Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2649

2026-09-16 Strafrecht 23-001209-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-09-16
Publicatiedatum
2026-09-16
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
23-001209-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

medeplegen van een poging tot afpersing + verkopen van cocaïne en het voorbereiden en bevorderen van de handel daarin , bewijsoverweging over waarom naar het oordeel van het hof sprake is van een poging tot afpersing, strafmaatoverweging: het hof zoekt in deze zaak aansluiting bij de LOVS-oriëntatiepunten waarin staat dat voor een woningoverval met bedreiging / licht geweld een gevangenisstraf van 3 jaren kan worden opgelegd - hoewel geen sprake is van hetzelfde strafbare feit, is naar het oordeel van het hof wel sprake van een vergelijkbaar strafbaar feit in de onderhavige zaak, beslag en vordering benadeelde partij - toewijzing materiële schade gevorderd voor aanschaffen videodeurbel en nieuw deurslot

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.991 tekens)
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001209-25
datum uitspraak: 16 september 2026


TEGENSPRAAK


Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2025 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-361066-24 (zaak A) en 13-032102-25 (zaak B) tegen




[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1991,
thans gedetineerd in [detentieadres] .


Onderzoek van de zaak


Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.



Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.



Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.





Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep


De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak A onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daardoor mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis van de rechtbank gegeven vrijspraak.





Tenlasteleggingen


Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:



Zaak A:


1. primair.hij op of omstreeks 12 augustus 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten een bedrag van €200.000.-). in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde partij] en/of een derde toebehoorde(n)


bij de woning van die [benadeelde partij] heeft aangebeld en/of


(vervolgens) nadat door die [benadeelde partij] de deur was opengedaan, een vuurwapen tevoorschijn heeft gehaald en op die [benadeelde partij] heeft gericht en/of


tegen die [benadeelde partij] gezegd dat zij van het mexicaanse kartel zijn en dat een Colombiaanse man die bij die [benadeelde partij] zou hebben verbleven en hun nog 200.000 euro schuldig is en/of


tegen die [benadeelde partij] gezegd: "are you going to pay?".




terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid:


1. subsidiairhij op of omstreeks 12 augustus 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door bij de woning van die [benadeelde partij] aan te bellen en/of (vervolgens) nadat door die [benadeelde partij] de deur was opengedaan, een vuurwapen te voorschijn te halen en op die [benadeelde partij] te richten:


Zaak B:


1.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juli 2024 tot en met 12 augustus 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, en/of in Bulgarijetezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet:

2.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juli 2024 tot en met 12 augustus 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, en/of in Bulgarijetezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of het opzettelijk vervaardigen van een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1. dan wel aangewezen krachtens artikel 3a. vijfde lid van de Opiumwet

een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen.
zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen
voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij. verdachte en/of zijn mededader(s). wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door



gesprekken te voeren en/of berichten te versturen en/of informatie uit te w isselen en/of met anderen plannen te maken over de mogelijkheden om cocaïne, althans harddrugs in Nederland te verkopen en/of afleveren en daartoe ook een of meerdere concrete afspraken heeft gemaakt en/of daarbij afspraken heeft gemaakt over de prijs en/of


filmpjes en/of foto's te versturen en/of te ontvangen waarop brokken en/of blokken cocaïne te zien zijn, waarbij er tevens gesprekken worden gevoerd over de koop en/of verkoop van harddrugs




Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.





Vonnis van de rechtbank


Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd ter bevordering van de leesbaarheid van het arrest. Het hof is het grotendeels met de rechtbank eens, maar zal andere beslissingen nemen ten aanzien van de kwalificatie en de vordering van de benadeelde partij. Het hof komt ook tot een iets andere bewezenverklaring ten aanzien van het in zaak B onder 2 tenlastegelegde.





Bewijsoverweging


De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot afpersing. De verdachte is niet naar de aangever gegaan met de intentie om hem af te persen. De verdachte heeft verklaard dat hij op zoek was naar een Colombiaanse man die hem had bestolen zodat hij hem daarop kon aanspreken. De verdachte was zelf ook verbaasd dat de Colombiaanse man niet de persoon was die de deur open deed. Er is aan de aangever slechts terloops gevraagd of hij dan zou betalen (‘are you going to pay’). Het gevolg daarvan is dat de tenlastegelegde handelingen in dit specifieke geval gelet op de context niet kunnen leiden tot een poging tot afpersing, omdat er geen sprake was van enig strafbaar handelen dat gericht was op het verkrijgen van geld of goederen van de aangever. De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat geen sprake is geweest van medeplegen.



Het hof volgt de raadsman niet en overweegt daartoe als volgt.



