Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2658
2026-08-27
Strafrecht
23-002259-23
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHAMS:2026:2658 → ECLI:NL:RBNHO:2023:7541 overig
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor een poging tot zware mishandeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden. Overschrijding van de redelijke termijn. Oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging en een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel. Toewijzing vordering benadeelde partij, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (39.778 tekens)
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002259-23
datum uitspraak: 27 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 25 juli 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-091420-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
thans gedetineerd in [detentieadres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 11 april 2022 te Alkmaar, in wlk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
- voornoemde [slachtoffer] met gebalde vuist (hard) in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en/of
- vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag meermalen (met kracht) tegen het lichaam en/of het hoofd heeft geslagen en/of (met geschoeide voet) (met kracht) meermalen tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 11 april 2022 te Alkmaar, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- voornoemde [slachtoffer] met gebalde vuist (hard) in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en/of
- vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag meermalen (met kracht) tegen het lichaam en/of het hoofd heeft geslagen en/of (met geschoeide voet) (met kracht) meermalen tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 11 april 2022 te Alkmaar, althans in Nederland [slachtoffer] heeft mishandeld door
- voornoemde [slachtoffer] met gebalde vuist (hard) in het gezicht, althans tegen het hoofd te slaan/stompen waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en/of
- vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag meermalen (met kracht) tegen het lichaam en/of het hoofd te slaan en/of (met geschoeide voet) (met kracht) meermalen tegen het hoofd te schoppen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs: vrijspraak primair, bewezenverklaring subsidiair
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat kan worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen en deze dus niet zonder meer kunnen bijdragen aan het bewijs. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, nu hij geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van de aangeefster. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van een poging tot zware mishandeling.
Het hof overweegt als volgt.
De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar met gebalde vuist op haar rechterwang sloeg, waardoor zij op de grond viel. Toen zij op de grond terechtkwam voelde en zag zij dat ze werd geslagen en geschopt door de verdachte, zowel op haar hoofd als op haar lichaam. De schoenen die de verdachte hierbij droeg worden door de aangeefster omschreven als bergschoenen; de schoenen die de verdachte korte tijd later bij zijn aanhouding droeg, worden door de politie omschreven als vaal zwarte, hoge schoenen (dossierpagina 26). Het hof gaat ervan uit dat de door de verdachte bij zijn aanhouding gedragen schoenen dezelfde schoenen waren als die door de aangeefster werden beschreven.
Door de forensisch arts zijn zwellingen, bloeduitstortingen en oppervlakkige krasletsel achter beide oren, op het linker jukbeen, de kaak, de linkerhand en het rechterbeen vastgesteld, die goed passen bij de gemelde toedracht. Ook naar het oordeel van het hof past voornoemd letsel goed bij het slaan en schoppen tegen het hoofd en lichaam.
De getuige [getuige] heeft gezien dat de verdachte de aangeefster met zijn vuist vol in haar gezicht sloeg, waardoor zij op de grond viel. Toen de aangeefster probeerde op te staan, heeft de verdachte haar opnieuw met zijn vuist geslagen. Terwijl zij op de grond lag, heeft de verdachte haar vervolgens meermalen tegen haar hoofd geschopt.
De verklaring van de aangeefster wordt aldus in voldoende mate ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige] en het bij de aangeefster vastgestelde letsel.
Het dossier bevat voorts geen aanwijzingen dat de getuige [getuige] door de aangeefster of de andere getuigen is beïnvloed. Er is daarom geen enkele reden voor het hof om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige [getuige] . Het verweer wordt dan ook verworpen en de verklaring van [getuige] zal worden gebruikt voor het bewijs.
De lezing van de verdachte zoals voor het eerst afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg wordt weerlegd door de bewijsmiddelen en zal het hof als ongeloofwaardig terzijde stellen. De hierboven genoemde feitenvaststelling van het hof ligt meer in lijn met de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris op 14 april 2022, waar hij verklaarde al langere tijd boos te zijn geweest op de aangeefster, dat het op een handgemeen is uitgelopen, dat het heel spijtig is wat er gebeurd is, dat hij psychische problemen heeft, dat de aangeefster (“deze mevrouw”) als een rode lap op hem werkt en dat hij intensievere begeleiding nodig heeft.
Voor een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit dient het hof te beoordelen of de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Of sprake is van een aanmerkelijke kans is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.
De verdachte heeft de aangeefster met een vuist in haar gezicht geslagen en, terwijl zij op de grond lag, meermalen met in een zware werkschoen geschoeide voet geschopt tegen haar hoofd en lichaam. De aangeefster heeft de schoppen deels met haar handen opgevangen. Als gevolg hiervan heeft de aangeefster zwellingen en snijwonden op haar hoofd en op haar linkerhand opgelopen. Op grond van dit letsel noch uit ander bewijsmateriaal kan worden vastgesteld dat de verdachte zodanig hard heeft geslagen en geschopt dat daaruit kan worden afgeleid dat een aanmerkelijke kans op de dood in het leven is geroepen. Het hof is daarom van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn handelen wel een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven heeft geroepen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd (met de daarin gelegen hersenen en andere organen) kwetsbaar is en dat letsel daaraan al snel ernstig is en vergaande gevolgen voor het slachtoffer kan hebben. De gedragingen van de verdachte waren naar hun uiterlijke verschijningsvormen zo zeer gericht waren op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Dat de getuige [getuige] , die eerder werkzaam was als beveiligingscoördinator in het uitgaansgebied van Amsterdam en daardoor wel wat gewend was, het geweld heel heftig vond en dacht dat de verdachte de aangeefster ‘letterlijk dood schopte’, is in dat verband veelzeggend. Het hof is daarom van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte subsidiair is tenlastegelegd.
Bewijsmiddelen
1. Een proces-verbaal van 14 april 2022, opgemaakt door mr. H.A. Stalenhoef, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 april 2022 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte:
U vraagt mij of ik wil reageren op de verdenking. Ik zou niet weten wat ik zou moeten zeggen. Het is heel spijtig wat er gebeurd is. Ik heb psychische problemen. Deze mevrouw (het hof begrijpt: de aangeefster) werkt als een rode lap op mij. Ik zou net intensiever begeleid gaan worden, maar dat is dus net te laat gekomen. U vraagt mij naar het incident zelf. Het is op een handgemeen uitgelopen. Ik ben al bijna drie jaar boos op haar, omdat zij bijna zeven jaar tegen mij heeft gelogen en dat heeft mij volledig van slag gemaakt. Die intensievere begeleiding heb ik echt nodig.
