Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2646
2026-09-29
Civiel recht
200.360.978
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Diversen. Verzoek voorlopig getuigenverhoor. Het verzoek is onvoldoende bepaald (artikel 196 lid 2 onder a Rv). Verzoeker heeft bovendien niet toegelicht hoe hetgeen hij wil bewijzen zou kunnen leiden tot de door hem gewenste herroeping van twee arresten. Daarmee ontbreekt het vereiste belang (artikel 196 lid 2 onder b Rv). Ook is het verzoek zo ongericht van aard, dat het indienen ervan misbruik van bevoegdheid oplevert (artikel 196 lid 2 onder d Rv). Wetsartikelen: Art. 20 lid 1, 196 lid 2 en 384 lid 1 Rv.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.892 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer: 200.360.978/01
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 september 2026
inzake
[appellant]
,
wonend in [plaats 2] ,
verzoeker,
advocaat: mr. E. Doornbos te Badhoevedorp,
tegen
1GEMEENTE HAARLEMMERMEER,
zetelend in Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,
advocaat: mr. S.J.M. Bouwman te Haarlem,
2 [geïntimeerde] ,
gevestigd in [plaats 1] ,
advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans te Den Haag,
verweerders,
Partijen worden hierna [appellant] , de Gemeente en [geïntimeerde] genoemd.
1De procedure
1.1.
[appellant] heeft een verzoekschrift ingediend, met bijlagen, dat is ontvangen ter griffie van het hof op 31 oktober 2025. Het verzoek van [appellant] strekt tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor.
1.2.
Op 31 december 2025 is ter griffie van het hof een verweerschrift van de Gemeente ingekomen. De Gemeente heeft, samengevat, geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [appellant] dan wel tot afwijzing van zijn verzoeken, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en de nakosten, met rente.
1.3.
Op 8 januari 2026 is ter griffie van het hof een verweerschrift van [geïntimeerde] ingekomen. [geïntimeerde] heeft, samengevat, geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [appellant] dan wel tot afwijzing van zijn verzoeken, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, met rente.
1.4.
De Gemeente en [geïntimeerde] hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 2 juli 2026 laten toelichten, de Gemeente door mr. Bouwman voornoemd en [geïntimeerde] door mr. A.D. Onnekink, advocaat te Den Haag, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. [appellant] heeft de zaak zelf toegelicht. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.
1.5.
Op 16 juni 2026 heeft [appellant] een akte ingediend met 28 bijlagen. Deze stukken zijn door het hof niet toegelaten, om de volgende reden:
i. De eerste bij de akte gevoegde bijlage betrof een omvangrijke inhoudelijke reactie op de verweerschriften van de Gemeente en [geïntimeerde] en had het karakter van een (door [appellant] zelf opgestelde) nadere conclusie, voor de indiening waarvan het hof geen toestemming heeft gegeven. Het stuk had bovendien een grotere omvang dan de in het procesreglement neergelegde maximumomvang van 25 pagina’s. De overige 27 bijlagen fungeerden als bijlagen bij dit processtuk en zijn daarom evenmin toelaatbaar.
ii. De akte en de bijlagen zijn in strijd met het procesreglement niet uiterlijk tien kalenderdagen voor de mondelinge behandeling aan de Gemeente en [geïntimeerde] toegestuurd. Deze stukken worden buiten beschouwing gelaten. Niet is gebleken dat de goede procesorde zich daartegen verzet.
In afwijking van het bovenstaande heeft het hof, met instemming van partijen, wel bijlage 9 bij de genoemde akte toegelaten, te weten het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de onder 2.12. genoemde procedure.
1.6.
Uitspraak is bepaald op heden.
2Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten:
2.1.
[appellant] heeft op 1 november 2001 vier percelen gelegen in het gebied bekend als [plaats 3] (hierna: de grond) gekocht van een agrariër. [appellant] heeft de aankoop gedaan in verband met zijn voornemen om een erotisch uitgaanscentrum te realiseren.
2.2.
[appellant] heeft in 2003 geconstateerd dat het einde van zijn financiële mogelijkheden in zicht kwam en heeft de Gemeente verzocht mee te denken over een oplossing voor dit probleem. [appellant] en de Gemeente hebben vervolgens overeenstemming bereikt over de verkoop van de grond door [appellant] aan de Gemeente. Op 17 maart 2004 heeft [appellant] de grond aan de Gemeente geleverd.
2.3.
In verband met haar voornemen om een nieuw transformatorstation te realiseren heeft [geïntimeerde] in 2008 elders in het gebied [plaats 3] percelen gekocht van twee agrariërs, [naam 1] en [naam 2] .
2.4.
Enige tijd nadat [appellant] de grond aan de Gemeente had geleverd, is [appellant] een procedure tegen de Gemeente gestart. In deze procedure heeft hij vergoeding van vertragingsschade gevorderd omdat hij het door hem gewenste uitgaanscentrum nog niet kon ontwikkelen. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen omdat, kort gezegd, niet is komen vast te staan dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld. Tegen dit vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. In dit hoger beroep heeft [appellant] zijn vorderingen gewijzigd. Met de gewijzigde eis vorderde [appellant] onder meer om de Gemeente te veroordelen een bij staat op te maken schadevergoeding te betalen omdat de Gemeente onrechtmatig zou hebben gehandeld door de ontwikkeling van de grond te vertragen gedurende de periode dat [appellant] eigenaar was en andere partijen te bewegen af te zien van aankoop van de grond. In zijn arrest van 10 februari 2009 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en de vorderingen van [appellant] afgewezen.
