Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:2388

2026-08-25 Civiel recht 200.332.325/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-08-25
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.332.325/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Effectenlease. Is vernietigingsrecht ex art. 1:88 BW en art. 1:89 BW verjaard? Bewijsopdracht.”

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.910 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I


zaaknummer : 200.332.325/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9580867 EL 21-332




arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 augustus 2026




inzake




DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,



tegen





[geïntimeerde] ,

wonend te [plaats] (België),
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.



Partijen worden hierna Dexia en [geïntimeerde] genoemd.






1Het geding in hoger beroep


Dexia is bij dagvaarding van 14 juli 2023 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 20 april 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie en verweerder in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.



Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met producties;
- akte uitlaten producties Dexia.


Ten slotte is arrest gevraagd.



Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.






2Feiten


Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.



2.1.

[geïntimeerde] heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:














Nr.




Contractnummer




Datum




Naam




Looptijd




Eindafrekening




Resultaat





1.



[nummer 1]



19-05-1998



[bedrijf 1]



120 mnd


19-05-2008


€ 1.089,94




2.



[nummer 2]



04-10-1999



[bedrijf 2]


120 mnd


01-10-2009


-/- € 9.337,08








2.2.
De echtgenote, met wie [geïntimeerde] ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten was gehuwd, heeft [geïntimeerde] geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten.



2.3.
Bij brief van 15 maart 2007 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW meegedeeld de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen.






3Beoordeling


3.1.
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. [geïntimeerde] en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.



3.2.
Deze procedure ziet op door [geïntimeerde] met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten waarvan de echtgenote de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging.



3.3.
De kantonrechter heeft voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd, heeft Dexia veroordeeld om aan [geïntimeerde] ter zake de effectenleaseovereenkomsten te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is, en heeft Dexia veroordeeld om aan [geïntimeerde] de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen.



3.4.
Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. In de grieven van Dexia ligt onder meer besloten dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten door de echtgenote niet is verjaard.



3.5.
Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. De echtgenote heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW het recht de effectenleaseovereenkomsten, die [geïntimeerde] is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan [geïntimeerde] geen schriftelijke toestemming is gegeven.



3.6.
Uit artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenote van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.



3.7.
De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenote daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenote bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenote met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenote wist van de effectenleaseovereenkomst en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenote kan worden afgeleid.



3.8.
Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenote tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenote pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018).



3.9.
De kantonrechter is (in rov. 7.7 van het tussenvonnis) voorbijgegaan aan de stelling van Dexia dat, zo begrijpt het hof, betalingen met betrekking tot de effectenleaseovereenkomsten zijn gedaan van een en/of-rekening. De kantonrechter heeft hierbij verwezen naar de stelling van [geïntimeerde] dat de betalingen plaatsvonden van (en naar) een privérekening die op zijn naam stond. Dexia is hiertegen niet opgekomen in hoger beroep. Het hof gaat daarom ervan uit dat bedoelde betalingen plaatsvonden van een privérekening van [geïntimeerde] . Dat betekent dat er geen plaats is voor een op betalingen van een en/of-rekening gegrond bewijsvermoeden over bekendheid met de effectenleaseovereenkomsten vóór 13 maart 2000. Ook overigens ziet het hof daar geen aanleiding toe.



3.10.
Dexia heeft in eerste aanleg gesteld dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 kennis heeft genomen van de effectenleaseovereenkomsten en daartoe onder meer het volgende aangevoerd:


naar algemene ervaringsregels bespreken echtgenoten het sluiten van effectenleaseovereenkomsten zoals deze met elkaar. Dat geldt in deze zaak te meer vanwege de totale leasesom van de effectenleaseovereenkomsten die een relatief grote omvang had (€ 72.337,10);



[geïntimeerde] en de echtgenote zijn in 1999 verhuisd. Bij een verhuizing dient een inventarisatie van de administratie dient plaats te vinden. Bovendien worden doorgaans de financiën van het gezin doorgenomen. Bij het afsluiten van een hypotheek wordt bovendien in de regel een BKR-toets uitgevoerd. Nu effectenleaseovereenkomsten geregistreerd zijn bij het BKR, komen deze bij het afsluiten van de hypotheek ook ter tafel. De effectenleaseovereenkomsten zullen dan ook rond de verhuizing in 1999 ter sprake zijn gekomen;


de echtgenote en de (klein)kinderen hebben zelf ook bij Dexia effectenleaseovereenkomsten afgesloten. Het is niet aannemelijk dat [geïntimeerde] en de echtgenote niet op de hoogte waren van elkaars effectenleaseovereenkomsten;


op de effectenleaseovereenkomsten is in totaal een bedrag van € 36.869,31 aan incasso’s betaald. Een dergelijke uitgave kan niet zijn gedaan zonder dat dit is besproken;


de echtgenote zal ook inkomen hebben gehad en beide salarissen zullen zijn gestort op de en/of-rekening. Het salaris van de echtgenote zal ook zijn aangewend voor de betaling van de maandtermijnen en dit moet reden zijn geweest voor de [geïntimeerde] om haar over de effectenleaseovereenkomsten te vertellen;



[geïntimeerde] heeft vanaf mei 1998 met betrekking tot de effectenleaseovereenkomsten op meerdere momenten poststukken van Dexia of haar rechtsvoorgangsters ontvangen op het huisadres van [geïntimeerde] en de echtgenote. Het is onaannemelijk dat de veelheid aan enveloppen de echtgenote onopgemerkt is gebleven, te meer nu de echtgenote zelf een effectenleaseovereenkomst is aangegaan;


Dexia gaat er vanuit dat [geïntimeerde] en de echtgenote gezamenlijk hun belastingaangifte indienden en dat de echtgenote deze heeft gelezen voordat zij deze ondertekende. Zodoende heeft zij kunnen zien dat [geïntimeerde] de verschuldigde rente heeft afgetrokken.



Aan de door de echtgenote in eerste aanleg op instructie van de kantonrechter overgelegde schriftelijke verklaringen kan volgens Dexia geen betekenis worden gehecht, onder meer omdat Dexia geen invloed had op de inhoud en beantwoording van de vragen en de totstandkoming van de verklaringen.
De echtgenote heeft betwist dat zij vóór 13 maart 2000 van de effectenleaseovereenkomsten kennis heeft genomen.




3.11.
Naar het oordeel van het hof heeft Dexia hiermee haar stelling dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten, voldoende toegelicht. Het hof zal Dexia overeenkomstig haar aanbod toelaten bewijs te leveren van haar stelling dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend is geworden met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten, zoals hierna onder 4.1 is vermeld.



3.12.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.






4Beslissing


Het hof:



4.1.
laat Dexia toe tot het leveren van bewijs van haar stelling dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten bekend is geworden;



4.2.
bepaalt dat als Dexia dit bewijs wenst te leveren door het laten horen van getuigen, een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van mr. L. Alwin die hierbij tot raadsheer-commissaris wordt benoemd. Dit verhoor zal plaatshebben in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam op 14 september 2026 om 13.30 uur;



4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.



Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, W.J.J. Los en R.M. de Winter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.