Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2626

2026-09-15 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.363.187/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.363.187/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

‘Onderbewindstelling: maatregel is nodig. Aanhouding beslissing voor uitlating betrokkene over de persoon van de bewindvoerder.’

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.042 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)


zaaknummer: 200.363.187/01
zaaknummer rechtbank: 11816380 EB VERZ 25-7396



beschikking van de meervoudige kamer van 15 september 2026 in de zaak van





[betrokkene] ,

wonende te [plaats 1] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de betrokkene,
advocaat: mr. W.P.A. Vos te Amsterdam,



en




Mentrum Kliniek [kliniek],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: Mentrum .



Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- de besloten vennootschap Goedhart Amsterdam B.V. (hierna: de bewindvoerder),
- [de moeder] (hierna: de moeder),
- [naam 1] (hierna: [naam 1] ),
- [naam 2] (hierna: [naam 2] ), en
- [naam 3] (hierna: [naam 3] ).





1De zaak in het kort


1.1
De zaak gaat over de vraag of de kantonrechter de goederen van de betrokkene terecht onder bewind heeft gesteld.



1.2
De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam heeft op 2 oktober 2025 de goederen van de betrokkene onder bewind gesteld. De betrokkene is het hier niet mee eens en wil dat het verzoek tot onderbewindstelling alsnog wordt afgewezen.






2De procedure in hoger beroep


2.1
De betrokkene is op 2 januari 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 2 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking).



2.2
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de betrokkene van 13 februari 2026 met bijlagen, en
- een bericht van de zijde van [naam 3] van 22 februari 2026,
- een bericht van de zijde van de betrokkene van 26 mei 2026,
- een bericht van de zijde van de betrokkene van 15 juli 2026,
- een bericht van de zijde van de betrokkene van 6 augustus 2026,
- een bericht van de zijde van de bewindvoerder van 10 augustus 2026, en
- een bericht van de zijde van [naam 3] van 10 augustus 2026.



2.3
De zitting heeft op 13 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat,
- Mentrum , vertegenwoordigd door [naam 4] ,
- de bewindvoerder, vertegenwoordigd door [naam 5] , en
- [naam 3] .
De overige betrokkenen zijn op juiste wijze opgeroepen, maar niet ter zitting verschenen.






3De feiten


3.1
De betrokkene is geboren [in] 1971 te [plaats 2] . De betrokkene is de zoon van de moeder en de broer van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .






4De omvang van het hoger beroep


4.1
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking een bewind ingesteld over de goederen die de betrokkene (zullen) toebehoren vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand. Goedhart Amsterdam B.V. is tot bewindvoerder benoemd.



4.2
De betrokkene verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen:
- primair het inleidend verzoek van Mentrum tot onderbewindstelling alsnog af te wijzen.
- subsidiair de zaak aan te houden teneinde de betrokkene in de gelegenheid te stellen een plan van aanpak te overleggen, dan wel een bereidverklaring van een nieuwe bewindvoerder te overleggen.



4.3
Mentrum verzoekt – zo begrijpt het hof – de bestreden beschikking te bekrachtigen.






5De motivering van de beslissing



Wettelijk kader




5.1
Uit artikel 1:431, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter een bewind kan instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren
a. voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
b. voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.
Het bewind kan op grond van het derde lid van voornoemd artikel eveneens worden ingesteld indien te verwachten is dat de rechthebbende binnen afzienbare tijd in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren.



5.2

Uit artikel 1:435, eerste lid, BW volgt dat de rechter bij het instellen van het bewind of zo spoedig mogelijk daarna een bewindvoerder benoemt. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel over de geschiktheid van de te benoemen persoon.
Op grond van 1:435, derde lid, BW volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.




De standpunten





5.3
De betrokkene stelt dat de rechtbank een onjuiste beslissing heeft genomen door het verzoek tot onderbewindstelling toe te wijzen. De betrokkene vindt dat hij lichamelijk en geestelijk in staat is het bewind over zijn goederen en vermogen te voeren. Dat de betrokkene in een psychiatrische kliniek opgenomen is geweest, kan niet tot de conclusie leiden dat hij niet in staat is zelfstandig zijn financiën te regelen. De vaste lasten worden volgens de betrokkene voldaan. Daarnaast stelt de betrokkene dat hij zijn schulden uit de nalatenschap van zijn vader kan aflossen. Indien de betrokkene ondersteuning nodig heeft bij zijn financiën kan hij een beroep doen op zijn netwerk en zijn begeleiding.



5.4
Mentrum is van mening dat de beschikking bekrachtigd moet worden. Mentrum stelt dat zij de betrokkene, voorafgaand aan haar verzoek tot onderbewindstelling, de ruimte heeft gegeven om de regie over zijn financiën te voeren, zodat de betrokkene kon laten zien dat hij hiertoe zelfstandig in staat was. Volgens Mentrum heeft de betrokkene dit niet laten zien en gaf hij geen inzage in zijn financiën. Mentrum voelde zich daarom genoodzaakt een onderbewindstelling van de betrokkene aan te vragen.



5.5
De bewindvoerder heeft ter zitting aangegeven dat de rekeningen van de betrokkene betaald worden. De betrokkene heeft schulden, maar die kunnen uit de nalatenschap van de vader van de betrokkene worden afgelost. Volgens de bewindvoerder wordt de post van de betrokkene niet naar haar doorgestuurd. Verder heeft zij aangegeven dat zij geen regelmatig contact heeft met de betrokkene. De bewindvoerder stelt dat een andere bewindvoerder het bewind niet anders zou uitvoeren dan zij heeft gedaan.