2.5.
Na gesprekken met [geïntimeerde] , waarbij ook is gesproken over verkoop van de grond aan [geïntimeerde] , zijn [geïntimeerde] en de Gemeente in 2011 een grondruil overeengekomen. De Gemeente heeft de grond geruild tegen de gronden die [geïntimeerde] eerder had gekocht van [naam 1] en [naam 2] , zodat [geïntimeerde] op de grond een transformatorstation kon bouwen.
2.6.
Op 26 juli 2010 heeft [appellant] bij het hof herroeping gevorderd van het onder 2.4. genoemde arrest van 10 februari 2009. Op 24 april 2012 heeft het hof de procedure heropend. In het daaropvolgende eindarrest van 7 april 2015 heeft het hof de vordering van [appellant] tot herroeping van het arrest van 10 februari 2009 afgewezen.
2.7.
Op 1 mei 2012 heeft een medewerker van [geïntimeerde] een e-mail aan een andere medewerker van [geïntimeerde] gestuurd, waarin onder meer het volgende staat:
Was die betreffende wethouder de heer [appellant] ?? Zo te zien wist hij precies wat er ging gebeuren want hij heeft zelfs zijn grond te koop aangeboden aan [geïntimeerde] .
2.8.
In 2012 heeft [appellant] in een voorlopig getuigenverhoor in het kader van een zaak tegen een ambtenaar verschillende getuigen gehoord over onder meer (de aanloop naar) de verkoop van de grond in 2004.
2.9.
Bij dagvaarding van 19 april 2012 heeft [appellant] vernietiging van de met de Gemeente gesloten koopovereenkomst van 2004 gevorderd. Hij heeft aangevoerd dat de koopovereenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen. Bij vonnis van 7 augustus 2013 heeft de rechtbank deze vordering afgewezen. Bij arrest van 26 augustus 2014 heeft het hof dit vonnis bekrachtigd.
2.10.
Sociaal Rechts Haarlemmermeer, de politieke partij die door [appellant] en zijn zoon in 2009 is opgericht en waarvan [appellant] fractievoorzitter is (verder: SRH), heeft door de jaren heen in de gemeenteraad vragen gesteld aan het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente over de aankoop van de grond door de Gemeente en de grondruil met [geïntimeerde] . Ook de fractie [naam 3] ! Haarlemmermeer heeft hierover diverse malen vragen gesteld. Op 20 januari 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de burgemeester en - onder andere - toenmalig gemeenteraadslid [naam 4] van [naam 3] ! Haarlemmermeer. [naam 4] heeft van dat gesprek een verslag opgesteld. In een e-mail van 18 februari 2022 heeft de burgemeester aan [naam 4] onder meer het volgende geschreven:
Bij punt 8 moet staan:
[naam 5] en wethouder [naam 6] hebben samen een gesprek gevoerd bij [geïntimeerde] om het effect van de grondaankoop door [geïntimeerde] van een derde te bespreken. Gezien de aard en het resultaat van het gesprek was er geen aanleiding voor een gespreksverslag.
2.11.
In september 2023 heeft [appellant] herroeping van het arrest van het hof van 7 april 2015 gevorderd. Omdat zich voor [appellant] niet tijdig een advocaat heeft gesteld, is in deze procedure bij arrest van 30 januari 2024 ontslag van instantie aan de Gemeente verleend.
Verzoek voorlopig getuigenverhoor 24 januari 2024
2.12.
Op 24 januari 2024 hebben [appellant] en SRH bij de rechtbank Noord-Holland een verzoekschrift ingediend strekkende tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor over, kort gezegd, het hiervoor beschreven feitencomplex. Op 24 februari 2025 is een herziene versie van het verzoekschrift ingediend. Bij de mondelinge behandeling van dit verzoek hebben [appellant] en SRH desgevraagd verklaard dat het verzoek diende voor het vergaren van bewijs ten behoeve van een door [appellant] tegen de Gemeente en [geïntimeerde] in te stellen nieuwe vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Het verzoek is door de rechtbank bij beschikking van 1 augustus 2025 afgewezen. De rechtbank heeft, kort samengevat, overwogen dat het verzoek het karakter van een fishing expedition had en dat [appellant] en SRH daarom misbruik van bevoegdheid hebben gemaakt door het voorlopig getuigenverhoor te verzoeken.
3Beoordeling
Hoger beroep van de beschikking van 1 augustus 2025 of nieuw verzoek?
3.1.
[appellant] heeft in de onder 2.12. bedoelde procedure bij de rechtbank aangevoerd dat het verzochte getuigenverhoor diende voor het vergaren van bewijs voor een bij de rechtbank in te stellen nieuwe vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Hij stelt in deze procedure dat hij getuigen wil doen horen met het oog op de beoogde herroeping van twee eerder bij het hof gevoerde procedures. Deze wijziging van grondslag leidt tot een processuele complicatie. Uitgaande van de door [appellant] bij het hof aangevoerde nieuwe grondslag voor zijn verzoek, zou gelden dat de rechtbank achteraf bezien niet bevoegd was om kennis te nemen van het verzoek van [appellant] , omdat dit verzoek op grond van artikel 187 lid 1 Rv (oud) had moeten worden gedaan bij de rechter die vermoedelijk bevoegd zou zijn van de zaak kennis te nemen. Op grond van artikel 384 lid 1 Rv is dat niet de rechtbank maar het hof. De vraag is of het hof kan toekomen aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek van [appellant] .
