Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2624
2026-09-15
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.358.566/01 en
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
mentorschap en bewind. Het hof acht voortzetting van het bewind voorlopig noodzakelijk. Gronden voor een mentorschap waren achteraf bezien niet aanwezig.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2008:BC4959 Hoge Raad 20-06-2008
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.824 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.358.566/01 (bewind) en
200.358.568/01 (mentorschap)
zaaknummers rechtbank: 11744467 EB VERZ 25-5640 en
11744488 EB VERZ 25-5641
beschikking van de meervoudige kamer van 15 september 2026 in de zaak van
[betrokkene] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. V.N. Sakkers te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [dochter 1] (hierna: dochter [dochter 1] );
- [dochter 2] (hierna: dochter [dochter 2] );
- [naam] h.o.d.n. [X] dienstverlening, bij de hierna vermelde beschikkingen van 17 juni 2025 benoemd tot bewindvoerder respectievelijk mentor van betrokkene (hierna: [X] dienstverlening of de bewindvoerder/mentor).
1De zaak in het kort
1.1
De zaak gaat over de vraag of een bewind en een mentorschap terecht is ingesteld en nu nog nodig is voor betrokkene.
1.2
De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) heeft bij twee afzonderlijke beschikkingen van 17 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking(en)), respectievelijk de (toekomstige) goederen van betrokkene onder bewind gesteld en een mentorschap ingesteld ten behoeve van betrokkene, met benoeming van [X] dienstverlening tot bewindvoerder en mentor. Betrokkene is het met die beslissingen niet eens en wil dat de inleidende verzoeken alsnog worden afgewezen. De bewindvoerder/mentor is het wel eens met de beslissingen van de kantonrechter.
2De procedure in hoger beroep
2.1
Betrokkene is op 28 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van beide bestreden beschikkingen.
2.2
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van betrokkene van 25 september 2025 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van betrokkene van 3 april 2026 met bijlagen;
- een bericht van de bewindvoerder en mentor van 9 april 2026.
2.3
De zitting heeft op 9 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- dochter [dochter 1] .
Dochter [dochter 2] was, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig ter zitting. De bewindvoerder en mentor was, met bericht van afwezigheid, niet aanwezig ter zitting.
2.4
Na de zitting heeft het hof, bij bericht van 10 april 2026, de bewindvoerder en mentor verzocht om het hof te informeren over en een overzicht toe te sturen met betrekking tot de volgende aangelegenheden:
1. 1. Wat was de totale schuldenlast van betrokkene op het moment dat de rechtbank het bewind heeft uitgesproken? Wat was de aard en omvang van de schulden van betrokkene (welk type schuld had de betrokkene openstaan bij welke schuldeiser)?
2. 2. Welke schulden zijn sinds dat moment door u als bewindvoerder afgelost?
3. 3. Wat is op dit moment de totale resterende schuldenlast?
4. 4. Zijn er inmiddels betalingsregelingen getroffen met schuldeisers? Zo ja, met welke schuldeisers en onder welke voorwaarden?
5. 5. Wat zijn op dit moment de inkomsten en uitgaven van betrokkene?
6. 6. Kunt u ons de boedelbeschrijving sturen die u ook aan de kantonrechter zond?
2.5
Op 30 april 2026 heeft het hof een bericht met bijlagen ontvangen van de bewindvoerder en mentor. Betrokkene heeft de gelegenheid gekregen daarop schriftelijk te reageren. Het hof heeft op 15 juni 2026 een schriftelijke reactie ontvangen van betrokkene. In dit bericht heeft betrokkene zijn verzoeken gewijzigd en vermeerderd.
3De feiten
Betrokkene is geboren [in] 1948 te Curaçao.
4De omvang van het hoger beroep
4.1
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking met zaaknummer 11744467 EB VERZ 25-5640, op het verzoek van betrokkene, de goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene onder bewind gesteld vanwege zijn geestelijke of lichamelijke toestand. In de bestreden beschikking met zaaknummer 11744488 EB VERZ 25-5641 heeft de kantonrechter op dezelfde grond een mentorschap ingesteld ten behoeve van betrokkene. [naam] h.o.d.n. [X] dienstverlening is benoemd tot bewindvoerder/mentor.
