maken van hun zakelijke netwerk in de Amsterdamse huurmarkt. Dat zij daartoe serieuze pogingen hebben ondernomen, is niet gebleken.
6.15.
De slotsom is dat voldoende is gebleken dat voor [appellanten] passende vervangende woonruimte beschikbaar is. Omdat hiervoor is overwogen dat [geïntimeerden] de woning dringend nodig hebben voor eigen gebruik en de belangenafweging in hun voordeel uitvalt, is aan de vereisten van artikel 7:274 lid 1 aanhef en onder c BW voldaan. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter in conventie daarom bekrachtigen, behoudens dat het hof een nieuwe einddatum van de huurovereenkomst zal vaststellen omdat de in het bestreden vonnis bepaalde einddatum inmiddels in het verleden ligt. Mede gelet op de in artikel 3 lid 1 IVRK bedoelde belangen van de kinderen van [appellanten] zal het hof deze einddatum vaststellen op 1 april 2027. Dit stelt [appellanten] in de gelegenheid om een van de eerste drie schoolvakanties na de datum van dit arrest (de herfstvakantie, de kerstvakantie of de voorjaarsvakantie) te gebruiken om een verhuizing te plannen, zodat het schooljaar van hun kinderen zo min mogelijk wordt verstoord.
Verhuiskosten
6.16.
Met hun negende grief komen [appellanten] op tegen de beslissing van de kantonrechter om [geïntimeerden] niet te veroordelen om een verhuiskostenvergoeding aan [appellanten] te betalen. De grief heeft geen succes. Op grond van artikel 7:275 lid 1 BW kan de rechter bij toewijzing van een vordering als bedoeld in artikel 7:274 lid 1 aanhef en onder c BW een bedrag vaststellen dat de verhuurder aan de huurder moet betalen als tegemoetkoming in diens verhuis- en inrichtingskosten. Hiervoor is overwogen dat de financiële draagkracht van [appellanten] hoog genoeg is om een huur van € 3.332,44 per maand te betalen en een bod op de woning te doen van meer dan een miljoen euro. Zij zouden daarom ook over voldoende middelen moeten beschikken om een verhuizing te bekostigen. Daar komt bij dat reeds uit de tekst van de huurovereenkomst volgt, gezien de daarin opgenomen diplomatenclausule, dat het de bedoeling van [geïntimeerden] was om de woning voor korte tijd te verhuren. Een verhuizing binnen enkele jaren, met inbegrip van de daarmee gemoeide kosten, was dus voorzienbaar. [geïntimeerden] hebben de huurovereenkomst bovendien al in november 2023 opgezegd. [appellanten] hebben zich dus geruime tijd op verhuizing kunnen voorbereiden. Het hof ziet gelet op deze omstandigheden geen aanleiding voor toewijzing van de gevorderde verhuiskostenvergoeding.
Proceskosten eerste aanleg
6.17.
De achtste grief van [appellanten] richt zich tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. De grief slaagt niet, omdat uit het voorgaande volgt dat [appellanten] in het bestreden vonnis terecht in het ongelijk zijn gesteld en daarom ook terecht zijn veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg.
Incidenteel hoger beroep
6.18.
In incidenteel hoger beroep hebben [geïntimeerde 1] één grief tegen het bestreden vonnis gericht. Deze grief ziet op de beslissing van de kantonrechter om het bestreden vonnis – behoudens de proceskostenveroordeling in conventie – niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
6.19.
Artikel 7:272 lid 1 BW neemt tot uitgangspunt dat een opgezegde huurovereenkomst van kracht blijft tot de rechter onherroepelijk heeft beslist op een vordering van de verhuurder tot vaststelling van het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt. Een daartoe strekkend vonnis of arrest kan daarom in beginsel niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Van dit uitgangspunt kan onder bijzondere omstandigheden worden afgeweken, bijvoorbeeld als aannemelijk is dat de huurder een rechtsmiddel uitsluitend aanwendt om het eindigen van de huurovereenkomst en de ontruiming te vertragen. Het hof volgt [geïntimeerden] niet in hun betoog dat [appellanten] het hoger beroep uitsluitend hebben ingesteld - en een eventueel cassatieberoep uitsluitend zouden instellen - om te vertragen. Uit het voorgaande volgt weliswaar dat de grieven van [appellanten] niet slagen, maar daaruit volgt niet dat hun bezwaren tegen beëindiging evident kansloos zijn. Van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van het uitgangspunt van artikel 7:272 lid 1 BW is onvoldoende gebleken.
