Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2594
2026-08-14
Strafrecht
23-000190-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, gelet op artikel 416 lid 2 Sv. Verdachte wenst hoger beroep niet langer te handhaven.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.204 tekens)
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000190-26
datum uitspraak: 14 augustus 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 januari 2026 in de strafzaak onder parketnummer 13-276584-25 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1983,
adres: [adres].
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 augustus 2026.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hoger beroep van de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Door of namens de verdachte zijn per e-mailbericht van 18 mei 2026 de bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Blijkens het e-mailbericht van de raadsvrouw van 13 augustus 2026 wenst de verdachte het hoger beroep niet te handhaven. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, Sv. Gelet hierop en nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak, zal het hoger beroep van de verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, Sv.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. A.C. Bijlsma en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. R.C.E. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 augustus 2026.
parketnummer: 23-000190-26
datum uitspraak: 14 augustus 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 januari 2026 in de strafzaak onder parketnummer 13-276584-25 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1983,
adres: [adres].
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 augustus 2026.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hoger beroep van de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Door of namens de verdachte zijn per e-mailbericht van 18 mei 2026 de bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Blijkens het e-mailbericht van de raadsvrouw van 13 augustus 2026 wenst de verdachte het hoger beroep niet te handhaven. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, Sv. Gelet hierop en nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak, zal het hoger beroep van de verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, Sv.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. A.C. Bijlsma en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. R.C.E. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 augustus 2026.