2. Een proces-verbaal van aangifte van 11 april 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina’s 4 t/m 6).Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring van de aangeefster [slachtoffer] :
Ik doe aangifte van (poging) zware mishandeling door [verdachte] op 11 april 2022. Omstreeks 08.40 uur was ik de hond aan het uitlaten in mijn straat, de [adres] , en zag ik dat [verdachte] aan kwam fietsen. Hij reed mij klem, zodat ik niet verder kon lopen.Ik zag dat [verdachte] van zijn fiets stapte. Ik zag dat [verdachte] zeer agressief op mij af kwam. Het lukte mij niet om afstand te houden. Vervolgens ging het erg snel. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij met zijn rechter gebalde vuist zeer hard op mijn rechter wang sloeg. Ik voelde dat de vuist van [verdachte] mij hard op mijn gezicht raakte. Ik voelde direct een felle en stekende pijn in mijn gezicht en ik werd duizelig. Door de harde klap kwam ik ten val.Toen ik op de grond terechtkwam zag en voelde ik dat ik nog meer klappen van [verdachte] kreeg en dat ik ook hard geschopt werd door [verdachte] . Ik zag en voelde dat [verdachte] mij hard trapte en schopte, zowel op mijn hoofd als op mijn lichaam. Dit deed erg veel pijn. Ik ben op de grond helemaal in elkaar gekropen en heb mijn armen mijn hoofd en nek beschermd omdat ik bang was dat [verdachte] niet zou stoppen. Ik was als de dood dat [verdachte] niet zou stoppen en ik kreeg steeds meer pijn.Ik heb op meerdere plekken letsel in mijn gezicht. Ik heb een verdikking en bloedsuitstorting op mijn rechterwang en rechter oor. Op mijn linkerwang heb ik een flinke bult en bloeduitstorting zitten. Ik heb in mijn linker oor bloed zitten. Ik heb op mijn handen ook bloed zitten. Mijn linkerhand is ook helemaal opgezwollen. Mijn hele lichaam doet pijn. Ik voel dat mijn kaak nu ook erg veel pijn gaat doen.
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 11 april 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (dossierpagina 25).Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:
Op maandag 11 april 2022, nam ik, verbalisant, telefonisch contact op met aangeefster [slachtoffer] . Ik hoorde [slachtoffer] zeggen: " [verdachte] had bergschoenen aan, donker van kleur".
4. Een proces-verbaal van bevindingen van 12 april 2022, , in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (dossierpagina 26).Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:
Onder verdachte [verdachte] zijn de schoenen, die hij tijdens zijn aanhouding droeg, in beslag genomen. Ik heb samen met een collega onderzoek verricht op de schoenen:
- zwarte hoge schoenen
- vaal van kleur.
5. Een geschrift, te weten een Letselrapportage Forensische Geneeskunde van de GGD Hollands Noorden van 12 april 2022, opgemaakt door forensisch arts [deskundige 1] (dossierpagina’s 8 t/m 14).Deze rapportage houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, een geneeskundige beoordeling van het letsel van de aangeefster [slachtoffer] :
Naam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Samenvatting letsel: Er is sprake van zwellingen, bloeduitstortingen en oppervlakkige huidbeschadigingen/krasletsels.
De gemelde toedracht past goed bij het letsel.
Aan het hoofd, aan de linker gelaatshelft, ter hoogte van het linker jukbeen, wordt een zwelling en blauwpaarse verkleuring van de huid gezien van ongeveer 3cm x 6cm.
Aan het linker oor, in de oorschelp worden een rode verkleuring van de huid (hoog in de oorschelp) en huid beschadigingen met korstvorming (laag in de oorschelp) gezien.
Aan het rechter oor en hier omheen worden rode huidverkleuringen en krasletsels gezien. Onder de oorlel zijn 3 parallel licht gebogen lijnvormige huidbeschadigingen zichtbaar van ongeveer 1cm tot 2cm
lengte.
Aan de oorlel zijn aan de voorzijde enkele lijnvorige huidbeschadigingen zichtbaar van ongeveer 0,5cm tot l,5cm lengte.
Ook zijn er huidbeschadigingen zichtbaar aan de achterzijde van de oorlel.
Aan de linker hand, aan de handrug, is een zwelling en blauwpaarse verkleuring van de huid zichtbaar van ongeveer 3cm x 4cm.
Aan het rechter onderbeen, aan het scheenbeen net onder de knie, wordt een zwelling en blauwpaarse verkleuring van de huid gezien van ongeveer 8cm x 4cm, met hierin een bandvormige bijna 90 graden gehoekte rode huidbeschadiging.
6. Een proces-verbaal van verhoor van 11 januari 2023 (los document).Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als ten overstaan van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland op voormelde datum afgelegde verklaring van de getuige [getuige] :
Die man zette zijn fiets op de grond en stompte [slachtoffer] (het hof begrijpt: de aangeefster) met zijn vuist vol in haar gezicht. Hij sloeg haar zo hard dat ze gestrekt op haar rug op de grond viel. [slachtoffer] probeerde op te staan en liep een paar stappen verderop. Daar sloeg hij haar weer tegen de grond. Ze viel weer gestrekt op haar rug. Ik zag toen dat hij haar vol in haar gezicht schopte. Ik greep op dat moment [slachtoffer] bij haar kraag vast en probeerde haar weg te trekken. Ze lag toen op de grond. Toen schopte de dader [slachtoffer] op haar bovenbeen. Ik zei dat hij moest stoppen. Hij bleef maar op haar gezicht in schoppen. Die man bleef maar tegen [slachtoffer] zeggen dat hij haar zou steken. Ook bleef hij haar tegen haar gezicht schoppen. [slachtoffer] probeerde zich te verdedigen met haar linkerhand en begon raar te kuchen. Ik dacht: hij schopt haar letterlijk dood. Ik ben toen naar een lantaarnpaal gelopen die op circa 4 meter afstand stond. Intussen bleef de man [slachtoffer] schoppen tegen haar hoofd.