Uit het dossier blijkt dat de verdachte en zijn medeverdachten naar de woning van de aangever zijn gegaan en dat zij daar op de voordeur hebben geklopt. Toen de aangever de deur open deed stonden er vier mannen voor zijn woning. Door twee van de verdachten werd direct gevraagd in het Engels ‘waar de Colombiaanse man was’. De medeverdachte zei tegen de aangever dat de Colombiaanse man hen voor €200.000,00 had bestolen. Terwijl de medeverdachte dat zei pakte de verdachte een zilverkleurig wapen, welke hij op de aangever richtte. De aangever reageerde met ‘what the fuck are you doing now’ en heeft tegen de verdachten gezegd dat het wapen weg moest worden gedaan. De medeverdachte reageerde vervolgens met de woorden dat ze van het kartel waren en dat de Colombiaanse man hen €200.000,00 schuldig was. Vervolgens vroeg de medeverdachte aan de aangever ‘are you gonna pay it’?



Het hof is met de rechtbank van oordeel dat sprake is van een poging tot afpersing. Het hof betrekt daarbij het volgende. De verdachten zien vrijwel direct nadat zij bij de aangever hebben aangeklopt dat hij niet de Colombiaanse man is die zij zoeken. Toch wordt er door de verdachte een pistool getrokken en gericht op de aangever op het moment dat gezegd wordt dat de Colombiaanse man de verdachten heeft bestolen voor €200.000,00. Vervolgens wordt ook nog gevraagd aan de aangever of hij gaat betalen. Daarmee is geprobeerd geld afhandig te maken door de aangever te bedreigen met geweld. Dat het niet het oorspronkelijke plan was van de verdachten om bij de aangever geld te halen doet daar niet aan af. Vast staat immers dat de verdachten de aangever – ondanks en nadat duidelijk was dat hij niet de persoon was die zij zochten – hebben bedreigd met een wapen en dat zij hem om geld hebben gevraagd. Op geen enkel moment hebben de verdachten zich teruggetrokken en zijn zij weggegaan nadat voor hun duidelijk werd dat zij de verkeerde persoon voor zich hadden en dat deze niet zou betalen.



Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat ook sprake is geweest van medeplegen. De verdachte is samen met de medeverdachten naar de woning van de aangever gegaan. Bij de woning aangekomen heeft elk van de verdachten een voldoende materiële bijdrage geleverd aan de poging tot afpersing door op een intimiderende wijze aanwezig te zijn voor de deur van de aangever, dreigende taal te uiten en/of door een wapen te tonen. De verdachten hebben daarmee nauw en bewust samengewerkt.



Het hof komt tot de conclusie dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van poging tot afpersing.



De verdediging heeft aangegeven te berusten in hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard in de feiten 2 en 3 op de tenlastelegging.





Bewezenverklaring


Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 primair en in zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:



Zaak A:


1. primair.hij op 12 augustus 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten een bedrag van € 200.000.-). dat aan die [benadeelde partij] en/of een derde toebehoorde


bij de woning van die [benadeelde partij] heeft aangeklopt en


vervolgens nadat door die [benadeelde partij] de deur was opengedaan, een vuurwapen tevoorschijn heeft gehaald en op die [benadeelde partij] heeft gericht en


tegen die [benadeelde partij] gezegd dat zij van het mexicaanse kartel zijn en dat een Colombiaanse man die bij die [benadeelde partij] zou hebben verbleven en hun nog 200.000 euro schuldig is en


tegen die [benadeelde partij] gezegd: "are you going to pay?",


terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid:



Zaak B:


1.hij in de periode van 16 juli 2024 tot en met 12 augustus 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen meermalen opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne

2.hij in de periode van 16 juli 2024 tot en met 12 augustus 2024 te Amsterdam en/of in Bulgarijetezamen en in vereniging met anderenom een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren en verstrekken van een hoeveelheid cocaïne
voorwerpen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders, wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door


gesprekken te voeren en berichten te versturen en informatie uit te wisselen en met anderen plannen te maken over de mogelijkheden om cocaïne in Nederland te verkopen en af te leveren en daartoe ook een of meerdere concrete afspraken heeft gemaakt en daarbij afspraken heeft gemaakt over de prijs en


filmpjes en foto's te versturen en/of te ontvangen waarop blokken cocaïne te zien zijn, waarbij er tevens gesprekken worden gevoerd over de koop en/of verkoop van harddrugs




Hetgeen in zaak A onder 1 primair en in zaak B onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.



Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.





Strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 primair en in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.



Het in zaak A onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van poging tot afpersing.




Het in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van





medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd





en





medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door voorwerpen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weel dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.






Strafbaarheid van de verdachte


De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1 primair en in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.









Oplegging van straf


De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 primair en zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 50 maanden met aftrek van het voorarrest.



De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.



De raadsman heeft verzocht een lagere gevangenisstraf op te leggen dan de rechtbank.



Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.