Slotsom, bewijsaanbod en kosten
6.20.
Het principale hoger beroep en het incidentele hoger beroep hebben beide geen succes.
6.21.
Het hof ziet geen aanleiding om [appellanten] en [geïntimeerden] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs hebben aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
6.22.
[appellanten] zijn in het principale hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in principaal hoger beroep. Het hof stelt deze proceskosten als volgt vast:
- griffierecht € 362,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief € 1.290,00, twee punten)
Totaal € 2.942,00
6.23.
[geïntimeerden] zijn in het incidentele hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in incidenteel hoger beroep. Het hof stelt deze proceskosten als volgt vast:
- salaris advocaat € 1.290,00 (tarief € 645,00, twee punten)
Totaal € 1.290,00
7Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis voor zover het de onderdelen 5.1. en 5.2. van het dictum betreft en opnieuw rechtdoende:
7.1.
bepaalt dat de huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan de [straat] [nummer] te ( [postcode] ) [plaats 1] eindigt op 1 april 2027;
7.2.
veroordeelt [appellanten] de woning aan de [straat] [nummer] te ( [postcode] ) [plaats 1] , met al wie of wat zich in de woning van de zijde van [appellanten] daarin of daarop mocht bevinden, uiterlijk op 1 april 2027 te ontruimen en door afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [geïntimeerden] te stellen;
7.3.
bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover aan het hof voorgelegd, voor het overige;
7.4.
veroordeelt [appellanten] in de proceskosten in principaal hoger beroep, tot nu aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 2.942,00;
7.5.
veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten in incidenteel hoger beroep, tot nu aan de zijde van [appellanten] vastgesteld op € 1.290,00;
7.6.
verklaart de veroordelingen onder 7.4. en 7.5. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.J.R. Brons, E.K. Veldhuijzen van Zanten en I. de Greef en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.356.819/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 11302419 \ CV EXPL 24-11687
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 september 2026
in de zaak van
1 [appellant 1] ,
wonend in [plaats 1] ,
2. [appellant 2],
wonend in [plaats 1] ,
appellanten,
incidenteel geïntimeerden,
advocaten: mrs. I.A. Hoedemaeker te Amsterdam,
tegen
1 [geïntimeerde 1] ,
wonend in [plaats 2] ,
2. [geïntimeerde 2],
wonend in [plaats 2] ,
geïntimeerden,
incidenteel appellanten,
advocaat: mr. S.H.M. Koeleman te 's-Hertogenbosch.
Partijen worden hierna [appellanten] (afzonderlijk [appellant 1] en [appellant 2] ) en [geïntimeerden] (afzonderlijk: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ) genoemd.
1De zaak in het kort
Verhuurders hebben in 2020 een woning in Amsterdam aan huurders verhuurd in verband met hun emigratie naar China. Inmiddels zijn verhuurders teruggekeerd in Nederland. Zij hebben de huurovereenkomst opgezegd op grond van dringend eigen gebruik. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat verhuurders de huurovereenkomst op deze grond konden opzeggen.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 2 juni 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 6 maart 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers in conventie, verweerders in reconventie en [appellanten] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).
2.2.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- exploot van anticipatie, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;
- memorie van grieven, tevens memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in principaal appel, met producties;
- akte uitlating producties, met producties, van de zijde van [appellanten] ;
- akte uitlating producties, met producties, van de zijde van [geïntimeerden]
2.3.
