Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2591

2026-09-08 Strafrecht 23-000687-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-09-08
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
23-000687-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vernietiging van het vonnis waarvan beroep; artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering. Veroordeling ter zake van overtreding van art. 5 WVW tot een voorwaardelijke geldboete van € 300. Bewezenverklaarde feitelijke gedraging(en) aan te merken als gedraging(en) waardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt en hinder voor het verkeer is ontstaan als bedoeld in art. 5 WVW. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Overwegingen i.v.m. einde volmacht door overlijden bp, de omvang van de vordering bp in hoger beroep en de toewijzing van de vordering bp bij een (niet ten gevolge van het bewezenverklaarde feit) overleden benadeelde partij.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (35.316 tekens)
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000687-26
datum uitspraak: 8 september 2026


TEGENSPRAAK


Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 18 maart 2026 in de strafzaak onder parketnummer 13-334926-24 tegen




[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,
adres: [adres].


Onderzoek van de zaak


Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 augustus 2026.



De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.



Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte, zijn raadsvrouw en de nabestaande van de benadeelde partij (dochter) naar voren hebben gebracht.





Tenlastelegging


Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:



primairhij op of omstreeks 15 juni 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (bromfiets), daarmee rijdende op de weg, de Korte 's-Gravesandestraat, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers:

- heeft hij, verdachte, niet, in elk geval niet voldoende, op het overige verkeer gelet en/of is blijven letten en/of
- heeft hij, verdachte, geen gevolg gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemde driekleurige verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en/of
- is hij, verdachte, tegen een fietser aangereden en/of gebotst, waardoor de bestuurder van voornoemde fietser ten val is gekomen en/of Waarbij letsel aan personen, te weten [slachtoffer], is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;


subsidiairhij op of omstreeks 15 juni 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (bromfiets) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Korte 's-Gravesandestraat, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, waarbij letsel aan personen, te weten [slachtoffer], is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht



Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.





Vonnis waarvan beroep


Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.





Bewijsoverweging


De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat in het dossier overtuigend bewijs ontbreekt dat het verkeersongeval aan het verkeersgedrag van de verdachte te wijten is. Gezien de ontkennende verklaring van de verdachte en de omstandigheid dat uit de verklaring van getuige [getuige] volgt dat meerdere scooters met de verdachte opreden, acht de verdediging het onwaarschijnlijk dat alle scooters door rood zijn gereden. Niet kan worden uitgesloten dat het slachtoffer zich heeft vergist in het feit dat het licht voor haar op groen stond en dat de getuige [getuige] zich heeft vergist in het feit dat de verdachte door rood is gereden. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het enkel door rood rijden onvoldoende is voor een bewezenverklaring van overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).



Het hof overweegt hieromtrent als volgt.



Het hof gaat er op grond van de volgende feiten en omstandigheden vanuit dat de verdachte op 15 juni 2024 op de kruising ter hoogte van de Mauritskade te Amsterdam door rood licht is gereden.



