Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2420
2026-09-08
Civiel recht
200.364.511
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tussen partijen bestond een arbeidsovereenkomst. Werkgever heeft werknemer op staande voet ontslagen. In hoger beroep staat vast dat dit ontslag niet rechtsgeldig was, zodat het ernstig verwijtbaar handelen door werkgever is gegeven en een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW toewijsbaar is. Het hof kent aan werknemer een billijke vergoeding toe van € 7.500,- bruto. Het hof oordeelt dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer, zodat werkgever aan hem de transitievergoeding is verschuldigd
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2017:1187 Hoge Raad 30-06-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.711 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.364.511/01
zaaknummer rechtbank : 11811587 \ EA VERZ 25-850
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 september 2026
inzake
[appellant]
,
wonend in [plaats 1] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M. Pinarbasi te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde]
,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.J. Tavasszy te 's-Gravenhage.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1Zaak in het kort
Tussen partijen bestond een arbeidsovereenkomst. [geïntimeerde] heeft [appellant] op staande voet ontslagen. In hoger beroep staat vast dat dit ontslag niet rechtsgeldig was, zodat het ernstig verwijtbaar handelen door [geïntimeerde] is gegeven en een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW toewijsbaar is. Het hof kent aan [appellant] een billijke vergoeding toe van € 7.500,- bruto. Het hof oordeelt dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [appellant] , zodat [geïntimeerde] aan hem de transitievergoeding is verschuldigd.
2Geding in hoger beroep
[appellant] is bij beroepschrift, met producties, van 3 februari 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) op 3 november 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven tussen [appellant] als verzoeker, tevens verweerder in het zelfstandig tegenverzoek, en [geïntimeerde] als verweerster, tevens verzoekster in het zelfstandig tegenverzoek. Op 6 januari 2026 heeft de kantonrechter op verzoek van [geïntimeerde] en nadat [appellant] is gehoord op grond van artikel 31 Rv een kennelijke fout in voormelde beschikking verbeterd (hierna: de bestreden beschikking).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
een verweerschrift in hoger beroep, tevens beroepschrift in incidenteel hoger beroep, met producties, van de zijde van [geïntimeerde] , en
een verweerschrift in incidenteel hoger beroep van de zijde van [appellant] .
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 1 juli 2026 laten toelichten, [appellant] door mr. Pinarbasi en [geïntimeerde] door mr. Tavasszy. Partijen hebben tevens vragen van het hof beantwoord. Ten slotte is een beschikking gevraagd.
3Feiten
De kantonrechter heeft onder 2.1 tot en met 2.4 van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof daarvan uitgaat, behoudens een aanpassing zoals hierna weergegeven onder 3.3. en met partijen besproken op de zitting in hoger beroep.
3.1.
[appellant] , geboren op [DATA] , is op 1 februari 2001 bij [geïntimeerde] in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van algemeen medewerker tegen een salaris van € 2.327,50 bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld.
3.2.
[appellant] is verwikkeld geweest in een echtscheiding met een zus van [naam] en [geïntimeerde] , de vennoten van [geïntimeerde] . De voormalig echtgenote van [appellant] is eveneens werkzaam geweest bij [geïntimeerde] . De echtscheiding heeft geleid tot spanningen tussen [appellant] en zijn voormalige schoonfamilie.
3.3.
[appellant] is met toestemming van [geïntimeerde] op 22 februari 2025 voor vakantie naar [plaats 3] vertrokken. Hij is op 27 mei 2025 teruggekeerd.
3.4.
Bij brief van 1 mei 2025 heeft [geïntimeerde] [appellant] de arbeidsovereenkomst wegens dringende redenen opgezegd met ingang van 31 mei 2025. Deze brief is verzonden naar de voormalig echtelijke woning van [appellant] , waar hij op dat moment al enige maanden niet meer woonde. [appellant] heeft in september 2025 kennisgenomen van de inhoud van deze brief. [geïntimeerde] heeft het loon van [appellant] doorbetaald tot en met 31 mei 2025.
4Procedure in eerste aanleg
4.1.
[appellant] is een procedure bij de kantonrechter gestart. [appellant] heeft, na wijziging van zijn verzoek, te kennen gegeven te berusten in het ontslag op staande voet en heeft de kantonrechter onder meer verzocht om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van:
een transitievergoeding,
een gefixeerde schadevergoeding, en
een billijke vergoeding van € 23.275,- bruto,
met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
4.2.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [appellant] , met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Bij wijze van zelfstandig tegenverzoek heeft [geïntimeerde] verzocht de arbeidsovereenkomst met [appellant] te ontbinden.
4.3.