Op 7 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [naam 1] en
Koeleman hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord en de volgende producties in het geding gebracht:
- producties 23 tot en met 28 van de zijde van [appellanten] ;
- producties 89 tot en met 103 van de zijde van [geïntimeerden]
2.4.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3Feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Voor zover in hoger beroep van belang en waar nodig aangevuld met andere onomstreden feiten, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[geïntimeerden] zijn sinds 2004 eigenaar van de woning gelegen aan de [straat] [nummer] ( [postcode] ) te [plaats 1] (verder: de woning).
3.2.
[geïntimeerden] zijn in 2018 naar China geëmigreerd.
3.3.
[geïntimeerden] hebben de woning per 24 januari 2020 voor twee jaar aan [appellanten] verhuurd. De huurprijs bedraagt nu € 3.332,44 per maand, inclusief € 250,00 servicekosten. [appellanten] bewonen de woning samen met hun twee minderjarige kinderen.
3.4.
[geïntimeerden] hebben op 28 november 2023 de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 januari 2025 op grond van dringend eigen gebruik. [appellanten] hebben niet met de opzegging ingestemd.
3.5.
Op 26 juli 2024 hebben [appellanten] een bod op de woning gedaan van € 1.050.000,00. [geïntimeerden] hebben dit bod niet aanvaard.
3.6.
[appellant 1] is middellijk enig aandeelhouder en enig bestuurder van [bedrijf] Deze vennootschap houdt zich onder meer bezig met bemiddeling bij de huur en verhuur van woonruimte in [plaats 1] en omstreken. [appellant 2] is ook werkzaam voor [bedrijf]
3.7.
[appellant 2] is middellijk enig aandeelhouder en enig bestuurder van Development Holding B.V.
4Eerste aanleg
4.1.
Samengevat hebben [geïntimeerden] in eerste aanleg in conventie gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de huurovereenkomst zal eindigen op 31 december 2024, dan wel op een door de kantonrechter te bepalen datum en [appellanten] te veroordelen de woning te ontruimen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. [geïntimeerden] hebben aan de vordering ten grondslag gelegd dat zij de huurovereenkomst hebben opgezegd op grond van dringend eigen gebruik en dat [appellanten] niet hebben toegestemd in de opzegging.
4.2.
Samengevat hebben [appellanten] in eerste aanleg in reconventie gevorderd om [geïntimeerden] te veroordelen om een verhuiskostenvergoeding van € 7.428,00 aan hen te betalen als de huurovereenkomst zal eindigen. [appellanten] hebben aan deze vordering ten grondslag gelegd dat zij door een gedwongen verhuizing kosten moeten maken die voor vergoeding in aanmerking komen.
4.3.
De kantonrechter heeft in conventie geoordeeld dat aan de opzeggingsgrond dringend eigen gebruik is voldaan omdat [geïntimeerden] terugkeren naar Nederland en dan gebruik zouden moeten kunnen maken van de woning. Voor [appellanten] is passende vervangende woonruimte beschikbaar. De kantonrechter heeft bepaald dat de huurovereenkomst eindigt op 31 juli 2025 en [appellanten] veroordeeld de woning uiterlijk op die datum te ontruimen. Verder heeft de kantonrechter [geïntimeerden] veroordeeld tot betaling van € 50.000,00 aan [appellanten] als zij de woning niet binnen een jaar na het einde van de huurovereenkomst duurzaam in gebruik hebben genomen. [appellanten] zijn in de proceskosten veroordeeld. In reconventie heeft de kantonrechter de door [appellanten] gevorderde verhuiskostenvergoeding afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld, die op nihil zijn gesteld. De kantonrechter heeft het bestreden vonnis – afgezien van de proceskostenveroordeling in conventie – niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5Het hoger beroep
5.1.
[appellanten] hebben in principaal hoger beroep geconcludeerd, samengevat, tot vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] , met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten in beide instanties. [appellanten] vorderen verder - voorwaardelijk, voor het geval de huurovereenkomst eindigt - hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van een bijdrage in de verhuiskosten van € 7.428,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2024.