4.2
Betrokkene verzoekt de bestreden beschikkingen te vernietigen en het bewind en mentorschap op te heffen.
4.3
In het bericht van 15 juni 2026 heeft betrokkene zijn verzoek gewijzigd en vermeerderd en primair verzocht de inleidende verzoeken tot onderbewindstelling en instelling van een mentorschap af te wijzen en subsidiair verzocht om de zaken terug te verwijzen naar de rechtbank zodat hij zijn standpunt kenbaar kan maken en alsnog gehoord kan worden, meer subsidiair het bewind en mentorschap op te heffen, althans de omvang daarvan te beperken en uiterst subsidiair zijn dochter [dochter 1] tot bewindvoerder en mentor te benoemen.
4.4
De bewindvoerder/mentor verzoekt – zo begrijpt het hof uit het bericht van de bewindvoerder/mentor van 9 april 2026 – de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.
5De motivering van de beslissing
(I) Vermeerdering van het verzoek door betrokkene in het bericht van 15 juni 2026
5.1
Het hof stelt vast dat betrokkene zijn verzoek heeft gewijzigd en vermeerderd na de zitting in hoger beroep, dus na zijn eerste processtuk. Het hof overweegt dat een verzoek in hoger beroep in beginsel kan worden gewijzigd zolang het hof nog geen eindbeschikking heeft gewezen. Daarbij geldt echter de in beginsel strakke regel met betrekking tot het wijzigen van verzoeken in hoger beroep, zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 20 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC4959, de zogenoemde twee-conclusieleer). Op grond daarvan dient een wijziging van het verzoek in beginsel uiterlijk in het beroepschrift te worden opgenomen, zodat de wederpartij en de rechter tijdig kennis kunnen nemen van het gewijzigde verzoek en daarop kunnen reageren.
Met betrekking tot het primaire verzoek van betrokkene dat strekt tot afwijzing van de inleidende verzoeken tot onderbewindstelling en de instelling van een mentorschap, is het hof van oordeel dat al uit het beroepschrift voldoende bleek dat dit resultaat wordt beoogd. De advocaat van betrokkene heeft dat ter zitting ook bevestigd. Het hof zal dus, naast het oorspronkelijke verzoek tot opheffing van het bewind en mentorschap, ook dit verzoek bij de beoordeling betrekken.
Dit geldt echter niet voor het (uiterst) subsidiaire verzoek om de dochter tot bewindvoerder en mentor te benoemen. De bewindvoerder en mentor heeft hierop ook niet meer kunnen reageren. Er zijn verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd of gebleken die aanleiding geven om van de hiervoor genoemde in beginsel strakke regel af te wijken. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat toelating van dit verzoek in strijd zou komen met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal dit verzoek daarom niet in de beoordeling betrekken.
5.2
In zijn bericht van 15 juni 2026 verzoekt betrokkene verder subsidiair om de beschikkingen te vernietigen en de zaken terug te verwijzen naar de rechtbank om hem alsnog in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. In het beroepschrift heeft betrokkene daarover gesteld dat hij niet is gehoord bij de rechtbank en de procedure daarmee in strijd is met fundamentele beginselen van procesrecht.
Het hof overweegt dat de stelling omtrent het ontbreken van horen in eerste aanleg niet kan leiden tot vernietiging van de bestreden beschikkingen, omdat deze stelling betrekking heeft op een gestelde fout of omissie uit de eerste aanleg, die in hoger beroep is hersteld. Betrokkene is immers gehoord op de zitting van 9 april 2026. Voor terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank bestaat geen grond.