In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst met [appellant] niet rechtsgeldig heeft opgezegd, omdat een dringende reden daarvoor ontbrak. Daartoe heeft de kantonrechter – samengevat weergegeven – overwogen dat [appellant] in februari 2025 met toestemming van [geïntimeerde] verlof heeft opgenomen en dat partijen geen duidelijke afspraken hebben gemaakt over wanneer [appellant] zijn werkzaamheden zou hervatten. De brieven die [geïntimeerde] aan [appellant] heeft verstuurd, waarin [appellant] werd verzocht weer op zijn werk te verschijnen, zijn verstuurd naar de voormalige echtelijke woning van [appellant] , terwijl [geïntimeerde] wist dat hij daar niet langer verbleef. Daar staat tegenover dat [appellant] kan worden verweten dat hij zijn werkgever in het ongewisse heeft gelaten over zijn terugkeer, terwijl zijn afwezigheid langer duurde dan de vier weken verlof waarop hij jaarlijks aanspraak had. Dit verwijt is echter niet zo ernstig dat het een ontslag op staande voet rechtvaardigt, aldus nog steeds de kantonrechter. Daarnaast heeft de kantonrechter geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst met [appellant] door de brief van 1 mei 2025 van [geïntimeerde] is geëindigd omdat [appellant] in de opzegging heeft berust, zodat op het zelfstandige tegenverzoek tot ontbinding niet hoefde te worden beslist. [geïntimeerde] is veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 7.541,10 bruto en een transitievergoeding van € 20.388,90 bruto. De verzochte billijke vergoeding is afgewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd.
5Procedure in hoger beroep
5.1.
Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] in principaal hoger beroep met één grief op. [appellant] verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin de billijke vergoeding is afgewezen, en [geïntimeerde] alsnog te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 23.275,- bruto, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure van beide instanties.
5.2.
[geïntimeerde] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking, behoudens de beslissing ten aanzien van de transitievergoeding van € 20.388,90 bruto. [geïntimeerde] verzoekt in incidenteel hoger beroep vernietiging van die beslissing. In zowel principaal als incidenteel hoger beroep verzoekt [geïntimeerde] [appellant] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.
5.3.
[appellant] heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van de grief van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure. [appellant] heeft in incidenteel hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.
6Beoordeling
6.1.
Het hof stelt voorop dat in hoger beroep geen grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het door [geïntimeerde] aan [appellant] gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was, en ook niet tegen de toekenning van de gefixeerde schadevergoeding. Deze beslissingen staan dus vast. Het principaal en incidenteel hoger beroep spitsen zich toe op (i) de vraag of [geïntimeerde] , gelet op het door haar gestelde ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [appellant] , een transitievergoeding is verschuldigd, en (ii) de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, [appellant] een billijke vergoeding toekomt.
Transitievergoeding
6.2.
[geïntimeerde] komt met haar grief in incidenteel hoger beroep op tegen de beslissing van de kantonrechter dat [geïntimeerde] aan [appellant] een transitievergoeding is verschuldigd, omdat [appellant] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld dan wel nagelaten. Ter onderbouwing daarvan heeft [geïntimeerde] – samengevat weergegeven – aangevoerd dat [appellant] [geïntimeerde] in het ongewisse heeft gelaten over zijn terugkeer uit [plaats 3] , dat [appellant] nimmer heeft bewezen dat hij toestemming heeft gekregen voor een langer verblijf in [plaats 3] en dat [appellant] niet de intentie had om zijn werkzaamheden te hervatten. Voor het geval het hof tot het oordeel zou komen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat aan [appellant] geen transitievergoeding is verschuldigd, heeft [geïntimeerde] verzocht te bepalen dat slechts een gedeelte van de transitievergoeding is verschuldigd.
6.3.
Op grond van artikel 7:673 lid 7, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is geen transitievergoeding verschuldigd als het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, tenzij het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 7:673 lid 8 BW). Uit vaste rechtspraak volgt dat deze uitzonderingsgrond terughoudend moet worden toegepast. Een werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding slechts verliezen in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidende handelen of nalaten van de werknemer niet slechts als verwijtbaar, maar als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Voor toepassing van deze uitzonderingsgrond geldt een hoge drempel.
6.4.