5.2.
[geïntimeerden] hebben in het principale hoger beroep geconcludeerd, samengevat, tot verwerping ervan met – uitvoerbaar bij voorraad – hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
5.3.
[geïntimeerden] hebben in incidenteel hoger beroep geconcludeerd, samengevat, tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover hun beëindigings- en ontruimingsvorderingen niet uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
5.4.
[appellanten] hebben in het incidentele hoger beroep geconcludeerd tot verwerping ervan, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.
5.5.
Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.
6Beoordeling
Principaal hoger beroep
6.1.
[appellanten] hebben negen grieven tegen het bestreden vonnis gericht. De grieven 1 tot en met 7 hebben alle betrekking op (deelaspecten van) de vraag of [geïntimeerden] aannemelijk hebben gemaakt dat zij de woning zo dringend nodig hebben voor eigen gebruik dat van hen, de belangen van beide partijen naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd, en tevens is gebleken dat [appellanten] andere passende woonruimte kunnen verkrijgen (artikel 7:274 lid 1 aanhef en onder c BW). Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Grief 8 van [appellanten] ziet op de proceskosten van de eerste aanleg en grief 9 heeft betrekking op de door [appellanten] gevorderde verhuiskostenvergoeding.
Eigen gebruik
6.2.
[appellanten] hebben ten eerste aangevoerd dat niet is gebleken dat [geïntimeerden] naar Nederland zijn geremigreerd, zodat niet is komen vast te staan dat zij voornemens zijn de woning zelf in gebruik te nemen. Het hof gaat aan dit betoog voorbij. [geïntimeerden] hebben gewezen op stukken waaruit blijkt dat zij hun Chinese onderneming hebben gestaakt, dat zij van China terug naar Nederland zijn gereisd, dat zij hun inboedel hebben verhuisd van China naar Nederland, dat die inboedel is opgeslagen bij een zus van [geïntimeerde 1] , dat [geïntimeerde 2] in dienst is getreden bij een in Nederland gevestigde onderneming, dat [geïntimeerde 1] in Nederland een coachingspraktijk is gestart en dat [geïntimeerden] inmiddels op een chaletpark in [plaats 2] wonen. Tegenover deze concrete en met stukken onderbouwde stellingen van [geïntimeerden] hebben [appellanten] onvoldoende gemotiveerd betwist dat [geïntimeerden] naar Nederland zijn teruggekeerd.
6.3.
Het hof gaat ook voorbij aan het betoog van [appellanten] dat [geïntimeerden] de woning niet willen bewonen, maar deze willen verkopen. Dat voornemen blijkt volgens [appellanten] uit het feit dat [geïntimeerden] met [appellanten] hebben onderhandeld over een verkoop van de woning. [geïntimeerden] hebben toegelicht dat zij met [appellanten] hebben gesproken over verkoop van de woning om – kort gezegd – de onderhavige procedure te voorkomen. Nu die onderhandelingen niet hebben geleid tot een koopovereenkomst, wensen [geïntimeerden] de woning alsnog zelf te betrekken. Tegenover deze toelichting hebben [appellanten] onvoldoende gemotiveerd betwist dat [geïntimeerden] het voornemen hebben de woning zelf te gaan bewonen. Het hof merkt in dit verband nog op dat de kantonrechter [geïntimeerden] heeft veroordeeld om een schadevergoeding van € 50.000,00 aan [appellanten] te betalen als zij de woning niet binnen een jaar na het einde van de huurovereenkomst duurzaam in gebruik nemen. [geïntimeerden] hebben tegen die veroordeling geen grief gericht.
6.4.
Het hof zal, gelet op het voorgaande, ervan uitgaan dat [geïntimeerden] permanent in Nederland zijn teruggekeerd en de woning zelf willen gaan bewonen.
Dringendheid
6.5.