Het standpunt van betrokkene
5.3
Betrokkene stelt dat de kantonrechter ten onrechte een bewind en mentorschap heeft ingesteld. Betrokkene heeft nooit vrijwillig ingestemd met deze maatregelen. Hij is slechtziend en dacht dat hij stukken ondertekende voor een betalingsregeling en stelt dan ook dat hij is misleid en geen verzoek heeft gedaan tot instelling van een bewind en mentorschap. Mocht het hof van oordeel zijn dat wel een verzoek is gedaan tot instelling van een bewind en mentorschap, dan stelt betrokkene dat de grond voor bewind en mentorschap ontbreekt. Betrokkene is in staat zijn eigen belangen te behartigen. Uit niets blijkt dat sprake is van een functionele beperking in het dagelijks handelen of in de besluitvorming van betrokkene. Het instellen van bewind en mentorschap is disproportioneel en er had gekozen moeten worden voor een minder ingrijpende voorziening, zoals het maatschappelijk buurtteam. Betrokkene kent de bewindvoerder en mentor niet en meent dat zijn belangen ook niet goed door haar worden behartigd.
Het wettelijk kader
Bewind
5.4
Op grond van artikel 1:431, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren:
a. voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
b. voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.
5.5
Op grond van artikel 1:449, tweede lid, BW kan de kantonrechter, indien de noodzaak niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen, zulks op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.
Mentorschap
5.6
Op grond van artikel 1:450, eerste lid, BW kan de kantonrechter ten behoeve van een meerderjarige een mentorschap instellen indien de meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.
5.7
Op grond van artikel 1:462, tweede lid, BW kan de kantonrechter, indien de noodzaak niet meer bestaat of voortzetting van het mentorschap niet zinvol is gebleken, het mentorschap opheffen, zulks op verzoek van de mentor of van degene die gerechtigd is mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 1:451, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.
(II) Inhoudelijke beoordeling
5.8
Voor zover betrokkene heeft aangevoerd dat hij het bewind niet heeft gewild overweegt het hof dat vast staat dat betrokkene het verzoek tot bewind en mentorschap heeft ondertekend. Dat betrokkene onder valse voorwendselen is bewogen tot ondertekening van de stukken, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij instemde met een schuldenregeling en niet met een verzoek tot onderbewindstelling, heeft hij niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. Het hof zal aan deze stelling dan ook voorbij gaan.
Bewind
5.9
Met betrekking tot het bewind overweegt het hof als volgt. Voor de instelling van een bewind is vereist dat betrokkene als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Voor het hof is voldoende aannemelijk geworden dat de gronden voor een bewind ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en dat die nog steeds aanwezig zijn. Uit de door de advocaat van betrokkene overgelegde medische verklaring van het Amsterdam UMC, locatie AMC, van 18 april 2025 blijkt dat de arts van de Poli Ouderengeneeskunde vasculaire schade aan de hersenen (‘vasculair belast brein’), zonder objectiveerbare cognitieve stoornissen, vaststelt. Het hof stelt op basis van de (overige) stukken, het besprokene op de zitting en de eigen waarneming ter zitting echter vast dat niettemin sprake is van een verhoogde kwetsbaarheid van betrokkene als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. Uit de uitdraai patiëntenkaart van de huisarts van 22 april 2025 blijkt dat reeds in september 2021 de aantekening ‘kwetsbare oudere’ wordt gemaakt en dat er in februari 2025 kennelijk (wel) signalen waren van vergeetachtigheid. Betrokkene woont in een seniorencomplex en is slechtziend. Overgelegde stukken en de wijze waarop betrokkene met zijn financiële verplichtingen is omgegaan, bevestigen het beeld dat betrokkene zijn financiële situatie en de gevolgen van zijn handelen niet altijd volledig kan overzien. Ten tijde van de instelling van het bewind was sprake van een totale schuldenlast van betrokkene van ruim € 6.000,-, zo blijkt uit het bericht van de bewindvoerder/mentor van 1 mei 2026. Er was onder meer sprake van een betalingsachterstand bij een zorginstelling (dagbesteding) terwijl betrokkene vanuit het Zilveren Kruis een vergoeding op zijn rekening gestort kreeg waarmee hij in staat was deze kosten te betalen. Ook was sprake van een huurachterstand omdat betrokkene op enig moment is gestopt met het betalen van de huur, waardoor betrokkene zijn woning had kunnen verliezen. Hij heeft geprobeerd de schulden af te lossen door nieuwe schulden te maken bij de gemeentelijke kredietbank [plaats ] . Dit gedrag van betrokkene duidt op problemen bij het zelfstandig beheren van de financiën.