De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij de verdachte door rood licht heeft zien rijden. [getuige] reed op dat moment in zijn personenauto op de Mauritskade in Amsterdam, gaande in de richting van de Wibautstraat. Uit zijn verklaring blijkt dat hij zag dat het verkeerslicht ter hoogte van de 's-Gravesandestraat voor rechtdoor op rood sprong. Er reden drie scooterrijders voor hem. Zij maakten alle drie geen aanstalten om te remmen. Het verkeerslicht stond al twee à drie seconden op rood, toen hij zag dat alle drie de scooterrijders het rode verkeerslicht negeerden en de kruising Mauritskade met de ’s-Gravesandestraat overstaken. Hij zag de fietsers die voor het verkeerslicht komende uit de richting van Korte 's-Gravesandestraat en gaande in de richting van de 's-Gravesandestraat stonden, op hun fiets stappen en de kruising over steken. [getuige] zag dat een van de scooterrijders, zijnde de verdachte, een vrouwelijke fietser in de flank raakte en dat zij met haar hoofd op de grond viel. Een en ander geeft steun aan de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer] dat zij bij de betreffende oversteekplaats groen licht had toen zij op haar fiets stapte en het verkeerslicht passeerde. Uit haar verklaring bij de politie volgt dat zij altijd van haar fiets afstapte om over te steken. Zij kwam bij het stoplicht en dat stond op rood. Zij is toen blijven wachten. Toen het stoplicht op groen sprong is zij met beleid opgestapt. Het hof heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen te twijfelen. Het hof is van oordeel dat er voor de stelling van de verdediging dat de verdachte door groen licht is gereden, geen verdere aanknopingspunten kunnen worden gevonden in het dossier. Het hof betrekt daarbij dat de verdachte wisselend heeft verklaard. Uit het dossier blijkt dat de verdachte op 15 juni 2024 aan verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij door het oranje verkeerslicht reed en dat hij vervolgens tijdens zijn verhoor bij de politie op 7 september 2024 heeft verklaard dat hij groen licht had. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij niet meer weet of het verkeerslicht oranje of groen licht uitstraalde. Op grond van al het voorgaande concludeert het hof dat de verdachte door het rode verkeerslicht is gereden. Anders dan de verdediging heeft bepleit doet het gegeven dat ten tijde van de aanrijding sprake is geweest van meerdere scooters die door rood licht reden en meerdere fietsers die de kruising overstaken, niets af aan het oordeel van het hof dat de verdachte door een rood stoplicht is gereden en vervolgens het slachtoffer heeft aangereden, terwijl zij, nadat ze keurig had gewacht tot het stoplicht groen werd, op haar fiets was gestapt en de kruising overstak.




Artikel 5 WVW

De vraag is vervolgens of de bewezenverklaarde feitelijke gedraging is aan te merken als een gedraging waardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW. Die vraag dient naar het oordeel van het hof bevestigend te worden beantwoord. Het staat vast:- dat de verdachte niet is gestopt voor een voor het verkeer in zijn richting geldend rood uitstralend verkeerslicht, terwijl dit licht al twee á drie seconden op rood stond;

- dat de verdachte vervolgens zonder aanstalten te maken om af te remmen door dat rode verkeerslicht rechtdoor een kruising is opgereden en daarbij kennelijk niet, althans niet tijdig, heeft waargenomen dat een fietsster al voornoemde kruising was opgereden;
- dat hij de voornoemde fietsster vervolgens niet voor heeft laten gaan en niet, althans niet voldoende is uitgeweken, waardoor hij tegen de fietsster is aangebotst, met letsel en schade tot gevolg.
Het hof is van oordeel dat dit verkeersgedrag waarbij de verdachte niet heeft geanticipeerd op de situatie op de weg, waar midden op de dag op een druk kruispunt meerdere fietsers reden, moet worden aangemerkt als gedrag waardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt en hinder voor het verkeer is ontstaan als bedoeld in artikel 5 WVW.




Bewezenverklaring


Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 juni 2024 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (bromfiets), daarmee rijdende op de weg, de Korte 's-Gravesandestraat, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd, immers:

- heeft hij, verdachte, niet voldoende, op het overige verkeer gelet en
- heeft hij, verdachte, geen gevolg gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemde driekleurige verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en
- is hij, verdachte, tegen een fietser aangereden en/of gebotst, waardoor de bestuurder van voornoemde fiets ten val is gekomen en waarbij letsel aan personen, te weten [slachtoffer], is ontstaan en schade aan goederen is toegebracht.


Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.



Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen van dit arrest zijn vervat.






Bewijsmiddelen


De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die
daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit
waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.



I. Een proces-verbaal verhoor slachtoffer [slachtoffer] van 7 september 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 11 - 12).


Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 september 2024 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:




Op 15 juni 2024, omstreeks 12.23 uur bent u betrokken geraakt bij een aanrijding. Kunt u vertellen wat er is gebeurd? Ik was op mijn fiets. Bij het stoplicht van de Mauritskade heb ik gelopen. Ik stap altijd van mijn fiets af om over te steken. Ik kwam bij het stoplicht en dat stond op rood. Ik ben blijven wachten. Hij sprong op groen en met beleid stapte ik op, ik was halverwege en toen zag ik een scooter in mijn ooghoek. Toen lag ik ineens op de grond. Het is een heel druk punt. Mijn fiets is geraakt op het voorwiel. Naderhand had ik op mijn linkerdijbeen een enorme bloeduitstorting. Ik ben met de ambulance meegenomen. De brug van mijn neus was gebroken. Ik had een gebroken rechterarm.