3.2.
Ter zitting heeft het hof deze vraag aan partijen voorgehouden. De Gemeente heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het hof, terwijl [appellant] en [geïntimeerde] , samengevat, het probleem hebben onderkend, maar zich niet hebben uitgesproken over de processuele implicaties ervan.
3.3.
Het verzoek van [appellant] aan het hof is enerzijds gepresenteerd als een hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Holland bedoeld onder 2.12. Anderzijds heeft het verzoekschrift van [appellant] materieel gezien niet (steeds) die strekking. Zoals ter zitting ook aan de orde is gesteld, maakt het verzoekschrift weliswaar duidelijk dat en waarom [appellant] een voorlopig getuigenverhoor wenst, maar worden in het verzoekschrift geen duidelijke grieven tegen overwegingen en beslissingen van de rechtbank geformuleerd. Ook wordt in het verzoekschrift niet geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank.
3.4.
Het hof constateert verder dat het niet inhoudelijk behandelen van het verzoek van [appellant] slechts zou leiden tot vertraging en extra kosten voor alle betrokken partijen; [appellant] zou in dat geval hetzelfde verzoek nogmaals bij het hof kunnen indienen, maar dan (nog duidelijker) gepresenteerd als nieuw verzoek, waarna het alsnog inhoudelijk zou worden behandeld.
3.5.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en in het licht van de in artikel 20 Rv neergelegde verantwoordelijkheid van het hof voor het bewaken van een vlotte en doelmatige procedure, zal het hof het verzoek van [appellant] , hoewel het op zijn minst ambigu is gepresenteerd, aanmerken en behandelen als een nieuw verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor. Bij die beslissing betrekt het hof mede dat de Gemeente en [geïntimeerde] inhoudelijk verweer tegen het verzoek van [appellant] hebben gevoerd en door de beslissing van het hof dus niet in hun verweer worden geschaad.
Beoordeling verzoek
3.6.
Een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor wordt op grond van artikel 196 lid 2 Rv in beginsel toegewezen, tenzij:
a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;
b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
d. het verzoek misbruik van bevoegdheid oplevert; of
e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
3.7.
Verder geldt dat een voorlopig getuigenverhoor slechts kan worden gebruikt om bewijs te verzamelen ten behoeve van een geding bij de burgerlijke rechter. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat hij met het te vergaren bewijs strafbare feiten aan het licht wil brengen of een maatschappelijke misstand aan de kaak wil stellen, geldt dat die belangen het verzoek van [appellant] dus niet kunnen dragen.
3.8.
Voor de toewijzing van een voorlopig getuigenverhoor is vereist dat de verzoeker voldoende duidelijk en concreet maakt op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben. Niet is vereist dat de verzoeker in het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en over welke feiten hij getuigen wil doen horen. Evenmin hoeft de verzoeker zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade. Een voorlopig getuigenverhoor dient er juist toe degene die daarom verzoekt, in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen.
3.9.
De nog te voeren civielrechtelijke procedures met het oog waarop [appellant] getuigen wil horen, strekken tot herroeping - als bedoeld in artikel 382 Rv - van de arresten van het hof van 10 februari 2009 (2.4.) en 26 augustus 2014 (2.9.). Herroeping kan worden toegewezen op de grond dat:
a. het vonnis of arrest berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd;
b. het vonnis of arrest berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld; of
c. de partij na het vonnis of arrest stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
3.10.
De centrale stelling van [appellant] is dat bij de grond op enig moment een onbekende derde partij betrokken is geweest. [appellant] heeft echter niet duidelijk gemaakt welke vorm die betrokkenheid heeft aangenomen, dat en hoe de betrokkenheid van deze derde tot nadeel aan de zijde van [appellant] heeft geleid en, als dat nadeel inderdaad zou bestaan, waarom dat nadeel grond zou kunnen bieden voor enige vordering op de Gemeente en/of [geïntimeerde] . Mocht al komen vast te staan dat:
i. op enig moment een nu nog onbekende derde een relevant belang bij de grond heeft gehad; en
ii. [appellant] daardoor enig nadeel heeft geleden; en
iii. de Gemeente of [geïntimeerde] voor het ontstaan van dat nadeel op enigerlei wijze juridische verantwoordelijkheid dragen;
dan is daarmee nog niet gezegd dat daarmee een grond voor herroeping van de genoemde procedures zou kunnen ontstaan. [appellant] heeft ook niet duidelijk gemaakt welke van de drie herroepingsgronden hij op het oog heeft.
3.11.
Hoewel van [appellant] in het kader van de beoordeling van zijn verzoek niet kan worden verwacht dat hij nauwkeurig uiteenzet welke feiten hij aan zijn herroepings-vordering(en) ten grondslag zal leggen, is voor toewijzing van zijn verzoek wel vereist dat hij ten minste op hoofdlijnen een denkbaar (en mogelijk te bewijzen) feitencomplex presenteert waarvan niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het in toewijzing van een herroepingsvordering zou kunnen resulteren. Daarin is [appellant] niet geslaagd. Door enkel te stellen dat er een derde bij de grond betrokken is geweest, maar daarbij niets te stellen over de hoedanigheid van die derde, over de rol die deze derde zou hebben gespeeld, over hoe [appellant] daarvan nadeel heeft ondervonden en over het tijdvak waarin dit alles zich zou hebben afgespeeld, heeft [appellant] onvoldoende duidelijk gemaakt op welk feitelijk gebeuren het door hem verzochte verhoor betrekking heeft.