[appellanten] hebben betoogd dat het beoogde gebruik van de woning door [geïntimeerden] niet dringend is. Zij voeren aan dat [geïntimeerden] in het chalet in [plaats 2] kunnen wonen en dat [geïntimeerden] anders een nieuw huis kunnen kopen. Ook op dit punt slagen de grieven van [appellanten] niet. Het hof stelt voorop dat [geïntimeerden] hebben gesteld dat zij onvoldoende financiële middelen hebben om een nieuw huis te kopen. Echter, ook als [geïntimeerden] wel de mogelijkheid zouden hebben om een ander huis te kopen (of te huren), dan acht het hof het niet bepaald aangewezen dat zij onder de gegeven omstandigheden van die mogelijkheid gebruik maken. Het is begrijpelijk dat [geïntimeerden] willen terugkeren in hun eigen woning, waar ze eerder veertien jaar lang met plezier hebben gewoond en die in de buurt ligt van familie. [geïntimeerden] hebben er bovendien op gewezen dat het fiscaal erg onaantrekkelijk is om de woning te verhuren en daarnaast een nieuwe woning te kopen of te huren.
6.6.
Ook een permanent verblijf van [geïntimeerden] in het chalet is geen reële optie. [geïntimeerden] hebben toegelicht dat zij niet voor onbepaalde tijd in het chalet kunnen blijven wonen. Allereerst is permanente bewoning van het chalet contractueel en publiekrechtelijk niet toegestaan. Daarnaast geldt dat het chalet krap is en - anders dan de woning - niet goed bereikbaar is met het openbaar vervoer. Dat laatste is met name problematisch omdat [geïntimeerde 1] verschillende medische aandoeningen heeft waarvoor zij regelmatig moet worden behandeld. Omdat [geïntimeerde 2] de (enige) gezinsauto gebruikt om van en naar zijn werk te reizen, ondervindt [geïntimeerde 1] bij het bezoeken van artsen en ziekenhuizen hinder van de ligging van het chalet. Ten slotte is het chalet, anders dan de woning, ongeschikt voor het door [geïntimeerde 1] ontvangen van klanten van haar coachingspraktijk.
6.7.
De conclusie van het voorgaande is dat [geïntimeerden] de woning dringend nodig hebben voor eigen gebruik.
Belangenafweging
6.8.
Uit hetgeen onder 6.2. tot en met 6.7. is overwogen, volgt al dat [geïntimeerden] een zwaarwegend belang hebben bij het zelf kunnen bewonen van de woning. Aan de daar genoemde omstandigheden kan worden toegevoegd dat de woning [geïntimeerde 2] beter in staat zou stellen om zorgtaken te vervullen voor zijn twee kleinkinderen, die op twee kilometer afstand van de woning wonen. Een van hen heeft vanwege een persoonlijke kwetsbaarheid veel baat bij opvang en zorg door [geïntimeerde 2] . Tegenover de belangen van [geïntimeerden] staan de belangen van [appellanten] bij behoud van de woning. Op grond van artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) moeten de belangen van de twee minderjarige kinderen van [appellanten] in dit verband een eerste overweging vormen.
6.9.
Het hof is van oordeel dat de belangen van [geïntimeerden] bij het kunnen bewonen van de woning prevaleren boven de belangen van [appellanten] en hun kinderen bij voortzetting van de huurovereenkomst. Het hof onderkent dat een einde van de huurovereenkomst een ingrijpende gebeurtenis is voor [appellanten] en hun kinderen. Zij zijn aan de woning gehecht en de kinderen hebben, mede vanwege hun persoonlijke omstandigheden, belang bij rust en stabiliteit. Het hof kent aan deze belangen, overeenkomstig artikel 3 lid 1 IVRK, bijzonder gewicht toe. Daar staat echter tegenover dat [appellanten] in staat moeten worden geacht om elders in [plaats 1] en omstreken passende woonruimte te verkrijgen (zie 6.10. e.v.) terwijl zij voor het bereiken van school en werk niet gebonden zijn aan de woning; [bedrijf] is gevestigd in Oud-Zuid, [appellant 2] werkt veelal thuis en de kinderen gaan op veertien respectievelijk vier kilometer afstand van de woning naar school. De door [geïntimeerden] gepresenteerde alternatieve huurwoningen liggen alle op hooguit enkele kilometers afstand van de woning zodat de verstoring van het dagelijks leven van [appellanten] en hun kinderen relatief beperkt kan blijven. Ook los hiervan bestaat er geen reëel gevaar dat (de kinderen van) [appellanten] op straat zullen belanden. Gebleken is immers dat de ouders van [appellant 2] in [plaats 1] wonen; [appellant 2] staat ook op dit adres ingeschreven. [appellanten] hebben voor het overige geen concrete omstandigheden aangevoerd die aan hun belang of dat van hun kinderen zodanig gewicht geven dat deze belangen zwaarder wegen dan de hiervoor genoemde belangen van [geïntimeerden]
Passende woonruimte
6.10.