Sinds de betrokkenheid van de bewindvoerder/mentor is de betalingsachterstand bij de zorginstelling en de huurachterstand gedeeltelijk afbetaald, maar er staat nog een substantieel bedrag open van bijna € 4.000,- . Volgens het budgetplan-maandoverzicht bestaat er weinig ruimte voor aflossing van de schulden. De financiële situatie is kwetsbaar en voorkomen moet worden dat betaling van de huur en daarmee huisvesting opnieuw onder druk komen te staan.
5.10
Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat betrokkene als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is zijn belangen van vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen. Betrokkene heeft geen concreet en voldoende onderbouwd voorstel gedaan waaruit blijkt op welke wijze zijn financiële situatie in het vrijwillige kader duurzaam en verantwoord kan worden geregeld. Hij heeft weliswaar verklaard dat Humanitas hem zou kunnen helpen met zijn financiën, maar enige concrete onderbouwing daarvan ontbreekt. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de kantonrechter terecht en op goede gronden een bewind heeft ingesteld. Het hof acht het noodzakelijk dat het bewind voorlopig wordt voortgezet en ziet geen grond om tot opheffing van het bewind over te gaan. De komende periode zal moeten blijken op welke wijze de resterende schulden kunnen worden afbetaald en of betrokkene wellicht met hulp van derden in een vrijwillig kader weer in staat zal zijn zijn vermogensrechtelijke belangen zelfstandig te behartigen.
Mentorschap
5.11
Ten aanzien van het mentorschap overweegt het hof als volgt. Voor de instelling van een mentorschap moet zijn voldaan aan de voorwaarde dat betrokkene als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is, dan wel wordt bemoeilijkt, zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen. Naar het oordeel van het hof is van een dergelijke situatie onvoldoende gebleken. Hetgeen uit de stukken en ter zitting is gebleken leidt niet tot de conclusie dat betrokkene op het gebied van persoonlijke belangenbehartiging, zoals behandeling en begeleiding, niet (voldoende) in staat is om zelf beslissingen te nemen of zijn belangen kenbaar te maken. Ter zitting is duidelijk geworden dat betrokkene eenmaal per week dagbesteding aangeboden krijgt bij een buurthuis ( [Y] ) in [stadsdeel] , waar hij zelfstandig naartoe reist met zijn scootmobiel. Betrokkene heeft een woning in een seniorencomplex en beschikt in zijn woning over een knop waarmee hij de receptie kan bellen in geval van nood. Daarnaast weet betrokkene de zorgvoorzieningen in [plaats ] goed te vinden op de momenten dat hij hulp nodig heeft. Het hof is van oordeel dat de instelling van een mentorschap achteraf bezien niet nodig is geweest omdat de gronden hiervoor niet aanwezig waren en zal de beslissing tot instelling van het mentorschap dan ook vernietigen.
Samenwerking bewindvoerder en betrokkene
5.12
Ter zitting in hoger beroep is duidelijk geworden dat op dit moment de samenwerking tussen de bewindvoerder en betrokkene onvoldoende is. Sinds het begin van de maatregelen is er nauwelijks contact geweest tussen betrokkene en de bewindvoerder en het lukt betrokkene (en zijn advocaat) niet om in contact te komen met de bewindvoerder. Hoewel het positief is dat de afgelopen periode is gestart met het afbetalen van betalingsachterstanden, acht het hof het van belang dat op korte termijn verandering wordt gebracht in de samenwerking met betrokkene. Het hof benadrukt dat betrokkene op passende wijze geïnformeerd en betrokken moet worden bij beslissingen die zijn financiële belangen raken en gaat ervan uit dat de bewindvoerder zich de komende periode zal inspannen om de communicatie en samenwerking met betrokkene te verbeteren.