De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot afpersing. Hij heeft met zijn medeverdachten op een zeer intimiderende en agressieve wijze bij de aangever aan de deur gestaan. Er is daarbij om een groot geldbedrag gevraagd terwijl er een vuurwapen werd getoond en gericht op de aangever. De verdachten gingen hiermee door, ook in de wetenschap dat de aangever niet de persoon was die zij zochten. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij er kennelijk lak aan had dat een onschuldige burger het slachtoffer zou worden van een – naar het lijkt – zakelijk conflict dat de verdachte had in het criminele circuit en waarmee het slachtoffer niets te maken had. De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het verkopen van cocaïne en het voorbereiden en bevorderen van de handel daarin. De handel in cocaïne en het gebruik ervan veroorzaken een bedreiging voor de volksgezondheid, onrust in de samenleving en leiden veelal (direct en indirect) tot diverse vormen van (eveneens zware) criminaliteit. De verdachte heeft zich enkel laten leiden door financieel gewin.



Volgens het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 augustus 2026 is hij niet eerder strafrechtelijk in Nederland veroordeeld.



Het hof zal ten aanzien van het medeplegen van de poging tot afpersing – net als de rechtbank – aansluiting zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten waarin staat dat voor een woningoverval met bedreiging / licht geweld een gevangenisstraf van 3 jaren kan worden opgelegd. Hoewel geen sprake is van hetzelfde strafbare feit, is naar het oordeel van het hof wel sprake van een vergelijkbaar strafbaar feit in de onderhavige zaak Het hof zal strafverminderend meewegen dat sprake is van een poging en dat het strafbare feit niet – geheel - identiek is aan het een woningoverval. Strafverzwarend voor het hof is echter dat bij de bedreiging gebruik is gemaakt van een vuurwapen en dat sprake is geweest van medeplegen. Rekening houdende met het vorengaande komt het hof – net als de rechtbank – tot een uitgangspunt van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden voor het medeplegen van de poging tot afpersing. Voor de Opiumwet feiten komt het hof ook tot gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden. Daarbij wordt meegewogen dat uit het chatverkeer blijkt dat de handel zag op grote hoeveelheden.



Het hof komt – net als de rechtbank – tot het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 50 maanden met aftrek van het voorarrest



Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.




Beslag


Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:



1. 1 STK Telefoontoestel (G6539595 Iphone):


2. 1 STK Telefoontoestel (G6539596 Samsung).




De verdachte heeft met deze telefoons verschillende gesprekken gevoerd met anderen die zien op (het voorbereiden van) handel in cocaïne. Het in de zaak met parketnummer B onder 1 en 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is dan ook begaan met betrekking tot de onder 1 en 2 genoemde telefoons. Zij behoren de verdachte toe. Beide telefoons zullen daarom worden verbeurd verklaard.





Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]


De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 388,00 aan materiële schade en bestaat uit de volgende posten:



Videodeurbel € 119,00


Nieuw deurslot € 269,00




De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde afgewezen, omdat de rechtbank van oordeel is dat de schade geen gevolg is van een onrechtmatige daad die aan de dader is toe te rekenen.



De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.




Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel moet worden toegewezen, omdat wel sprake is van rechtstreekse schade.




Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen of niet-ontvankelijk te verklaren, omdat geen sprake is van rechtstreekse schade. De verdachte zelf heeft verklaard dat hij bereid is de vordering tot schadevergoeding te betalen en dat hij de vordering niet betwist.




Oordeel van het hof

Het hof zal – anders dan de rechtbank – de vordering van de benadeelde partij geheel toewijzen. De kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt voor een videodeurbel en een nieuw deurslot kunnen als rechtstreekse schade worden aangemerkt die het gevolg zijn van de in zaak A onder 1 primair bewezenverklaarde medeplegen van poging tot afpersing. Door het handelen van de verdachte en de medeverdachten is het gevoel van veiligheid van de benadeelde partij aangetast. De aanschaf van een videodeurbel en een nieuw deurslot kunnen dat gevoel van onveiligheid verminderen.




Wettelijke rente

Bij gebreke van een factuur voor de deurbel zal het hof bepalen dat de verdachte vanaf 13 augustus 2024 wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag. Het hof gaat er hierbij van uit dat de deurbel direct na het plegen van het delict is aangeschaft.







Hoofdelijkheid

Het hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Proceskosten

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.




Schadevergoedingsmaatregel

Het hof ziet als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen (medeplegen poging tot afpersing) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.





Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 47, 55, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.





BESLISSING


Het hof:



Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde.



Vernietigt het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht:



Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 primair en zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.



Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.



Verklaart het in zaak A onder 1 primair en in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.



Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 50 (vijftig) maanden.



Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.




Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. 1 STK Telefoontoestel (G6539595. Iphone): 2. 1 STK Telefoontoestel (G6539596. Samsung).




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in zaak A onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 388,00 (driehonderdachtentachtig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het in zaak A onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 388,00 (driehonderdachtentachtig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 13 augustus 2024.































Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.E. van Noort, mr. A.R.O. Mooy en mr. A.M.M.E. Doekes - Beijnes, in tegenwoordigheid van mr. M.E. de Waard, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 september 2026.
















Mrs. R.A.E. van Noort en A.M.M.E. Doekes – Beijnes zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

































=========================================================================


[…]