De grieven van [appellanten] richten zich ook tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij andere passende woonruimte kunnen verkrijgen. Het hof stelt voorop dat [appellanten] voor de woning een huur van € 3.332,44 per maand betalen en dat er op dit moment geen huurachterstand bestaat. Die omstandigheid vormt een aanwijzing dat woonruimte in dit prijssegment voor hen passend is. [geïntimeerden] hebben stukken in het geding gebracht waaruit blijkt van vele tientallen te huur aangeboden woningen die minstens drie slaapkamers hebben, die binnen vijf kilometer van de woning liggen en waarvoor de huurprijs € 3.000,00 of minder bedraagt. Meer dan dertig van deze woningen hebben een oppervlakte van meer dan honderd vierkante meter en lijken ook overigens geschikt voor bewoning door het gezin van [appellanten]
6.11.
[appellanten] hebben gesteld dat de beschikbare huurwoningen waarop [geïntimeerden] hebben gewezen niet passend zijn, omdat er onvoldoende ruimte voor [appellant 2] zou zijn om thuis te werken. Het hof stelt voorop dat de woning niet (mede) als werkruimte aan [appellanten] is verhuurd. Daarnaast geldt dat door [geïntimeerden] is aangevoerd (en door [appellanten] onvoldoende gemotiveerd is betwist) dat in een aanzienlijk deel van de beschikbare huurwoningen genoeg ruimte is voor een werkplek.
6.12.
[appellanten] hebben verder aangevoerd dat zij een bruto gezinsinkomen van € 4.952,00 hebben, welk inkomen zij genereren bij [bedrijf] , de eigen onderneming van [appellant 1] . Volgens [appellanten] zijn er geen verhuurders die bereid zijn om (voor het gezin van [appellanten] passende) woningen te verhuren aan huurders met een dergelijk inkomen.
6.13.
Het hof volgt [appellanten] niet in hun betoog. Ten eerste geldt dat slechts enkele van de door [geïntimeerden] in het geding gebrachte advertenties voor huurwoningen melding maken van specifieke inkomenseisen. Ten tweede is gebleken dat de mededelingen van [appellanten] over de hoogte van hun gezinsinkomen onjuist, onvolledig of niet actueel zijn. [appellant 2] heeft ter zitting immers verklaard dat hij, naast zijn inkomen bij [bedrijf] , ook een inkomen ontvangt voor zijn werkzaamheden als directeur-grootaandeelhouder van Development Holding B.V., een onderneming die een chaletpark in Overijssel ontwikkelt en exploiteert. De exacte hoogte van dit aanvullende inkomen is onduidelijk gebleven. Het hof gaat er echter vanuit dat het werkelijke gezinsinkomen van [appellanten] aanmerkelijk hoger ligt dan door [appellanten] aanvankelijk aan het hof is gepresenteerd. Anders zou ook moeilijk denkbaar zijn dat [appellanten] in staat zouden zijn om uit een bruto inkomen van € 4.952,00 de verschuldigde inkomstenbelasting, de huur van € 3.332,44 en de kosten van boodschappen, gas, water, licht, internet, telefonie, televisie, verzekeringen, gemeentelijke belastingen, kleding, school, vakanties en sportclubs te betalen. Ook de omstandigheid dat [appellanten] € 1.050.000,00 op de woning hebben geboden, ondersteunt de aanname dat hun financiële mogelijkheden ruimer zijn dan uit de door hen aanvankelijk verstrekte inkomensgegevens naar voren komt.