5.13
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.358.566/01 (bewind):
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam met zaaknummer 11744467 EB VERZ 25-5640;
in de zaak met zaaknummer 200.358.568/01 (mentorschap):
vernietigt de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam met zaaknummer 11744488 EB VERZ 25-5641, en opnieuw rechtdoende;
wijst af het inleidend verzoek tot instelling van een mentorschap;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. A.N. van de Beek en mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. M. Hermans als griffier en is op 15 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.358.566/01 (bewind) en
200.358.568/01 (mentorschap)
zaaknummers rechtbank: 11744467 EB VERZ 25-5640 en
11744488 EB VERZ 25-5641
beschikking van de meervoudige kamer van 15 september 2026 in de zaak van
[betrokkene] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. V.N. Sakkers te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [dochter 1] (hierna: dochter [dochter 1] );
- [dochter 2] (hierna: dochter [dochter 2] );
- [naam] h.o.d.n. [X] dienstverlening, bij de hierna vermelde beschikkingen van 17 juni 2025 benoemd tot bewindvoerder respectievelijk mentor van betrokkene (hierna: [X] dienstverlening of de bewindvoerder/mentor).
1De zaak in het kort
1.1
De zaak gaat over de vraag of een bewind en een mentorschap terecht is ingesteld en nu nog nodig is voor betrokkene.
1.2
De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) heeft bij twee afzonderlijke beschikkingen van 17 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking(en)), respectievelijk de (toekomstige) goederen van betrokkene onder bewind gesteld en een mentorschap ingesteld ten behoeve van betrokkene, met benoeming van [X] dienstverlening tot bewindvoerder en mentor. Betrokkene is het met die beslissingen niet eens en wil dat de inleidende verzoeken alsnog worden afgewezen. De bewindvoerder/mentor is het wel eens met de beslissingen van de kantonrechter.
2De procedure in hoger beroep
2.1
Betrokkene is op 28 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van beide bestreden beschikkingen.
2.2
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van betrokkene van 25 september 2025 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van betrokkene van 3 april 2026 met bijlagen;
- een bericht van de bewindvoerder en mentor van 9 april 2026.
2.3
De zitting heeft op 9 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- dochter [dochter 1] .
Dochter [dochter 2] was, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig ter zitting. De bewindvoerder en mentor was, met bericht van afwezigheid, niet aanwezig ter zitting.
2.4
Na de zitting heeft het hof, bij bericht van 10 april 2026, de bewindvoerder en mentor verzocht om het hof te informeren over en een overzicht toe te sturen met betrekking tot de volgende aangelegenheden:
1. 1. Wat was de totale schuldenlast van betrokkene op het moment dat de rechtbank het bewind heeft uitgesproken? Wat was de aard en omvang van de schulden van betrokkene (welk type schuld had de betrokkene openstaan bij welke schuldeiser)?
2. 2. Welke schulden zijn sinds dat moment door u als bewindvoerder afgelost?
3. 3. Wat is op dit moment de totale resterende schuldenlast?
4. 4. Zijn er inmiddels betalingsregelingen getroffen met schuldeisers? Zo ja, met welke schuldeisers en onder welke voorwaarden?
5. 5. Wat zijn op dit moment de inkomsten en uitgaven van betrokkene?
6. 6. Kunt u ons de boedelbeschrijving sturen die u ook aan de kantonrechter zond?
2.5
Op 30 april 2026 heeft het hof een bericht met bijlagen ontvangen van de bewindvoerder en mentor. Betrokkene heeft de gelegenheid gekregen daarop schriftelijk te reageren. Het hof heeft op 15 juni 2026 een schriftelijke reactie ontvangen van betrokkene. In dit bericht heeft betrokkene zijn verzoeken gewijzigd en vermeerderd.
3De feiten
Betrokkene is geboren [in] 1948 te Curaçao.
4De omvang van het hoger beroep
4.1
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking met zaaknummer 11744467 EB VERZ 25-5640, op het verzoek van betrokkene, de goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene onder bewind gesteld vanwege zijn geestelijke of lichamelijke toestand. In de bestreden beschikking met zaaknummer 11744488 EB VERZ 25-5641 heeft de kantonrechter op dezelfde grond een mentorschap ingesteld ten behoeve van betrokkene. [naam] h.o.d.n. [X] dienstverlening is benoemd tot bewindvoerder/mentor.