Het was heel heftig om dit te zien. Ik ben vier jaar lang coördinator van de beveiliging op het Rembrandtplein in Amsterdam geweest. Ik ben dus wel wat gewend maar dit was heel heftig.
U vraagt of het klopt dat het schoppen maar door ging. Ja. U vraagt of ik kan beschrijven hoe hij schopte. Hij schopte tegen de linkerkant van haar hoofd. Hij haalde met zijn been van achteren uit naar voren en schopte zo tegen haar hoofd. U vraagt hoe vaak ik denk dat hij [slachtoffer] heeft geschopt. Dat weet ik niet precies. U vraagt of het vaker dan vijf keer was. Ja. U vraagt of het vaker dan tien keer was. Ik denk tussen vijf en tien keer in. Ik was gefixeerd op zijn handen maar zag intussen wel dat hij haar schopte. U vraagt wat de positie van [slachtoffer] was toen zij geschopt werd. Ze lag gestrekt op haar rug op de grond. Ze is tussendoor nog een keer op gestaan en vervolgens weer naar de grond geslagen. Dat deed hij met een vuist op haar gezicht en vervolgens lag ze weer gestrekt op haar rug op de grond. Ze had met haar rechterhand haar hond nog aan de riem vast en met haar linkerarm probeerde ze de schoppen af te weren.
De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebruikt tot het bewijs van het feit, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebruikt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 11 april 2022 te Alkmaar, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- voornoemde [slachtoffer] met gebalde vuist hard in het gezicht heeft geslagen/gestompt waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en
- vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, met kracht tegen het hoofd heeft geslagen en met geschoeide voet met kracht meermalen tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf en maatregelen
De rechtbank heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank aan de verdachte de maatregel van tbs met voorwaarden opgelegd en bepaald dat de tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Ook heeft de rechtbank de verdachte de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgelegd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, en tot oplegging van de maatregel van tbs met dwangverpleging. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd.
De raadsvrouw heeft primair verzocht om aan de verdachte geen maatregel van tbs op te leggen, nu er geen noodzaak is tot opleggen van deze maatregel omdat de verdachte bereid is tot hulp en begeleiding in een vrijwillig kader. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om aan de verdachte de tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. Volgens de raadsvrouw is er geen noodzaak voor de oplegging van een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van de aangeefster [slachtoffer] door haar veelvuldig tegen het hoofd te slaan en schoppen. Ten tijde van het feit was aan de verdachte een contactverbod met de aangeefster van kracht. Door zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangeefster. Het feit heeft een ernstige impact op haar gehad, zoals ook blijkt uit de toelichting op haar vordering en de slachtofferverklaring die zij ten behoeve van de zitting in hoger beroep heeft ingediend. Daarnaast zijn omstanders getuige geweest van deze grove geweldpleging in de openbare ruimte, wat ook bij hen gevoelens van onveiligheid heeft teweeggebracht.
De persoon van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte van 30 juli 2026 volgt dat hij eerder onder meer onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsincidenten. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte mee bij de strafoplegging. Bovendien heeft de verdachte in 2003 een maatregel van tbs met dwangverpleging opgelegd gekregen wegens verkrachting, welke maatregel na een geleidelijk voorwaardelijk traject in 2019 geheel is beëindigd. Nadien kreeg de verdachte nog een vorm van vrijwillige begeleiding. Het hof acht het zorgelijk dat de verdachte desondanks het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd.
Naar de persoon van de verdachte is een aanvullend ambulant onderzoek gedaan als aanvulling op de rapportage van het Pieter Baan Centrum van 1 maart 2023. In de tussentijd hebben twee geweldsincidenten plaatsgevonden, vanuit de verdachte richting een medepatiënt en richting een medegedetineerde. Het aanvullend ambulant onderzoek heeft geresulteerd in de rapportage van 1 december 2025 van het Pieter Baan Centrum, die is opgemaakt door [deskundige 2] , GZ-psycholoog, en [deskundige 3] , psychiater. Deze rapportage houdt onder meer het volgende in.
Er is bij de verdachte een autismespectrumstoornis en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. Het wantrouwen van de verdachte, zijn cognities en rigiditeit zijn eerder binnen het kader van een psychotische stoornis geplaatst, maar worden nu gezien als kenmerken van een autismespectrumstoornis en passend bij de paranoïde persoonlijkheidstrekken. De stoornissen hebben de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde beïnvloed. De deskundigen adviseren daarom het feit in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De stoornissen zijn duurzaam van aard en zullen onbehandeld ook in de toekomst bijdragen aan soortgelijke feiten. De verdachte toont een beperkt vermogen tot zelfreflectie en heeft onvoldoende controle over zijn agressieregulatie. Tijdens zijn plaatsing in [instelling] in het kader van de tbs-maatregel met voorwaarden, heeft de verdachte op 28 december 2024 een groepsgenoot mishandeld. Vervolgens heeft de verdachte gedurende zijn hechtenis in [detentieadres 2] medio augustus 2025 een medegedetineerde mishandeld. De deskundigen constateren dat een hoge kans bestaat dat de verdachte bij een onheuse bejegening zijn recht met geweld wil afdwingen, zowel buiten als binnen een gestructureerde of geïnterneerde setting. Er is dan ook sprake van een hoog risico op gewelddadig gedrag. Om dit risico te verminderen bieden zowel een ambulant kader als voorwaardelijke klinische kaders te weinig veiligheid en is enkel het kader van de tbs-maatregel met dwangverpleging toereikend. Binnen de behandeling dienen voorspelbaarheid, structuur en weinig prikkels voorop te staan. Het wordt afgeraden om een inzicht gevende behandeling te starten. Een benadering gericht op medicatie en het bieden van duidelijke structuur wordt meer passend geacht.
Ter terechtzitting van 13 augustus 2026 heeft psychiater [deskundige 3] dit advies herhaald en toegelicht. Hij heeft in aanvulling hierop nog naar voren gebracht en benadrukt dat gezien de geweldsrecidives van de verdachte de beveiliging een grotere rol dient te spelen dan ten tijde van de eerdere rapportage uit 2023 is gebleken.