6.14.
Gelet op het voorgaande hebben [appellanten] de stelling van [geïntimeerden] dat zij voldoende inkomen hebben om andere passende woonruimte te verkrijgen, onvoldoende gemotiveerd betwist. Gezien de vele door [geïntimeerden] in het geding gebrachte advertenties moet andere passende woonruimte geacht worden aanwezig te zijn. Bij dit oordeel betrekt het hof mede dat [appellanten] , ondanks het feit dat zij al sinds november 2023 op de hoogte zijn van de wens van [geïntimeerden] om de woning te betrekken, weinig lijken te hebben ondernomen om vervangende woonruimte te vinden. Zij hebben slechts enkele e-mails overgelegd waaruit blijkt dat [appellant 2] naar een huurwoning heeft geïnformeerd. Tegenover het grote aantal door [geïntimeerden] geproduceerde advertenties lijkt die inspanning summier. Ten slotte slaat het hof acht op het feit dat [appellant 1] en [appellant 2] beiden werkzaam zijn in het vastgoed. [bedrijf] legt zich zelfs nadrukkelijk toe op huur en verhuur van woonruimte in [plaats 1] . Van [appellanten] mag worden verwacht dat zij bij hun zoektocht mede gebruik maken van hun zakelijke netwerk in de Amsterdamse huurmarkt. Dat zij daartoe serieuze pogingen hebben ondernomen, is niet gebleken.
6.15.
De slotsom is dat voldoende is gebleken dat voor [appellanten] passende vervangende woonruimte beschikbaar is. Omdat hiervoor is overwogen dat [geïntimeerden] de woning dringend nodig hebben voor eigen gebruik en de belangenafweging in hun voordeel uitvalt, is aan de vereisten van artikel 7:274 lid 1 aanhef en onder c BW voldaan. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter in conventie daarom bekrachtigen, behoudens dat het hof een nieuwe einddatum van de huurovereenkomst zal vaststellen omdat de in het bestreden vonnis bepaalde einddatum inmiddels in het verleden ligt. Mede gelet op de in artikel 3 lid 1 IVRK bedoelde belangen van de kinderen van [appellanten] zal het hof deze einddatum vaststellen op 1 april 2027. Dit stelt [appellanten] in de gelegenheid om een van de eerste drie schoolvakanties na de datum van dit arrest (de herfstvakantie, de kerstvakantie of de voorjaarsvakantie) te gebruiken om een verhuizing te plannen, zodat het schooljaar van hun kinderen zo min mogelijk wordt verstoord.
Verhuiskosten
6.16.
Met hun negende grief komen [appellanten] op tegen de beslissing van de kantonrechter om [geïntimeerden] niet te veroordelen om een verhuiskostenvergoeding aan [appellanten] te betalen. De grief heeft geen succes. Op grond van artikel 7:275 lid 1 BW kan de rechter bij toewijzing van een vordering als bedoeld in artikel 7:274 lid 1 aanhef en onder c BW een bedrag vaststellen dat de verhuurder aan de huurder moet betalen als tegemoetkoming in diens verhuis- en inrichtingskosten. Hiervoor is overwogen dat de financiële draagkracht van [appellanten] hoog genoeg is om een huur van € 3.332,44 per maand te betalen en een bod op de woning te doen van meer dan een miljoen euro. Zij zouden daarom ook over voldoende middelen moeten beschikken om een verhuizing te bekostigen. Daar komt bij dat reeds uit de tekst van de huurovereenkomst volgt, gezien de daarin opgenomen diplomatenclausule, dat het de bedoeling van [geïntimeerden] was om de woning voor korte tijd te verhuren. Een verhuizing binnen enkele jaren, met inbegrip van de daarmee gemoeide kosten, was dus voorzienbaar. [geïntimeerden] hebben de huurovereenkomst bovendien al in november 2023 opgezegd. [appellanten] hebben zich dus geruime tijd op verhuizing kunnen voorbereiden. Het hof ziet gelet op deze omstandigheden geen aanleiding voor toewijzing van de gevorderde verhuiskostenvergoeding.