II. Een proces-verbaal verhoor getuige [getuige] van 15 juni 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 8 - 10).


Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 juni 2024 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige]:



Op zaterdag 15 juni 2024 om 12.19 uur bevond ik mij in mijn personenauto op de Mauritskade te Amsterdam. Ik kwam uit de richting van Zeeburgerdijk en reed in de richting van de Wibautstraat. Ik zag dat er voor mij drie scooters reden. Ik zag het verkeerslicht ter hoogte van de 's-Gravesandestraat voor rechtdoor op rood springen. Ik zag alle drie de scooters geen aanstalten maken om te remmen. Ik zag dat het verkeerslicht al twee á drie seconden op rood stond. Ik zag de scooterrijders het rode verkeerslicht negeren en de kruising Mauritskade met de 's Gravesandestraat over steken. Ik zag de fietsers die voor het verkeerslicht komende uit de richting van de Korte ’s-Gravesandestraat en gaande in de richting van de ’s-Gravesandestraat stonden, op hun fiets stappen en de kruising oversteken. Ik zag dat een van de scooterrijders de vrouwelijke fietser in de flank raakte en de vrouw met haar hoofd op de grond viel. De bestuurder is de jongen die hier ook nog staat.




III. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 25 augustus 2026.


Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:



Ik reed op 15 juni 2024 in Amsterdam op mijn scooter. Het klopt dat ik bij het oversteken van een kruising, waar stoplichten stonden, een mevrouw op de fiets heb geraakt bij haar voorwiel, waardoor zij ten val is gekomen.






Strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.



Het primair bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.






Strafbaarheid van de verdachte


De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.





Oplegging van straf


De kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 300,00 euro subsidiair 3 dagen jeugddetentie.



De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot de in eerste aanleg door de kantonrechter opgelegde straf.



De raadsvrouw heeft het hof – in het geval van strafoplegging – verzocht om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete op te leggen en bij het bepalen van de straf rekening te houden met art. 63 Sr, het tijdsverloop en de omstandigheid dat de verdachte direct na het ongeval openstond voor mediation.




Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.



De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5 WVW. Doordat hij een rood uitstralend verkeerslicht negeerde en onvoldoende anticipeerde op de wegsituatie heeft hij de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. Het (hoogbejaarde) slachtoffer op de fiets, een zeer kwetsbare verkeersdeelnemer, heeft als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte letsel opgelopen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is duidelijk geworden dat het ongeval zijn weerslag heeft gehad op haar leven in de maanden na het ongeval en dat zij in de eerste weken onder meer hulp nodig heeft gehad bij haar dagelijkse verzorging. Het slachtoffer is op 20 maart 2025 overleden. Dit was niet het gevolg van het ongeval, maar het ongeval heeft de laatste levensperiode van het slachtoffer wel negatief beïnvloed, zo heeft haar dochter ter terechtzitting toegelicht. Dit had voorkomen kunnen worden, als de verdachte had afgezien van zijn gevaarlijke rijgedrag.



Het hof heeft gelet op het strafblad van de verdachte van 6 augustus 2026 en stelt vast dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is.



Het hof heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken door rechters worden opgelegd. Het hof heeft daarnaast in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte heeft laten blijken dat hij zich bewust is van de gevolgen van het verkeersongeval, dat hij zich van meet af aan empathisch heeft opgesteld en dat hij na het ongeval uit eigen beweging contact heeft gezocht met het slachtoffer. Het hof betrekt daarbij de jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van het bewezen geachte feit.



Alles overwegende acht het hof, ter zake van het primair bewezen geachte, oplegging van een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 300,00 indien niet naar behoren verricht te vervangen door 3 dagen jeugddetentie, passend en geboden. Nu de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde minderjarig was, zal het hof het aantal dagen gijzeling op 0 stellen.





Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]


De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.618,65 ter compensatie van materiële schade en € 2.381,35 ter compensatie van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.924,25 waarvan € 2.424.25 ter compensatie van materiële schade en € 1.500,00 ter compensatie van immateriële schade.