Ter terechtzitting van 13 augustus 2026 heeft reclasseringswerker [deskundige 4] zich aangesloten bij voornoemd advies van de deskundigen. Daartoe heeft hij naar voren gebracht dat de behandelgeschiedenis van de verdachte, de tevergeefse pogingen om aan de door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaarde tbs met voorwaarden adequaat invulling te kunnen geven en de tussentijdse geweldsincidenten met zich brengen dat de beveiliging en zorg van de verdachte dienen plaats te vinden binnen de setting van een tbs-maatregel met dwangverpleging.
Het hof neemt de conclusies uit de hierboven weergegeven rapportage over en maakt deze tot de zijne. Dit betekent dat voor het hof vaststaat dat bij de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde sprake was van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat die de gedragskeuzes van de verdachte hebben beïnvloed. Het hof rekent overeenkomstig het advies in de rapportage de verdachte het bewezenverklaarde feit in verminderde mate toe.
Oplegging van gevangenisstraf
Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit en de recidive niet anders kan worden gereageerd dan met de oplegging van een gevangenisstraf. Daarbij houdt het hof rekening met de (ook) op te leggen maatregelen (zoals hierna wordt overwogen) en met de verminderde toerekenbaarheid van de verdachte. Het hof acht in beginsel, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden met ruim 20 maanden. Een deel van het tijdsverloop kwam door benodigd nader onderzoek vanwege de tussentijdse geweldsincidenten, maar met de raadsvrouw – en dus anders dan de advocaat-generaal – vindt het hof niet dat deze mate van overschrijding geheel voor rekening van de verdachte zou moeten komen. Gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de opgelegde straf matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden met aftrek van het voorarrest.
Tbs-maatregel met dwangverpleging
Naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal het hof, gelet op bovengenoemde rapportage, ook een tbs-maatregel met dwangverpleging aan de verdachte opleggen.
Een tbs-maatregel kan worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden. Eén van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel behoort tot een van de in het eerste lid onder 1 van artikel 37a Sr omschreven misdrijven en dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, het opleggen van de maatregel te eisen.
Het hof stelt vast dat aan deze voorwaarden is voldaan. Bij de verdachte bestonden tijdens het begaan van het bewezenverklaarde feit een autismespectrumstoornis en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis en deze stoornissen hebben de gedragskeuzes van de verdachte beïnvloed. Het feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen vereist het opleggen van de maatregel.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging niet noodzakelijk is. Het hof verwerpt deze stelling. Uit de stukken en de toelichting hierop ter terechtzitting volgt dat de ernst en de complexiteit van de stoornissen maken dat het noodzakelijk is dat de verdachte langdurig klinisch wordt behandeld en dat deze behandeling zal plaatsvinden in een forensisch psychiatrische setting op grond van een tbs-maatregel met dwangverpleging. Het hof deelt de inschatting van de deskundigen dat het recidiverisico als hoog moet worden ingeschat. De verdachte heeft zich al eerder schuldig gemaakt aan belaging van hetzelfde slachtoffer en zoals hiervoor is beschreven heeft hij zich op de [instelling] en in de [detentieadres 2] schuldig gemaakt aan de mishandeling van groepsgenoten. Eerdere behandelingen, onder meer in het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging, en het verblijf binnen een instelling met een lager beveiligingsniveau hebben er aldus niet toe geleid dat het recidivegevaar voldoende is ingeperkt. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen thans zowel de oplegging van de tbs-maatregel als het bevel tot verpleging van overheidswege eist.
Ongemaximeerd
De maatregel van tbs met verpleging van overheidswege wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van die terbeschikkingstelling niet op voorhand is gemaximeerd.
Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (38z Sr)
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of, gelet op het bewezenverklaarde feit, het noodzakelijk is om de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Nu een recent reclasseringsadvies ontbreekt, kan het hof de maatregel niet op vordering van de advocaat-generaal opleggen, maar wel ambtshalve. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de rechter de mogelijkheid heeft om, bij ambtshalve oplegging van de maatregel, zijn inschatting van het toekomstige recidiverisico op andere rapporten of gegevens te baseren.
Door de deskundigen is het recidiverisico als hoog ingeschat en wordt een langdurige, intensieve, klinische behandeling van de verdachte binnen een forensische setting geadviseerd. Gelet hierop en op de duurzaamheid van de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte, is het hof van oordeel dat de reële kans aanwezig is dat het recidiverisico na afloop van de tbs-maatregel nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen. Het hof is daarom van oordeel dat het toekomstig recidiverisico als zodanig hoog moet worden ingeschat dat het ambtshalve aanleiding ziet om de verdachte de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd om de verdachte ook na de tbs-maatregel, indien dat dan nodig blijkt, onder toezicht te stellen, opdat het risico op recidive wordt verkleind.
Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan. Aan de verdachte wordt immers de maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd en oplegging van de maatregel is naar het oordeel van het hof in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen.
Beslag
De advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven schoenen aan de verdachte moeten worden teruggegeven.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven schoenen aan de verdachte toebehoren, zodat daarvan de teruggave aan de verdachte zal worden gelast.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.200,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsvrouw het verzocht het gevorderde bedrag aan immateriële schade fors te matigen, in aansluiting bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven en omdat het causaal verband tussen de PTSS en het strafbare feit niet is aangetoond.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij door het handelen van de verdachte is mishandeld en letsel heeft opgelopen. Daarmee is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Daarnaast blijkt uit de in eerste aanleg ingediende vordering en de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde slachtofferverklaring dat het bewezenverklaarde verstrekkende gevolgen heeft gehad voor de benadeelde partij. Naar aanleiding van haar psychische klachten is een posttraumatische stressstoornis geconstateerd. Ook dit geestelijk letsel leidt op grond van artikel 6:106, onder b, van het BW tot recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade.
Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en zal deze geheel toewijzen. Grondslagen voor de toekenning zijn het veroorzaakte fysieke letsel en de aantasting in persoon op andere wijze, bestaande uit psychisch letsel dat door een deskundige is vastgesteld. Het hof heeft bij de beslissing over de toewijzing van immateriële schade aansluiting gezocht bij de aard en de ernst van de normschending, de aantasting van de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij en de Rotterdamse schaal (paragraaf 13 en 14.2).
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 PR Schoenen (Omschrijving: Goednummer: 1359982, zwart).