5.6

[naam 3] heeft ter zitting verklaard dat het gedurende een periode beter met de betrokkene ging, maar dat hij de betrokkene nu ziet afglijden. Zo verkeerde de woning van de betrokkene in een zeer rommelige staat en kon hij de betrokkene gedurende vijf dagen niet bereiken omdat de betrokkene zijn telefoon kwijt was. Verder heeft [naam 3] aangegeven dat hij het beheer heeft over het deel van de nalatenschap van de vader waar de betrokkene recht op heeft.



5.7
Het hof gaat in de beoordeling verder in op deze en andere argumenten van de partijen.



De beoordeling door het hof





5.8
Het hof zal eerst beoordelen of de kantonrechter terecht en op juiste gronden ten behoeve van de betrokkene een bewind heeft ingesteld wegens zijn lichamelijke en/of geestelijke toestand.



5.9
Uit de stukken in het dossier en de behandeling ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De betrokkene krijgt ambulante begeleiding op grond van een zorgmachtiging die in oktober 2026 afloopt. De betrokkene is in 2025 een aantal maanden opgenomen geweest in de kliniek [kliniek] . De reden voor de opname van de betrokkene was een manisch-psychotische ontregeling, gekenmerkt door achterdocht, breedsprakigheid en ontremming. Tijdens de opname in 2025 merkte Mentrum op dat de betrokkene geen overzicht had over zijn financiële situatie. De afgelopen jaren had de betrokkene informele ondersteuning op financieel vlak van [naam 3] . Deze ondersteuning was volgens Mentrum onvoldoende omdat het contact tussen [naam 3] en de betrokkene moeizaam verliep. Gezien de langdurige psychische kwetsbaarheid, het structureel ontbreken van financieel overzicht, het risico op verdere schulden en het beperkte sociale vangnet, achtte Mentrum onderbewindstelling van de goederen van de betrokkene dringend noodzakelijk.



5.10
Voor het hof is voldoende aannemelijk geworden dat de gronden voor een bewind ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en nog steeds zijn. Het hof overweegt dat de betrokkene onvoldoende overzicht heeft over zijn financiële situatie. Voorafgaand aan het bewind bleef belangrijke post ongeopend liggen, werden rekeningen niet betaald en ontbrak er actieve communicatie met [naam 3] over lopende verplichtingen. De betrokkene beschikte ook niet over een geldige identiteitskaart en wist niet bij welke energieleverancier hij was aangesloten. Ter zitting in hoger beroep heeft de bewindvoerder naar voren gebracht dat de betrokkene regelmatig zijn betaalpas kwijt is en dat zij dan voor hem een nieuwe betaalpas aanvraagt. Het hof acht ondersteuning van het netwerk van de betrokkene onvoldoende, omdat de betrokkene slechts beperkt hulp toelaat en geen volledig inzicht geeft in zijn financiële positie. Hierdoor is het hof, met Mentrum , van oordeel dat de betrokkene door zijn netwerk niet afdoende begeleid kon en kan worden bij het op orde brengen van zijn financiële situatie. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter, gelet op het voorgaande, terecht ten behoeve van de betrokkene een bewind ingesteld dat in de huidige situatie van de betrokkene ook moet worden voortgezet. Het hof ziet geen aanleiding voor een aanhouding van de zaak voor een aanlevering van een plan van aanpak door de betrokkene. Het hof is immers van oordeel dat voortzetting van het bewind (nog) noodzakelijk is. Zoals ter zitting is besproken, kan de betrokkene zijn plan van aanpak wel bij de bewindvoerder inbrengen, en kan aan de hand daarvan in het kader van het bewind een zelfstandigheidstraject onderzocht worden.



Persoon van de bewindvoerder





5.11

De betrokkene heeft uitdrukkelijk aangegeven dat hij een voorkeur heeft voor een andere bewindvoerder dan Goedhart Amsterdam B.V. Aanvankelijk heeft [naam 3] op 22 februari 2026 het hof bericht bereid te zijn om als bewindvoerder voor zijn broer op te treden. De bewindvoerder heeft zich daarop akkoord verklaard met benoeming van [naam 3] tot bewindvoerder. Bij bericht van 10 augustus 2026 is [naam 3] echter teruggekomen op zijn bereidverklaring. Gezien de inmiddels toegenomen ernst van de situatie is [naam 3] van mening dat zijn benoeming tot bewindvoerder niet meer in het belang van de betrokkene is, ook vanwege een mogelijke verstrengeling van belangen.
De betrokkene heeft nog geen bereidverklaring van een andere mogelijke bewindvoerder overgelegd. Het hof overweegt dat, gelet op het feit dat de bereidverklaring van [naam 3] in een laat stadium is ingetrokken, de betrokkene de gelegenheid dient te krijgen om alsnog een bereidverklaring van een bewindvoerder naar zijn voorkeur in het geding te brengen. Het hof verzoekt de advocaat van de betrokkene om voor 13 oktober 2026 per brief een voorstel te doen van de persoon die bereid en in staat is de taak van bewindvoerder uit te oefenen, voorzien van diens naam en adresgegevens, alsmede een schriftelijke bereidverklaring van die beoogde bewindvoerder. Het hof zal in afwachting daarvan de procedure pro forma aanhouden.




5.12
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.






6De beslissing


Het hof:



houdt de beslissing pro forma aan tot 13 oktober 2026, in afwachting van hetgeen is vermeld in rechtsoverweging 5.11.




Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. M. Overmars en mr. A.R. van Wieren, in tegenwoordigheid van mr. N.L. Lusink als griffier en is op 15 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.