Het hof oordeelt als volgt. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij met [geïntimeerde] had afgesproken dat hij één tot twee maanden verlof zou opnemen. Volgens [geïntimeerde] betrof dit één maand. In het midden kan blijven welke afspraken partijen hierover precies hebben gemaakt. Ook wanneer wordt uitgegaan van de door [geïntimeerde] gestelde afspraak dat [appellant] slechts één maand verlof was toegestaan, leidt dat niet tot het oordeel dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [appellant] . Daartoe is het volgende redengevend. Het hof stelt vast dat partijen geen duidelijke afspraken hebben gemaakt over de duur van het verlof en het moment waarop [appellant] zijn werkzaamheden zou hervatten. Vaststaat dat [appellant] ook na het verstrijken van de door hem gestelde periode van één of twee maanden verlof niet is teruggekeerd uit [plaats 3] en dat hij [geïntimeerde] niet over zijn langere verblijf heeft geïnformeerd. Van [appellant] had als goed werknemer verlangd mogen worden dat hij zijn werkgever uit eigen beweging had geïnformeerd over de verlenging van zijn verblijf in [plaats 3] . Daar staat echter tegenover dat [geïntimeerde] beschikte over het telefoonnummer van [appellant] en dat zij tijdens het verlof van [appellant] meermaals contact hebben gehad. Tijdens deze contactmomenten heeft [geïntimeerde] niet geïnformeerd naar de terugkeer van [appellant] . Evenmin heeft [geïntimeerde] kenbaar gemaakt dat en wanneer zij verwachtte dat [appellant] zijn werkzaamheden zou hervatten of heeft zij hem gewezen op de mogelijke gevolgen indien hij niet op het werk zou verschijnen. De brieven die [geïntimeerde] vervolgens heeft gestuurd aan [appellant] , waarin zij hem hier wel op wees, zijn verstuurd naar de voormalig echtelijke woning van [appellant] , terwijl [geïntimeerde] wist dat [appellant] daar al enige tijd niet meer woonde. Onder deze omstandigheden is de handelwijze van [appellant] , mede gelet op de onduidelijke afspraken tussen partijen hierover, onvoldoende ernstig om te kunnen spreken van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten als bedoeld in artikel 7:673 lid 7, aanhef en onder c, BW. Dit betekent dat [geïntimeerde] aan [appellant] de transitievergoeding is verschuldigd. Het incidenteel hoger beroep slaagt niet.
Billijke vergoeding
6.5.
[appellant] komt met zijn grief in principaal hoger beroep op tegen de afwijzing van de billijke vergoeding en heeft het hof verzocht om toekenning van een billijke vergoeding van € 23.275,- bruto. Hij heeft toegelicht dat dit bedrag overeenkomt met twaalf maandsalarissen en billijk en passend is, gelet op – samengevat weergegeven – zijn langdurige dienstverband, zijn leeftijd, de geringe herplaatsingskansen op korte termijn en de aantasting van zijn gezondheid en persoonlijke waardigheid.
6.6.
Zoals hiervoor is overwogen, staat vast dat het door [geïntimeerde] gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was. Dit betekent dat [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst van [appellant] in strijd met de daarvoor geldende wettelijke voorschriften heeft opgezegd. Met het geven van een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet is het ernstig verwijtbaar handelen door [geïntimeerde] gegeven, zodat [appellant] op grond van artikel 7:681 lid 1, aanhef en onder a, BW, in beginsel aanspraak heeft op een billijke vergoeding.
6.7.
Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding komt het volgens vaste rechtspraak aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval, waarbij acht wordt geslagen op de door de Hoge Raad in de New-Hairstyle-beschikking (ECLI:NL:HR:2017:1187) genoemde en nadien herhaalde gezichtspunten. Uit de NewHairstyle-beschikking blijkt dat het bij de begroting van de billijke vergoeding uiteindelijk erom gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Daarbij kan rekening worden gehouden met de (financiële) gevolgen van het ontslag, voor zover deze gevolgen zijn toe te rekenen aan het van het ontslag te maken verwijt aan de werkgever. De billijke vergoeding heeft geen specifiek punitief karakter.
6.8.
Bij de toepassing van deze maatstaf betrekt het hof de gevolgen voor de werknemer van het verlies van de arbeidsovereenkomst. Deze gevolgen worden naar hun aard mede bepaald door de ‘waarde’ van de arbeidsovereenkomst. In dat verband dient te worden vastgesteld hoe lang deze – schattenderwijs – nog zou hebben geduurd, uitgaande van de fictieve situatie dat de werkgever niet ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld. Daarnaast neemt het hof de overige in de New-Hairstyle-beschikking genoemde gezichtspunten in aanmerking, zoals de vraag of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden dan wel recht heeft op een uitkering, en (andere) inkomsten die hij in redelijkheid in de toekomst kan verwerven.
6.9.