Einde volmacht en omvang vordering in hoger beroep

De benadeelde partij [slachtoffer] is op 20 maart 2025 overleden. Op grond van artikel 421 lid 2 Sv duurt haar voeging, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep. De nabestaande van de benadeelde partij (hierna: de dochter) heeft ter terechtzitting in hoger beroep mondeling aangegeven dat de nabestaanden wensen dat de oorspronkelijke vordering in hoger beroep gehandhaafd wordt. Het hof leidt uit het verzoek tot schadevergoeding af dat het de wens was van de benadeelde partij dat vragen over de vordering door haar dochter zouden worden beantwoord. Die kennelijke volmacht van de dochter is op grond van artikel 3:72 onder A van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van rechtswege komen te vervallen door het overlijden van haar moeder op 20 maart 2025. Dit betekent dat de vordering die in eerste aanleg door de benadeelde partij is ingediend, in hoger beroep niet door de nabestaanden gehandhaafd kon worden tot het oorspronkelijke bedrag. Aan het hof ligt dan ook uitsluitend de beoordeling voor van het in eerste aanleg bij vonnis toegewezen bedrag tot schadevergoeding.





Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij volledig zal worden toegewezen met uitzondering van de genoemde schadeposten onder nummer 3 en 4 in de kostentabel op pagina 8 van het verzoek tot schadevergoeding, respectievelijk de reiskosten van de zoon voor het herstel van de bril en de fiets en de reiskosten voor de ondersteuning bij het gesprek met de dader.




Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft het hof primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft zij het hof verzocht de vordering ten aanzien van de maaltijden af te wijzen, de gevorderde kosten voor de bril te matigen, en de benadeelde
partij niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de reiskosten van en naar het AMC. Daartoe heeft zij – kort samengevat – aangevoerd dat het causaal verband tussen de kosten voor de maaltijden en het bewezenverklaarde feit ontbreekt, dat de kosten voor de bril uitzonderlijk hoog zijn en dat een afsprakenoverzicht van het AMC noch een bewijs van de gemaakte reiskosten is overgelegd.



De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de immateriële schade op het standpunt gesteld dat het bedrag dient te worden gematigd tot een bedrag van € 750,00 omdat het dossier geen informatie bevat over de duur van het herstel van het letsel. De verdediging heeft zich bij dit bedrag gebaseerd op de ondergrens van de in de categorie ‘licht letsel’ van de Rotterdamse schaal onder (b) genoemde bandbreedte, waarbij sprake is van korte medische behandeling met uiteindelijk restloos herstel. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd ten aanzien van de kosten voor de zonnebril, de reparatiekosten voor de fiets en het vervoer in verband met de verzorging van de benadeelde partij na het ongeval.



Ter onderbouwing van het lichamelijk letsel heeft de dochter een letselverklaring van het AMC overgelegd. Ten aanzien van de kosten van de bril heeft zij naar voren gebracht dat de benadeelde partij vanwege de oogziekte macula-degeneratie een bril droeg met speciale en dure glazen die niet verkrijgbaar waren bij een reguliere opticiën. De gevorderde kosten zijn de werkelijk gemaakte kosten ter vervanging van de vernielde glazen en het montuur. De verzekering heeft geen kosten vergoed.



Het hof overweegt als volgt.




Materiële schade




In eerste aanleg is voor vergoeding van materiële schade een bedrag van totaal € 2.424.25 toegewezen. In zoverre ligt de vordering ter beoordeling voor aan het hof. Het oordeel van het hof over dit gedeelte van de vordering luidt als volgt.



Het is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Immers blijkt uit het dossier dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte letsel heeft opgelopen waarvoor medisch ingrijpen noodzakelijk was en dat haar fiets en (zonne)bril beschadigd waren.