3.12.
Daar komt bij dat ook hetgeen door [appellant] wel is gesteld, te weten dat een onbekende derde bij de grond betrokken was, uit niets lijkt te volgen. Als het hof het verzoekschrift van [appellant] goed begrijpt, dan leidt [appellant] de betrokkenheid van de onbekende derde af uit de onder 2.7. en 2.10. bedoelde e-mails en uit het feit dat de grond niet was opgenomen in een zogenaamd Meerjaren Perspectief Grondzaken (MPG).
De e-mail van 1 mei 2012
3.13.
Anders dan [appellant] stelt, bevat de e-mailwisseling van 1 mei 2012 tussen twee medewerkers van [geïntimeerde] geen enkel aanknopingspunt voor de juistheid van de stelling dat er een onbekende derde bij de grond betrokken was. [appellant] heeft er terecht op gewezen dat hij nooit wethouder is geweest, maar raadslid. Uit die enkele fout volgt echter niet dat er een onbekende derde partij is geweest die op enigerlei wijze (economisch of juridisch) bij de grond was betrokken.
De e-mail van 18 februari 2022
3.14.
Ook de e-mail van 18 februari 2022 bevat geen enkele indicatie voor het bestaan van de door [appellant] bedoelde onbekende derde. Juist is dat [geïntimeerde] de bedoelde percelen niet van één maar van twee partijen heeft gekocht ( [naam 1] en [naam 2] ). Het was daarom juister geweest als de burgemeester in zijn e-mail derden had geschreven in plaats van derde, maar deze onvolkomenheid is begrijpelijk in het licht van het feit dat de transactie op het moment van schrijven van de e-mail al tien jaar eerder was afgerond. In ieder geval volgt het bestaan van de door [appellant] bedoelde onbekende derde op geen enkele wijze uit deze e-mail, te minder omdat de e-mail niet gaat over de grond van [appellant] , maar over de grond die [naam 1] en [naam 2] aan [geïntimeerde] hadden verkocht.
De MPG’s
3.15.
De Gemeente heeft toegelicht dat op zichzelf juist is dat de grond niet in de MPG heeft gestaan, maar dat een MPG ook niet bedoeld is om een uitputtend overzicht te geven van alle grondposities van de gemeente. Een MPG vermeldt volgens de Gemeente uitsluitend percelen die deel uitmaken van een actieve grondexploitatie. Voor een compleet overzicht van de gronden die de Gemeente op enig moment in eigendom heeft, kan het kadaster worden geraadpleegd, waaruit blijkt dat de Gemeente (en niet een derde) de grond in het relevante tijdvak in eigendom had. In het licht van dit betoog heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat het feit dat de grond mogelijk op enig moment niet in één of meer MPG’s is vermeld, een aanknopingspunt vormt voor de aanwezigheid van een (voor de positie van [appellant] relevante) derde-belanghebbende.
Conclusie
3.16.
Het dossier bevat onvoldoende aanwijzingen voor het bestaan van de door [appellant] bedoelde onbekende derde partij. Maar zelfs als op enig moment zou blijken dat die derde partij wel zou (hebben) bestaan, dan geldt dat [appellant] onvoldoende concrete stellingen heeft ingenomen over enig (mogelijk) handelen of nalaten van die derde, over de betrokkenheid van de Gemeente of [geïntimeerde] daarbij en over het nadeel dat [appellant] als gevolg daarvan zou hebben ondervonden. Het feitelijke gebeuren waarop het verzochte voorlopig getuigenverhoor betrekking zou moeten hebben, blijft dus in nevelen gehuld, ook nadat [appellant] hierover ter zitting door het hof uitvoerig is bevraagd. Het verzoek is daarmee te onbepaald om voor toewijzing in aanmerking te komen (artikel 196 lid 2 onder a Rv). Daar komt bij dat [appellant] niet heeft toegelicht dat en hoe hetgeen hij beoogt te bewijzen zou kunnen leiden tot herroeping van de twee door het hof gewezen arresten. Daarmee ontbreekt ook het voor toewijzing van het verzoek vereiste belang (artikel 196 lid 2 onder b Rv). Ten slotte geldt dat het verzoek van [appellant] , als gevolg van de gesignaleerde afwezigheid van voldoende uitgewerkte stellingen over de relevante feiten waarop het verhoor betrekking zou moeten hebben, zo ongericht van aard is, dat het uitoefenen van de bevoegdheid tot het indienen van het verzoek misbruik van bevoegdheid oplevert (artikel 196 lid 2 onder d Rv). Gelet op het voorgaande komt het verzoek van [appellant] niet voor toewijzing in aanmerking.