Het hof beoordeelt eerst hoe lang de arbeidsovereenkomst naar verwachting zou hebben voortgeduurd indien [geïntimeerde] [appellant] niet ten onrechte op staande voet zou hebben ontslagen. Het hof volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat de arbeidsovereenkomst dan nog twaalf maanden zou hebben voortgeduurd. Het hof acht aannemelijk dat het dienstverband tussen partijen alsnog binnen afzienbare tijd zou zijn geëindigd. Het hof gaat er daarbij van uit dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [appellant] op verzoek van [geïntimeerde] zou hebben ontbonden vanwege een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond). Dat de arbeidsverhouding tussen partijen ernstig en duurzaam verstoord is (geraakt) vindt niet uitsluitend haar oorzaak in het conflict tussen partijen over de (gestelde ongeoorloofde) afwezigheid van [appellant] , maar mede – en voornamelijk – in de ontstane spanningen in de familie. Anders dan [appellant] betoogt, kunnen de familierechtelijke en arbeidsrechtelijke verhoudingen in dit geval niet goed los van elkaar worden gezien. Deze verhoudingen zijn (en waren) nauw met elkaar verweven en hebben altijd door elkaar gelopen. Ook tijdens de zitting in hoger beroep is gebleken dat de spanningen en emoties tussen partijen nog steeds onverminderd aanwezig waren. Dat bevestigt naar het oordeel van het hof dat de arbeidsverhouding ook zonder het ontslag op staande voet binnen afzienbare tijd zou zijn geëindigd. Het hof schat de resterende duur van het dienstverband in de fictieve situatie dat niet zou zijn opgezegd op circa zeven maanden, te rekenen vanaf 1 mei 2025, de datum van de onrechtmatige opzegging. Deze periode is gebaseerd op drie maanden proceduretijd bij de kantonrechter en vier maanden opzegtermijn.
6.10.
Bij de berekening van de gemiste inkomsten over die periode neemt het hof het bruto maandsalaris van [appellant] inclusief vakantietoeslag van € 2.523,50 bruto als uitgangspunt. Het hof brengt daarop in mindering de inkomsten die [appellant] in deze periode heeft ontvangen. Dat betreft het door [geïntimeerde] betaalde salaris over de maand mei 2025 en de door de kantonrechter toegekende gefixeerde schadevergoeding van € 7.541,10 bruto, die in hoger beroep niet ter discussie staat. Hiermee is in het loon over de opzegtermijn voorzien. Het hof ziet geen aanleiding de ontvangen transitievergoeding en de WW-uitkering op de billijke vergoeding in mindering te brengen, mede gelet op het feit dat [appellant] na het ontslag zonder werk is komen te zitten en momenteel nog geen uitzicht heeft op een dienstverband elders.
6.11.
Het hof overweegt verder dat, anders dan met het geven van een onterecht ontslag op staande voet, van enig ‘aanvullend’ ernstig verwijtbaar handelen van de zijde van [geïntimeerde] geen sprake is. Dat [geïntimeerde] geen deugdelijke verlofadministratie zou bijhouden en de reden van het ontslag op een onjuiste grondslag heeft gebaseerd, zoals [appellant] heeft gesteld, is, ook indien dat vast zou komen te staan, onvoldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [geïntimeerde] . De overige door [appellant] aangevoerde omstandigheden, zoals een financieel kwetsbare positie, zijn leeftijd, zijn beperkte kansen op de arbeidsmarkt, zijn gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal en zijn ziekmelding bij het UWV begin 2026, geven het hof geen aanleiding de billijke vergoeding op een hoger bedrag vast te stellen. In de fictieve situatie dat de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter op de g-grond zou zijn ontbonden, zouden deze omstandigheden zich namelijk eveneens hebben voorgedaan.
6.12.
Gelet op al deze feiten en omstandigheden van het geval stelt het hof de billijke vergoeding vast op (afgerond) € 7.500,- bruto. Daarmee wordt [appellant] naar het oordeel van het hof voldoende gecompenseerd voor het ten onrechte gegeven ontslag op staande voet. Het voorgaande betekent dat grief 1 in principaal hoger beroep (gedeeltelijk) slaagt.
Slotsom en proceskosten
6.13.
De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking, omdat deze niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
6.14.
De slotsom is dat het principaal hoger beroep (gedeeltelijk) slaagt en het incidenteel hoger beroep niet slaagt. Het hof zal de bestreden beschikking gedeeltelijk vernietigen, zoals hierna vermeld.
6.15.
Gelet op de uitkomst van het hoger beroep veroordeelt het hof [geïntimeerde] in de proceskosten van het principaal en incidenteel hoger beroep, en in de kosten van het geding in eerste aanleg. Aan de zijde van [appellant] zijn de proceskosten in hoger beroep tot op heden begroot op € 4.243,-, bestaande uit € 373,- griffierecht en € 3.870,- voor salaris advocaat (tweemaal tarief II voor het principaal hoger beroep plus tweemaal de helft van tarief II voor het incidenteel hoger beroep), en die in eerste aanleg op € 667,-, bestaande uit € 577,- voor salaris advocaat plus € 90,- griffierecht.