De benadeelde partij heeft vergoeding van de volgende materiële schadeposten gevorderd;

1. Reiskosten met de auto naar dochter in Den Haag in verband met verzorging eerste dagen € 35,40;
2 – Reiskosten vervoer met de auto door zoon van huis en naar het AMC € 54,30;
3 – Reiskosten van zoon in verband met herstel van de bril en fiets in de week na het ongeval € 108,55;
4 – Reiskosten van zoon in verband met ondersteuning gesprek met dader in Amsterdam € 51,50;
5 – Reiskosten OV naar dochter in Den Haag in verband met verzorging 4 keer retour met bus en trein, gereduceerd tarief € 110,40;
6 – Reiskosten taxi eerste afspraak AMC in verband met controle € 50,00;
7 – Reiskosten naar AMC met OV 3 keer enkele reis gereduceerd tarief € 6,55;
8 – Kant en klaar maaltijden in verband met gebroken pols voor de eerste 2 weken € 84,00;
9 – Fietsreparatie (voorwiel) € 86,95;
10 – Vervanging zonnebril € 50,00;
11 – Vervanging bril en montuur met gezondheidsglazen € 1.981,00.


Reiskosten van zoon (nummer 3 en 4) en maaltijden (nummer 8)
Artikel 51f, eerste lid, Sv eist voor ontvankelijkheid van de benadeelde partij in een strafproces dat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde strafbare feit. Uit de rechtspraak volgt dat van rechtstreekse schade sprake is indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de gevorderde schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Gezien het voorgaande is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van de gevorderde reiskosten van de zoon in verband met het gesprek met de verdachte en het herstel van de bril en de fiets.



Met de raadsvrouw is het hof verder van oordeel dat de relatief geringe kosten voor de kant en klaar maaltijden niet als een gevolg van de bewezenverklaarde gebeurtenis aan de verdachte kunnen worden toegerekend nu de benadeelde partij ook kosten had moeten maken voor de bereiding van haar maaltijden, indien het bewezenverklaarde feit niet had plaatsgevonden.



Overige reiskosten, fietsreparatie en vervanging (zonne)bril
De kosten ten aanzien van de reparatie van de fiets (nummer 9), de zonnebril (nummer 10) en het vervoer van en naar Den Haag in verband met de verzorging van de benadeelde partij na het ongeval (nummer 1 en 5) zijn door de verdediging niet weersproken en naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd. Ten aanzien van de gevorderde kosten ter vervanging van de gezondheidsbril (nummer 11) overweegt het hof dat deze kosten voldoende zijn onderbouwd gezien de overgelegde factuur en de mondelinge toelichting van de dochter over de speciale glazen ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof zal deze kosten daarom toewijzen.



Hoewel ten aanzien van de reiskosten van en naar het AMC door de verdediging is opgemerkt dat het dossier geen afsprakenoverzicht of betaalbewijzen bevat, is het hof gelet op de overgelegde medische rapportage, de schriftelijke toelichting en de toelichting ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat in ieder geval voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij in verband met de medische behandeling van het letsel (de diagnose en het plaatsen en verwijderen van de gipskoker) reiskosten van en naar het AMC heeft gemaakt. Het komt het hof voor dat deze kosten niet onredelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt, mede in aanmerking genomen de destijds hoge leeftijd van de benadeelde partij en de reisafstand tussen haar (toenmalige) woonplaats en het AMC. Dit deel van de vordering, dat het hof ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, ligt dan ook voor toewijzing gereed.



Gezien het voorgaande stelt het hof de totale omvang van de materiële schade vast op € 2.374,60.




Immateriële schade




In eerste aanleg is voor vergoeding van immateriële schade een bedrag van totaal € 1.500,- toegewezen. In zoverre ligt de vordering ter beoordeling voor aan het hof. Het oordeel van het hof over dit gedeelte van de vordering luidt als volgt.



Het hof acht op grond van het strafdossier, de (schriftelijke) onderbouwing van de vordering door de benadeelde partij en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat.



Artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Namens de benadeelde partij is ter onderbouwing van het lichamelijk letsel ter terechtzitting in hoger beroep een medische rapportage overgelegd van het AMC. Uit de medische rapportage blijkt dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde feit diverse bloedende wondjes en hematomen in het aangezicht, een breuk van het neusbeen en een breuk van het spaakbeen bij de rechterpols (die doorliep in het gewricht), heeft opgelopen. Uit de foto’s en de (schriftelijke) toelichting van de benadeelde partij blijkt dat haar arm gedurende zes weken in een gipskoker zat. Uit het verzoek tot schadevergoeding en de toelichting ter terechtzitting in hoger beroep volgt verder dat de benadeelde partij gewond was aan haar dominante hand en vanwege het bewezenverklaarde handelen van de verdachte hulp nodig had bij dagelijkse taken in de huishouding en verzorging zoals wassen en aankleden. Het is het hof uit de schriftelijke toelichting van de benadeelde partij verder gebleken dat het slachtoffer na het bewezenverklaarde feit kampte met angst in het verkeer en slaapproblemen. Het hof is alles in samenhang bezien daarom van oordeel dat ook een immateriële schadevergoeding moet worden toegekend.