4.2
Betrokkene verzoekt de bestreden beschikkingen te vernietigen en het bewind en mentorschap op te heffen.
4.3
In het bericht van 15 juni 2026 heeft betrokkene zijn verzoek gewijzigd en vermeerderd en primair verzocht de inleidende verzoeken tot onderbewindstelling en instelling van een mentorschap af te wijzen en subsidiair verzocht om de zaken terug te verwijzen naar de rechtbank zodat hij zijn standpunt kenbaar kan maken en alsnog gehoord kan worden, meer subsidiair het bewind en mentorschap op te heffen, althans de omvang daarvan te beperken en uiterst subsidiair zijn dochter [dochter 1] tot bewindvoerder en mentor te benoemen.
4.4
De bewindvoerder/mentor verzoekt – zo begrijpt het hof uit het bericht van de bewindvoerder/mentor van 9 april 2026 – de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.
5De motivering van de beslissing
(I) Vermeerdering van het verzoek door betrokkene in het bericht van 15 juni 2026
5.1
Het hof stelt vast dat betrokkene zijn verzoek heeft gewijzigd en vermeerderd na de zitting in hoger beroep, dus na zijn eerste processtuk. Het hof overweegt dat een verzoek in hoger beroep in beginsel kan worden gewijzigd zolang het hof nog geen eindbeschikking heeft gewezen. Daarbij geldt echter de in beginsel strakke regel met betrekking tot het wijzigen van verzoeken in hoger beroep, zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 20 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC4959, de zogenoemde twee-conclusieleer). Op grond daarvan dient een wijziging van het verzoek in beginsel uiterlijk in het beroepschrift te worden opgenomen, zodat de wederpartij en de rechter tijdig kennis kunnen nemen van het gewijzigde verzoek en daarop kunnen reageren.
Met betrekking tot het primaire verzoek van betrokkene dat strekt tot afwijzing van de inleidende verzoeken tot onderbewindstelling en de instelling van een mentorschap, is het hof van oordeel dat al uit het beroepschrift voldoende bleek dat dit resultaat wordt beoogd. De advocaat van betrokkene heeft dat ter zitting ook bevestigd. Het hof zal dus, naast het oorspronkelijke verzoek tot opheffing van het bewind en mentorschap, ook dit verzoek bij de beoordeling betrekken.
Dit geldt echter niet voor het (uiterst) subsidiaire verzoek om de dochter tot bewindvoerder en mentor te benoemen. De bewindvoerder en mentor heeft hierop ook niet meer kunnen reageren. Er zijn verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd of gebleken die aanleiding geven om van de hiervoor genoemde in beginsel strakke regel af te wijken. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat toelating van dit verzoek in strijd zou komen met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal dit verzoek daarom niet in de beoordeling betrekken.
5.2
In zijn bericht van 15 juni 2026 verzoekt betrokkene verder subsidiair om de beschikkingen te vernietigen en de zaken terug te verwijzen naar de rechtbank om hem alsnog in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. In het beroepschrift heeft betrokkene daarover gesteld dat hij niet is gehoord bij de rechtbank en de procedure daarmee in strijd is met fundamentele beginselen van procesrecht.
Het hof overweegt dat de stelling omtrent het ontbreken van horen in eerste aanleg niet kan leiden tot vernietiging van de bestreden beschikkingen, omdat deze stelling betrekking heeft op een gestelde fout of omissie uit de eerste aanleg, die in hoger beroep is hersteld. Betrokkene is immers gehoord op de zitting van 9 april 2026. Voor terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank bestaat geen grond.
Het standpunt van betrokkene
5.3
Betrokkene stelt dat de kantonrechter ten onrechte een bewind en mentorschap heeft ingesteld. Betrokkene heeft nooit vrijwillig ingestemd met deze maatregelen. Hij is slechtziend en dacht dat hij stukken ondertekende voor een betalingsregeling en stelt dan ook dat hij is misleid en geen verzoek heeft gedaan tot instelling van een bewind en mentorschap. Mocht het hof van oordeel zijn dat wel een verzoek is gedaan tot instelling van een bewind en mentorschap, dan stelt betrokkene dat de grond voor bewind en mentorschap ontbreekt. Betrokkene is in staat zijn eigen belangen te behartigen. Uit niets blijkt dat sprake is van een functionele beperking in het dagelijks handelen of in de besluitvorming van betrokkene. Het instellen van bewind en mentorschap is disproportioneel en er had gekozen moeten worden voor een minder ingrijpende voorziening, zoals het maatschappelijk buurtteam. Betrokkene kent de bewindvoerder en mentor niet en meent dat zijn belangen ook niet goed door haar worden behartigd.