7Beslissing
Het hof:
rechtdoende in principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij een billijke vergoeding is afgewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- kent aan [appellant] ten laste van [geïntimeerde] een billijke vergoeding toe van € 7.500,- bruto en veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van die vergoeding aan [appellant] ;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 667,-;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 4.243,-;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.F. Hillen, A.L. Bervoets en F.J. van de Poel en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.364.511/01
zaaknummer rechtbank : 11811587 \ EA VERZ 25-850
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 september 2026
inzake
[appellant]
,
wonend in [plaats 1] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M. Pinarbasi te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde]
,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.J. Tavasszy te 's-Gravenhage.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1Zaak in het kort
Tussen partijen bestond een arbeidsovereenkomst. [geïntimeerde] heeft [appellant] op staande voet ontslagen. In hoger beroep staat vast dat dit ontslag niet rechtsgeldig was, zodat het ernstig verwijtbaar handelen door [geïntimeerde] is gegeven en een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW toewijsbaar is. Het hof kent aan [appellant] een billijke vergoeding toe van € 7.500,- bruto. Het hof oordeelt dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [appellant] , zodat [geïntimeerde] aan hem de transitievergoeding is verschuldigd.
2Geding in hoger beroep
[appellant] is bij beroepschrift, met producties, van 3 februari 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) op 3 november 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven tussen [appellant] als verzoeker, tevens verweerder in het zelfstandig tegenverzoek, en [geïntimeerde] als verweerster, tevens verzoekster in het zelfstandig tegenverzoek. Op 6 januari 2026 heeft de kantonrechter op verzoek van [geïntimeerde] en nadat [appellant] is gehoord op grond van artikel 31 Rv een kennelijke fout in voormelde beschikking verbeterd (hierna: de bestreden beschikking).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
een verweerschrift in hoger beroep, tevens beroepschrift in incidenteel hoger beroep, met producties, van de zijde van [geïntimeerde] , en
een verweerschrift in incidenteel hoger beroep van de zijde van [appellant] .
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 1 juli 2026 laten toelichten, [appellant] door mr. Pinarbasi en [geïntimeerde] door mr. Tavasszy. Partijen hebben tevens vragen van het hof beantwoord. Ten slotte is een beschikking gevraagd.
3Feiten
De kantonrechter heeft onder 2.1 tot en met 2.4 van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof daarvan uitgaat, behoudens een aanpassing zoals hierna weergegeven onder 3.3. en met partijen besproken op de zitting in hoger beroep.
3.1.
[appellant] , geboren op [DATA] , is op 1 februari 2001 bij [geïntimeerde] in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van algemeen medewerker tegen een salaris van € 2.327,50 bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld.
3.2.
[appellant] is verwikkeld geweest in een echtscheiding met een zus van [naam] en [geïntimeerde] , de vennoten van [geïntimeerde] . De voormalig echtgenote van [appellant] is eveneens werkzaam geweest bij [geïntimeerde] . De echtscheiding heeft geleid tot spanningen tussen [appellant] en zijn voormalige schoonfamilie.
3.3.
[appellant] is met toestemming van [geïntimeerde] op 22 februari 2025 voor vakantie naar [plaats 3] vertrokken. Hij is op 27 mei 2025 teruggekeerd.
3.4.
Bij brief van 1 mei 2025 heeft [geïntimeerde] [appellant] de arbeidsovereenkomst wegens dringende redenen opgezegd met ingang van 31 mei 2025. Deze brief is verzonden naar de voormalig echtelijke woning van [appellant] , waar hij op dat moment al enige maanden niet meer woonde. [appellant] heeft in september 2025 kennisgenomen van de inhoud van deze brief. [geïntimeerde] heeft het loon van [appellant] doorbetaald tot en met 31 mei 2025.
4Procedure in eerste aanleg
4.1.
[appellant] is een procedure bij de kantonrechter gestart. [appellant] heeft, na wijziging van zijn verzoek, te kennen gegeven te berusten in het ontslag op staande voet en heeft de kantonrechter onder meer verzocht om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van:
een transitievergoeding,
een gefixeerde schadevergoeding, en
een billijke vergoeding van € 23.275,- bruto,
met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
4.2.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [appellant] , met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Bij wijze van zelfstandig tegenverzoek heeft [geïntimeerde] verzocht de arbeidsovereenkomst met [appellant] te ontbinden.
4.3.