Kosten
3.17.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de proceskosten. Het hof stelt deze proceskosten aan de zijde van zowel de Gemeente als [geïntimeerde] als volgt vast:
- griffierecht € 851,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (€ 1.290,00 twee punten)
Totaal € 3.431,00
4Beslissing
Het hof:
1. wijst het verzoek af;
2. veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de Gemeente vastgesteld op € 3.431,00 en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met
€ 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
3. veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 3.431,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking aan de kostenveroordeling is voldaan;
4. verklaart de veroordelingen onder 2. en 3. uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J.R. Brons, Z.D. van Heesen-Laclé en K. [naam 6] en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer: 200.360.978/01
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 september 2026
inzake
[appellant]
,
wonend in [plaats 2] ,
verzoeker,
advocaat: mr. E. Doornbos te Badhoevedorp,
tegen
1GEMEENTE HAARLEMMERMEER,
zetelend in Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,
advocaat: mr. S.J.M. Bouwman te Haarlem,
2 [geïntimeerde] ,
gevestigd in [plaats 1] ,
advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans te Den Haag,
verweerders,
Partijen worden hierna [appellant] , de Gemeente en [geïntimeerde] genoemd.
1De procedure
1.1.
[appellant] heeft een verzoekschrift ingediend, met bijlagen, dat is ontvangen ter griffie van het hof op 31 oktober 2025. Het verzoek van [appellant] strekt tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor.
1.2.
Op 31 december 2025 is ter griffie van het hof een verweerschrift van de Gemeente ingekomen. De Gemeente heeft, samengevat, geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [appellant] dan wel tot afwijzing van zijn verzoeken, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en de nakosten, met rente.
1.3.
Op 8 januari 2026 is ter griffie van het hof een verweerschrift van [geïntimeerde] ingekomen. [geïntimeerde] heeft, samengevat, geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [appellant] dan wel tot afwijzing van zijn verzoeken, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, met rente.
1.4.
De Gemeente en [geïntimeerde] hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 2 juli 2026 laten toelichten, de Gemeente door mr. Bouwman voornoemd en [geïntimeerde] door mr. A.D. Onnekink, advocaat te Den Haag, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. [appellant] heeft de zaak zelf toegelicht. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.
1.5.
Op 16 juni 2026 heeft [appellant] een akte ingediend met 28 bijlagen. Deze stukken zijn door het hof niet toegelaten, om de volgende reden:
i. De eerste bij de akte gevoegde bijlage betrof een omvangrijke inhoudelijke reactie op de verweerschriften van de Gemeente en [geïntimeerde] en had het karakter van een (door [appellant] zelf opgestelde) nadere conclusie, voor de indiening waarvan het hof geen toestemming heeft gegeven. Het stuk had bovendien een grotere omvang dan de in het procesreglement neergelegde maximumomvang van 25 pagina’s. De overige 27 bijlagen fungeerden als bijlagen bij dit processtuk en zijn daarom evenmin toelaatbaar.
ii. De akte en de bijlagen zijn in strijd met het procesreglement niet uiterlijk tien kalenderdagen voor de mondelinge behandeling aan de Gemeente en [geïntimeerde] toegestuurd. Deze stukken worden buiten beschouwing gelaten. Niet is gebleken dat de goede procesorde zich daartegen verzet.
In afwijking van het bovenstaande heeft het hof, met instemming van partijen, wel bijlage 9 bij de genoemde akte toegelaten, te weten het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de onder 2.12. genoemde procedure.
1.6.
Uitspraak is bepaald op heden.
2Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten:
2.1.
[appellant] heeft op 1 november 2001 vier percelen gelegen in het gebied bekend als [plaats 3] (hierna: de grond) gekocht van een agrariër. [appellant] heeft de aankoop gedaan in verband met zijn voornemen om een erotisch uitgaanscentrum te realiseren.
2.2.
[appellant] heeft in 2003 geconstateerd dat het einde van zijn financiële mogelijkheden in zicht kwam en heeft de Gemeente verzocht mee te denken over een oplossing voor dit probleem. [appellant] en de Gemeente hebben vervolgens overeenstemming bereikt over de verkoop van de grond door [appellant] aan de Gemeente. Op 17 maart 2004 heeft [appellant] de grond aan de Gemeente geleverd.
2.3.
In verband met haar voornemen om een nieuw transformatorstation te realiseren heeft [geïntimeerde] in 2008 elders in het gebied [plaats 3] percelen gekocht van twee agrariërs, [naam 1] en [naam 2] .
2.4.
Enige tijd nadat [appellant] de grond aan de Gemeente had geleverd, is [appellant] een procedure tegen de Gemeente gestart. In deze procedure heeft hij vergoeding van vertragingsschade gevorderd omdat hij het door hem gewenste uitgaanscentrum nog niet kon ontwikkelen. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen omdat, kort gezegd, niet is komen vast te staan dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld. Tegen dit vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. In dit hoger beroep heeft [appellant] zijn vorderingen gewijzigd. Met de gewijzigde eis vorderde [appellant] onder meer om de Gemeente te veroordelen een bij staat op te maken schadevergoeding te betalen omdat de Gemeente onrechtmatig zou hebben gehandeld door de ontwikkeling van de grond te vertragen gedurende de periode dat [appellant] eigenaar was en andere partijen te bewegen af te zien van aankoop van de grond. In zijn arrest van 10 februari 2009 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en de vorderingen van [appellant] afgewezen.
2.5.