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 12 (twaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 april 2022.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. D.A.C. Koster en mr. N. van der Wijngaart, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Kuvel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 augustus 2026.
Mr. B.A.A. Postma en mr. S.B. Kuvel zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
parketnummer: 23-002259-23
datum uitspraak: 27 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 25 juli 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-091420-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
thans gedetineerd in [detentieadres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 11 april 2022 te Alkmaar, in wlk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
- voornoemde [slachtoffer] met gebalde vuist (hard) in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en/of
- vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag meermalen (met kracht) tegen het lichaam en/of het hoofd heeft geslagen en/of (met geschoeide voet) (met kracht) meermalen tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 11 april 2022 te Alkmaar, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- voornoemde [slachtoffer] met gebalde vuist (hard) in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en/of
- vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag meermalen (met kracht) tegen het lichaam en/of het hoofd heeft geslagen en/of (met geschoeide voet) (met kracht) meermalen tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 11 april 2022 te Alkmaar, althans in Nederland [slachtoffer] heeft mishandeld door
- voornoemde [slachtoffer] met gebalde vuist (hard) in het gezicht, althans tegen het hoofd te slaan/stompen waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en/of
- vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag meermalen (met kracht) tegen het lichaam en/of het hoofd te slaan en/of (met geschoeide voet) (met kracht) meermalen tegen het hoofd te schoppen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs: vrijspraak primair, bewezenverklaring subsidiair
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat kan worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen en deze dus niet zonder meer kunnen bijdragen aan het bewijs. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, nu hij geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van de aangeefster. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van een poging tot zware mishandeling.
Het hof overweegt als volgt.
De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar met gebalde vuist op haar rechterwang sloeg, waardoor zij op de grond viel. Toen zij op de grond terechtkwam voelde en zag zij dat ze werd geslagen en geschopt door de verdachte, zowel op haar hoofd als op haar lichaam. De schoenen die de verdachte hierbij droeg worden door de aangeefster omschreven als bergschoenen; de schoenen die de verdachte korte tijd later bij zijn aanhouding droeg, worden door de politie omschreven als vaal zwarte, hoge schoenen (dossierpagina 26). Het hof gaat ervan uit dat de door de verdachte bij zijn aanhouding gedragen schoenen dezelfde schoenen waren als die door de aangeefster werden beschreven.
Door de forensisch arts zijn zwellingen, bloeduitstortingen en oppervlakkige krasletsel achter beide oren, op het linker jukbeen, de kaak, de linkerhand en het rechterbeen vastgesteld, die goed passen bij de gemelde toedracht. Ook naar het oordeel van het hof past voornoemd letsel goed bij het slaan en schoppen tegen het hoofd en lichaam.
De getuige [getuige] heeft gezien dat de verdachte de aangeefster met zijn vuist vol in haar gezicht sloeg, waardoor zij op de grond viel. Toen de aangeefster probeerde op te staan, heeft de verdachte haar opnieuw met zijn vuist geslagen. Terwijl zij op de grond lag, heeft de verdachte haar vervolgens meermalen tegen haar hoofd geschopt.
De verklaring van de aangeefster wordt aldus in voldoende mate ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige] en het bij de aangeefster vastgestelde letsel.
Het dossier bevat voorts geen aanwijzingen dat de getuige [getuige] door de aangeefster of de andere getuigen is beïnvloed. Er is daarom geen enkele reden voor het hof om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige [getuige] . Het verweer wordt dan ook verworpen en de verklaring van [getuige] zal worden gebruikt voor het bewijs.
De lezing van de verdachte zoals voor het eerst afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg wordt weerlegd door de bewijsmiddelen en zal het hof als ongeloofwaardig terzijde stellen. De hierboven genoemde feitenvaststelling van het hof ligt meer in lijn met de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris op 14 april 2022, waar hij verklaarde al langere tijd boos te zijn geweest op de aangeefster, dat het op een handgemeen is uitgelopen, dat het heel spijtig is wat er gebeurd is, dat hij psychische problemen heeft, dat de aangeefster (“deze mevrouw”) als een rode lap op hem werkt en dat hij intensievere begeleiding nodig heeft.
Voor een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit dient het hof te beoordelen of de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Of sprake is van een aanmerkelijke kans is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.
De verdachte heeft de aangeefster met een vuist in haar gezicht geslagen en, terwijl zij op de grond lag, meermalen met in een zware werkschoen geschoeide voet geschopt tegen haar hoofd en lichaam. De aangeefster heeft de schoppen deels met haar handen opgevangen. Als gevolg hiervan heeft de aangeefster zwellingen en snijwonden op haar hoofd en op haar linkerhand opgelopen. Op grond van dit letsel noch uit ander bewijsmateriaal kan worden vastgesteld dat de verdachte zodanig hard heeft geslagen en geschopt dat daaruit kan worden afgeleid dat een aanmerkelijke kans op de dood in het leven is geroepen. Het hof is daarom van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn handelen wel een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven heeft geroepen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd (met de daarin gelegen hersenen en andere organen) kwetsbaar is en dat letsel daaraan al snel ernstig is en vergaande gevolgen voor het slachtoffer kan hebben. De gedragingen van de verdachte waren naar hun uiterlijke verschijningsvormen zo zeer gericht waren op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Dat de getuige [getuige] , die eerder werkzaam was als beveiligingscoördinator in het uitgaansgebied van Amsterdam en daardoor wel wat gewend was, het geweld heel heftig vond en dacht dat de verdachte de aangeefster ‘letterlijk dood schopte’, is in dat verband veelzeggend. Het hof is daarom van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte subsidiair is tenlastegelegd.
Bewijsmiddelen
1. Een proces-verbaal van 14 april 2022, opgemaakt door mr. H.A. Stalenhoef, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 april 2022 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte:
U vraagt mij of ik wil reageren op de verdenking. Ik zou niet weten wat ik zou moeten zeggen. Het is heel spijtig wat er gebeurd is. Ik heb psychische problemen. Deze mevrouw (het hof begrijpt: de aangeefster) werkt als een rode lap op mij. Ik zou net intensiever begeleid gaan worden, maar dat is dus net te laat gekomen. U vraagt mij naar het incident zelf. Het is op een handgemeen uitgelopen. Ik ben al bijna drie jaar boos op haar, omdat zij bijna zeven jaar tegen mij heeft gelogen en dat heeft mij volledig van slag gemaakt. Die intensievere begeleiding heb ik echt nodig.