In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst met [appellant] niet rechtsgeldig heeft opgezegd, omdat een dringende reden daarvoor ontbrak. Daartoe heeft de kantonrechter – samengevat weergegeven – overwogen dat [appellant] in februari 2025 met toestemming van [geïntimeerde] verlof heeft opgenomen en dat partijen geen duidelijke afspraken hebben gemaakt over wanneer [appellant] zijn werkzaamheden zou hervatten. De brieven die [geïntimeerde] aan [appellant] heeft verstuurd, waarin [appellant] werd verzocht weer op zijn werk te verschijnen, zijn verstuurd naar de voormalige echtelijke woning van [appellant] , terwijl [geïntimeerde] wist dat hij daar niet langer verbleef. Daar staat tegenover dat [appellant] kan worden verweten dat hij zijn werkgever in het ongewisse heeft gelaten over zijn terugkeer, terwijl zijn afwezigheid langer duurde dan de vier weken verlof waarop hij jaarlijks aanspraak had. Dit verwijt is echter niet zo ernstig dat het een ontslag op staande voet rechtvaardigt, aldus nog steeds de kantonrechter. Daarnaast heeft de kantonrechter geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst met [appellant] door de brief van 1 mei 2025 van [geïntimeerde] is geëindigd omdat [appellant] in de opzegging heeft berust, zodat op het zelfstandige tegenverzoek tot ontbinding niet hoefde te worden beslist. [geïntimeerde] is veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 7.541,10 bruto en een transitievergoeding van € 20.388,90 bruto. De verzochte billijke vergoeding is afgewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd.
5Procedure in hoger beroep
5.1.
Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] in principaal hoger beroep met één grief op. [appellant] verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin de billijke vergoeding is afgewezen, en [geïntimeerde] alsnog te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 23.275,- bruto, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure van beide instanties.
5.2.
[geïntimeerde] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking, behoudens de beslissing ten aanzien van de transitievergoeding van € 20.388,90 bruto. [geïntimeerde] verzoekt in incidenteel hoger beroep vernietiging van die beslissing. In zowel principaal als incidenteel hoger beroep verzoekt [geïntimeerde] [appellant] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.
5.3.
[appellant] heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van de grief van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure. [appellant] heeft in incidenteel hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.
6Beoordeling
6.1.
Het hof stelt voorop dat in hoger beroep geen grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het door [geïntimeerde] aan [appellant] gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was, en ook niet tegen de toekenning van de gefixeerde schadevergoeding. Deze beslissingen staan dus vast. Het principaal en incidenteel hoger beroep spitsen zich toe op (i) de vraag of [geïntimeerde] , gelet op het door haar gestelde ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [appellant] , een transitievergoeding is verschuldigd, en (ii) de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, [appellant] een billijke vergoeding toekomt.
Transitievergoeding
6.2.
[geïntimeerde] komt met haar grief in incidenteel hoger beroep op tegen de beslissing van de kantonrechter dat [geïntimeerde] aan [appellant] een transitievergoeding is verschuldigd, omdat [appellant] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld dan wel nagelaten. Ter onderbouwing daarvan heeft [geïntimeerde] – samengevat weergegeven – aangevoerd dat [appellant] [geïntimeerde] in het ongewisse heeft gelaten over zijn terugkeer uit [plaats 3] , dat [appellant] nimmer heeft bewezen dat hij toestemming heeft gekregen voor een langer verblijf in [plaats 3] en dat [appellant] niet de intentie had om zijn werkzaamheden te hervatten. Voor het geval het hof tot het oordeel zou komen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat aan [appellant] geen transitievergoeding is verschuldigd, heeft [geïntimeerde] verzocht te bepalen dat slechts een gedeelte van de transitievergoeding is verschuldigd.
6.3.
Op grond van artikel 7:673 lid 7, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is geen transitievergoeding verschuldigd als het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, tenzij het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 7:673 lid 8 BW). Uit vaste rechtspraak volgt dat deze uitzonderingsgrond terughoudend moet worden toegepast. Een werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding slechts verliezen in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidende handelen of nalaten van de werknemer niet slechts als verwijtbaar, maar als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Voor toepassing van deze uitzonderingsgrond geldt een hoge drempel.
6.4.