Na gesprekken met [geïntimeerde] , waarbij ook is gesproken over verkoop van de grond aan [geïntimeerde] , zijn [geïntimeerde] en de Gemeente in 2011 een grondruil overeengekomen. De Gemeente heeft de grond geruild tegen de gronden die [geïntimeerde] eerder had gekocht van [naam 1] en [naam 2] , zodat [geïntimeerde] op de grond een transformatorstation kon bouwen.
2.6.
Op 26 juli 2010 heeft [appellant] bij het hof herroeping gevorderd van het onder 2.4. genoemde arrest van 10 februari 2009. Op 24 april 2012 heeft het hof de procedure heropend. In het daaropvolgende eindarrest van 7 april 2015 heeft het hof de vordering van [appellant] tot herroeping van het arrest van 10 februari 2009 afgewezen.
2.7.
Op 1 mei 2012 heeft een medewerker van [geïntimeerde] een e-mail aan een andere medewerker van [geïntimeerde] gestuurd, waarin onder meer het volgende staat:
Was die betreffende wethouder de heer [appellant] ?? Zo te zien wist hij precies wat er ging gebeuren want hij heeft zelfs zijn grond te koop aangeboden aan [geïntimeerde] .
2.8.
In 2012 heeft [appellant] in een voorlopig getuigenverhoor in het kader van een zaak tegen een ambtenaar verschillende getuigen gehoord over onder meer (de aanloop naar) de verkoop van de grond in 2004.
2.9.
Bij dagvaarding van 19 april 2012 heeft [appellant] vernietiging van de met de Gemeente gesloten koopovereenkomst van 2004 gevorderd. Hij heeft aangevoerd dat de koopovereenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen. Bij vonnis van 7 augustus 2013 heeft de rechtbank deze vordering afgewezen. Bij arrest van 26 augustus 2014 heeft het hof dit vonnis bekrachtigd.
2.10.
Sociaal Rechts Haarlemmermeer, de politieke partij die door [appellant] en zijn zoon in 2009 is opgericht en waarvan [appellant] fractievoorzitter is (verder: SRH), heeft door de jaren heen in de gemeenteraad vragen gesteld aan het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente over de aankoop van de grond door de Gemeente en de grondruil met [geïntimeerde] . Ook de fractie [naam 3] ! Haarlemmermeer heeft hierover diverse malen vragen gesteld. Op 20 januari 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de burgemeester en - onder andere - toenmalig gemeenteraadslid [naam 4] van [naam 3] ! Haarlemmermeer. [naam 4] heeft van dat gesprek een verslag opgesteld. In een e-mail van 18 februari 2022 heeft de burgemeester aan [naam 4] onder meer het volgende geschreven:
Bij punt 8 moet staan:
[naam 5] en wethouder [naam 6] hebben samen een gesprek gevoerd bij [geïntimeerde] om het effect van de grondaankoop door [geïntimeerde] van een derde te bespreken. Gezien de aard en het resultaat van het gesprek was er geen aanleiding voor een gespreksverslag.
2.11.
In september 2023 heeft [appellant] herroeping van het arrest van het hof van 7 april 2015 gevorderd. Omdat zich voor [appellant] niet tijdig een advocaat heeft gesteld, is in deze procedure bij arrest van 30 januari 2024 ontslag van instantie aan de Gemeente verleend.
Verzoek voorlopig getuigenverhoor 24 januari 2024
2.12.
Op 24 januari 2024 hebben [appellant] en SRH bij de rechtbank Noord-Holland een verzoekschrift ingediend strekkende tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor over, kort gezegd, het hiervoor beschreven feitencomplex. Op 24 februari 2025 is een herziene versie van het verzoekschrift ingediend. Bij de mondelinge behandeling van dit verzoek hebben [appellant] en SRH desgevraagd verklaard dat het verzoek diende voor het vergaren van bewijs ten behoeve van een door [appellant] tegen de Gemeente en [geïntimeerde] in te stellen nieuwe vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Het verzoek is door de rechtbank bij beschikking van 1 augustus 2025 afgewezen. De rechtbank heeft, kort samengevat, overwogen dat het verzoek het karakter van een fishing expedition had en dat [appellant] en SRH daarom misbruik van bevoegdheid hebben gemaakt door het voorlopig getuigenverhoor te verzoeken.
3Beoordeling
Hoger beroep van de beschikking van 1 augustus 2025 of nieuw verzoek?
3.1.
[appellant] heeft in de onder 2.12. bedoelde procedure bij de rechtbank aangevoerd dat het verzochte getuigenverhoor diende voor het vergaren van bewijs voor een bij de rechtbank in te stellen nieuwe vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Hij stelt in deze procedure dat hij getuigen wil doen horen met het oog op de beoogde herroeping van twee eerder bij het hof gevoerde procedures. Deze wijziging van grondslag leidt tot een processuele complicatie. Uitgaande van de door [appellant] bij het hof aangevoerde nieuwe grondslag voor zijn verzoek, zou gelden dat de rechtbank achteraf bezien niet bevoegd was om kennis te nemen van het verzoek van [appellant] , omdat dit verzoek op grond van artikel 187 lid 1 Rv (oud) had moeten worden gedaan bij de rechter die vermoedelijk bevoegd zou zijn van de zaak kennis te nemen. Op grond van artikel 384 lid 1 Rv is dat niet de rechtbank maar het hof. De vraag is of het hof kan toekomen aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek van [appellant] .
3.2.