Proceskosten eerste aanleg
6.17.
De achtste grief van [appellanten] richt zich tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. De grief slaagt niet, omdat uit het voorgaande volgt dat [appellanten] in het bestreden vonnis terecht in het ongelijk zijn gesteld en daarom ook terecht zijn veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg.
Incidenteel hoger beroep
6.18.
In incidenteel hoger beroep hebben [geïntimeerde 1] één grief tegen het bestreden vonnis gericht. Deze grief ziet op de beslissing van de kantonrechter om het bestreden vonnis – behoudens de proceskostenveroordeling in conventie – niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
6.19.
Artikel 7:272 lid 1 BW neemt tot uitgangspunt dat een opgezegde huurovereenkomst van kracht blijft tot de rechter onherroepelijk heeft beslist op een vordering van de verhuurder tot vaststelling van het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt. Een daartoe strekkend vonnis of arrest kan daarom in beginsel niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Van dit uitgangspunt kan onder bijzondere omstandigheden worden afgeweken, bijvoorbeeld als aannemelijk is dat de huurder een rechtsmiddel uitsluitend aanwendt om het eindigen van de huurovereenkomst en de ontruiming te vertragen. Het hof volgt [geïntimeerden] niet in hun betoog dat [appellanten] het hoger beroep uitsluitend hebben ingesteld - en een eventueel cassatieberoep uitsluitend zouden instellen - om te vertragen. Uit het voorgaande volgt weliswaar dat de grieven van [appellanten] niet slagen, maar daaruit volgt niet dat hun bezwaren tegen beëindiging evident kansloos zijn. Van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van het uitgangspunt van artikel 7:272 lid 1 BW is onvoldoende gebleken.
Slotsom, bewijsaanbod en kosten
6.20.
Het principale hoger beroep en het incidentele hoger beroep hebben beide geen succes.
6.21.
Het hof ziet geen aanleiding om [appellanten] en [geïntimeerden] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs hebben aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
6.22.
[appellanten] zijn in het principale hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in principaal hoger beroep. Het hof stelt deze proceskosten als volgt vast:
- griffierecht € 362,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief € 1.290,00, twee punten)
Totaal € 2.942,00
6.23.
[geïntimeerden] zijn in het incidentele hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in incidenteel hoger beroep. Het hof stelt deze proceskosten als volgt vast:
- salaris advocaat € 1.290,00 (tarief € 645,00, twee punten)
Totaal € 1.290,00
7Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis voor zover het de onderdelen 5.1. en 5.2. van het dictum betreft en opnieuw rechtdoende:
7.1.
bepaalt dat de huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan de [straat] [nummer] te ( [postcode] ) [plaats 1] eindigt op 1 april 2027;
7.2.
veroordeelt [appellanten] de woning aan de [straat] [nummer] te ( [postcode] ) [plaats 1] , met al wie of wat zich in de woning van de zijde van [appellanten] daarin of daarop mocht bevinden, uiterlijk op 1 april 2027 te ontruimen en door afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [geïntimeerden] te stellen;
7.3.
bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover aan het hof voorgelegd, voor het overige;
7.4.
veroordeelt [appellanten] in de proceskosten in principaal hoger beroep, tot nu aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 2.942,00;
7.5.
veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten in incidenteel hoger beroep, tot nu aan de zijde van [appellanten] vastgesteld op € 1.290,00;
7.6.
verklaart de veroordelingen onder 7.4. en 7.5. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.J.R. Brons, E.K. Veldhuijzen van Zanten en I. de Greef en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.