Het hof oordeelt als volgt. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij met [geïntimeerde] had afgesproken dat hij één tot twee maanden verlof zou opnemen. Volgens [geïntimeerde] betrof dit één maand. In het midden kan blijven welke afspraken partijen hierover precies hebben gemaakt. Ook wanneer wordt uitgegaan van de door [geïntimeerde] gestelde afspraak dat [appellant] slechts één maand verlof was toegestaan, leidt dat niet tot het oordeel dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [appellant] . Daartoe is het volgende redengevend. Het hof stelt vast dat partijen geen duidelijke afspraken hebben gemaakt over de duur van het verlof en het moment waarop [appellant] zijn werkzaamheden zou hervatten. Vaststaat dat [appellant] ook na het verstrijken van de door hem gestelde periode van één of twee maanden verlof niet is teruggekeerd uit [plaats 3] en dat hij [geïntimeerde] niet over zijn langere verblijf heeft geïnformeerd. Van [appellant] had als goed werknemer verlangd mogen worden dat hij zijn werkgever uit eigen beweging had geïnformeerd over de verlenging van zijn verblijf in [plaats 3] . Daar staat echter tegenover dat [geïntimeerde] beschikte over het telefoonnummer van [appellant] en dat zij tijdens het verlof van [appellant] meermaals contact hebben gehad. Tijdens deze contactmomenten heeft [geïntimeerde] niet geïnformeerd naar de terugkeer van [appellant] . Evenmin heeft [geïntimeerde] kenbaar gemaakt dat en wanneer zij verwachtte dat [appellant] zijn werkzaamheden zou hervatten of heeft zij hem gewezen op de mogelijke gevolgen indien hij niet op het werk zou verschijnen. De brieven die [geïntimeerde] vervolgens heeft gestuurd aan [appellant] , waarin zij hem hier wel op wees, zijn verstuurd naar de voormalig echtelijke woning van [appellant] , terwijl [geïntimeerde] wist dat [appellant] daar al enige tijd niet meer woonde. Onder deze omstandigheden is de handelwijze van [appellant] , mede gelet op de onduidelijke afspraken tussen partijen hierover, onvoldoende ernstig om te kunnen spreken van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten als bedoeld in artikel 7:673 lid 7, aanhef en onder c, BW. Dit betekent dat [geïntimeerde] aan [appellant] de transitievergoeding is verschuldigd. Het incidenteel hoger beroep slaagt niet.
Billijke vergoeding
6.5.
[appellant] komt met zijn grief in principaal hoger beroep op tegen de afwijzing van de billijke vergoeding en heeft het hof verzocht om toekenning van een billijke vergoeding van € 23.275,- bruto. Hij heeft toegelicht dat dit bedrag overeenkomt met twaalf maandsalarissen en billijk en passend is, gelet op – samengevat weergegeven – zijn langdurige dienstverband, zijn leeftijd, de geringe herplaatsingskansen op korte termijn en de aantasting van zijn gezondheid en persoonlijke waardigheid.
6.6.
Zoals hiervoor is overwogen, staat vast dat het door [geïntimeerde] gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was. Dit betekent dat [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst van [appellant] in strijd met de daarvoor geldende wettelijke voorschriften heeft opgezegd. Met het geven van een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet is het ernstig verwijtbaar handelen door [geïntimeerde] gegeven, zodat [appellant] op grond van artikel 7:681 lid 1, aanhef en onder a, BW, in beginsel aanspraak heeft op een billijke vergoeding.
6.7.
Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding komt het volgens vaste rechtspraak aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval, waarbij acht wordt geslagen op de door de Hoge Raad in de New-Hairstyle-beschikking (ECLI:NL:HR:2017:1187) genoemde en nadien herhaalde gezichtspunten. Uit de NewHairstyle-beschikking blijkt dat het bij de begroting van de billijke vergoeding uiteindelijk erom gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Daarbij kan rekening worden gehouden met de (financiële) gevolgen van het ontslag, voor zover deze gevolgen zijn toe te rekenen aan het van het ontslag te maken verwijt aan de werkgever. De billijke vergoeding heeft geen specifiek punitief karakter.
6.8.
Bij de toepassing van deze maatstaf betrekt het hof de gevolgen voor de werknemer van het verlies van de arbeidsovereenkomst. Deze gevolgen worden naar hun aard mede bepaald door de ‘waarde’ van de arbeidsovereenkomst. In dat verband dient te worden vastgesteld hoe lang deze – schattenderwijs – nog zou hebben geduurd, uitgaande van de fictieve situatie dat de werkgever niet ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld. Daarnaast neemt het hof de overige in de New-Hairstyle-beschikking genoemde gezichtspunten in aanmerking, zoals de vraag of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden dan wel recht heeft op een uitkering, en (andere) inkomsten die hij in redelijkheid in de toekomst kan verwerven.
6.9.