2. Een proces-verbaal van aangifte van 11 april 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina’s 4 t/m 6).Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring van de aangeefster [slachtoffer] :
Ik doe aangifte van (poging) zware mishandeling door [verdachte] op 11 april 2022. Omstreeks 08.40 uur was ik de hond aan het uitlaten in mijn straat, de [adres] , en zag ik dat [verdachte] aan kwam fietsen. Hij reed mij klem, zodat ik niet verder kon lopen.Ik zag dat [verdachte] van zijn fiets stapte. Ik zag dat [verdachte] zeer agressief op mij af kwam. Het lukte mij niet om afstand te houden. Vervolgens ging het erg snel. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij met zijn rechter gebalde vuist zeer hard op mijn rechter wang sloeg. Ik voelde dat de vuist van [verdachte] mij hard op mijn gezicht raakte. Ik voelde direct een felle en stekende pijn in mijn gezicht en ik werd duizelig. Door de harde klap kwam ik ten val.Toen ik op de grond terechtkwam zag en voelde ik dat ik nog meer klappen van [verdachte] kreeg en dat ik ook hard geschopt werd door [verdachte] . Ik zag en voelde dat [verdachte] mij hard trapte en schopte, zowel op mijn hoofd als op mijn lichaam. Dit deed erg veel pijn. Ik ben op de grond helemaal in elkaar gekropen en heb mijn armen mijn hoofd en nek beschermd omdat ik bang was dat [verdachte] niet zou stoppen. Ik was als de dood dat [verdachte] niet zou stoppen en ik kreeg steeds meer pijn.Ik heb op meerdere plekken letsel in mijn gezicht. Ik heb een verdikking en bloedsuitstorting op mijn rechterwang en rechter oor. Op mijn linkerwang heb ik een flinke bult en bloeduitstorting zitten. Ik heb in mijn linker oor bloed zitten. Ik heb op mijn handen ook bloed zitten. Mijn linkerhand is ook helemaal opgezwollen. Mijn hele lichaam doet pijn. Ik voel dat mijn kaak nu ook erg veel pijn gaat doen.
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 11 april 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (dossierpagina 25).Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:
Op maandag 11 april 2022, nam ik, verbalisant, telefonisch contact op met aangeefster [slachtoffer] . Ik hoorde [slachtoffer] zeggen: " [verdachte] had bergschoenen aan, donker van kleur".
4. Een proces-verbaal van bevindingen van 12 april 2022, , in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (dossierpagina 26).Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:
Onder verdachte [verdachte] zijn de schoenen, die hij tijdens zijn aanhouding droeg, in beslag genomen. Ik heb samen met een collega onderzoek verricht op de schoenen:
- zwarte hoge schoenen
- vaal van kleur.
5. Een geschrift, te weten een Letselrapportage Forensische Geneeskunde van de GGD Hollands Noorden van 12 april 2022, opgemaakt door forensisch arts [deskundige 1] (dossierpagina’s 8 t/m 14).Deze rapportage houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, een geneeskundige beoordeling van het letsel van de aangeefster [slachtoffer] :
Naam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Samenvatting letsel: Er is sprake van zwellingen, bloeduitstortingen en oppervlakkige huidbeschadigingen/krasletsels.
De gemelde toedracht past goed bij het letsel.
Aan het hoofd, aan de linker gelaatshelft, ter hoogte van het linker jukbeen, wordt een zwelling en blauwpaarse verkleuring van de huid gezien van ongeveer 3cm x 6cm.
Aan het linker oor, in de oorschelp worden een rode verkleuring van de huid (hoog in de oorschelp) en huid beschadigingen met korstvorming (laag in de oorschelp) gezien.
Aan het rechter oor en hier omheen worden rode huidverkleuringen en krasletsels gezien. Onder de oorlel zijn 3 parallel licht gebogen lijnvormige huidbeschadigingen zichtbaar van ongeveer 1cm tot 2cm
lengte.
Aan de oorlel zijn aan de voorzijde enkele lijnvorige huidbeschadigingen zichtbaar van ongeveer 0,5cm tot l,5cm lengte.
Ook zijn er huidbeschadigingen zichtbaar aan de achterzijde van de oorlel.
Aan de linker hand, aan de handrug, is een zwelling en blauwpaarse verkleuring van de huid zichtbaar van ongeveer 3cm x 4cm.
Aan het rechter onderbeen, aan het scheenbeen net onder de knie, wordt een zwelling en blauwpaarse verkleuring van de huid gezien van ongeveer 8cm x 4cm, met hierin een bandvormige bijna 90 graden gehoekte rode huidbeschadiging.
6. Een proces-verbaal van verhoor van 11 januari 2023 (los document).Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als ten overstaan van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland op voormelde datum afgelegde verklaring van de getuige [getuige] :
Die man zette zijn fiets op de grond en stompte [slachtoffer] (het hof begrijpt: de aangeefster) met zijn vuist vol in haar gezicht. Hij sloeg haar zo hard dat ze gestrekt op haar rug op de grond viel. [slachtoffer] probeerde op te staan en liep een paar stappen verderop. Daar sloeg hij haar weer tegen de grond. Ze viel weer gestrekt op haar rug. Ik zag toen dat hij haar vol in haar gezicht schopte. Ik greep op dat moment [slachtoffer] bij haar kraag vast en probeerde haar weg te trekken. Ze lag toen op de grond. Toen schopte de dader [slachtoffer] op haar bovenbeen. Ik zei dat hij moest stoppen. Hij bleef maar op haar gezicht in schoppen. Die man bleef maar tegen [slachtoffer] zeggen dat hij haar zou steken. Ook bleef hij haar tegen haar gezicht schoppen. [slachtoffer] probeerde zich te verdedigen met haar linkerhand en begon raar te kuchen. Ik dacht: hij schopt haar letterlijk dood. Ik ben toen naar een lantaarnpaal gelopen die op circa 4 meter afstand stond. Intussen bleef de man [slachtoffer] schoppen tegen haar hoofd.
Het was heel heftig om dit te zien. Ik ben vier jaar lang coördinator van de beveiliging op het Rembrandtplein in Amsterdam geweest. Ik ben dus wel wat gewend maar dit was heel heftig.