Het wettelijk kader
Bewind
5.4
Op grond van artikel 1:431, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren:
a. voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
b. voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.
5.5
Op grond van artikel 1:449, tweede lid, BW kan de kantonrechter, indien de noodzaak niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen, zulks op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.
Mentorschap
5.6
Op grond van artikel 1:450, eerste lid, BW kan de kantonrechter ten behoeve van een meerderjarige een mentorschap instellen indien de meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.
5.7
Op grond van artikel 1:462, tweede lid, BW kan de kantonrechter, indien de noodzaak niet meer bestaat of voortzetting van het mentorschap niet zinvol is gebleken, het mentorschap opheffen, zulks op verzoek van de mentor of van degene die gerechtigd is mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 1:451, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.
(II) Inhoudelijke beoordeling
5.8
Voor zover betrokkene heeft aangevoerd dat hij het bewind niet heeft gewild overweegt het hof dat vast staat dat betrokkene het verzoek tot bewind en mentorschap heeft ondertekend. Dat betrokkene onder valse voorwendselen is bewogen tot ondertekening van de stukken, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij instemde met een schuldenregeling en niet met een verzoek tot onderbewindstelling, heeft hij niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. Het hof zal aan deze stelling dan ook voorbij gaan.
Bewind
5.9
Met betrekking tot het bewind overweegt het hof als volgt. Voor de instelling van een bewind is vereist dat betrokkene als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Voor het hof is voldoende aannemelijk geworden dat de gronden voor een bewind ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en dat die nog steeds aanwezig zijn. Uit de door de advocaat van betrokkene overgelegde medische verklaring van het Amsterdam UMC, locatie AMC, van 18 april 2025 blijkt dat de arts van de Poli Ouderengeneeskunde vasculaire schade aan de hersenen (‘vasculair belast brein’), zonder objectiveerbare cognitieve stoornissen, vaststelt. Het hof stelt op basis van de (overige) stukken, het besprokene op de zitting en de eigen waarneming ter zitting echter vast dat niettemin sprake is van een verhoogde kwetsbaarheid van betrokkene als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. Uit de uitdraai patiëntenkaart van de huisarts van 22 april 2025 blijkt dat reeds in september 2021 de aantekening ‘kwetsbare oudere’ wordt gemaakt en dat er in februari 2025 kennelijk (wel) signalen waren van vergeetachtigheid. Betrokkene woont in een seniorencomplex en is slechtziend. Overgelegde stukken en de wijze waarop betrokkene met zijn financiële verplichtingen is omgegaan, bevestigen het beeld dat betrokkene zijn financiële situatie en de gevolgen van zijn handelen niet altijd volledig kan overzien. Ten tijde van de instelling van het bewind was sprake van een totale schuldenlast van betrokkene van ruim € 6.000,-, zo blijkt uit het bericht van de bewindvoerder/mentor van 1 mei 2026. Er was onder meer sprake van een betalingsachterstand bij een zorginstelling (dagbesteding) terwijl betrokkene vanuit het Zilveren Kruis een vergoeding op zijn rekening gestort kreeg waarmee hij in staat was deze kosten te betalen. Ook was sprake van een huurachterstand omdat betrokkene op enig moment is gestopt met het betalen van de huur, waardoor betrokkene zijn woning had kunnen verliezen. Hij heeft geprobeerd de schulden af te lossen door nieuwe schulden te maken bij de gemeentelijke kredietbank [plaats ] . Dit gedrag van betrokkene duidt op problemen bij het zelfstandig beheren van de financiën.