Ter zitting heeft het hof deze vraag aan partijen voorgehouden. De Gemeente heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het hof, terwijl [appellant] en [geïntimeerde] , samengevat, het probleem hebben onderkend, maar zich niet hebben uitgesproken over de processuele implicaties ervan.
3.3.
Het verzoek van [appellant] aan het hof is enerzijds gepresenteerd als een hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Holland bedoeld onder 2.12. Anderzijds heeft het verzoekschrift van [appellant] materieel gezien niet (steeds) die strekking. Zoals ter zitting ook aan de orde is gesteld, maakt het verzoekschrift weliswaar duidelijk dat en waarom [appellant] een voorlopig getuigenverhoor wenst, maar worden in het verzoekschrift geen duidelijke grieven tegen overwegingen en beslissingen van de rechtbank geformuleerd. Ook wordt in het verzoekschrift niet geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank.
3.4.
Het hof constateert verder dat het niet inhoudelijk behandelen van het verzoek van [appellant] slechts zou leiden tot vertraging en extra kosten voor alle betrokken partijen; [appellant] zou in dat geval hetzelfde verzoek nogmaals bij het hof kunnen indienen, maar dan (nog duidelijker) gepresenteerd als nieuw verzoek, waarna het alsnog inhoudelijk zou worden behandeld.
3.5.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en in het licht van de in artikel 20 Rv neergelegde verantwoordelijkheid van het hof voor het bewaken van een vlotte en doelmatige procedure, zal het hof het verzoek van [appellant] , hoewel het op zijn minst ambigu is gepresenteerd, aanmerken en behandelen als een nieuw verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor. Bij die beslissing betrekt het hof mede dat de Gemeente en [geïntimeerde] inhoudelijk verweer tegen het verzoek van [appellant] hebben gevoerd en door de beslissing van het hof dus niet in hun verweer worden geschaad.
Beoordeling verzoek
3.6.
Een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor wordt op grond van artikel 196 lid 2 Rv in beginsel toegewezen, tenzij:
a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;
b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
d. het verzoek misbruik van bevoegdheid oplevert; of
e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
3.7.
Verder geldt dat een voorlopig getuigenverhoor slechts kan worden gebruikt om bewijs te verzamelen ten behoeve van een geding bij de burgerlijke rechter. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat hij met het te vergaren bewijs strafbare feiten aan het licht wil brengen of een maatschappelijke misstand aan de kaak wil stellen, geldt dat die belangen het verzoek van [appellant] dus niet kunnen dragen.
3.8.
Voor de toewijzing van een voorlopig getuigenverhoor is vereist dat de verzoeker voldoende duidelijk en concreet maakt op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben. Niet is vereist dat de verzoeker in het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en over welke feiten hij getuigen wil doen horen. Evenmin hoeft de verzoeker zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade. Een voorlopig getuigenverhoor dient er juist toe degene die daarom verzoekt, in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen.
3.9.
De nog te voeren civielrechtelijke procedures met het oog waarop [appellant] getuigen wil horen, strekken tot herroeping - als bedoeld in artikel 382 Rv - van de arresten van het hof van 10 februari 2009 (2.4.) en 26 augustus 2014 (2.9.). Herroeping kan worden toegewezen op de grond dat:
a. het vonnis of arrest berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd;
b. het vonnis of arrest berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld; of
c. de partij na het vonnis of arrest stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
3.10.
De centrale stelling van [appellant] is dat bij de grond op enig moment een onbekende derde partij betrokken is geweest. [appellant] heeft echter niet duidelijk gemaakt welke vorm die betrokkenheid heeft aangenomen, dat en hoe de betrokkenheid van deze derde tot nadeel aan de zijde van [appellant] heeft geleid en, als dat nadeel inderdaad zou bestaan, waarom dat nadeel grond zou kunnen bieden voor enige vordering op de Gemeente en/of [geïntimeerde] . Mocht al komen vast te staan dat:
i. op enig moment een nu nog onbekende derde een relevant belang bij de grond heeft gehad; en
ii. [appellant] daardoor enig nadeel heeft geleden; en
iii. de Gemeente of [geïntimeerde] voor het ontstaan van dat nadeel op enigerlei wijze juridische verantwoordelijkheid dragen;
dan is daarmee nog niet gezegd dat daarmee een grond voor herroeping van de genoemde procedures zou kunnen ontstaan. [appellant] heeft ook niet duidelijk gemaakt welke van de drie herroepingsgronden hij op het oog heeft.
3.11.
Hoewel van [appellant] in het kader van de beoordeling van zijn verzoek niet kan worden verwacht dat hij nauwkeurig uiteenzet welke feiten hij aan zijn herroepings-vordering(en) ten grondslag zal leggen, is voor toewijzing van zijn verzoek wel vereist dat hij ten minste op hoofdlijnen een denkbaar (en mogelijk te bewijzen) feitencomplex presenteert waarvan niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het in toewijzing van een herroepingsvordering zou kunnen resulteren. Daarin is [appellant] niet geslaagd. Door enkel te stellen dat er een derde bij de grond betrokken is geweest, maar daarbij niets te stellen over de hoedanigheid van die derde, over de rol die deze derde zou hebben gespeeld, over hoe [appellant] daarvan nadeel heeft ondervonden en over het tijdvak waarin dit alles zich zou hebben afgespeeld, heeft [appellant] onvoldoende duidelijk gemaakt op welk feitelijk gebeuren het door hem verzochte verhoor betrekking heeft.