U vraagt of het klopt dat het schoppen maar door ging. Ja. U vraagt of ik kan beschrijven hoe hij schopte. Hij schopte tegen de linkerkant van haar hoofd. Hij haalde met zijn been van achteren uit naar voren en schopte zo tegen haar hoofd. U vraagt hoe vaak ik denk dat hij [slachtoffer] heeft geschopt. Dat weet ik niet precies. U vraagt of het vaker dan vijf keer was. Ja. U vraagt of het vaker dan tien keer was. Ik denk tussen vijf en tien keer in. Ik was gefixeerd op zijn handen maar zag intussen wel dat hij haar schopte. U vraagt wat de positie van [slachtoffer] was toen zij geschopt werd. Ze lag gestrekt op haar rug op de grond. Ze is tussendoor nog een keer op gestaan en vervolgens weer naar de grond geslagen. Dat deed hij met een vuist op haar gezicht en vervolgens lag ze weer gestrekt op haar rug op de grond. Ze had met haar rechterhand haar hond nog aan de riem vast en met haar linkerarm probeerde ze de schoppen af te weren.
De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebruikt tot het bewijs van het feit, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebruikt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 11 april 2022 te Alkmaar, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- voornoemde [slachtoffer] met gebalde vuist hard in het gezicht heeft geslagen/gestompt waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en
- vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, met kracht tegen het hoofd heeft geslagen en met geschoeide voet met kracht meermalen tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf en maatregelen
De rechtbank heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank aan de verdachte de maatregel van tbs met voorwaarden opgelegd en bepaald dat de tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Ook heeft de rechtbank de verdachte de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgelegd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, en tot oplegging van de maatregel van tbs met dwangverpleging. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd.
De raadsvrouw heeft primair verzocht om aan de verdachte geen maatregel van tbs op te leggen, nu er geen noodzaak is tot opleggen van deze maatregel omdat de verdachte bereid is tot hulp en begeleiding in een vrijwillig kader. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om aan de verdachte de tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. Volgens de raadsvrouw is er geen noodzaak voor de oplegging van een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van de aangeefster [slachtoffer] door haar veelvuldig tegen het hoofd te slaan en schoppen. Ten tijde van het feit was aan de verdachte een contactverbod met de aangeefster van kracht. Door zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangeefster. Het feit heeft een ernstige impact op haar gehad, zoals ook blijkt uit de toelichting op haar vordering en de slachtofferverklaring die zij ten behoeve van de zitting in hoger beroep heeft ingediend. Daarnaast zijn omstanders getuige geweest van deze grove geweldpleging in de openbare ruimte, wat ook bij hen gevoelens van onveiligheid heeft teweeggebracht.
De persoon van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte van 30 juli 2026 volgt dat hij eerder onder meer onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsincidenten. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte mee bij de strafoplegging. Bovendien heeft de verdachte in 2003 een maatregel van tbs met dwangverpleging opgelegd gekregen wegens verkrachting, welke maatregel na een geleidelijk voorwaardelijk traject in 2019 geheel is beëindigd. Nadien kreeg de verdachte nog een vorm van vrijwillige begeleiding. Het hof acht het zorgelijk dat de verdachte desondanks het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd.
Naar de persoon van de verdachte is een aanvullend ambulant onderzoek gedaan als aanvulling op de rapportage van het Pieter Baan Centrum van 1 maart 2023. In de tussentijd hebben twee geweldsincidenten plaatsgevonden, vanuit de verdachte richting een medepatiënt en richting een medegedetineerde. Het aanvullend ambulant onderzoek heeft geresulteerd in de rapportage van 1 december 2025 van het Pieter Baan Centrum, die is opgemaakt door [deskundige 2] , GZ-psycholoog, en [deskundige 3] , psychiater. Deze rapportage houdt onder meer het volgende in.
Er is bij de verdachte een autismespectrumstoornis en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. Het wantrouwen van de verdachte, zijn cognities en rigiditeit zijn eerder binnen het kader van een psychotische stoornis geplaatst, maar worden nu gezien als kenmerken van een autismespectrumstoornis en passend bij de paranoïde persoonlijkheidstrekken. De stoornissen hebben de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde beïnvloed. De deskundigen adviseren daarom het feit in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De stoornissen zijn duurzaam van aard en zullen onbehandeld ook in de toekomst bijdragen aan soortgelijke feiten. De verdachte toont een beperkt vermogen tot zelfreflectie en heeft onvoldoende controle over zijn agressieregulatie. Tijdens zijn plaatsing in [instelling] in het kader van de tbs-maatregel met voorwaarden, heeft de verdachte op 28 december 2024 een groepsgenoot mishandeld. Vervolgens heeft de verdachte gedurende zijn hechtenis in [detentieadres 2] medio augustus 2025 een medegedetineerde mishandeld. De deskundigen constateren dat een hoge kans bestaat dat de verdachte bij een onheuse bejegening zijn recht met geweld wil afdwingen, zowel buiten als binnen een gestructureerde of geïnterneerde setting. Er is dan ook sprake van een hoog risico op gewelddadig gedrag. Om dit risico te verminderen bieden zowel een ambulant kader als voorwaardelijke klinische kaders te weinig veiligheid en is enkel het kader van de tbs-maatregel met dwangverpleging toereikend. Binnen de behandeling dienen voorspelbaarheid, structuur en weinig prikkels voorop te staan. Het wordt afgeraden om een inzicht gevende behandeling te starten. Een benadering gericht op medicatie en het bieden van duidelijke structuur wordt meer passend geacht.
Ter terechtzitting van 13 augustus 2026 heeft psychiater [deskundige 3] dit advies herhaald en toegelicht. Hij heeft in aanvulling hierop nog naar voren gebracht en benadrukt dat gezien de geweldsrecidives van de verdachte de beveiliging een grotere rol dient te spelen dan ten tijde van de eerdere rapportage uit 2023 is gebleken.
Ter terechtzitting van 13 augustus 2026 heeft reclasseringswerker [deskundige 4] zich aangesloten bij voornoemd advies van de deskundigen. Daartoe heeft hij naar voren gebracht dat de behandelgeschiedenis van de verdachte, de tevergeefse pogingen om aan de door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaarde tbs met voorwaarden adequaat invulling te kunnen geven en de tussentijdse geweldsincidenten met zich brengen dat de beveiliging en zorg van de verdachte dienen plaats te vinden binnen de setting van een tbs-maatregel met dwangverpleging.