Sinds de betrokkenheid van de bewindvoerder/mentor is de betalingsachterstand bij de zorginstelling en de huurachterstand gedeeltelijk afbetaald, maar er staat nog een substantieel bedrag open van bijna € 4.000,- . Volgens het budgetplan-maandoverzicht bestaat er weinig ruimte voor aflossing van de schulden. De financiële situatie is kwetsbaar en voorkomen moet worden dat betaling van de huur en daarmee huisvesting opnieuw onder druk komen te staan.
5.10
Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat betrokkene als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is zijn belangen van vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen. Betrokkene heeft geen concreet en voldoende onderbouwd voorstel gedaan waaruit blijkt op welke wijze zijn financiële situatie in het vrijwillige kader duurzaam en verantwoord kan worden geregeld. Hij heeft weliswaar verklaard dat Humanitas hem zou kunnen helpen met zijn financiën, maar enige concrete onderbouwing daarvan ontbreekt. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de kantonrechter terecht en op goede gronden een bewind heeft ingesteld. Het hof acht het noodzakelijk dat het bewind voorlopig wordt voortgezet en ziet geen grond om tot opheffing van het bewind over te gaan. De komende periode zal moeten blijken op welke wijze de resterende schulden kunnen worden afbetaald en of betrokkene wellicht met hulp van derden in een vrijwillig kader weer in staat zal zijn zijn vermogensrechtelijke belangen zelfstandig te behartigen.
Mentorschap
5.11
Ten aanzien van het mentorschap overweegt het hof als volgt. Voor de instelling van een mentorschap moet zijn voldaan aan de voorwaarde dat betrokkene als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is, dan wel wordt bemoeilijkt, zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen. Naar het oordeel van het hof is van een dergelijke situatie onvoldoende gebleken. Hetgeen uit de stukken en ter zitting is gebleken leidt niet tot de conclusie dat betrokkene op het gebied van persoonlijke belangenbehartiging, zoals behandeling en begeleiding, niet (voldoende) in staat is om zelf beslissingen te nemen of zijn belangen kenbaar te maken. Ter zitting is duidelijk geworden dat betrokkene eenmaal per week dagbesteding aangeboden krijgt bij een buurthuis ( [Y] ) in [stadsdeel] , waar hij zelfstandig naartoe reist met zijn scootmobiel. Betrokkene heeft een woning in een seniorencomplex en beschikt in zijn woning over een knop waarmee hij de receptie kan bellen in geval van nood. Daarnaast weet betrokkene de zorgvoorzieningen in [plaats ] goed te vinden op de momenten dat hij hulp nodig heeft. Het hof is van oordeel dat de instelling van een mentorschap achteraf bezien niet nodig is geweest omdat de gronden hiervoor niet aanwezig waren en zal de beslissing tot instelling van het mentorschap dan ook vernietigen.
Samenwerking bewindvoerder en betrokkene
5.12
Ter zitting in hoger beroep is duidelijk geworden dat op dit moment de samenwerking tussen de bewindvoerder en betrokkene onvoldoende is. Sinds het begin van de maatregelen is er nauwelijks contact geweest tussen betrokkene en de bewindvoerder en het lukt betrokkene (en zijn advocaat) niet om in contact te komen met de bewindvoerder. Hoewel het positief is dat de afgelopen periode is gestart met het afbetalen van betalingsachterstanden, acht het hof het van belang dat op korte termijn verandering wordt gebracht in de samenwerking met betrokkene. Het hof benadrukt dat betrokkene op passende wijze geïnformeerd en betrokken moet worden bij beslissingen die zijn financiële belangen raken en gaat ervan uit dat de bewindvoerder zich de komende periode zal inspannen om de communicatie en samenwerking met betrokkene te verbeteren.
5.13
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.358.566/01 (bewind):
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam met zaaknummer 11744467 EB VERZ 25-5640;
in de zaak met zaaknummer 200.358.568/01 (mentorschap):
vernietigt de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam met zaaknummer 11744488 EB VERZ 25-5641, en opnieuw rechtdoende;
wijst af het inleidend verzoek tot instelling van een mentorschap;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. A.N. van de Beek en mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. M. Hermans als griffier en is op 15 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.