Rotterdamse Schaal
Bij het vaststellen van deze schadevergoeding maakt het hof gebruik van de Rotterdamse Schaal en hanteert zij de door het LOVS vastgestelde aanbevelingen. Bij meervoudig letsel geldt de aanbeveling om het zwaarste letsel volledig mee te tellen, het in ernst tweede letsel voor 50% en om overig of verder letsel niet als percentage mee te wegen, maar dit te betrekken als factor bij de hoogte van het smartengeld.



Het hof is van oordeel dat de breuk in het spaakbeen van de rechterpols, die doorliep in het gewricht valt onder categorie 5 'orthopedisch letsel' onder d 'gering polsletsel' onder II van de Rotterdamse Schaal. Het hof beschouwt dit letsel als het primaire letsel en acht op basis van de Rotterdamse schaal (na matiging, vanwege gebrek aan informatie over het verloop van het herstel) een bedrag van € 1.500,00 voor dit letsel billijk. Het hof heeft daarbij als relevante factoren voor de omvang van het smartengeld onder meer meegewogen de (hoge) leeftijd van het slachtoffer, dat sprake was van letsel aan haar dominante arm en de psychische gevolgen en weerslag op haar dagelijks leven. De breuk van het neusbeen beschouwt het hof als het secundaire letsel.



De vraag of er aanleiding zou zijn tot verdere vergoeding van immateriële schade, nu de benadeelde partij niet alleen haar pols had gebroken maar ook ander letsel had, behoeft echter geen verdere bespreking, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de omvang van de vordering in hoger beroep. Het hof zal de immateriële schade, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, toewijzen tot een bedrag van € 1.500,00.



De verdachte is tot vergoeding van de hiervoor vastgestelde schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 15 juni 2024. Het hof zal daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.





Toewijzing van de vordering bij overleden benadeelde partij

Uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij kort na het vonnis van 18 maart 2025 van de kantonrechter, is overleden op 20 maart 2025. De kantonrechter heeft de vordering van de benadeelde partij blijkens de aantekening mondeling vonnis toegewezen aan haar dochter [persoon]. Het hof stelt in dat kader voorop dat het strafgeding niet voorziet in de mogelijkheid dat in geval van overlijden van de benadeelde partij de erfgenaam zich in het geding voegt en de (proces)positie van de benadeelde partij overneemt. Dit betekent dat ook indien degene die zich op de voet van art. 51f, eerste lid Sv als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd, is overleden, de rechter ingevolge art. 361, vierde lid, Sv dient te beslissen op diens vordering (vgl. ECLI:NL:HR:2014:917, r.o. 3.4 – 3.5). Het hof zal de vordering tot het toegewezen bedrag daarom dan ook toewijzen aan de overleden benadeelde partij [slachtoffer]. Als gevolg daarvan zal de vordering op de voet van art. 6:106 BW onder algemene titel (vererving van een smartengeldvordering) in gevolge artikel 3:80 lid 2 BW overgaan op haar erfgena(a)m(en).





Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77h, 77l, 77x, 77y en 77z van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.





BESLISSING


Het hof:



Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:



Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.



Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.



Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.



Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen jeugddetentie.



Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.




Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.874,60 (drieduizend achthonderdvierenzeventig euro en zestig cent) bestaande uit € 2.374,60 (tweeduizend driehonderdvierenzeventig euro en zestig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.874,60 (drieduizend achthonderdvierenzeventig euro en zestig cent) bestaande uit € 2.374,60 (tweeduizend driehonderdvierenzeventig euro en zestig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul)dagen.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 15 juni 2024.



Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. C.A. Boom en mr. M.K. Durdu-Agema, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 september 2026.













Mr. M.T.C. de Vries en mr. M.K. Durdu-Agema zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.