Het hof neemt de conclusies uit de hierboven weergegeven rapportage over en maakt deze tot de zijne. Dit betekent dat voor het hof vaststaat dat bij de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde sprake was van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat die de gedragskeuzes van de verdachte hebben beïnvloed. Het hof rekent overeenkomstig het advies in de rapportage de verdachte het bewezenverklaarde feit in verminderde mate toe.
Oplegging van gevangenisstraf
Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit en de recidive niet anders kan worden gereageerd dan met de oplegging van een gevangenisstraf. Daarbij houdt het hof rekening met de (ook) op te leggen maatregelen (zoals hierna wordt overwogen) en met de verminderde toerekenbaarheid van de verdachte. Het hof acht in beginsel, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden met ruim 20 maanden. Een deel van het tijdsverloop kwam door benodigd nader onderzoek vanwege de tussentijdse geweldsincidenten, maar met de raadsvrouw – en dus anders dan de advocaat-generaal – vindt het hof niet dat deze mate van overschrijding geheel voor rekening van de verdachte zou moeten komen. Gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de opgelegde straf matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden met aftrek van het voorarrest.
Tbs-maatregel met dwangverpleging
Naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal het hof, gelet op bovengenoemde rapportage, ook een tbs-maatregel met dwangverpleging aan de verdachte opleggen.
Een tbs-maatregel kan worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden. Eén van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel behoort tot een van de in het eerste lid onder 1 van artikel 37a Sr omschreven misdrijven en dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, het opleggen van de maatregel te eisen.
Het hof stelt vast dat aan deze voorwaarden is voldaan. Bij de verdachte bestonden tijdens het begaan van het bewezenverklaarde feit een autismespectrumstoornis en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis en deze stoornissen hebben de gedragskeuzes van de verdachte beïnvloed. Het feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen vereist het opleggen van de maatregel.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging niet noodzakelijk is. Het hof verwerpt deze stelling. Uit de stukken en de toelichting hierop ter terechtzitting volgt dat de ernst en de complexiteit van de stoornissen maken dat het noodzakelijk is dat de verdachte langdurig klinisch wordt behandeld en dat deze behandeling zal plaatsvinden in een forensisch psychiatrische setting op grond van een tbs-maatregel met dwangverpleging. Het hof deelt de inschatting van de deskundigen dat het recidiverisico als hoog moet worden ingeschat. De verdachte heeft zich al eerder schuldig gemaakt aan belaging van hetzelfde slachtoffer en zoals hiervoor is beschreven heeft hij zich op de [instelling] en in de [detentieadres 2] schuldig gemaakt aan de mishandeling van groepsgenoten. Eerdere behandelingen, onder meer in het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging, en het verblijf binnen een instelling met een lager beveiligingsniveau hebben er aldus niet toe geleid dat het recidivegevaar voldoende is ingeperkt. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen thans zowel de oplegging van de tbs-maatregel als het bevel tot verpleging van overheidswege eist.
Ongemaximeerd
De maatregel van tbs met verpleging van overheidswege wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van die terbeschikkingstelling niet op voorhand is gemaximeerd.
Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (38z Sr)
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of, gelet op het bewezenverklaarde feit, het noodzakelijk is om de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Nu een recent reclasseringsadvies ontbreekt, kan het hof de maatregel niet op vordering van de advocaat-generaal opleggen, maar wel ambtshalve. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de rechter de mogelijkheid heeft om, bij ambtshalve oplegging van de maatregel, zijn inschatting van het toekomstige recidiverisico op andere rapporten of gegevens te baseren.
Door de deskundigen is het recidiverisico als hoog ingeschat en wordt een langdurige, intensieve, klinische behandeling van de verdachte binnen een forensische setting geadviseerd. Gelet hierop en op de duurzaamheid van de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte, is het hof van oordeel dat de reële kans aanwezig is dat het recidiverisico na afloop van de tbs-maatregel nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen. Het hof is daarom van oordeel dat het toekomstig recidiverisico als zodanig hoog moet worden ingeschat dat het ambtshalve aanleiding ziet om de verdachte de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd om de verdachte ook na de tbs-maatregel, indien dat dan nodig blijkt, onder toezicht te stellen, opdat het risico op recidive wordt verkleind.
Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan. Aan de verdachte wordt immers de maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd en oplegging van de maatregel is naar het oordeel van het hof in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen.
Beslag
De advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven schoenen aan de verdachte moeten worden teruggegeven.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven schoenen aan de verdachte toebehoren, zodat daarvan de teruggave aan de verdachte zal worden gelast.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.200,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsvrouw het verzocht het gevorderde bedrag aan immateriële schade fors te matigen, in aansluiting bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven en omdat het causaal verband tussen de PTSS en het strafbare feit niet is aangetoond.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij door het handelen van de verdachte is mishandeld en letsel heeft opgelopen. Daarmee is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Daarnaast blijkt uit de in eerste aanleg ingediende vordering en de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde slachtofferverklaring dat het bewezenverklaarde verstrekkende gevolgen heeft gehad voor de benadeelde partij. Naar aanleiding van haar psychische klachten is een posttraumatische stressstoornis geconstateerd. Ook dit geestelijk letsel leidt op grond van artikel 6:106, onder b, van het BW tot recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade.
Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en zal deze geheel toewijzen. Grondslagen voor de toekenning zijn het veroorzaakte fysieke letsel en de aantasting in persoon op andere wijze, bestaande uit psychisch letsel dat door een deskundige is vastgesteld. Het hof heeft bij de beslissing over de toewijzing van immateriële schade aansluiting gezocht bij de aard en de ernst van de normschending, de aantasting van de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij en de Rotterdamse schaal (paragraaf 13 en 14.2).
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 PR Schoenen (Omschrijving: Goednummer: 1359982, zwart).
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 12 (twaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 april 2022.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. D.A.C. Koster en mr. N. van der Wijngaart, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Kuvel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 augustus 2026.
Mr. B.A.A. Postma en mr. S.B. Kuvel zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.