Het hof beoordeelt eerst hoe lang de arbeidsovereenkomst naar verwachting zou hebben voortgeduurd indien [geïntimeerde] [appellant] niet ten onrechte op staande voet zou hebben ontslagen. Het hof volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat de arbeidsovereenkomst dan nog twaalf maanden zou hebben voortgeduurd. Het hof acht aannemelijk dat het dienstverband tussen partijen alsnog binnen afzienbare tijd zou zijn geëindigd. Het hof gaat er daarbij van uit dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [appellant] op verzoek van [geïntimeerde] zou hebben ontbonden vanwege een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond). Dat de arbeidsverhouding tussen partijen ernstig en duurzaam verstoord is (geraakt) vindt niet uitsluitend haar oorzaak in het conflict tussen partijen over de (gestelde ongeoorloofde) afwezigheid van [appellant] , maar mede – en voornamelijk – in de ontstane spanningen in de familie. Anders dan [appellant] betoogt, kunnen de familierechtelijke en arbeidsrechtelijke verhoudingen in dit geval niet goed los van elkaar worden gezien. Deze verhoudingen zijn (en waren) nauw met elkaar verweven en hebben altijd door elkaar gelopen. Ook tijdens de zitting in hoger beroep is gebleken dat de spanningen en emoties tussen partijen nog steeds onverminderd aanwezig waren. Dat bevestigt naar het oordeel van het hof dat de arbeidsverhouding ook zonder het ontslag op staande voet binnen afzienbare tijd zou zijn geëindigd. Het hof schat de resterende duur van het dienstverband in de fictieve situatie dat niet zou zijn opgezegd op circa zeven maanden, te rekenen vanaf 1 mei 2025, de datum van de onrechtmatige opzegging. Deze periode is gebaseerd op drie maanden proceduretijd bij de kantonrechter en vier maanden opzegtermijn.
6.10.
Bij de berekening van de gemiste inkomsten over die periode neemt het hof het bruto maandsalaris van [appellant] inclusief vakantietoeslag van € 2.523,50 bruto als uitgangspunt. Het hof brengt daarop in mindering de inkomsten die [appellant] in deze periode heeft ontvangen. Dat betreft het door [geïntimeerde] betaalde salaris over de maand mei 2025 en de door de kantonrechter toegekende gefixeerde schadevergoeding van € 7.541,10 bruto, die in hoger beroep niet ter discussie staat. Hiermee is in het loon over de opzegtermijn voorzien. Het hof ziet geen aanleiding de ontvangen transitievergoeding en de WW-uitkering op de billijke vergoeding in mindering te brengen, mede gelet op het feit dat [appellant] na het ontslag zonder werk is komen te zitten en momenteel nog geen uitzicht heeft op een dienstverband elders.
6.11.
Het hof overweegt verder dat, anders dan met het geven van een onterecht ontslag op staande voet, van enig ‘aanvullend’ ernstig verwijtbaar handelen van de zijde van [geïntimeerde] geen sprake is. Dat [geïntimeerde] geen deugdelijke verlofadministratie zou bijhouden en de reden van het ontslag op een onjuiste grondslag heeft gebaseerd, zoals [appellant] heeft gesteld, is, ook indien dat vast zou komen te staan, onvoldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [geïntimeerde] . De overige door [appellant] aangevoerde omstandigheden, zoals een financieel kwetsbare positie, zijn leeftijd, zijn beperkte kansen op de arbeidsmarkt, zijn gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal en zijn ziekmelding bij het UWV begin 2026, geven het hof geen aanleiding de billijke vergoeding op een hoger bedrag vast te stellen. In de fictieve situatie dat de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter op de g-grond zou zijn ontbonden, zouden deze omstandigheden zich namelijk eveneens hebben voorgedaan.
6.12.
Gelet op al deze feiten en omstandigheden van het geval stelt het hof de billijke vergoeding vast op (afgerond) € 7.500,- bruto. Daarmee wordt [appellant] naar het oordeel van het hof voldoende gecompenseerd voor het ten onrechte gegeven ontslag op staande voet. Het voorgaande betekent dat grief 1 in principaal hoger beroep (gedeeltelijk) slaagt.
Slotsom en proceskosten
6.13.
De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking, omdat deze niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
6.14.
De slotsom is dat het principaal hoger beroep (gedeeltelijk) slaagt en het incidenteel hoger beroep niet slaagt. Het hof zal de bestreden beschikking gedeeltelijk vernietigen, zoals hierna vermeld.
6.15.
Gelet op de uitkomst van het hoger beroep veroordeelt het hof [geïntimeerde] in de proceskosten van het principaal en incidenteel hoger beroep, en in de kosten van het geding in eerste aanleg. Aan de zijde van [appellant] zijn de proceskosten in hoger beroep tot op heden begroot op € 4.243,-, bestaande uit € 373,- griffierecht en € 3.870,- voor salaris advocaat (tweemaal tarief II voor het principaal hoger beroep plus tweemaal de helft van tarief II voor het incidenteel hoger beroep), en die in eerste aanleg op € 667,-, bestaande uit € 577,- voor salaris advocaat plus € 90,- griffierecht.
7Beslissing
Het hof:
rechtdoende in principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij een billijke vergoeding is afgewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- kent aan [appellant] ten laste van [geïntimeerde] een billijke vergoeding toe van € 7.500,- bruto en veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van die vergoeding aan [appellant] ;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 667,-;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 4.243,-;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.F. Hillen, A.L. Bervoets en F.J. van de Poel en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.