3.12.
Daar komt bij dat ook hetgeen door [appellant] wel is gesteld, te weten dat een onbekende derde bij de grond betrokken was, uit niets lijkt te volgen. Als het hof het verzoekschrift van [appellant] goed begrijpt, dan leidt [appellant] de betrokkenheid van de onbekende derde af uit de onder 2.7. en 2.10. bedoelde e-mails en uit het feit dat de grond niet was opgenomen in een zogenaamd Meerjaren Perspectief Grondzaken (MPG).
De e-mail van 1 mei 2012
3.13.
Anders dan [appellant] stelt, bevat de e-mailwisseling van 1 mei 2012 tussen twee medewerkers van [geïntimeerde] geen enkel aanknopingspunt voor de juistheid van de stelling dat er een onbekende derde bij de grond betrokken was. [appellant] heeft er terecht op gewezen dat hij nooit wethouder is geweest, maar raadslid. Uit die enkele fout volgt echter niet dat er een onbekende derde partij is geweest die op enigerlei wijze (economisch of juridisch) bij de grond was betrokken.
De e-mail van 18 februari 2022
3.14.
Ook de e-mail van 18 februari 2022 bevat geen enkele indicatie voor het bestaan van de door [appellant] bedoelde onbekende derde. Juist is dat [geïntimeerde] de bedoelde percelen niet van één maar van twee partijen heeft gekocht ( [naam 1] en [naam 2] ). Het was daarom juister geweest als de burgemeester in zijn e-mail derden had geschreven in plaats van derde, maar deze onvolkomenheid is begrijpelijk in het licht van het feit dat de transactie op het moment van schrijven van de e-mail al tien jaar eerder was afgerond. In ieder geval volgt het bestaan van de door [appellant] bedoelde onbekende derde op geen enkele wijze uit deze e-mail, te minder omdat de e-mail niet gaat over de grond van [appellant] , maar over de grond die [naam 1] en [naam 2] aan [geïntimeerde] hadden verkocht.
De MPG’s
3.15.
De Gemeente heeft toegelicht dat op zichzelf juist is dat de grond niet in de MPG heeft gestaan, maar dat een MPG ook niet bedoeld is om een uitputtend overzicht te geven van alle grondposities van de gemeente. Een MPG vermeldt volgens de Gemeente uitsluitend percelen die deel uitmaken van een actieve grondexploitatie. Voor een compleet overzicht van de gronden die de Gemeente op enig moment in eigendom heeft, kan het kadaster worden geraadpleegd, waaruit blijkt dat de Gemeente (en niet een derde) de grond in het relevante tijdvak in eigendom had. In het licht van dit betoog heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat het feit dat de grond mogelijk op enig moment niet in één of meer MPG’s is vermeld, een aanknopingspunt vormt voor de aanwezigheid van een (voor de positie van [appellant] relevante) derde-belanghebbende.
Conclusie
3.16.
Het dossier bevat onvoldoende aanwijzingen voor het bestaan van de door [appellant] bedoelde onbekende derde partij. Maar zelfs als op enig moment zou blijken dat die derde partij wel zou (hebben) bestaan, dan geldt dat [appellant] onvoldoende concrete stellingen heeft ingenomen over enig (mogelijk) handelen of nalaten van die derde, over de betrokkenheid van de Gemeente of [geïntimeerde] daarbij en over het nadeel dat [appellant] als gevolg daarvan zou hebben ondervonden. Het feitelijke gebeuren waarop het verzochte voorlopig getuigenverhoor betrekking zou moeten hebben, blijft dus in nevelen gehuld, ook nadat [appellant] hierover ter zitting door het hof uitvoerig is bevraagd. Het verzoek is daarmee te onbepaald om voor toewijzing in aanmerking te komen (artikel 196 lid 2 onder a Rv). Daar komt bij dat [appellant] niet heeft toegelicht dat en hoe hetgeen hij beoogt te bewijzen zou kunnen leiden tot herroeping van de twee door het hof gewezen arresten. Daarmee ontbreekt ook het voor toewijzing van het verzoek vereiste belang (artikel 196 lid 2 onder b Rv). Ten slotte geldt dat het verzoek van [appellant] , als gevolg van de gesignaleerde afwezigheid van voldoende uitgewerkte stellingen over de relevante feiten waarop het verhoor betrekking zou moeten hebben, zo ongericht van aard is, dat het uitoefenen van de bevoegdheid tot het indienen van het verzoek misbruik van bevoegdheid oplevert (artikel 196 lid 2 onder d Rv). Gelet op het voorgaande komt het verzoek van [appellant] niet voor toewijzing in aanmerking.
Kosten
3.17.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de proceskosten. Het hof stelt deze proceskosten aan de zijde van zowel de Gemeente als [geïntimeerde] als volgt vast:
- griffierecht € 851,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (€ 1.290,00 twee punten)
Totaal € 3.431,00
4Beslissing
Het hof:
1. wijst het verzoek af;
2. veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de Gemeente vastgesteld op € 3.431,00 en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met
€ 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
3. veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 3.431,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking aan de kostenveroordeling is voldaan;
4. verklaart de veroordelingen onder 2. en 3. uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J.R. Brons, Z.D. van Heesen-Laclé en K. [naam 6] en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.